---
title: "HvJ EU, 130/78, Salumificio di Cornuda SpA, arrest van 8 maart 1979 · Verordening 14/64 art. 16 en art. 18"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 1979, 130/78, Salumificio di Cornuda SpA: verordening 14/64 art. 16 en art. 18."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-130-78-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-130-78-arret"
---

# Arrest van het Hof van 8 maart 1979, 130/78, Salumificio di Cornuda SpA · Verordening 14/64 art. 16 en art. 18

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

130/78

**ECLI**

ECLI:EU:C:1979:60

**Datum**

8 maart 1979

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Corte suprema di cassazione, Sezione I civile (Italië) 302 - RG 5955/75

**Zaak ingediend op**

9 juni 1978

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Opmerkingen**

Italiaanse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Corte suprema di cassazione, Sezione I civile 4654 - RG 5955/75 ; Corte d'appello di Torino, Sezione III civile 429 - RG 198/80

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1979, blz. 867

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Rundvlees](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.08) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.08.02) Vrijwaringsmaatregelen

## Tekst

103 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

Artikel 5 van verordening nr. 14/64 van de Raad van 5 februari 1964 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1964, blz. 562), voorziet in een heffing op de invoer van kalveren, runderen en afgeleide Produkten uit derde landen, die wordt geïnd door de invoerende Lid-Staat.

Artikel 18 van verordening nr. 14/64 machtigt de Raad om op voorstel van de Commissie maatregelen te nemen die van de verordening afwijken, ten einde rekening te houden met de bijzondere omstandigheden die ten aanzien van deze Produkten zouden kunnen bestaan.

Met toepassing van deze bepaling en op grond van de overweging dat de produktie van bepaalde soorten rundvlees, bestemd voor verwerking, in de Gemeenschap vooralsnog ontoereikend bleef om in de behoeften van de verwerkers te voorzien, heeft de Raad op 21 april 1966 verordening nr. 42/66 uitgevaardigd, houdende tijdelijke schorsing van de heffingen welke van toepassing zijn op de invoer van bepaalde soorten bevroren rundvlees, bestemd voor verwerking onder douanetoezicht (PB 1966, blz. 1141). Verordening nr. 42/66 machtigde de Lid-Staten om, in afwijking van artikel 5 van verordening nr. 14/64, gedurende het tijdvak van 1 mei tot 31 juli 1966 ten opzichte van derde landen de heffingen op de invoer van bevroren vlees van runderen, huisdieren, bestemd voor verwerking onder douanetoezicht, te schorsen.

De Italiaanse republiek besloot gedurende het tijdvak van 2 mei tot 31 juli 1966 van deze machtiging gebruik te maken.

Artikel 16, leden 1 en 2, eerste alinea, van verordening nr. 14/64 bepaalde:

„Indien in een of meer Lid-Staten ten gevolge van de toepassing van de maatregelen betreffende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening van de markt van rundvlees, deze markt als gevolg van de invoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, die de in artikel 39 van het Verdrag gestelde doeleinden in gevaar kunnen brengen, kunnen de belanghebbende Lid-Staat of Lid-Staten gedurende de overgangsperiode betreffende de invoer van genoemde produkten de nodige vrijwaringsmaatregelen treffen.

De belanghebbende Lid-Staat of Lid-Staten dienen deze maatregelen uiterlijk bij de inwerkingtreding daarvan ter kennis te brengen van de andere Lid-Staten en de Commissie”.

Op grond hiervan deelde de regering van de Italiaanse republiek bij telexbericht van haar Permanente Vertegenwoordiging van 23 juli 1966 aan de Commissie mee, dat zij in verband met de voortdurend lage prijzen op de markt van rundvlees, die in de loop van de laatste dagen nog verder waren gedaald, had besloten vrijwaringsmaatregelen te nemen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 16 van verordening nr. 14/64. Deze maartregelen, in werking getreden per 24 juli 1966, bestonden uit de heffing van een aanvullend bedrag bij de invoer uit derde landen van runderen en rundvlees, gelijk aan 60 % van de overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 14/64 bepaalde heffing.

Volgens de kennisgeving aan de Commissie waren voor de mesterij bestemde runderen met een gewicht beneden 340 kg alsmede bevroren rundvlees bestemd voor de verwerkingsindustrie, van de vrijwaringsmaatregel uitgezonderd.

Ter uitvoering van deze vrijwaringsmaatregelen zond de Italiaanse douane op 25 juli 1966 aan haar diensten een circulaire (UTCD/1966.373/Dog/000 prot. nr. 6363), waarin onder meer werd bepaald dat met ingang van 24 juli 1966 op de uit derde landen ingevoerde produkten van de sector rundvlees een aanvullende heffing zou worden toegepast, gelijk aan 60 % van de overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 14/64 bepaalde heffing, en dat deze aanvullende heffing eveneens moest worden betaald voor bevroren rundvlees bestemd voor verwerking onder douanetoezicht, hoewel dit bleef vrijgesteld van de heffing zelf.

Krachtens artikel 16, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 14/64 moest de Commissie, na raadpleging van de Lid-Staten in het Comité van Beheer, volgens een spoedprocedure en binnen uiterlijk vier dagen te rekenen vanaf de kennisgeving door de betrokken Lid-Staat van de overeenkomstig artikel 16, lid 1, getroffen vrijwarings-maatregelen, beslissen of de maatregelen moesten worden gehandhaafd, gewijzigd of opgeheven.

Op grond van deze bepaling stelde de Commissie op 28 juli 1966 beschikking nr. 66/474 vast, waarbij de Italiaanse republiek werd verplicht om de vrijwaringsmaatregelen voor runderen en kalveren op te heffen (PB 1966, blz. 2796). De Commissie verklaarde dat de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 14/64 niet waren vervuld, aangezien de Italiaanse markt voor runderen geen ernstige verstoring onderging of dreigde te ondergaan. De beschikking werd nog op dezelfde dag, 28 juli 1966, ter kennis van de Italiaanse regering gebracht.

Aangezien de Raad maatregelen noodzakelijk achtte die, zonder de omvang van de invoer sterker te beïnvloeden dan onvermijdelijk is, het mogelijk zouden maken de prijs van de ingevoerde Produkten op het niveau van de oriëntatieprijs te brengen, stelde hij krachtens artikel 18, van verordening nr. 14/64, op voorstel van de Commissie, op 28 juli beschikking nr. 66/455 vast, waarbij de Italiaanse republiek werd gemachtigd in de sector rundvlees de heffingen van toepassing op de invoer van bepaalde produkten uit derde landen te verhogen (PB 1966, blz. 2659). Krachtens deze beschikking kon de Italiaanse republiek tot en met 2 oktober 1966 de overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 14/64 bepaalde heffingen die van toepassing waren op de invoer uit derde landen van runderen en afgeleide produkten, onder meer bevroren rundvlees, verhogen. De beschikking van de Raad werd op 29 juli 1966 ter kennis van de Italiaanse republiek gebracht.

De Italiaanse republiek trok de getroffen vrijwaringsmaatregelen per 1 augustus 1966 in en maakte met ingang van diezelfde datum, 0,00 uur, gebruik van de machtiging van de Raad om de heffing op de uit derde landen ingevoerde produkten te verhogen.

Op 29 juli 1966 importeerde de SpA Salumificio di Cornuda (hierna: Salumificio), gevestigd te Cornuda, via het douanekantoor te Turijn een partij van 179179 kg bevroren rundvlees, zonder been, van tariefpost nr. 0.02.01, statistiek nr. 58; het vlees was afkomstig uit Argentinië en bestemd voor verwerking onder douanetoezicht. Overeenkomstig de ministeriële circulaires nr. 151 van 30 april 1966 en nr. 165 van 13 mei 1966 werd een invoerrecht van 20 % betaald. Na een latere controle van deze verrichting vorderde de Italiaanse douane van Salumificio, bij een op 8 september 1971 betekende beschikking, betaling van een aanvullende heffing ten bedrage van LIT 16817380.

Op 22 september 1971 kwam Salumificio van deze aanslag in beroep bij het Tribunale te Turijn, dat bij vonnis van 5 augustus 1972 het beroep gegrond verklaarde.

In hoger beroep van de Italiaanse Administratie van de Staatsfinanciën vernietigde de Corte di appello te Turijn op 22 mei 1975 het vonnis van het Tribunale en verklaarde de aanslag tot betaling van de aanvullende heffing rechtsgeldig, waarop Salumificio op 8 oktober 1975 beroep tot cassatie instelde.

De Corte di Cassazione, Eerste Burgerlijke Kamer, heeft bij beschikking van 17 februari 1978 besloten krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de procedure te schorsen totdat het Hof van Justitie zich bij wege van prejudiciële beslissing zal hebben uitgesproken over de navolgende vragen betreffende de uitlegging van de artikelen 189 en 191 EEG-Verdrag; artikel 16, lid 2, vierde alinea, van verordening nr. 14/64 van de Raad; de artikelen 1 en 3 van beschikking nr. 66/455 van de Raad, en artikel 1 van beschikking nr. 66/474 van de Commissie:

„1. Aan welke beschikking komt in de hiërarchie van de rechtsbronnen van de Gemeenschap voorrang toe: aan de beschikking van de Commissie krachtens het genoemde artikel 16 — met betrekking tot de in genoemde verordening nr. 14/64 geregelde materie —, of aan de beschikking van de Raad krachtens artikel 18 dier verordening? 2. Is de beschikking van de Commissie op grond van de hiervoor sub 1 genoemde bepaling, voor de aldaar genoemde materie rechtstreeks toepasselijk in de nationale rechtsorde van de betrokken Lid-Staat (de Italiaanse republiek) of is voor de toepassing een nationaal uitvoeringsvoorschrift nodig? 3. Indien vraag 2 in eerstbedoelde zin moet worden beantwoord (dat wil zeggen dat de beschikking rechtstreeks toepasselijk is), wordt bedoelde beschikking dan toepasselijk op het tijdstip waarop zij is gegeven, of op het tijdstip waarop ervan wordt kennis gegeven aan de Lid-Staat tot wie zij is gericht? 4. Uitgaande van dezelfde veronderstelling als sub 3: is het effect van bedoelde beschikking van de Commissie met betrekking tot het ingetrokken besluit in technische zin een „vernietiging”, en wel ex tunc vanaf de dag waarop het besluit werd genomen, zodat alle gevolgen die inmiddels mochten zijn ingetreden, met terugwerkende kracht komen te vervallen, of is het effect met betrekking tot de ingetrokken rechtshandeling in technisch opzicht een „intrekking”, en wel ex nunc vanaf het tijdstip waarop deze beschikking is gegeven dan wel ervan is kennis gegeven? 5. Indien vraag 2 in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord (dat wil zeggen aldus, dat genoemde beschikking van de Commissie slechts via een nationale rechtshandeling van de Lid-Staat binnen het kader van de rechtsorde van die staat van kracht kan worden): wordt dan in de uit te leggen gemeenschapsrechtelijke bepalingen voorgeschreven dat zulk een nationale uitvoeringshandeling met betrekking tot de nationale rechtshandeling welke daarbij, ingevolge de beschikking der Gemeenschap, moet worden ingetrokken, technisch als „vernietigin” dan wel technisch als „intrekking” is te beschouwen — waarbij deze begrippen worden gebezigd in voege als onder 3 nader is aangegeven — ?”

De verwijzingsbeschikking van de Corte di Cassazione is op 9 juni 1978 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend: op 8 augustus 1978 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op 21 augustus 1978 door SpA Salumificio di Cornuda, verzoekster in het hoofdgeding, en op 7 september 1978 door de regering van de Italiaanse republiek.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Italiaanse regering echter verzocht een document bij het dossier te voegen, en Salumificio en de Commissie om schriftelijk een vraag te beantwoorden.

Bij beschikking van 25 oktober 1978 heeft het Hof krachtens artikel 95, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering besloten de zaak naar de Tweede Kamer te verwijzen.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

SpA Salumificio di Cornuda, verzoekster in het hoofdgeding, is van mening dat op 29 juli 1966 geen aanvullende heffing van 60 % mocht worden ingevorderd of toegepast op door haar ingevoerd vlees.

##### a) De eerste vraag

Algemeen gezien heeft de Raad zowel vanwege zijn samenstelling als vanwege de hem toebedeelde functies stellig voorrang op de Commissie. In casu moet echter worden opgemerkt dat beschikking nr. 66/455 van de Raad en beschikking nr. 66/474 van de Commissie niet op hetzelfde vlak liggen. Een beschikking van de Commissie op grond van artikel 16 van verordening nr. 14/64 bekrachtigt, wijzigt of heft een door artikel 39 EEG-Verdrag voorziene maatregel op; een beschikking van de Raad, gegeven krachtens artikel 18, van verordening nr. 14/64 op voorstel van de Commissie, heeft ten doel een leemte op te vullen en het hoofd te bieden aan verschillende situaties ten gevolge van de geleidelijke invoering van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees.

Beschikking nr. 66/455 van de Raad heeft geen voorrang op beschikking nr. 66/474 van de Commissie; tussen beide beschikkingen bestaat geen rang- of volgorde: zij zijn onafhankelijk van elkaar en liggen op verschillend vlak.

##### b) De tweede vraag

Blijkens de artikelen 189 en 191 EEG-Verdrag zijn beschikkingen, in tegenstelling tot verordeningen, slechts verbindend voor degenen tot wie zij zijn gericht; binnen de Lid-Staat waartoe zij zijn gericht, krijgen zij eerst gelding door een speciale nationale wettelijke bepaling.

Deze constatering vloeit voort uit de tekst zelf van de beschikking, die ter kennis moet worden gebracht aan de Lid-Staat waartoe zij is gericht.

##### c) De derde vraag

Waar het gaat om een voorschrift dat verbindend is voor de adressaat, wordt de beschikking te zijnen aanzien eerst verbindend na kennisgeving; waar het gaat om een voorschrift waaraan onmiddellijk uitvoering moest worden gegeven, was de Italiaanse staat verplicht het onverwijld na te leven.

De vrijwaringsmaatregelen die de staat mocht nemen, waren urgent en onverwijld noodzakelijk; de beschikking die deze maatregelen bekrachtigt, wijzigt of ongedaan maakt, moest dus eveneens onmiddellijk worden uitgevoerd.

##### d) De vierde en de vijfde vraag

Blijkens de verschillende regelingen van de gemeenschappelijke landbouwmarktordeningen, waaronder die in de sector rundvlees, worden de door een Lid-Staat getroffen vrijwaringsmaatregelen die niet door de Commissie worden bekrachtigd, behoudens verworven rechten, geacht nooit te zijn getroffen: zij zijn vanaf het eerste moment nietig.

De Lid-Staten waren slechts in bepaalde, nauwkeurig omschreven omstandigheden bevoegd om in te grijpen; meende de Commissie evenwel dat de omstandigheden waarop een Lid-Staat zich ter rechtvaardiging van getroffen maatregelen beriep, niet bestonden, dan moesten die maatregelen vanaf het begin verdwijnen, aangezien ook de omstandigheden die de voorwaarde vormden voor de vrijwaringsmaatregelen, „vanaf het begin” niet bestonden.

Dat de Commissie volgens artikel 16, lid 2, van verordening nr. 14/64 binnen uiterlijk vier werkdagen te rekenen vanaf de kennisgeving, moest beslissen „of de maatregelen moeten worden gehandhaafd, gewijzigd of opgeheven”, is hiermee niet in tegenspraak: het woord „opgeheven” kan in dit verband geen letterlijke betekenis hebben.

Om de beschikking van de Commissie na te komen, was de betrokken Lid-Staat mitsdien verplicht een besluit te nemen waarbij de door hem toegepaste maatregelen nietig werden verklaard, dat wil zeggen dat zij werden geacht nooit te hebben bestaan.

Een identieke oplossing is voorzien in artikel 77 van de Italiaanse grondwet.

Een beschikking van de Commissie krachtens artikel 16 van verordening nr. 14/64 had terugwerkende kracht wanneer zij de door een Lid-Staat genomen vrijwaringsmaatregelen afwees. Dientengevolge moest de Lid-Staat op zijn beurt een besluit met terugwerkende kracht nemen: met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel moest dit besluit „vanaf het begin” alle werking ontnemen aan de maatregel die genomen was in de mening dat de invoer van rundvlees de door de instelling van de gemeenschappelijke markt nagestreefde doelstellingen in gevaar dreigde te brengen.

De regering van de Italiaanse republiek acht het nodig de aan het Hof gestelde vragen in een iets andere volgorde te bespreken.

###### a) De tweede vraag

Blijkens de rechtspraak van het Hof kunnen ook beschikkingen wegens hun specifieke inhoud rechtstreeks toepasselijk zijn. In het onderhavige geval moet worden vastgesteld of de bij beschikking nr. 66/474 opgelegde verplichting om de nationale vrijwaringsmaatregelen ongedaan te maken, de Italiaanse republiek al dan niet de vrijheid liet om het daarin vervatte gebod op te volgen.

Waarom het gaat, is niet zozeer of tussen de twee beschikkingen een hiërarchische volgorde bestaat — iets wat overigens moeilijk is, al was het maar vanwege de uiteenlopende bepalingen ervan —, maar in welk opzicht de beschikking van de Raad van belang is voor de uitlegging van de beschikking van de Commissie, gelet op het klaarblijkelijke verband dat er tussen beide bestaat, aangezien de eerste is vastgesteld op voorstel van de instelling die de tweede uitvaardigde.

Aangezien het gebod tot opheffing geen dwingende termijn bevat en het is gegeven op hetzelfde moment waarop werd geconstateerd dat er factoren waren die de markt ontregelden, stond het de Italiaanse republiek vrij zelf te beslissen met welke middelen en binnen welke, overigens korte periode zij haar nationale rechtsorde zou aanpassen, ten einde de situatie onder controle te kunnen houden. Bovendien dient men, meer algemeen gezien, rekening te houden met het bijzondere karakter — ten opzichte van de voorschriften van artikel 226 EEG-Verdrag — van het stelsel van vrijwaringsmaatregelen van artikel 16 van verordening nr. 14/64: dit verleent elke Lid-Staat rechtstreeks een bevoegdheid om conservatoire maatregelen te nemen, met het klaarblijkelijke doel een beter en sneller hanteerbaar stelsel te bieden om corrigerend te kunnen ingrijpen bij marktverstoringen. Men moet dus rekening houden met een ruime discretionaire bevoegdheid die de Lid-Staten terzake in beginsel is toegekend; in zijn beschikking nr. 66/455 erkende de Raad dat de markt was verstoord en dat het noodzakelijk was maatregelen vast te stellen die daaraan een einde konden maken.

Beziet men de beschikkingen van de Commissie en van de Raad in hun onderling verband, dan blijkt dat de uitoefening van de in artikel 16 van verordening nr. 14/64 bedoelde bevoegdheid, ofschoon naar de vorm afgekeurd, materieel gerechtvaardigd werd geacht; het zou dan ook niet logisch zijn om aan te nemen dat de gemeenschapsinstellingen juist op het tijdstip waarop zij erkennen dat de voorwaarden aanwezig zijn voor een interventie die afwijkt van de gemeenschappelijke regeling, de staat tot wie beide beschikkingen zijn gericht, elke — zij het ook beperkte — discretionaire bevoegdheid hebben willen ontnemen om formeel afwijkende maatregelen vast te stellen waarvan werd erkend dat zij in wezen door de situatie werden gerechtvaardigd, en om aldus een passende continuïteit te verzekeren tussen de vastgestelde spoedmaatregelen en die waarvoor machtiging werd verleend om de situatie in de hand te houden.

De beschikking van de Commissie moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat het gebod tot afschaffing van de bij wege van vrijwaringsmaatregel ingestelde aanvullende heffing, de Italiaanse republiek een zekere vrijheid liet; het was dus een beschikking zonder rechtstreekse werking, die in de nationale rechtsorde eerst werking zou verkijgen middels de noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen, ten aanzien waarvan de Italiaanse republiek bevoegd bleef.

###### b) De overige vragen

In verband met deze discretionaire bevoegdheid van de Italiaanse republiek is het in casu volstrekt irrelevant op welk tijdstip de beschikking van de Commissie werking heeft verkregen.

Opgemerkt moet worden dat zowel artikel 191, tweede alinea, EEG-Verdrag, als artikel 16, lid 2, vierde alinea, van verordening nr. 14/64 de toepasselijkheid van de beschikking uitdrukkelijk of stilzwijgend afhankelijk stellen van de kennisgeving aan degene tot wie zij is gericht.

Het is uitgesloten dat de op grond van artikel 16 van verordening nr. 14/64 genomen vrijwaringsmaatregelen door de beschikking van de Commissie met terugwerkende kracht ongeldig worden: een dergelijk gevolg wordt immers uitsluitend toegekend aan de door de Raad krachtens lid 3 van dat artikel vastgestelde beschikkingen, terwijl de kennisgeving van de maatregelen een zelfde functie heeft als het vereiste van artikel 226, lid 2, te weten de Commissie in staat te stellen om in te grijpen. Artikel 16 van, verordening nr. 14/64 wijkt af van de algemene regel in die zin dat elke Lid-Staat daarbij eigen conservatoire bevoegdheden heeft gekregen krachtens welke hij besluiten kan nemen die door de Commissie niet kunnen worden geschorst of ongedaan gemaakt en die op zichzelf ook niet aan haar controle zijn onderworpen. Uit de omvang van de door de Commissie te verrichten beoordeling blijkt genoegzaam dat haar beschikking niet enkel maar een beoordeling is van de conformiteit van de nationale vrijwaringsmaatregelen met het gemeenschapsrecht; zij is integendeel het technische middel waarmee deze maatregelen in het gemeenschappelijk kader al dan niet rechtens relevant worden verklaard door daarvan al dan niet — en in elk geval ex nunc — een voorschrift te maken dat de verhouding tussen de Lid-Staten voor de toekomst regelt.

Voor zover dit niet reeds uit het voorgestelde antwoord op de eerste en tweede vraag volgt, moeten de derde, vierde en vijfde vraag mitsdien aldus worden beantwoord, dat door het nakomen van de bij beschikking nr. 66/474 van de Commissie opgelegde verplichting de genomen vrijwaringsmaatregelen niet ex tunc zijn vernietigd, doch zijn opgeheven met ingang van een datum die in elk geval niet vóór de kennisgeving van de beschikking ligt.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen vestigt de aandacht van het Hof op het feit dat voor verwerking bestemd bevroren rundvlees bij de ministeriële circulaire van 25 juli 1966 werd onderworpen aan de aanvullende heffing, terwijl het volgens de kennisgeving aan de Commissie uitdrukkelijk van de toepassing van de litigieuze vrijwaringsmaatregel was uitgesloten. Daardoor was de Italiaanse vrijwaringsmaatregel — voor zover daarvan niet was kennis gegeven — vanaf zijn inwerkingtreding onwettig; de justitiabelen kunnen zich voor de nationale rechterlijke instanties op die onwettigheid beroepen, aangezien volgens artikel 12, lid 2, van verordening nr. 14/64 de toepassing van enig ander douanerecht of van enige andere heffing van gelijke werking dan die welke in deze verordening worden genoemd, onverenigbaar is met de verordening.

Er moet duidelijk worden onderscheiden tussen nationale vrijwaringsmaatregelen, genomen krachtens artikel 16 van verordening nr. 14/64, en de maatregelen die eventueel door de Lid-Staten worden genomen krachtens beschikkingen van de Raad ex artikel 18 van deze verordening: de eerste worden vastgesteld en treden in werking ingevolge een autonome beslissing van de Lid-Staat, die daarvoor niet de afloop van een gemeenschapsprocedure behoeft af te wachten; de tweede kunnen slechts worden vastgesteld in opdracht of met machtiging van de Raad. De eerste zijn gerechtvaardigd indien de markt als gevolg van de invoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan die de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen brengen; de tweede kunnen worden gerechtvaardigd door elke bijzondere omstandigheid die, zonder ernstig te zijn, een afwijking van de algemene regeling nodig maakt. Onder de in artikel 16, lid 1, bedoelde voorwaarden hadden de Lid-Staten het recht vrijwaringsmaatregelen vast de stellen of te verkrijgen, maar niet om van de Raad een besluit tot afwijking als bedoeld in artikel 18 te eisen. De gemeenschapsinstellingen waren bevoegd de in artikel 16 bedoelde maatregelen rechtens en economisch te beoordelen, terwijl ten aanzien van de maatregelen bedoeld in artikel 18, hun beoordelingsvrijheid politiek en economisch van aard was.

De vrijwaringsmaatregelen bedoeld in artikel 16 konden, mits daarvan behoorlijk was kennis gegeven, door de Lid-Staten rechtsgeldig op de particuliere ondernemers worden toegepast, althans tot het moment waarop zij kennis kregen van de beschikking van de Commissie, waarbij de wijziging of opheffing van die maatregelen werd bevolen.

Aangezien de beschikking van de Commissie op 28 juli 1966 aan de Italiaanse republiek werd meegedeeld, werd zij overeenkomstig artikel 191 EEG-Verdrag op die datum van kracht. Deze rechtskracht betreft het verbindend karakter van de beschikking (dat wil zeggen dat zij verbindend wordt op het tijdstip van de kennisgeving ervan), doch niet de normatieve gevolgen; deze kunnen zowel terugwerkende kracht hebben — natuurlijk onder voorbehoud van de algemene beginselen betreffende terugwerkende kracht — als op een moment na de kennisgeving intreden. De terugwerkende kracht van de gevolgen kan echter bezwaarlijk zonder meer worden ondersteld.

Artikel 12, lid 2, van verordening nr. 14/64 verbood, met rechtstreekse werking met ingang van 1 november 1964, de toepassing van enig douanerecht of enige heffing van gelijke werking op de invoer van rundvlees uit derde landen. De beschikking van de Commissie houdende de verplichting voor de Italiaanse republiek om de op 28 juli 1966 meegedeelde vrijwaringsmaatregelen op te heffen, vormde slechts een bekrachtiging van dat verbod. Ingevolge artikel 189 EEG-Verdrag, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, kunnen de particuliere ondernemers zich dus vanaf het tijdstip waarop de beschikking van de Commissie begon te werken, voor de nationale rechter beroepen op de rechtsgevolgen van de verplichting van de Italiaanse republiek om zich te houden aan het verbod betreffende toepassing van een aanvullende heffing.

Deze beschikking vermeldde niet de datum met ingang waarvan de Italiaanse republiek de vrijwaringsmaatregelen moest opheffen; de toepassing van de aanvullende heffing moest dus worden beëindigd op het tijdstip waarop de beschikking voor de Italiaanse republiek verbindend werd, dat wil zeggen op het tijdstip van kennisgeving ervan. De tekst of de regeling bevat echter niets op grond waarvan aan die verplichting terugwerkende kracht kan worden toegekend tot op het tijdstip waarop de vrijwaringsmaatregelen in werking zijn getreden. Ingevolge de regeling van verordening nr. 14/64 konden de Lid-Staten met onmiddellijk rechtsgevolg de maatregelen nemen die zij noodzakelijk achtten; anderzijds waren de gemeenschapsinstellingen geheel vrij om in te grijpen in de nationale maatregelen en eventueel zelfs om handelend op te treden ten aanzien van reeds ingetreden gevolgen. De Commissie had dus wel het recht de ongedaanmaking ex tunc van de toegepaste vrijwaringsmaatregelen te bevelen, maar waar de beschikking op dit punt zwijgt, mag een dergelijke terugwerkende kracht niet worden verondersteld. Waar het anderzijds technisch mogelijk was om de eventueel na de kennisgeving geïnde aanvullende heffingen terug te betalen, kon het feit dat er enige tijd nodig was om een nationaal intrekkingbesluit vast de stellen, geen rechtvaardiging bieden om de inwerkingtreding van de beschikking uit te stellen tot een tijdstip ná de kennisgeving ervan.

Wat nu beschikking nr. 66/455 van de Raad betreft, waarvan op 29 juli 1966 werd kennis gegeven, deze verleende een machtiging en kon dus geen rechtstreekse werking hebben; het werd aan de Lid-Staat overgelaten om te beslissen of en met ingang van welke datum hij van de daarin toegekende bevoegdheid gebruik wilde maken. De Italiaanse republiek deed dat per 1 augustus 1966. De beschikking van de Raad diende enkel ter correctie van enkele mogelijke technische onvolkomenheden in het berekeningsstelsel van de heffingen die, wanneer zij tot uiting zouden zijn gekomen, de Italiaanse markt in lichte mate zouden hebben kunnen benadelen. Uit de keuze der middelen kan worden afgeleid dat de gemeenschapsinstellingen wilden ingrijpen op een terrein dat totaal verschilde van dat waar de Italiaanse republiek optrad: zij waren niet van zins, de door vrijwaringsmaatregelen opgeworpen belemmeringen voor het handelsverkeer te handhaven, zelfs niet in mindere mate, doch integendeel de Lid-Staat te verplichten die belemmeringen onmiddellijk en volledig op te heffen, maar tegelijkertijd machtigden zij hem correcties aan te brengen in het peil van de heffingen; het gaat dus niet om een alternatieve oplossing om het hoofd te bieden aan een identieke situatie, doch om een autonome maatregel die moest worden toegepast wanneer de situatie zou veranderen. Er behoeft dus niet per se een automatisch verband of een samenhang te bestaan tussen de opheffing van de vrijwaringsmaatregelen en het gebruik van de machtiging als bedoeld in artikel 18.

De aan het Hof gestelde vragen kunnen worden beantwoord als volgt:

a) Beschikking nr. 66/474 van de Commissie van 28 juli 1966 — vastgesteld krachtens artikel 16 van verordening nr. 14/64 — en beschikking nr. 66/455 van de Raad van dezelfde datum — vastgesteld krachtens artikel 18 van verordening nr. 14/64 — hebben verschillende doelstellingen en regelen verschillende onderwerpen; tussen deze twee beschikkingen bestaat dus geen enkele rangorde in de hiërarchie van de bronnen van gemeenschapsrecht.

b) Beschikking nr. 66/474 van de Commissie verplichtte de Lid-Staat waartoe zij was gericht, met ingang van 28 juli 1966 de toepassing van een aanvullende heffing te beëindigen die was vastgesteld krachtens artikel 16 van verordening nr. 14/64. Deze verplichting brengt rechtstreekse gevolgen teweeg in rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staat waartoe de beschikking is gericht, en de ondernemers en doet voor deze laatsten rechten ontstaan welke de nationale rechter moet handhaven.

c) Beschikking nr. 66/455 van de Raad machtigde de Lid-Staat waartoe zij was gericht, onder de voorwaarden, binnen de grenzen en voor de produkten welke in de beschikking zelf werden vermeld, de overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 14/64 vastgestelde heffingen op invoer uit derde landen te verhogen. Het stond aan de Lid-Staat om door geëigende nationale voorschriften te bepalen op welke datum de eventueel op grond van deze machtiging genomen nationale maatregelen in werking zouden treden.

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 18 januari 1979 hebben de SpA Salumificio di Cornuda, verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door P. Castellini, advocaat te Padua, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door G. Campogrande, lid van haar juridische dienst, mondelinge opmerkingen gemaakt en vragen van het Hof beantwoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 8 februari 1979 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 17 februari 1978, ingekomen ten Hove op 9 juni daaropvolgend, heeft de Italiaanse Corte di Cassazione krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 16 en 18 van verordening nr. 14/64 van de Raad van 5 februari 1964 houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB 1964, blz. 562), in verband met enerzijds beschikking nr. 66/455 van de Raad van 28 juli 1966 waarbij de Italiaanse republiek wordt gemachtigd in de sector rundvlees de heffingen van toepassing op de invoer van bepaalde produkten uit derde landen te verhogen (PB 1966, blz. 2659), en anderzijds beschikking nr. 66/474 van de Commissie van 28 juli 1966 houdende de verplichting voor de Italiaanse republiek om de vrijwaringsmaatregelen, die genomen zijn voor runderen en voor kalveren, op te heffen (PB 1966, blz. 2796).

2. Blijkens het dossier heeft de regering van de Italiaanse republiek de Commissie op 23 juli 1966 ervan in kennis gesteld dat zij wegens de aanhoudende lage marktprijzen in de sector rundvlees had besloten, overeenkomstig de voorwaarden van artikel 16 van verordening nr. 14/64 vrijwaringsmaatregelen te treffen.

3. Deze vrijwaringsmaatregelen, krachtens een ministeriële circulaire per 24 juli 1966 in werking getreden, bestonden uit de toepassing van een aanvullende heffing bij de invoer van runderen en rundvlees uit derde landen, gelijk aan 60 % van de overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 14/64 bepaalde heffing.

4. In de kennisgeving aan de Commissie was uitdrukkelijk verklaard: „Voor de mesterij bestemde runderen met een gewicht beneden 340 kg alsmede bevroren rundvlees dat bestemd is voor verwerking onder douanetoezicht, zijn van de vrijwaringsmaatregelen uitgezonderd”.

5. Bij beschikking nr. 66/474 van 28 juli 1966, op dezelfde dag ter kennis van de Italiaanse regering gebracht, stelde de Commissie vast dat de Italiaanse markt voor rundvlees in feite niet de verstoring onderging waarop de Italiaanse autoriteiten zich beriepen, en legde zij de Italiaanse republiek de verplichting op „om de vrijwaringsmaatregelen die zij op 23 juli 1966 aan de Commissie heeft medegedeeld, op te heffen”.

6. Op dezelfde datum stelde de Raad, op voorstel van de Commissie, krachtens artikel 18 van verordening nr. 14/64 beschikking nr. 66/455 vast, waarbij de Italiaanse republiek werd gemachtigd in de sector rundvlees de heffingen van toepassing op de invoervan bepaalde produkten uit derde landen te verhogen.

7. Nadat deze beschikking haar de daarop volgende dag ter kennis was gebracht, hief de Italiaanse regering de door haar getroffen vrijwaringsmaatregelen per 1 augustus 1966 op en maakte met ingang van dezelfde datum gebruik van de machtiging de heffing op de produkten waarop de beschikking van de Raad betrekking had, te verhogen.

8. Op 29 juli 1966 importeerde verzoekster in het hoofdgeding een partij bevroren rundvlees, afkomstig uit Argentinië.

9. Op deze invoer werd geen heffing toegepast, zulks in overeenstemming met verordening nr. 42/66 van de Raad van 21 april 1966 houdende tijdelijke schorsing van de heffingen welke van toepassing zijn op de invoer van bepaalde soorten bevroren rundvlees, bestemd voor verwerking onder douanetoezicht (PB 1966, blz. 1141).

10. Maar na een latere controle van deze verrichting vorderde de Italiaanse douane, met toepassing van de hiervoor bedoelde vrijwaringsmaatregelen, bij een op 8 september 1971 betekende beschikking van verzoekster betaling van een aanvullende heffing van LIT 16817380.

11. Verzoekster in het hoofdgeding ging van deze beschikking in beroep bij het Tribunale te Turijn, dat bij vonnis van 5 augustus 1973 het beroep gegrond verklaarde.

12. In hoger beroep van de Administratie van de Staatsfinanciën vernietigde de Corte d'appello te Turijn het vonnis van het Tribunale en verklaarde de beschikking betreffende de aanvullende heffing rechtsgeldig.

13.

Nadat verzoekster beroep tot cassatie van dit arrest had ingesteld, heeft de Corte di Cassazione de navolgende vragen gesteld, ten einde onder meer te doen vaststellen welk rechtsgevolg beschikking nr. 66/474 van de Commissie heeft en hoe zij zich verhoudt tot beschikking nr. 66/455 van de Raad:

> 1.„ Aan welke beschikking komt in de hiërarchie van de rechtsbronnen van de Gemeenschap voorrang toe: aan de beschikking van de Commissie krachtens het genoemde artikel 16 — met betrekking tot de in genoemde verordening nr. 14/64 geregelde materie —, of aan de beschikking van de Raad krachtens artikel 18 dier verordening?
>
> 2.Is de beschikking van de Commissie op grond van de hiervoor sub 1 genoemde bepaling, voor de aldaar genoemde materie rechtstreeks toepasselijk in de nationale rechtsorde van de betrokken Lid-Staat (de Italiaanse republiek) of is voor de toepassing een nationaal uitvoeringsvoorschrift nodig?
>
> 3.Indien vraag 2 in eerstbedoelde zin moet worden beantwoord (dat wil zeggen dat de beschikking rechtstreeks toepasselijk is), wordt bedoelde beschikking dan toepasselijk op het tijdstip waarop zij is gegeven, of op het tijdstip waarop ervan wordt kennis gegeven aan de Lid-Staat tot wie zij is gericht?
>
> 4.Uitgaande van dezelfde veronderstelling als sub 3: is het effect van bedoelde beschikking van de Commissie met betrekking tot het ingetrokken besluit in technische zin een „vernietiging”, en wel *ex tunc* vanaf de dag waarop het besluit werd genomen, zodat alle gevolgen die inmiddels mochten zijn ingetreden, met terugwerkende kracht komen te vervallen, of is het effect met betrekking tot de ingetrokken rechtshandeling in technisch opzicht een „intrekking”, en wel *ex nunc* vanaf het tijdstip waarop deze beschikking is gegeven dan wel ervan is kennis gegeven?
>
> 5.Indien vraag 2 in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord (dat wil zeggen aldus, dat genoemde beschikking van de Commissie slechts via een nationale rechtshandeling van de Lid-Staat binnen het kader van de rechtsorde van die staat van kracht kan worden) : wordt dan in de uit te leggen gemeenschapsrechtelijke bepalingen voorgeschreven dat zulk een nationale uitvoeringshandeling met betrekking tot de nationale rechtshandeling welke daarbij, ingevolge de beschikking der Gemeenschap, moet worden ingetrokken, technisch als „vernietiging” dan wel technisch als, intrekking' is te beschouwen — waarbij deze begrippen worden gebezigd in voege als onder 3 nader is aangegeven —?”

14. De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen de aandacht erop gevestigd dat het door verzoekster in het hoofdgeding ingevoerde produkt — bevroren rundvlees bestemd voor verwerking onder douanetoezicht — tot een categorie behoorde die door de Italiaanse regering in haar kennisgeving aan de Commissie uitdrukkelijk van de vrijwaringsmaatregelen was uitgezonderd.

15. Blijkens het dossier was deze uitzondering echter niet vermeld in de circulaire krachtens welke de vrijwaringsmaatregelen in de nationale rechtsorde werden toegepast.

16. Verzoekster in het hoofdgeding heeft naar eigen zeggen eerst tijdens de procedure kennis kunnen nemen van de kennisgeving van de Italiaanse regering aan de Commissie, zodat de nationale rechterlijke instanties met dit te laat voorgedragen argument geen rekening hebben kunnen houden; het komt echter wel voor in het dossier van de Corte di Cassazione.

17. Ingeval mocht komen vast te staan dat de maatregelen van de Italiaanse autoriteiten ook golden voor een groep produkten die niet onder de aan de Commissie meegedeelde vrijwaringsmaatregelen vielen, dan zou daaruit volgen dat de toepassing van een aanvullend bedrag van 60 % van de heffing in zoverre een heffing van gelijke werking als een douanerecht was, waarvan de toepassing bij artikel 12 van verordening nr. 14/64 is verboden.

18. Aangezien het Hof echter niet bevoegd is de feiten van een zaak te onderzoeken, en hieromtrent geen vraag is gesteld, moet de beoordeling van het door de Commissie opgeworpen probleem aan de nationale rechter worden overgelaten.

19. Volgens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 14/64 kunnen de belanghebbende Lid-Staat of Lid-Staten, „indien in een of meer Lid-Staten ten gevolge van de toepassing van de maatregelen betreffende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening van de markt van rundvlees, deze markt als gevolg van de invoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, die de in artikel 39 van het Verdrag gestelde doeleinden in gevaar kunnen brengen, … gedurende de overgangsperiode betreffende de invoer van genoemde produkten de nodige vrijwaringsmaatregelen treffen”.

20. Ingevolge lid 2, eerste alinea, van hetzelfde artikel dient de belanghebbende Lid-Staat deze maatregelen uiterlijk bij de inwerkingtreding daarvan ter kennis te brengen van de andere Lid-Staten en de Commissie,

21. terwijl ingevolge de derde alinea van ditzelfde lid „de Commissie, na raadpleging van de Lid-Staten in het \[bevoegde\] Comité van Beheer, volgens een spoedprocedure en binnen uiterlijk vier werkdagen te rekenen vanaf de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving, beslist of de maatregelen moeten worden gehandhaafd, gewijzigd of opgeheven”.

22. In de vierde alinea wordt hieraan toegevoegd dat de beschikking van de Commissie „onmiddellijk uitvoerbaar is”.

23. De door de Commissie op 28 juli 1966 krachtens de aangehaalde bepalingen vastgestelde beschikking, waarvan op dezelfde dag kennis werd gegeven, is overeenkomstig artikel 191, tweede alinea, EEG-Verdrag ten aanzien van Italië in werking getreden op het tijdstip van die kennisgeving.

24. De Italiaanse republiek was dus met ingang van 28 juli 1966 gebonden aan de, onmiddellijk uitvoerbare, verplichting om de vrijwaringsmaatregelen waarvan de invoering op 23 juli 1966 aan de Commissie was meegedeeld, op te heffen.

25. Mitsdien is de Italiaanse administratie niet gerechtigd de onderhavige vrijwaringsmaatregelen aan een handelaar tegen te werpen met betrekking tot een invoer na de datum — 28 juli 1966 — waarop de beschikking van de Commissie ten aanzien van de staat rechtsgevolg heeft verkregen.

26. De Italiaanse autoriteiten kunnen de volledige werking van deze beschikking niet betwisten met een beroep op de omstandigheid dat de nationale vrijwaringsmaatregelen eerst op een datum na de inwerkingtreding van de beschikking zijn opgeheven.

27. Een beroep van de nationale administratie op vertraging bij het uitvoeren van een besluit van de communautaire overheid, vormt immers een schending van artikel 5, eerste alinea, EEG-Verdrag, bepalende dat „de Lid-Staten alle algemene of bijzondere maatregelen treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.”

28. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat op hetzelfde moment waarop de Commissie de opheffing verlangde van vrijwaringsmaatregelen die zij niet als gerechtvaardigd had kunnen erkennen, de Raad de Italiaanse republiek heeft gemachtigd andere beschermende maatregelen te nemen.

29. Deze maatregelen berusten immers op een andere rechtsgrondslag, te weten artikel 18 van verordening nr. 14/64, volgens hetwelk de Raad, op voorstel van de Commissie, maatregelen kan nemen „die van deze verordening afwijken”, ten einde rekening te houden met „bijzondere omstandigheden” die ten aanzien van bepaalde onder de verordening vallende produkten zouden kunnen bestaan.

30. Daarenboven moet worden opgemerkt dat de afwijkende maatregelen waartoe de Raad op die grondslag machtiging verleende, naar aard en strekking ervan niet op één lijn zijn te stellen met de vrijwaringsmaatregelen waarvan de Commissie de opheffing verlangde.

31. Hieruit moet worden geconcludeerd dat, hoewel de beschikking van de Commissie krachtens artikel 16 en de beschikking van de Raad krachtens artikel 18 van verordening nr. 14/64 van dezelfde datum zijn, er rechtens geen verband en a fortiori geen hiërarchische rangorde tussen de beide bestaat.

32. Mitsdien kon het gebruik dat de Italiaanse republiek met ingang van 1 augustus 1966 maakte van de haar bij de beschikking van de Raad verleende machtiging, niet worden beschouwd als een voorwaarde voor het ongedaan maken van de werking van de in de beschikking van de Commissie bedoelde vrijwaringsmaatregelen.

33.

De eerste, tweede en derde vraag moeten derhalve respectievelijk worden beantwoord als volgt:

—beschikking nr. 66/474 van de Commissie, op 28 juli 1966 vastgesteld krachtens artikel 16 van verordening nr. 14/64, is van kracht geworden onafhankelijk van beschikking nr. 66/455 van de Raad, op dezelfde datum vastgesteld krachtens artikel 18 van dezelfde verordening;

—na beschikking nr. 66/474 van de Commissie is de Italiaanse republiek niet meer gerechtigd aan een handelaar, wegens een invoer na het van kracht worden van die beschikking, de als vrijwaringsmaatregelen bedoelde nationale bepalingen welker opheffing door de Commissie werd verlangd, tegen te werpen, ook al zijn deze bepalingen intern eerst opgeheven na het van kracht worden van de beschikking van de Commissie;

—overeenkomstig artikel 191, tweede alinea, EEG-Verdrag is beschikking nr. 66/474 van de Commissie van kracht geworden op het tijdstip waarop zij ter kennis van de Italiaanse republiek is gebracht, dat wil zeggen op 28 juli 1966.

34. In antwoord op de vierde vraag moet worden gepreciseerd dat artikel 16 van verordening nr. 14/66 geen beperking inhoudt van de bevoegdheid van de Commissie om het tijdstip te bepalen met ingang waarvan zij desgevallend kan verlangen dat een door een Lid-Staat getroffen vrijwaringsmaatregel wordt opgeheven.

35. Weliswaar zou in beginsel niets de Commissie hebben belet de opheffing van een niet gerechtvaardigd geachte vrijwaringsmaatregel te verlangen vanaf het moment waarop deze was ingevoerd, doch uit de tekst van beschikking nr. 66/474 blijkt dat het tijdstip waarop de verplichting tot opheffing van de betrokken maatregelen inging, moest samenvallen met dat waarop de beschikking zelf van kracht werd, namelijk de dag van kennisgeving aan de Italiaanse regering, 28 juli 1966.

36. Gezien het antwoord op de tweede vraag, is de beantwoording van de vijfde vraag overbodig.

#### Kosten

37. De kosten door de Commissie en door de regering van de Italiaanse republiek wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

38. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de Italiaanse Corte di Cassazione over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede Kamer),

uitspraak doende op de door de Italiaanse Corte di Cassazione bij beschikking van 17 februari 1978 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Beschikking nr. 66/474 van de Commissie van 28 juli 1966, houdende de verplichting voor de Italiaanse republiek om de vrijwaringsmaatregelen die genomen zijn voor runderen en voor kalveren, op te heffen, is van kracht geworden onafhankelijk van beschikking nr. 66/455 van de Raad van dezelfde datum, warbij de Italiaanse republiek werd gemachtigd in de sector rundvlees de heffingen van toepassing op de invoer van bepaalde produkten uit derde landen te verhogen.

2\. Na beschikking nr. 66/474 van de Commissie was de Italiaanse Republiek niet meer gerechtigd aan een handelaar, wegens een invoer na het van kracht worden van die beschikking, de als vrijwaringsmaatregelen bedoelde nationale bepalingen welker opheffing door de Commissie was verlangd, tegen te werpen, ook al zijn deze bepalingen intern eerst opgeheven na het van kracht worden van de beschikking van de Commissie.

3\. Overeenkomstig artikel 191, tweede alinea, EEG-Verdrag is beschikking nr. 66/474 van de Commissie van kracht geworden op het tijdstip waarop zij ter kennis van de Italiaanse republiek is gebracht, dat wil zeggen op 28 juli 1966.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

11

verordening 14/64 art. 16 19 voorkomens

verordening 14/64 art. 18 9 voorkomens

EEG-Verdrag art. 191 uitgelegd 7 voorkomens

verordening 14/64 art. 5 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 189 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 39 3 voorkomens

verordening 14/64 art. 12 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 226 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 5 1 voorkomen

verordening 14/66 art. 16 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Hof van Justitie 5/84 13.02.1985

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 27, EEG-Verdrag art. 102](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-5-84-arrest)
