---
title: "HvJ EU, 130/79, Express Dairy Foods Limited, arrest van 12 juni 1980 · EEG-Verdrag art. 177 en art. 5"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 juni 1980, 130/79, Express Dairy Foods Limited: EEG-Verdrag art. 177 en art. 5."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-130-79-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-130-79-arret"
---

# Arrest van het Hof van 12 juni 1980, 130/79, Express Dairy Foods Limited · EEG-Verdrag art. 177 en art. 5

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

130/79

**ECLI**

ECLI:EU:C:1980:155

**Datum**

12 juni 1980

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

High Court of Justice (Queen's Bench Division), Queen's Bench Division, Commercial Court (Verenigd Koninkrijk) beslissing van 23 juli 1979 1979/E/900

**Zaak ingediend op**

10 augustus 1979

**Advocaat-generaal**

Capotorti

**Opmerkingen**

Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division beslissing van 8 oktober 1980 1979/E/900

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1980, blz. 1887

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Touffait

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Gemeenschapsrecht en nationaal recht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03) [Uitvoering van het gemeenschapsrecht in de nationale rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03.02) [Uitvoering van het gemeenschapsrecht in de nationale rechtsorde · Terugvordering van het onverschuldigd betaalde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03.02.01) 33 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Financiële bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-22) [Eigen middelen van de Gemeenschappen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-22.02) 53 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [Monetaire maatregelen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05) [Monetair compenserende bedragen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02) [Betrokken produkten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.05.02.02) 4 beslissingen

## Tekst

76 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De verwijzingsbeschikking en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

Verzoekster in het hoofdgeding, Express Dairy Foods Ltd, is een in Engeland en Wales gevestigde vennootschap. Tussen 1 februari 1973 en 7 augustus 1977 exporteerde zij aanzienlijke hoeveelheden weipoeder (post 04.02 A I van het gemeenschappelijk douanetarief) uit het Verenigd Koninkrijk naar andere Lid-Staten. Krachtens de destijds toepasselijke verordeningen van de Commissie betaalde verzoekster als monetair compenserende bedragen (mcb's) een bedrag van ongeveer UKL 267000 aan de Intervention Board for Agricultural Produce (hierna: IBAP), de instantie die naar Brits recht belast is met de inning van de uit hoofde van het gemeenschappelijk landbouwbeleid verschuldigde bedragen.

Bij arrest van 3 mei 1978 (zaak 131/77, Milac, Jurispr. 1978, blz. 1041) besliste het Hof van Justitie dat verordening (EEG) nr. 539/75 van de Commissie (PB nr. L 57 van 1975, blz. 2) — die van 3 maart tot en met 4 augustus 1975 van toepassing was — ongeldig was voor zover daarbij mcb's voor het handelsverkeer van weipoeder waren vastgesteld.

Op 24 mei 1979 stelde verzoekster voor de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Commercial Court, tegen verweerster een vordering in tot terugbetaling van alle als mcb's bij de uitvoer van weipoeder betaalde bedragen, vermeerderd met de rente daarover; zulks op grond dat alle verordeningen die tussen 1 februari 1973 en 7 augustus 1977 van kracht waren geweest, ongeldig waren voor zover daarbij mcb's voor het intracommunautaire handelsverkeer van weipoeder waren vastgesteld.

Verweerster heeft deze vordering betwist, stellende dat zij tot inning van de mcb's gehouden was uit hoofde van verordeningen die, afgezien van verordening nr. 539/75, geen van alle ongeldig zijn verklaard, en dat zij ook laatstgenoemde verordening had moeten toepassen tot de datum waarop het Hof de ongeldigheid ervan had uitgesproken.

De High Court heeft de procedure geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof bij beschikking van 23 juli 1979 verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende drie vragen:

Zijn, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in zaak 131/77, alle verordeningen van de Commissie, vastgesteld tussen 1 februari 1973 en 11 augustus 1977, ongeldig voor zover daarbij compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder zijn vastgesteld?

2\. Wanneer een verordening van de Commissie, krachtens welke monetair compenserende bedragen mogen dan wel moeten worden geheven, in een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag door het Hof van Justitie ongeldig is verklaard, zijn de bevoegde instanties van de Lid-Staten dan naar gemeenschapsrecht gehouden een gedeelte van de krachtens die verordening geïnde bedragen te restitueren en zo ja, welk gedeelte?

3\. Zo de bevoegde instanties van een Lid-Staat gehouden zouden zijn een gedeelte van deze bedragen te restitueren, zijn zij dan naar gemeenschapsrecht verplicht rente daarover te betalen; en zo ja, met ingang van welke datum en tegen welke rentevoet?”

De verwijzingsbeschikking is op 10 augustus 1978 ter griffie van het Hof ingeschreven. Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wainwright als gemachtigde, op 25 oktober 1979; door Express Dairy Foods, te dezen vertegenwoordigd door D. Vaughan en N. Forwood, barristers in Engeland en Wales, geïnstrueerd door M. D. N. Stewart, solicitor, op 13 november 1979; en door de Intervention Board for Agricultural Produce, te dezen vertegenwoordigd door P. Langdon-Davies, barrister in Engeland en Wales, geïnstrueerd door G. E. Gammie, solicitor, op 16 november 1979.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

##### A — De eerste vraag

Bij de behandeling van de eerste vraag hebben alle partijen in hun opmerkingen twee problemen aan de orde gesteld:

de geldigheid van de andere verordeningen;

de werking van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en in casu de werking van het arrest-Milac.

###### 1) De geldigheid van de andere verordeningen

Verzoekster in het hoofdgeding brengt de motivering van het arrest-Milac in herinnering en stelt voorts dat de prijs van weipoeder tussen 1971 en 1977 nooit afhankelijk is geweest van de prijs van ma-gere-melkpoeder. Zo er in verband met het arrest-Milac nieuwe vragen mochten rijzen, biedt zij aan bewijs te leveren voor de ongeldigheid van de verschillende verordeningen.

Zij geeft het Hof mitsdien in overweging, de eerste vraag te beantwoorden als volgt:

„Alle krachtens verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 vastgestelde verordeningen van de Commissie die tussen 1 februari 1973 en 11 augustus 1977 van kracht waren, zijn ongeldig voor zover daarbij compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder zijn vastgesteld”.

Hoewel verweerster in het hoofdgeding verklaart geen mening te hebben over de eerste vraag, stelt zij niettemin dat zij „elke behoorlijk gepubliceerde verordening geldig acht en haar blijft toepassen totdat een bevoegde rechter anders beslist”.

De Commissie acht het niet noodzakelijk de overwegingen die het Hof hebben geleid tot zijn uitspraak in de zaak-Milac, opnieuw te onderzoeken. Zij stelt dientengevolge voor „op de vraag eenvoudig te antwoorden dat in het licht van het arrest in zaak 131/77 en op grond van dezelfde overwegingen, alle verordeningen van de Commissie ongeldig zijn voor zover daarbij compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder zijn vastgesteld”.

###### 2) De werking van het arrest-Milac

Verweerster in bet hoofdgeding merkt op, dat het volgens haar geen twijfel lijdt dat deze beslissing in theorie slechts bindend is voor partijen bij de desbetreffende prejudiciële zaak, maar in casu heeft de Commissie erkend dat de onderhavige verordening ongeldig is. Dientengevolge is verweerster van oordeel dat de Commissie alle voor de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof geëigende maatregelen had moeten nemen, want volgens verweerster bestaat er geen merkbaar verschil tussen de plicht die in dit geval op de Commissie rust, en haar plicht in geval van nietigverklaring van een verordening krachtens artikel 173.

De Commissie meent dat de nationale rechter impliciet de vraag aan de orde heeft willen stellen of een krachtens artikel 1 77 gewezen arrest van het Hof van Justitie werking heeft jegens een ieder of slechts tussen partijen. De Commissie deelt de opvatting van advocaat-generaal Warner (conclusie van 20 september 1977 in zaak 112/76, Jurispr. 1977, blz. 1647) dat, hoewel een prejudiciële beslissing strikt genomen slechts de nationale rechter bindt die om deze beslissing heeft gevraagd, alle nationale rechters gerechtigd en verplicht zijn de „ratio decidendi” van zulk een arrest toe te passen.

De Commissie voegt hieraan toe dat op deze regel uitzonderingen mogelijk zijn, en vermeldt in dit verband de rechtspraak van het Hof in:

de gevoegde zaken 124/76 en 20/77 (Moulins et Huileries de Pont-à-Mousson, Jurispr. 1977, blz. 1795) en de gevoegde zaken 117/76 en 16/77 (Ruckdeschel, Jurispr. 1977, blz. 1753);

zaak 43/75 (Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455).

Hierbij merkt de Commissie ten slotte op dat overheidsinstanties, ofschoon gehouden gemeenschapsverordeningen toe te passen zolang zij niet door het Hof ongeldig zijn verklaard, een uitspraak van het Hof over de inhoud van het gemeenschapsrecht onmiddellijk mogen en moeten toepassen, ongeacht of die uitspraak is gedaan in een procedure krachtens artikel 173, artikel 177 of artikel 184 EEG-Verdrag.

##### Β — De tweede vraag

Verzoekster in bet hoofdgeding acht het van het grootste belang dat er in het gemeenschapsrecht duidelijkheid komt over de vordering uit onverschuldigde betaling. Dit is des te belangrijker omdat de situatie in het Verenigd Koninkrijk niet „duidelijk” is en het daar volgens verzoekster in het hoofdgeding wellicht onmogelijk is het onverschuldigd betaalde terug te vorderen. Zij hoopt daarom dat de Commissie haar eigen standpunt duidelijk maakt en verklaart dat zij ofwel zelf de onverschuldigd betaalde bedragen zal restitueren, ofwel zich verbindt om aan de Lid-Staat die het onverschuldigd betaalde heeft gerestitueerd, de desbetreffende bedragen te vergoeden. Verzoekster in het hoofdgeding meent dat de bevoegde instanties in de andere Lid-Staten de ten onrechte voor weipoeder ontvangen bedragen hebben terugbetaald en dat alleen het renteprobleem nog onbeslist is. Uitsluitend voor het geval de Commissie haar standpunt voor het Hof niet voldoende duidelijk maakt, merkt verzoekster in het hoofdgeding het volgende op.

In een analyse die in drie punten uiteenvalt, stelt zij in de eerste plaats dat het gemeenschapsrecht de Commissie verplicht de aldus betaalde bedragen te restitueren of de nodige maatregelen te nemen om de terugbetaling door de nationale autoriteiten te verzekeren.

Met een beroep op de uitspraken in de zaken 11/76 en 18/76 (Nederland, resp. Duitsland t. Commissie, Jurispr. 1979, blz. 245 en 343), stelt verzoekster in het hoofdgeding dat de Commissie heeft erkend dat zij verplicht is de financiële gevolgen van haar eigen onwettig handelen, namelijk het vaststellen van een onwettige regeling, te dragen. In casu kan de Commissie aan deze verplichting voldoen door verweerster in het hoofdgeding mee te delen dat zij erkent de financiële gevolgen van haar eigen handelen te moeten dragen; daarmee stelt zij verweerster in staat de juiste bedragen aan verzoekster in het hoofdgeding te betalen.

In de tweede plaats stelt zij dat het gemeenschapsrecht de nationale instantie die dergelijke betalingen heeft ontvangen, verplicht de aldus ontvangen bedragen te restitueren; de nationale instantie kan op haar beurt deze bedragen terugvorderen van de Commissie of daarvoor door haar worden gecrediteerd.

Verzoekster in het hoofdgeding meent dat deze verplichting duidelijk voortvloeit uit het arrest 6/60 (Humblet, Jurispr. 1960, blz. 1167); zij bestaat niet alleen wanneer een nationale wet of nationale bepalingen op grond van het gemeenschapsrecht onwettig zijn, maar ook wanneer krachtens een communautair rechtsvoorschrift dat later onwettig blijkt te zijn, betalingen aan de nationale instanties zijn gedaan.

Verzoekster in het hoofdgeding merkt hierbij nog op, dat hoewel een verordening geldig is totdat zij ongeldig of onwettig wordt verklaard, een eventuele onwettigverklaring „ab initio” werkt, zodat invorderingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, eveneens onwettig worden. Zij voegt hieraan toe, dat elke andere uitlegging betekent dat eenmaal betaalde bedragen nooit zouden kunnen worden teruggevorderd. Verder benadrukt verzoekster in het hoofdgeding, dat het Hof, ook in gevallen waarin het van oordeel was dat het nationale recht moest worden toegepast (zaak 45/76, Cornet BV, Jurispr. 1976, blz. 2043; zaak 33/76, Rewe, Jurispr. 1976, blz. 1989), heeft erkend dat de ondernemingen rechten hadden die door de nationale rechter moesten worden gewaarborgd. Zo meent verzoekster in het hoofdgeding voor het onderhavige geval dat, als het Engelse recht deze restitutie niet toelaat, het gemeenschapsrecht, met name in het licht van artikel 5 EEG-Verdrag, het noodzakelijke rechtsmiddel moet verschaffen om de Engelse rechterlijke instanties in staat te stellen de terugbetaling te gelasten en aldus, in de woorden van artikel 5 EEG-Verdrag, de vervulling van de taak van de Gemeenschap te vergemakkelijken.

In de derde plaats stelt zij dat in de gevallen waarin het Hof tot nu toe heeft beslist dat de nationale rechtsweg moest worden bewandeld om een restitutie van de nationale instanties te verkrijgen, steeds sprake was van een situatie waarbij de oorspronkelijke betaling het gevolg was van een verkeerde toepassing of uitlegging van het recht of van een vergissing, en niet van een situatie waarin het gemeenschapsrecht zelf onwettig was. Tot staving van deze stelling verwijst verzoekster in het hoofdgeding naar de volgende zaken: 45/76 (Cornet BV, reeds aangehaald), 33/76 (Rewe, reeds aangehaald), 26/74 (Roquette, Jurispr. 1976, blz. 677), 177/78 (Pigs and Bacon Commission, Jurispr. 1979, blz. 2161) alsmede de conclusie van advocaat-generaal Warner in zaak 265/78 (Ferwerda BV).

Verweerster in het hoofdgeding wenst vooral duidelijk te maken dat zij, nu zij de verordening trouw heeft toegepast in een tijd waarin zij nog niet ongeldig was verklaard, en nu zij naar behoren rekening en verantwoording heeft afgelegd tegenover de Commissie voor de uit dien hoofde ontvangen gelden, op geen enkele wijze gehouden is uit eigen middelen personen die door de ongeldigheid van de verordening van de Commissie zijn geschaad, schadeloos te stellen. Dergelijke terugbetalingen zijn uitsluitend een zaak van de Gemeenschap. De enige verplichting die op de instanties van de Lid-Staten — lasthebbers van de Commissie — drukt, is de verplichting om uit de middelen van de Gemeenschap alle restituties te betalen die het gemeenschapsrecht ten gunste van particulieren voorschrijft. Op grond hiervan meent verweerster in het hoofdgeding, dat de vraag of de Lid-Staten in naam van de Gemeenschap handelen als zij mcb's innen en ze ter beschikking van de Gemeenschap stellen, het werkelijke punt is waarover van het Hof uitlegging wordt gevraagd. Zelf beantwoordt zij deze vraag bevestigend.

Deze vraag is extra belangrijk omdat naar Engels recht een vordering tot terugbetaling van dergelijke bedragen tegen personen die het geld hebben ontvangen, niet mogelijk is; een dergelijke vordering kan slechts worden ingesteld tegen degene in wiens naam het geld is geïnd. Men zou dus, zo stelt verweerster in het hoofdgeding, een vordering tot terugbetaling van deze bedragen tegen de Commissie aanhangig moeten maken. Zij meent dat een dergelijke vordering niet tot het terrein van het overeenkomstenrecht behoort, maar tot dat van de verbintenissen uit onrechtmatige daad. Zij valt derhalve onder de tweede alinea van artikel 215 EEG-Verdrag dat duidelijk betrekking heeft op alle vormen van aansprakelijkheid, met inbegrip van de niet-contractuele aansprakelijkheid.

Zou men niet voor deze oplossing kiezen en de regeling van de gevolgen van de ongeldigverklaring van een communautaire wettelijke regeling aan het nationale recht van de Lid-Staten overlaten, dan zou dit, gegeven de tussen de Lid-Staten bestaande verschillen bij het leerstuk van de onverschuldigde betaling, tot onbillijkheden leiden zowel jegens particulieren als jegens deze Lid-Staten. Verder meent verweerster, dat de door haar voorgestane oplossing niet overenigbaar is met de eerdere rechtspraak van het Hof. Zo heeft advocaat-generaal Capotorti in zaak 101/78 (Granaria, Jurispr. 1979, blz. 623) verkaard: „Van een onrechtmatige daad van een Lid-Staat — of een van die Lid-Staat afhankelijk bureau — kan dan ook niet worden gesproken wanneer wij te doen hebben met maatregelen ter uitvoering van het geldende gemeenschapsrecht”. Van aansprakelijkheid van de Lid-Staat kan slechts sprake zijn wanneer deze voor de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen over een discretionaire bevoegdheid beschikt en dan maatregelen neemt die in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, of wanneer hij een maatregel handhaaft nadat deze ongeldig is verklaard.

Volgens verweerster in het hoofdgeding vallen de in casu door haar genomen maatregelen onder geen van beide categorieën. Zich baserend op het vorenbedoelde, door advocaat-generaal Capotorti geformuleerde algemene beginsel, meent zij dat men de beslissing in zaak 96/71 (Haegeman, Jurispr. 1972, blz. 1005) waarin het Hof, in afwijking van advocaat-generaal Mayras, oordeelde dat een actie tot terugvordering van compenserende heffingen niet ontvankelijk was, opnieuw zou moeten bekijken. Dit arrest kan niet betekenen dat een Lid-Staat is gehouden tot terugbetaling van heffingen die op grond van ongeldige verordeningen zijn geïnd, „indien hij bij de toepassing daarvan niet zelf onwettig heeft gehandeld”.

Ook al lijkt het Hof, volgens verweerster in het hoofdgeding, van mening te zijn dat in een dergelijk geval de Commissie de middelen voor de noodzakelijke terugbetaling moet verschaffen, toch is zij van oordeel dat geschillen over het bedrag van de vergoeding of van de verschuldigde rente slechts in een procedure tussen verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie aan de orde kunnen komen.

Ten slotte stelt zij dat de in zaak 46/75 (IBC, Jurispr. 1976, blz. 65) aangedragen oplossing evenmin op het onderhavige geval van toepassing is, omdat het hier niet gaat om de vraag of dergelijke vorderingen betrekking hebben op eigen middelen van de Gemeenschap, maar om de vraag of er een vordering is op een Lid-Staat.

Verweerster meent daarom dat de tweede vraag moet worden beantwoord als volgt:

„Wanneer een verordening van de Commissie ongeldig is verklaard, rust op een Lid-Staat die onder de werking van die verordening vóór haar ongeldigverklaring gelden heeft geïnd en voor deze gelden tegenover de Commissie rekening en verantwoording heeft afgelegd, geen enkele verplichting uit hoofde van het gemeenschapsrecht om enig deel daarvan terug te betalen aan degene bij wie zij waren geïnd”.

De Commissie meent dat deze algemeen gestelde vraag niet in abstracto kan worden beantwoord, aangezien het antwoord afhankelijk is van de aard van de heffing, de omstandigheden waaronder zij is ingesteld, en de overwegingen en de formulering van het arrest van het Hof. De Commissie brengt in herinnering dat er op gemeenschapsniveau bepaalde regels bestaan voor de terugbetaling van douanerechten — hieronder vallen volgens de definitie ook mcb's. Volgens deze bepalingen worden onverschuldigd betaalde rechten gerestitueerd mits het verzoek om terugbetaling wordt ingediend binnen drie jaar na de datum waarop de rechten door de met inning. belaste instantie zijn geboekt. Maar de Commissie merkt hierbij op, dat deze bepalingen pas op 1 juli 1980 in werking zullen treden en dat het bovendien niet duidelijk is of deze bepalingen een situatie dekken waarin het recht weliswaar regelmatig, doch op basis van een achteraf ongeldig verklaarde wettelijke maatregel is geheven.

Terugkerend tot het onderhavige geval, meent de Commissie dat een particulier die verplicht was een dergelijk mcb te betalen, geen recht heeft op automatische terugbetaling. Het antwoord op de prejudiciële vraag moet in de eerste plaats worden gezocht in de beginselen van het gemeenschapsrecht, teneinde verschillen te vermijden die kunnen optreden als men de oplossing van dit vraagstuk aan het nationale recht overlaat. Weliswaar heeft het Hof, wanneer uitdrukkelijke communautaire regels terzake ontbraken, de oplossing van de uit de verscheidenheid van formele bepalingen voortvloeiende problemen steeds aan het nationale recht overgelaten, maar de redenen waarom het Hof dit standpunt heeft ingenomen, gelden eigenlijk niet wanneer het om materieel recht gaat. Na te hebben opgemerkt dat zij ervan heeft afgezien bijzondere bepalingen vast te stellen ter regeling van de praktische gevolgen van een ongeldigverklaring door het Hof, vraagt de Commissie zich af onder welke voorwaarden de terugbetaling van een gemeenschapsheffing die zonder wettelijke grondslag is geheven, kan worden geweigerd nu deze heffing door de exporteur aan zijn koper is doorberekend en het verzoek tot terugbetaling ongeveer vijf jaar na heffing is gedaan en nadat het Hof zijn arrest in zaak 131/77 had gewezen.

Met het oog op de geconstateerde verschillen in de wetgeving van de Lid-Staten met betrekking tot de vordering uit onverschuldigde betaling, zou het Hof, zo meent de Commissie, artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag analogisch kunnen toepassen en daarbij kunnen aangeven welke gevolgen van de door hem ongeldig verklaarde verordeningen als definitief zijn te beschouwen. Dat dit mogelijk is, blijkt uit het eerder genoemde arrest-Defrenne en uit de conclusie van advocaat-generaal Capotorti van 23 januari 1979 in zaak 101/78 (Granaria, reeds aangehaald).

In dit verband geeft de Commissie het Hof in overweging, de werking van de ongeldigverklaring te beperken door bij voorbeeld te bepalen dat de terugbetaling van een ongeldig verklaarde heffing beperkt moet blijven tot vorderingen die reeds vóór de datum van de uitspraak van het Hof bij de nationale instanties waren ingesteld. Hiermee zou eert beginsel worden gevolgd analoog aan dat wat in het Duitse en Italiaanse constitutionele recht is erkend, namelijk dat op een nietig verklaarde bepaling of wet berustende definitieve administratieve beschikkingen die niet vatbaar zijn voor beroep, onaantastbaar zijn. Hoewel het arrest in zaak 131/77 een dergelijke beperking niet bevat, zou het Hof niettemin een dergelijk voorbehoud kunnen toevoegen, zelfs in een later stadium, in een andere zaak betreffende de ongeldigheid, zoals die welke thans aan de orde is. Deze oplossing is des te billijker, omdat nationale oplossingen niet enkel leiden tot een aanzienlijk verschil in behandeling tussen handelaren binnen de Gemeenschap, maar bovendien, voor handelaren wier nationale wetgeving een restitutie wegens onverschuldigde betaling kent, tot voordelen die als „buitenkansjes” zijn te kenschetsen, buitenkansjes die iedere economische rechtvaardiging missen en die ten laste van de Europese belastingbetaler komen.

Mitsdien is de Commissie van mening dat de tweede vraag moet worden beantwoord als volgt:

„De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten zijn gehouden de krachtens genoemde verordeningen geïnde bedragen terug te betalen. Bij gebreke van bewijs dat de heffing niet aan afnemers is doorberekend, dienen de restituties echter, behoudens meer beperkende verjaringsof vervaltermijnen of formele bepalingen van nationaal recht, beperkt te blijven tot die gevallen waarin vóór 3 mei 1978 bij de autoriteiten vorderingen terzake waren ingesteld”.

##### C — De derde vraag

Verzoekster in het hoofdgeding erkent dat rente normaliter een vraag is van nationaal recht, maar stelt desondanks dat in casu op de Commissie de verplichting rust, de onderneming in de positie te brengen waarin zij zou hebben verkeerd indien zij de betrokken bedragen niet had betaald, dat wil zeggen dat zij haar rente moet betalen yanaf de datum van inning van de onderscheiden bedragen tot de dag van definitieve terugbetaling. In dit geval is enkel de rentevoet een punt dat door de nationale rechter moet worden beslist.

Zelfs als de rente uitsluitend een zaak zou zijn van nationaal recht, dan is het volgens verzoekster in het hoofdgeding toch nog van belang dat het Hof de nationale rechter aanwijzingen geeft met betrekking tot communautairrechtelijke aspecten waarmee hij rekening moet houden wanneer hij de nationale instantie tot betaling van rente veroordeelt. Het zou onbillijk zijn indien een Lid-Staat slechts tot betaling van rente zou kunnen worden veroordeeld wanneer zijn verplichting tot terugbetaling voortvloeit uit een door hemzelf begane fout, want op die manier zou de Commissie, wanneer zij een fout had begaan, ontslagen zijn van de verplichting rente te betalen. Verzoekster in het hoofdgeding sluit dit punt af met de conclusie dat het niet zo mag zijn, dat de kansen van de onderneming om rente te ontvangen over onverschuldigd betaalde bedragen en dus om een volledige restitutie te verkrijgen, omgekeerd evenredig zijn aan de aansprakelijkheid van de Commissie voor de geleden verliezen.

De Commissie merkt op dat er geen communautaire regeling bestaat inzake de betaling van rente over bedragen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten onrechte zijn geïnd. Zij stelt voor de derde vraag te beantwoorden als volgt:

„Bij gebreke van gemeenschapsrechtelijke bepalingen moet de vraag inzake de rente over ten onrechte geïnde monetair compenserende bedragen worden beantwoord aan de hand van het nationale recht”.

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 12 februari 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoekster en verweerster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door respectievelijk D. Vaughan en M. Langdon-Davies, barristers van de Inner Temple, en door de Commissie, te dezen vertegenwoordigd door haar gemachtigde R. Wainwright.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 6 mei 1980 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 23 juli 1979, ingekomen ter griffie van het Hof op 10 augustus 1979, heeft de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Commercial Court, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie vragen gesteld over, respectievelijk, de geldigheid van alle tussen 1 februari 1973 en 11 augustus 1977 vastgestelde verordeningen van de Commissie, waarbij monetair compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder zijn vastgesteld, de werking van een ongeldigverklaring van een verordening, door het Hof in een prejudiciële procedure uitgesproken, en de verplichting tot terugbetaling van door de bevoegde instanties van een Lid-Staat onrechtmatig ingevorderde bedragen, in voorkomend geval gekoppeld aan de verplichting tot betaling van rente.

2. Deze vragen zijn gesteld naar aanleiding van een geschil tussen een handelaar, Express Dairy Foods Ltd, en het Britse interventiebureau, de Intervention Board for Agricultural Produce (IBAP) — in het Verenigd Koninkrijk het bevoegde orgaan voor het innen van bedragen die krachtens het gemeenschappelijk landbouwbeleid verschuldigd zijn. Tussen 1 februari 1973 en 7 augustus 1977 heeft Express Dairy Foods Ltd grote hoeveelheden weipoeder, vallende onder post 04.02 A I van het gemeenschappelijk douanetarief uitgevoerd. Krachtens de ten tijde van die exporten geldende verordeningen van de Commissie moest zij daarvoor in totaal UKL 267355,40 aan monetair compenserende bedragen aan de IBAP betalen.

3. Dat bedrag was berekend op basis van de verschillende verordeningen van de Commissie, waarbij voor de betrokken periode monetair compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder waren vastgesteld. Bij arrest van 13 mei 1978 (zaak 131/77, Milac, Jurispr. 1978, blz. 1041) heeft het Hof één van deze verordeningen ongeldig verklaard, namelijk verordening (EEG) nr. 539/75 van de Commissie van 28 februari 1975 (PB L 57 van 1975, blz. 2), houdende vaststelling van de op het handelsverkeer van weipoeder toepasselijke monetair compenserende bedragen voor de periode van 3 maart tot 4 augustus 1975.

4. Verzoekster in het hoofdgeding vorderde van de IBAP restitutie van de ter zake van die exporten door haar betaalde monetair compenserende bedragen, vermeerderd met rente. De IBAP verweerde zich met te zeggen dat zij gehouden was de ingevolge alle niet ongeldig verklaarde verordeningen verschuldigde monetair compenserende bedragen te innen en de ongeldig verklaarde verordening toe te passen tot de datum waarop het Hof ze ongeldig had verklaard.

#### De eerste vraag

5.

In deze situatie heeft de High Court of Justice het Hof de volgende vraag gesteld:

> „Zijn, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in zaak 131/77, alle verordeningen van de Commissie vastgesteld tussen 1 februari 1973 en 11 augustus 1977 ongeldig voor zover daarbij compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder zijn vastgesteld?”

6. Om deze vraag te kunnen beantwoorden dient te worden nagegaan welke de redenen waren waarop het Hof de ongeldigverklaring heeft gebaseerd van artikel 1 van verordening nr. 539/75, voor zover daarbij monetair compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder waren vastgesteld, om vervolgens te onderzoeken of die redenen ook kunnen gelden voor alle verordeningen houdende vaststelling van monetair compenserende bedragen voor genoemd produkt gedurende de betrokken periode, en daaruit af te leiden of die verordeningen al dan niet geldig waren.

7. Blijkens de overwegingen van het arrest in zaak 131/77 is artikel 1 van verordening nr. 539/75, voor zover daarbij monetair compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder waren vastgesteld, ongeldig verklaard op grond van de bevinding dat de prijs van magere-melkpoeder geen beslissende invloed had op de marktprijs van weipoeder. Het Hof achtte de toepassing van monetair compenserende bedragen op wei dan ook in strijd met artikel 1, lid 2, sub b, van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 (PB L 106 van 1971, blz. 1), volgens hetwelk dergelijke bedragen slechts mogen worden geheven bij produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien.

8. Vaststaat dat met dit vereiste bij geen der betrokken verordeningen rekening is gehouden; de opeenvolgende versies daarvan strekten overigens enkel tot wijziging van de voor de toepassing van de monetair compenserende bedragen noodzakelijke tarieven ten einde deze aan te passen aan de ontwikkeling van de muntpariteiten. Voorts moet worden opgemerkt dat noch in de schriftelijke opmerkingen noch ter terechtzitting is gesteld — en inzonderheid niet door de Commissie — dat de betrokken verordeningen geldig zouden kunnen zijn voor zover daarin monetair compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder waren vastgesteld. Gelet op 's Hofs arrest in zaak 131/77 moet dus worden geconcludeerd dat de tussen 1 februari 1973 en 11 augustus 1977 vastgestelde verordeningen van de Commissie als ongeldig zijn te beschouwen, voor zover daarbij monetair compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder zijn vastgesteld.

#### De tweede vraag

9.

De tweede vraag luidt als volgt:

> „Wanneer een verordening van de Commissie, krachtens welke monetair compenserende bedragen mogen dan wel moeten worden geheven, in een procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag door het Hof van Justitie ongeldig is verklaard, zijn de bevoegde instanties van de Lid-Staten dan naar gemeenschapsrecht gehouden een gedeelte van de krachtens die verordening geïnde bedragen te restitueren en zo ja, welk gedeelte?”

10. Om deze vraag te kunnen beantwoorden dient te worden opgemerkt dat blijkens de bepalingen betreffende de eigen middelen van de Gemeenschappen, te weten het besluit van de Raad van 21 april 1970 (PB L 94 van 1970, blz. 19) en verordening nr. 2/71 van de Raad van 2 januari 1971 inzake de toepassing van dit besluit (PB L 3 van 1971, blz. 1) juncto verordening nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94 van 1970, blz. 13), het aan de nationale instanties staat, een bepaald aantal rechten waaronder de monetair compenserende bedragen, voor rekening van de Gemeenschap en overeenkomstig de bepalingen van het gemeenschapsrecht in te vorderen.

11. Volgens artikel 6 van het besluit van 21 april 1970, overgenomen in artikel 1 van verordening nr. 2/71, worden deze heffingen door de Lid-Staten geïnd overeenkomstig hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen; bij geschillen over de restitutie van voor rekening van de Gemeenschap ingevorderde bedragen is derhalve de nationale rechter bevoegd en voor zover het gemeenschapsrecht niets anders bepaalt, moet hij deze dus zowel formeel als materiaal uitwijzen met toepassing van zijn nationale recht.

12. Waar gemeenschapsbepalingen tot harmonisatie van procedures en termijnen helaas ontbreken, stelt het Hof vast dat deze situatie verschillen in behandeling binnen de Gemeenschap meebrengt. Het is niet de taak van het Hof algemene materiële regels en procedurevoorschriften te geven: deze kunnen enkel door de bevoegde instellingen worden vastgesteld. Een dergelijke regeling zou een gelijke behandeling moeten verwezenlijken voor wat de formele en materiële voorwaarden betreft waaronder de deelnemers aan het economisch verkeer tegen de hun opgelegde gemeenschapsbelastingen kunnen opkomen en, zo zij onverschuldigd betaald zouden zijn, terugbetaling ervan kunnen vorderen, alsmede een overeenkomstige harmonisatie van de voorwaarden waaronder de administratieve instanties van de Lid-Staten, handelend voor rekening van de Gemeenschap, bedoelde belastingen kunnen innen en, in voorkomend geval, ten onrechte toegekende financiële voordelen kunnen terugvorderen. Doch bij gebreke van een gemeenschapsregeling is de onontkoombare verwijzing naar het nationale recht evenwel aan als noodzakelijk erkende beperkingen gebonden in die zin, dat bij de toepassing van nationaal recht niet mag worden gediscrimineerd vergeleken met procedures ter beslissing van soortgelijke, doch zuiver nationale geschillen, en dat de procesregels de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht toegekende rechten niet praktisch onmogelijk mogen maken.

13. Het kernprobleem waarover het Hof zich heeft uit te spreken, betreft de omvang van de terug te betalen bedragen, hetgeen mede de vraag omvat of, zo de benadeelde ondernemer de last van de heffing heeft afgewenteld, het onverschuldigd betaalde al dan niet integraal moet worden gerestitueerd. Het Hof heeft reeds voor recht verklaard dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde terzake gewaarborgde rechten niet vergt dat ten onrechte toegepaste heffingen worden terugbetaald indien dit zou uitlopen op een ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden, en dat mitsdien het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat de nationale rechterlijke instanties overeenkomstig hun nationaal recht rekening houden met het feit dat de ten onrechte toegepaste heffingen door de belastingplichtige onderneming in haar prijzen zijn verdisconteerd en op de kopers van de betrokken produkten zijn afgewenteld (arrest van 27 maart 1980, zaak 61/79, Denkavit Italiana, nog niet gepubliceerd).

14. Op de tweede vraag dient dus te worden geantwoord dat de nationale instanties erop hebben toe te zien, dat bedragen die op basis van ongeldig verklaarde gemeenschapsverordeningen ten onrechte zijn ingevorderd, worden terugbetaald; zij dienen volgens het toepasselijke nationale recht een regeling te treffen voor alle bijkomende vraagstukken, bij voorbeeld of rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de ten onrechte ingevorderde heffing op andere ondernemers of op de verbruikers kan zijn afgewenteld.

#### De derde vraag

15.

De derde vraag luidt als volgt:

> „Zo de bevoegde instanties van een Lid-Staat gehouden zouden zijn een gedeelte van deze bedragen te restitueren, zijn zij dan naar het gemeenschapsrecht verplicht rente daarover te betalen en zo ja, met ingang van welke datum en tegen welke rentevoet?”

16. Ter beantwoording van deze vraag is het voldoende eraan te herinneren dat, waar thans de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn ten aanzien van geschillen betreffende terugbetaling van voor rekening van de Gemeenschap ingevorderde bedragen, zij deze met toepassing van hun nationaal recht moeten uitwijzen, voor zover het gemeenschapsrecht ter zake niets bepaalt.

17. Bij gebreke van gemeenschapsbepalingen terzake, staat het thans aan de nationale instanties, en in het bijzonder aan de nationale rechter, om in geval van terugbetaling van ten onrechte toegepaste heffingen een regeling te treffen voor alle daarmee verband houdende bijkomende vraagstukken zoals de betaling van rente, zulks met toepassing van hun nationale voorschriften inzake de rentevoet en het tijdstip vanwaaraf de rente moet worden berekend.

#### Kosten

18. De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de High Court of Justice, Queen's Bench Division, Commercial Court, bij beschikking van 23 juli 1979 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. De tussen 1 februari 1973 en 11 augustus 1977 vastgestelde verordeningen van de Commissie zijn als ongeldig te beschouwen, voor zover daarbij monetair compenserende bedragen voor het handelsverkeer van weipoeder zijn vastgesteld.

2\. De nationale instanties hebben erop toe te zien, dat bedragen die op basis van de ongeldig verklaarde gemeenschapsverordeningen ten onrechte zijn ingevorderd, worden terugbetaald; zij dienen volgens het toepasselijke nationale recht een regeling te treffen voor alle bijkomende vraagstukken, bij voorbeeld of rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de ten onrechte ingevorderde heffing op andere bedrijven of op de verbruikers kan zijn afgewenteld.

3\. Het staat thans aan de nationale instanties, en in het bijzonder aan de nationale rechter, in geval van terugbetaling van ten onrechte toegepaste heffingen een regeling te treffen voor alle daarmee verband houdende bijkomende vraagstukken zoals de betaling van rente, zulks met toepassing van hun nationale voorschriften inzake de rentevoet en het tijdstip vanwaaraf de rente moet worden berekend.

4\. Bij de toepassing van nationaal recht mag niet worden gediscrimineerd vergeleken met procedures ter beslissing van soortgelijke, doch zuiver nationale geschillen, en de procesregels mogen de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten niet praktisch onmogelijk maken.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

EEG-Verdrag art. 177 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 5 2 voorkomens

verordening 539/75 art. 1 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 174 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 184 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 215 1 voorkomen

verordening 2/71 art. 1 1 voorkomen

verordening 974/71 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van de advocaat-generaal C-591/10 12.01.2012

#### [Tweede en Zesde btw-richtlijn, voorbelasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-591-10-conclusie)

## Rechtsleer

2

Hartley, Trevor: The Effects in National Law of Judgments of the European Court, European Law Review 1980 p.366-373

Banu, Mihai: Jurisprudenţǎ comunitarǎ istoricǎ, Revista română de drept al afacerilor 2009 nº 07 p.148-158
