Arrest van het Hof van 12 juli 1973, 13/73 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 13/73 ECLI:EU:C:1973:92 12 juli 1973

Zoeken

Arrest van het Hof van 12 juli 1973, 13/73EEG-Verdrag art. 177

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-13-73-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
13/73
ECLI
ECLI:EU:C:1973:92
Datum
12 juli 1973

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Cour de cassation, Chambre sociale (Frankrijk) 71-12.056 71-12.112 186
Advocaat-generaal
Trabucchi
Nationale beslissing na het arrest
Cour de cassation, Chambre sociale beslissing van 3 januari 1974 71-12.056 71-12.112 7

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1973, blz. 935
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Pescatore
Repertorium van het Hof

Tekst

85 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

I — Overzicht van de feiten en het procesverloop

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:

Willy Hakenberg, Frans staatsburger met domicilie in Frankrijk, is sedert 24 oktober 1950 in de Bondsrepubliek Duitsland als vertegenwoordiger werkzaam voor verschillende in Frankrijk gevestigde Franse ondernemingen, waaronder ten laatste de Société Anciens Établissements D. Angenieux fils aîné, te Saint-Étienne.

De werkzaamheid van Hakenberg bestaat vooral uit het bezoeken van een klantenkring van fabrikanten en groothandelaren in Duitsland, ten einde aan hen mechanische metalen produkten voor fietsen en motorrijwielen te verkopen. Daartoe is hij gedurende ongeveer negen maanden per jaar op rondreis in Duitsland, zonder daar een vaste verblijfplaats te hebben. Hij woont in een caravan, getrokken door een in Frankrijk geregistreerd voertuig. In Duitsland beschikt hij over een postbus en een ontvangadres te Wuppertal-Barmen. Buiten de tijd van zijn rondreizen komt hij periodiek, gedurende ongeveer drie maanden per jaar, in Frankrijk terug om contact op te nemen met de ondernemingen die hij vertegenwoordigt. Hij werkt uitsluitend op provisiebasis en sluit geen enkele transactie voor eigen rekening. Noch in Frankrijk, noch in Duitsland is hij in een handelsregister of handelsagentenregister ingeschreven.

Hakenberg heeft in 1964 verzocht met terugwerkende kracht tot 1950 het Franse algemene stelsel voor sociale zekerheid op hem toe te passen.

De Commission de recours gracieux de la Caisse primaire centrale de sécurité sociale de la région parisienne heeft bij beschikking van 3 november 1964 geweigerd aan dit verzoek te voldoen, op de tweeledige grond dat Hakenberg geen werknemer zou zijn en dat hij zijn beroepswerkzaamheid in Duitsland zou uitoefenen.

Hakenberg heeft op 8 januari 1965 tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale et de la mutualité sociale agricole de Paris, die bij uitspraak van 16 juni 1965 besliste dat het algemene stelsel voor sociale zekerheid op Hakenberg moest worden toegepast.

De Caisse primaire is op 26 juli 1965 tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan.

Het Cour d'appel de Paris heeft, bij arresten van 22 februari en 18 april 1967, gelast de 21 ondernemingen waarvoor Hakenberg werkzaam was geweest of nog was, in het geding te roepen, en heeft vervolgens bij arrest van 15 november 1967 een deskundige benoemd om een rapport op te stellen over de aard van Hakenbergs werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden.

Het Cour d'appel de rans heeft, aan de hand van dit rapport, bij arrest van 17 februari 1971 geoordeeld dat Hakenberg onder het Franse algemene stelsel voor sociale zekerheid moest worden gebracht ingevolge de nationale bepalingen inzake de aansluiting van handelsreizigers en handelsagenten bij dit stelsel, alsmede op grond van artikel 13, lid 1, sub c), tweede alinea, van verordening nr. 3 van de Raad van 25 september 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB blz. 561), zoals gewijzigd bij de verordening nr. 24/64 van de Raad van 10 maart 1964 (PB blz. 746).

De werkgevers van Hakenberg en de Caisse primaire hebben tegen dit arrest cassatie aangetekend.

Het Cour de Cassation, kamer voor sociale zaken, heeft bij arrest van 1 februari 1973 besloten het geding te schorsen

totdat het Hof van Justitie uitspraak zal hebben gedaan over de betekenis die, ter bepaling van het orgaan van aansluiting bij de sociale verzekering, moet worden gehecht aan

1. de term „werkzaam” in artikel 12 van de verordening nr. 3, en zal hebben beslist of een vertegenwoordiger, die negen maanden van het jaar voortdurend in een Lid-Staat rondreist voor klantenbezoek, maar wiens werkzaamheid een verlengstuk heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat, waar zich de zetel bevindt van de ondernemingen-principalen, waarmede hij buiten de rondreisperiode contact komt opnemen, moet worden geacht werkzaam te zijn op het grondgebied van beide staten of alleen op dat van de eerste staat; of een noord werkzaamheid op het grondgebied van een Lid-Staat voldoende is voor de toepassing van genoemd artikel 12;

2. de woorden „duur van tewerkstelling van twaalf maanden” in artikel 13, sub a), van verordening nr. 3 vóór de wijziging bij verordening nr. 24/64 van 10 maart 1964, en zal hebben beslist of een werknemer die voor een onderneming met zetel op het grondgebied van een Lid-Staat reeds verscheidene jaren op het grondgebied van een andere Lid-Staat werkzaam is gedurende negen maanden per jaar, afgewisseld met verblijf van drie maanden in de eerste staat, moet worden geacht onder artikel 13, sub a), te vallen;

3. de bepaling in artikel 1, sub h), van verordening nr. 3, dat onder „woonplaats” de „normale verblijfplaats” wordt verstaan, en zal hebben beslist of elke normale verblijfplaats binnen de grenzen van een Lid-Staat moet worden geacht de woonplaats op te leveren, zelfs indien het verblijf niet op een vaste plaats wordt gehouden maar bestaat uit prospectiereizen met een caravan, dan wel of de normale verblijfplaats een zekere gefixeerdheid op een gegeven punt veronderstelt en of de woonplaats zich bijgevolg alleen bevindt in de Lid-Staat, waarnaar de betrokkene, tussen zijn rondreizen, op een welbepaald domicilie terugkeert en waar zich eveneens de zetel van de ondernemingen-principalen bevindt.

Het arrest van het Cour de Cassation is ingeschreven ter griffie van het Hof op 21 februari 1973.

Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 14 mei 1973, door de Caisse primaire centrale d'assurance maladie de la région parisienne op 18 mei, door de Société Anciens Établissements D. Angenieux en 15 andere vennootschappen op 21 mei, door Hakenberg op 21 en 22 mei en door de regering van de Franse Republiek op 23 mei.

Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Ter terechtzitting van 21 juni 1973 hebben de Société Anciens Établissements D. Angenieux en 15 andere vennootschappen, verzoeksters ten principale, Hakenberg, verweerder ten principale, en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.

De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 4 juli 1973 conclusie genomen.

De Société Anciens Établissements D. Angenieux en 15 andere vennootschappen, verzoeksters ten principale, werden ten deze vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, de Caisse primaire d'assurance maladie de la région parisienne door J. P. Desaché, Hakenberg door J. Landousy, de regering van de Franse Republiek door de Franse ambassadeur te Luxemburg en de Commissie door haar juridisch adviseur I. Telchini, bijgestaan door mejuffrouw M. J. Jonczy, lid van haar juridische dienst.

II — Voor het Hof gemaakte opmerkingen

Overwegende dat de aan het Hof voorgelegde schriftelijke en mondelinge opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

De Société Anciens Établissements D. Angenieux fils ainé en 15 andere vennootschappen, verzoeksters ten principale, wijzen erop dat de eerste twee door het Cour de Cassation gestelde vragen betrekking hebben op de toestand vóór de wijziging van verordening nr. 3 bij verordening nr. 24/64, terwijl de derde vraag betrekking heeft op de gewijzigde verordening nr. 3.

a) Wat de eerste vraag aangaat, dient allereerst te worden opgemerkt dat verordening nr. 3, luidens artikel 4, in het algemeen op alle werknemers of daarmee gelijkgestelden van toepassing is, dus ook op statutaire vertegenwoordigers die tot taak hebben om op het grondgebied van verschillende Lid-Staten rond te reizen. Vervolgens zij opgemerkt dat, afgezien van tewerkstelling van werknemers elders, het geval van gelijktijdige werkzaamheid van een werknemer op het grondgebied van twee Lid-Staten in verordening nr. 3 vóór de wijziging van 1964 niet was geregeld. Het oude artikel 12 leidt tot een cumulatieve toepassing van de Duitse en de Franse sociale wetgeving. De jurisprudentie van het Hof (arrest 92-63 van 9 juni 1964 in de zaak Nonnenmacher, Jurisprudentie 1964, blz. 583; arrest 19-67 van 5 december 1967 in de zaak Van der Vecht, Jurisprudentie 1967, blz. 431) sluit de gelijktijdige toepassing van verschillende wetgevingen niet uit, tenzij zulks voor de werknemers of hun werkgevers een verhoging van lasten meebrengt, waar geen aanvullende sociale bescherming tegenover staat. In casu zou dit het geval zijn, indien de Duitse en Franse wetgevingen cumulatief werden toegepast. Derhalve dient een criterium te worden gezocht voor de bepaling van de enige toepasselijke wetgeving. In dit opzicht is geen ander criterium denkbaar dan dat van de werkzaamheid. wat de uitlegging van de in artikel 12 van verordening nr. 3 gebruikte term „werkzaam” betreft: ongetwijfeld dient Hakenberg te worden beschouwd als werkzaam op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, indien hij er voor zijn beroepsuitoefening meer dan negen maanden per jaar verblijft. Daarbij doet het er voor de toepassing van artikel 12 van verordening nr. 3 weinig toe, of de betrokkene al dan niet in Frankrijk woonachtig is omdat slechts de vraag beantwoord dient te worden of hij in Duitsland „werkzaam” is. Los van elk begrip van woonplaats of domicilie, is het beslissend criterium in artikel 12 de fysieke aanwezigheid van de werknemer op de plaats van zijn werk, waarbij zijn domicilie of woonplaats kan zijn gelegen op het grondgebied van een andere Lid-Staat. De werkzaamheid van Hakenberg als vertegenwoordiger op Duits grondgebied komt derhalve overeen met de in artikel 12 bedoelde situatie, ook al vindt die werkzaamheid een verlengstuk op het grondgebied van een andere Lid-Staat, waar de zetel van zijn werkgevers zich bevindt. Voorts impliceert een „verlengstuk” van de werkzaamheid op Frans grondgebied, dat de werkzaamheid van de betrokkene zich wel degelijk in Duitsland afspeelt, waar hij derhalve als „werkzaam” moet worden beschouwd in de zin van artikel 12 van verordening nr. 3. In ieder geval is niet voor bestrijding vatbaar dat Hakenberg zijn hoofdwerkzaamheid op het grondgebied van de Bondsrepubliek uitoefent, hetgeen voldoende is voor toepassing van artikel 12, nu de betrokkene ook voldoet aan de overige daarin gestelde voorwaarden.

b) Artikel 13, sub a), van verordening nr. 3 in de oorspronkelijke versie derogeert aan het algemene beginsel, neergelegd in artikel 12; het bepaalt de draagwijdte en de strekking van deze derogatie en moet, zoals iedere uitzondering, beperkt worden opgevat. Hakenberg valt hier duidelijk niet onder, omdat het doelt op de werknemer die, in dienst zijnde van een onderneming die zich op het grondgebied van een Lid-Staat bevindt, door deze onderneming in een andere staat wordt te werk gesteld voor een tijdsduur van niet meer dan twaalf maanden. Hakenberg heeft tientallen jaren als vertegenwoordiger in Duitsland gewerkt, telkens gedurende negen à tien maanden per jaar. Voorts kan niet aangenomen worden, zonder de restrictieve bewoordingen van het oude artikel 13, alinea a), te miskennen, dat opeenvolgende perioden van negen maanden per raar in een andere Lid-Staaf kunnen worden gelijkgesteld met een verblijf van twaalf maanden, te meer omdat de tekst uitdrukkelijk bepaalt dat deze periode van twaalf maanden ten hoogste voor éénmaal kan worden verlengd met goedkeuring van de bevoegde autoriteit van de tweede staat of het door deze aangewezen lichaam.

c) Uitleg van artikel 1, sub h), van verordening nr. 3 is noodzakelijk voor de beoordeling van de zin en strekking van artikel 13, lid 1, sub c), in de redactie van verordening nr. 24/64. De uitzondering in deze laatste bepaling op het algemene beginsel van artikel 12 kan niet gelden voor Hakenberg, nu deze, in de zin van artikel 1 van verordening nr. 3, zijn woonplaats niet in Frankrijk maar in Duitsland heeft. Opgemerkt zij dat in het kader van verordening nr. 3 het begrip „woonplaats” niet moet worden opgevat als een begrip van nationaal recht, maar als een criterium voor de oplossing van een internationaalrechtelijk conflict; het bepaalt welke van de verschillende nationale wetgevingen toepasselijk is op een gegeven feitelijke situatie. Bepalend in dit opzicht is dat Hakenberg meestentijds — immers nooit korter dan negen of tien maanden per jaar — in Duitsland verblijft; het centrum van zijn beroepswerkzaamheid is in Duitsland gevestigd. Daarom bevindt zijn normale verblijfplaats en, bijgevolg, zijn woonplaats in de zin van artikel 1 van verordening nr. 3 zich in Duitsland en niet in Frankrijk. Daarbij doet het niet ter zake dat de betrokkene in Duitsland niet op een vaste plaats verblijft.

d) Samenvattend kunnen de door het Cour de Cassation gestelde vragen als volgt worden beantwoord: Een vertegenwoordiger die voor klantenbezoek negen maanden per jaar in een Lid-Staat verblijft, moet worden geacht „werkzaam” te zijn op het grondgebied van die staat, in de zin van artikel 12 van verordening nr. 3. Een vertegenwoordiger die jarenlang, telkens voor negen maanden per jaar, werkzaam is geweest op het grondgebied van een Lid-Staat, kan zich niet beroepen op de uitzondering vervat in de oude alinea a) van artikel 13 van verordening nr. 3, die slechts gold bij een maximumduur van tewerkstelling van twaalf maanden. Voor een „normale verblijfplaats” in de zin van artikel 1 van verordening nr. 3 is het voldoende dat de betrokkene gewoonlijk op het grondgebied van een Lid-Staat verblijft, zonder dat de vorm van zijn verblijf — vast of mobiel verblijf — in aanmerking wordt genomen.

De Caisse primaire centrale d'assurance maladie de la région parisienne, verzoekster ten principale, brengt hoofdzakelijk het volgende naar voren:

a) In artikel 12 van verordening nr. 3 is er een tegenstelling tussen de bewoording „(werknemers) die werkzaam zijn op het grondgebied van een Lid-Staat” en de uitdrukking „zelfs indien zij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woonachtig zijn of indien hun werkgever … zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat bevindt”. Bepalend voor de toepassing van artikel 12 is derhalve de plaats waar de werknemer zijn beroepsactiviteit uitoefent voor rekening van de onderneming die hem in dienst heeft. Hoewel een handelsvertegenwoordiger periodiek contact moet opnemen met de onderneming die hij vertegenwoordigt, is hij duidelijk „werkzaam” op het grondgebied van de staat waar hij de aan zijn beroepskwalificatie verbonden activiteit uitoefent. Het begrip „verlengstuk van de activiteit” op het grondgebied van de Lid-Staat waar de zetel van de ondernemingen-principalen zich bevindt, houdt noodzakelijkerwijze in dat de activiteit van een vertegenwoordiger gelegen is op het grondgebied waar de klanten worden bezocht en waar hij bijgevolg als „werkzaam” moet worden beschouwd in de zin van artikel 12 van verordening nr. 3. Dit „verlengstuk” van de activiteit van de vertegenwoordiger is geen bijkomende werkzaamheid. Het maakt deel uit van de normale beroepsactiviteit en bepaalt de uitoefening ervan. Artikel 12 bevat trouwens geen enkel voorbehoud en eist geenszins dat de werkzaamheid tot één enkele beperkt is: in ieder geval is het de hoofdactiviteit die de aansluiting bij de sociale verzekering meebrengt en kenmerkt.

b) De uitlegging van artikel 13, sub a), van verordening nr. 3 in de oorspronkelijke versie wordt ten aanzien van de term „duur van de tewerkstelling van twaalf maanden” beheerst door de uitdrukking „vermoedelijke duur van hun tewerkstelling” en door de noodzaak dat de tweede staat een verlenging van de duur van de tewerkstelling „voor een nieuw tijdvak van ten hoogste twaalf maanden” goedkeurt. Aan de hand van deze twee elementen kan het toepassingsgebied van artikel 13, sub a), oud, worden afgebakend: het ziet op de werknemers die op het grondgebied van de andere Lid-Staat dan die van hun woonplaats en van de onderneming waartoe zij behoren, werkzaam zijn voor een aanvankelijk op twaalf maanden geschatte tijdelijke periode, die één keer kan worden verlengd voor een nieuwe periode van ten hoogste twaalf maanden; daarentgegen is de bepaling niet van toepassing op een vertegenwoordiger wiens werkzaamheidssector door de jaren heen gewoonlijk en bij voortduring in een andere Lid-Staat dan die van zijn woonplaats en van de zetel van de onderneming-principaal is gelegen en wiens activiteit op het grondgebied van deze Lid-Staat een permanent karakter heeft, .ook al gaat hij gedurende drie maanden per jaar naar zijn land van herkomst om contact op te nemen met de onderneming waarvoor hij werkt. In het geval van deze vertegenwoordiger kan men niet spreken van „vermoedelijke duur van zijn tewerkstelling”: zijn beroep bestaat gewoonlijk uit klantenbezoek op het grondgebied van de Lid-Staat, waarop hij werkzaam is; dit is zijn normale werkzaamheidssector. Het is zijn belang, evenals dat van zijn werkgever, om die activiteit in deze sector zo lang mogelijk te handhaven. Overigens behoeft een dergelijke vertegenwoordiger niet jaarlijks te verzoeken — wat hij in feite ook nooit heeft gedaan — om een vergunning voor een verlenging, die hem in ieder geval slechts zou kunnen worden verleend voor een nieuwe periode van ten hoogste twaalf maanden. Artikel 13, sub a), in de redactie vóór de wijziging bij verordening nr. 24/64, is derhalve niet van toepassing op de positie van een vertegenwoordiger, wiens arbeidsterrein normaal en gewoonlijk is gelegen op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die van zijn woonplaats en de zetel van de onderneming waarvoor hij werkzaam is.

c) Ingevolge artikel 1, sub h), van verordening nr. 3 wordt onder woonplaats verstaan de normale verblijfplaats. Indien men gedurende ten minste negen maanden per jaar in een bepaald land leeft, woont en werkt, heeft men zijn normale verblijfplaats per definitie in dat land. Dit punt levert geen enkele moeilijkheid op als men op een vaste plaats leeft en werkt. Moet een vertegenwoordiger die beroepshalve het land van verblijf bereist, alleen om die reden worden geacht geen woonplaats te hebben? Opgemerkt zij dat hij niet in zijn land van herkomst woonachtig is, omdat de woonplaats — anders dan het domicilie, dat een rechtsbegrip is — een zuiver feitelijk begrip is, dat bepaald wordt door de daadwerkelijke aanwezigheid van de betrokkene op een bepaalde plaats. Het is niet mogelijk in het ene land woonachtig te zijn, terwijl men gewoonlijk in een ander land leeft en werkt. Het doet niet ter zake of deze vertegenwoordiger in het land dat hij bewerkt, een vaste woning heeft dan wel in hotels of in een eigen caravan woont: in alle gevallen houdt hij gewoonlijk verblijf in dat land. De normale verblijfplaats bestaat niet alleen uit een vaste woning; deze definitie geldt voor iedere vorm van verblijf en met name voor de bewoning van een caravan, wanneer die bewoning een permanent karakter heeft en verband houdt met het door de vertegenwoordiger bij voortduring uitgeoefende beroep. Een vergegenwoordiger die gedurende ten minste negen maanden per jaar gewoonlijk en zonder tijdslimiet in een Lid-Staat verblijft waar hij rondreist om cliënten te bezoeken, heeft in die staat zijn woonplaats in de zin van artikel 1, sub h), van verordening nr. 3.

Hakenberg verwerder ten principale, merkt op dat uit 's Hofs rechtspraak volgt dat reizigers, vertegenwoordigers en colporteurs als werknemers in de zin van verordening nr. 3 moeten worden beschouwd. Als zodanig zijn zij onderworpen aan de wetgeving hetzij van de staat van hun woonplaats, indien zij aldaar een deel van hun activiteit uitoefenen of werkzaam zijn voor een aantal ondernemingen die hun zetel in verschillende staten hebben, hetzij, in de andere gevallen, van de Lid-Staat waar de zetel van de onderneming is. In casu zijn alle werkgevers Franse ondernemingen met zetel in Frankrijk; daar geven zij hun instructies aan hun vertegenwoordiger en daar legt deze tegenover hen rekenschap af.

a) Hakenberg oefent slechts één activiteit uit, waarbij de twee modaliteiten — de administratieve en de commerciële — onderling sterk afhankelijk zijn: deze ene activiteit wordt zowel in Frankrijk als in Duitsland uitgeoefend.

b) Gezien de veel wijdere strekking die artikel 13, sub a), van verordening nr. 3 had vóór de wijziging bij verordening nr. 24/64, was het zeer wel denkbaar dat op een werknemer die in een Lid-Staat woonachtig is en telkens gedurende perioden van negen maanden per jaar werkzaam is op het grondgebied van een andere Lid-Staat, onderbroken door verblijven van drie maanden in de eerste staat, ten behoeve van een aantal ondernemingen die op het grondgebied van de eerste staat een bedrijf hebben waarbij hij gewoonlijk werkzaam is, deze bepaling van toepassing is, daar hij opeenvolgende keren elders te werk gesteld is.

c) Verordening nr. 3 beoogt iedere cumulatie of nodeloze verwikkeling van de lasten en plichten te vermijden die het gevolg zouden zijn van een gelijktijdige of alternatieve toepassing van verschillende wetgevingen. In die gedachtengang moeten vertegenwoordigers die hun activiteit op het grondgebied van verschillende Lid-Staten uitoefenen, worden onderworpen aan het sociale zekerheidsstelsel van het land van hun woonplaats. Ter bepaling van Hakenbergs woonplaats moet worden opgemerkt dat hij afwisselend in Frankrijk en in Duitsland verblijft, naar gelang hij klanten moet bezoeken en contact moet opnemen met zijn werkgevers. In Frankrijk heeft hij echter zijn wettelijke domicilie, een tweede woonplaats, zijn familiebanden. In Frankrijk is het administratieve middelpunt van zijn activiteiten, betaalt hij zijn belastingen en vervult hij zijn burgerplichten.

De regering van de Franse Republiek merkt op dat het punt, welke wetgeving op Hakenberg toepasselijk is, achtereenvolgens bij twee acten is geregeld: van 1950 tot 1959 door artikel 3 van het algemeen verdrag van 10 juli 1950 tussen Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de sociale zekerheid en, van 1959 tot 1964, door de artikelen 12 en 13 van verordening nr. 3. Voor het criterium ter bepaling van de toepasselijke wetgeving gaan beide acten uit van het beginsel dat de wetgeving van de plaats waar de arbeid verricht wordt, toepasselijk is, dat wil zeggen van het criterium van tewerkstelling. De beide teksten laten op die algemene regel slechts drie uitzonderingen met een beperkte uitlegging toe. Bij incidentele tewerkstelling blijft de wetgeving toepasselijk van netland waar de werknemer zijn normale woonplaats heeft en waar de onderneming is gevestigd waarbij hij normaal werkzaam is; de bepalingen van het verdrag en van verordening nr. 3 (artikel 13, sub a), in de redactie vóór 1964), die op dat geval betrekking hebben, zijn in casu niet toepasselijk, daar een incidentele tewerkstelling niet langer dan een zekere tijd kan duren en de ondernemingen, waarvoor Hakenberg werkzaam is, in Frankrijk zijn gevestigd, terwijl hij zelf gewoonlijk negen maanden per jaar in Duitsland werkzaam is. De tweede uitzondering betreffende werknemers in transportbedrijven en de derde betreffende loonarbeiders of daarmee gelijkgestelden die werkzaam zijn bij ondernemingen of bedrijven die doorsneden worden door de gemeenschappelijke grens van twee landen, zijn vreemd aan de onderhavige zaak.

De op Hakenberg toepasselijke wetgeving dient derhalve te worden bepaald volgens het — successievelijk in het Frans-Duitse verdrag en in artikel 12 van verordening nr. 3 neergelegde — beginsel dat de wetgeving van de plaats van tewerkstelling toepasselijk is. Strikt ontzag voor deze regel zou leiden tot toepassing van de Duitse wetgeving voor negen maanden en van de Franse voor drie maanden, hetgeen zou ingaan tegen de doelstellingen die zowel het verdrag als de verordening beogen. Deze juridische tekortkoming is sedert 1 april 1964 opgeheven door verordening nr. 24/64; hoewel het nieuwe artikel 13, lid 1, sub c), dat bij deze verordening is ingevoerd, juridisch niet op de onderhavige zaak toepasselijk is, blijkt eruit dat men voor de vraag welke wetgeving van toepassing is op een werknemer die gewoonlijk zijn activiteit op het grondgebied van verschillende Lid-Staten uitoefent, moet afgaan op zijn woonplaats als criterium. Dit criterium wordt eveneens aangehouden in artikel 14, lid 1, sub c), letter i), van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, met betrekking tot de toepassing van sociale zekerheidsstelsels op loonarbeiders en hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), welke op 1 oktober 1972 in de plaats is gekomen van verordening nr. 3.

Gedurende het in casu relevante tijdvak golden uitsluitend het verdrag van 1950 tussen Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland en artikel 13 van verordening nr. 3 in de redactie vóór 1965. Bij toepassing van deze teksten kan alleen het algemene beginsel van onderwerping aan de wetgeving van het land waar de werknemer is te werk gesteld, worden aangehouden, daar de uitzonderingen op dit beginsel, die restrictief moeten worden uitgelegd, in de onderhavige zaak niet opgaan.

Deze oplossing brengt ongetwijfeld enige technische uitvoeringsmoeilijkheden mee, maar juridisch is een andere oplossing niet verenigbaar met de vóór 1965 geldende teksten.

De Commissie stelt vast dat de vraag, of Hakenberg voor de toepassing van de Franse regels inzake de sociale zekerheid moet worden gelijkgesteld met een werknemer, door de Franse rechterlijke instanties binnen het kader van hun bevoegdheden is beslist; rest nog de vraag, gezien de activiteit van de betrokkene, welke bepalingen op hem toepasselijk waren of zijn.

Te dien aanzien moeten drie perioden in de loopbaan van Hakenberg worden onderscheiden.

a) Van 1950 tot 1 januari 1959, toen verordening nr. 3 in werking trad, werd de positie van Hakenberg geregeld door het algemene verdrag van 10 juli 1950 tussen Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de sociale zekerheid. Het behoort niet tot de competentie van het Hof een dergelijk bilateraal verdrag uit te leggen.

b) Sedert 1 januari 1959 bevat verordening nr. 3 bepalingen die Hakenbergs positie kunnen regelen, in het bijzonder de artikelen 12 en 13. Ten aanzien van de periode 1 januari 1959 tot 1 april 1964, toen artikel 13 werd gewijzigd bij verordening nr. 24/64, doet zich de vraag voor of artikel 12 van verordening nr. 3 op Hakenberg van toepassing is. Derhalve moet worden uitgemaakt, of een handelsvertegenwoordiger die als zodanig gedurende negen maanden per jaar uitsluitend op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaam is en gedurende de overige drie maanden van het jaar contact opneemt met zijn werkgevers op het grondgebied van een andere Lid-Staat, zijn activiteit op het grondgebied van die beide staten, of uitsluitend op dat van de eerste uitoefent. Men moet hierbij aannemen dat het administratieve deel van de activiteit van een handelsvertegenwoordiger, in de vorm van contacten met zijn werkgevers, het verlengstuk is van het commerciële deel van zijn activiteit. De vertegenwoordiger is een tussenpersoon tussen zijn werkgever en zijn cliënten, en de contacten die hij met deze laatsten onderhoudt, komen slechts tot leven door de banden die hem met zijn werkgever verbinden. Het betreft geen activiteiten van verschillende aard, maar verschillende onverbrekelijke aspecten van een zelfde activiteit. Daarom moet in de onderhavige zaak de vergegenwoordiger worden geacht zijn activiteit uit te oefenen op het grondgebied van twee Lid-Staten. Overigens valt uit artikel 12 nergens af te leiden dat de hoofdwerkzaamheid een voldoende criterium oplevert om de toepasselijke wetgeving te bepalen. Nu artikel 12 dus niet ziet op het geval Hakenberg, kan men, vooral in verband met 's Hofs arrest in de zaak 19-67 (Van der Vecht) en het feit dat artikel 13 vóór zijn wijziging bij verordening nr. 24/64 een ruimere strekking had, stellen dat de activiteit van een werknemer, die jarenlang telkens voor opeenvolgende perioden van negen maanden per jaar werkzaam was op het grondgebied van een Lid-Staat ten behoeve van een onderneming die haar zetel heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat, onderbroken door verblijven van drie maanden in de tweede staat, binnen het toepassingsgebied van artikel 13, sub a), in zijn oorspronkelijke versie valt; het is dan ook zeer wel mogelijk in de activiteit van Hakenberg opeenvolgende „tewerkstellingen elders” te zien.

c) De derde vraag van het Cour de Cassation heeft betrekking op de derde periode in de loopbaan van Hakenberg, na 1 april 1964. Vanaf die datum geldt artikel 13, lid 1, sub c), dat bij verordening nr. 24/64 werd ingevoegd in verordening nr. 3. Het gaat erom waar de woonplaats van de betrokkene zich bevindt: in het land waar bij het langst verblijft maar geen vaste woonstede heeft, dan wel in het land waar hij een welbepaald domicilie heeft, waarheen hij terugkeert tussen zijn rondreizen. Derhalve dient in het kader van artikel 13, lid 1, sub c), de juiste betekenis te worden nagegaan van het woord „woonplaats” en in het bijzonder van de uitdrukking „normale verblijfplaats”, welke de woonplaats bepaalt. Het is namelijk moeilijk aan de uitdrukking „normale verblijfplaats” een uitleg te geven die van toepassing is op alle personen die onder verordening nr. 3 vallen; de bepaling van de normale verblijfplaats is een feitelijke kwestie en leidt, al naar het geval, tot verschillende resultaten. In artikel 13, lid 1, sub c), moet het woord „woonplaats” in de drie in die bepaling bedoelde gevallen dezelfde betekenis hebben. Het tweede en het derde geval hebben betrekking op de positie van een werknemer die zijn woonplaats niet heeft op het grondgebied van een Lid-Staat waar hij zijn activiteit uitoefent. Daarom kan men bij een handelsvertegenwoordiger niet afgaan op de tijdsduur als criterium voor de bepaling van de normale verblijfplaats. Dit zou in de meeste gevallen erop neerkomen dat een van de landen waar men werkzaam is, als land van de woonplaats moet worden aangemerkt. In artikel 13, lid 1, sub c), wordt echter in twee van de daar bedoelde gevallen aangenomen dat het land waar men werkzaam is, niet het land van de woonplaats is. Hieruit zou men concluderen dat zowel in dit geval als in dat van de grensarbeiders „normale verblijfplaats” wil zeggen de plaats waar het permanente domicilie van de werknemers zich bevindt, en waarheen hij gewoonlijk, met min of meer grote tussenpozen, terugkeert. Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, sub c), heeft de werknemer zijn woonplaats op het grondgebied van de Lid-Staat waarheen hij met min of meer grote tussenpozen doch gewoonlijk terugkeert, tussen perioden van activiteit op het grondgebied van andere Lid-Staten en eventueel tijdens zijn activiteit op het grondgebied van die staat, en waar zich het centrum van zijn belangen buiten de beroepssfeer bevindt.

d) Wanneer in casu de Duitse wetgeving op betrokkene toepasselijk zou worden verklaard, zou hij bij geen enkel stelsel van sociale zekerheid aansluiting kunnen vinden en dus van iedere bescherming zijn verstoken, daar in de Bondsrepubliek alleen handelsvertegenwoordigers in loondienst, wat Hakenberg niet is, de hoedanigheid van werknemer hebben en onder een stelsel van sociale zekerheid vallen.

e) De vragen van het Cour de Cassation kunnen als volgt worden beantwoord: Een handelsvertegenwoordiger die gedurende negen maanden per jaar voortdurend op rondreis is in een Lid-Staat, maar wiens activiteit een verlengstuk heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat, waar zich de zetel bevindt van de ondernemingen waarvoor hij werkzaam is, en waarmee hij contact komt opnemen buiten de rondreisperioden, moet worden geacht zijn activiteit uit te oefenen op het grondgebied van deze beide staten, in de zin van artikel 13, lid 1, sub c), van verordening nr. 3. Deze vraag dient ontkennend beantwoord te worden. Bij gebreke van een duidelijke bepaling voor de bijzondere positie van een handelsvertegenwoordiger en gezien de ruimere strekking van artikel 13, lid 1, sub a), van verordening nr. 3 in de versie vóór verordening nr. 24/64, kan men stellen dat een werknemer die jaren lang telkens gedurende negen maanden per jaar werkzaam is gewest op het grondgebied van een Lid-Staat ten behoeve van een onderneming die haar zetel heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat, onderbroken door verblijven van drie maanden in de tweede staat, binnen het toepassingsgebied van artikel 13, lid 1, sub a), valt. Voor de toepassing van artikel 13, lid 1, sub c), van verordening nr. 3 heeft de werknemer zijn woonplaats op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij zijn vaste domicilie heeft en waarheen hij met grotere of kleinere tussenpozen gewoonlijk terugkeert, tussen perioden van activiteit op het grondgebied van andere Lid-Staten en eventueel tijdens zijn activiteit op het grondgebied van die staat, en waar zich het centrum van zijn belangen buiten de beroepssfeer bevindt.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de kamer voor sociale zaken van het Franse Cour de Cassation bij arrest van 1 februari 1973, ingekomen ter griffie van het Hof op 21 februari, krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van de artikelen 1 h), 12 en 13 van verordening nr. 3 van 25 september 1958 betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB blz. 561), met inachtneming van de wijzigingen, in de laatste dier bepalingen aangebracht bij verordening nr. 24/64 van 10 maart 1964 (PB blz. 746/64), ten einde met betrekking tot de wetgeving inzake de sociale zekerheid de bijzondere positie van een handelsvertegenwoordiger vast te stellen, wiens beroepsactiviteit zich uitstrekt over het grondgebied van twee Lid-Staten;

2.

Overwegende dat uit het verwijzingsarrest blijkt dat deze vragen zijn gerezen in het kader van een geschil over de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid van een Frans staatsburger die zijn domicilie in Frankrijk heeft, een vertegenwoordigingsactiviteit voor rekening van verschillende Franse ondernemingen in de Bondsrepubliek Duitsland uitoefent en zijn tijd verdeelt tussen voortdurende rondreizen gedurende negen maanden per jaar voor klantenbezoek in laatstgenoemde staat, zonder daar echter een vaste verblijfplaats te hebben, terwijl hij de rest van het jaar op Frans grondgebied besteedt voor contacten met de ondernemingen die hij vertegenwoordigt;

3.

dat voor de nationale rechter niet is betwist dat betrokkene, verweerder in het hoofdgeding, hoewel geen ondergeschikte van de ondernemingen die hij vertegenwoordigt, moet worden beschouwd als „gelijkgesteld” met werknemers in de zin van verordening nr. 3 doordat hij een beroep uitoefent dat krachtens de Code francais de sécurité sociale onder het algemene stelsel van sociale zekerheid valt;

4.

dat de aansluiting van verweerder in het hoofdgeding bij dit stelsel slechts omstreden is wegens de bijzondere omstandigheden waaronder hij zijn beroepsuitoefening verdeelt over de grondgebieden van twee Lid-Staten;

5.

Overwegende dat uit het verwijzingsarrest voorts blijkt dat, bezien vanuit het Gemeenschapsrecht, de perioden van activiteit die voor aansluiting van verweerder in aanmerking komen, onder twee opeenvolgende juridische regelingen vallen, daar de bepalingen van verordening nr. 3 die van toepassing zijn op de betrokken situatie, in 1964 bij verordening nr. 24/64 zijn gewijzigd;

6.

dat derhalve de eerste en tweede vraag die betrekking hebben op de toestand voorafgaande aan de bij verordening nr. 24/64 ingevoerde wijziging enerzijds, en de derde vraag, die betrekking heeft op de nieuwe regeling zoals die voortvloeit uit de wijziging bij genoemde verordening anderzijds, afzonderlijk dienen te worden onderzocht;

Ten aanzien van de eerste en tweede vraag (regeling voorafgaand aan verordening nr. 24/64

7.

Overwegende dat bij de eerste vraag verzocht wordt de term „werkzaam” in artikel 12 van verordening nr. 3 uit te leggen ten einde te bepalen

a)of een handelsvertegenwoordiger die negen maanden van het jaar voortdurend in een Lid-Staat rondreist voor klantenbezoek, maar wiens werkzaamheid een verlengstuk heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat, waar zich de zetel bevindt van de ondernemingen-principalen, waarmede bij buiten de rondreisperiode contact komt opnemen, moet worden geacht werkzaam te zijn op het grondgebied van deze beide staten of uitsluitend op dat van de staat, waarin hij rondreist, en

b)of een hoofdwerkzaamheid op het grondgebied van een Lid-Staat voldoende is voor de toepassing van artikel 12;

8.

dat bij de tweede vraag verzocht wordt artikel 13, sub a), oud, van verordening nr. 3 uit te leggen, ten einde de nationale rechter in staat te stellen te bepalen of een beroepswerkzaamheid die in regelmatige afwisseling bestaat uit rondreizen voor klantenbezoek en contact met de vertegenwoordigde ondernemingen, aan de criteria van de vermelde bepaling beantwoordt en meer in het bijzonder aan dat van een „duur van tewerkstelling van 12 maanden”;

9.

Overwegende dat luidens artikel 12 van verordening nr. 3 „op werknemers of daarmede gelijkgestelden, die werkzaam zijn op het grondgebied van een Lid-Staat, de wetgeving van deze staat van toepassing (is), zelfs indien zij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woonachtig zijn of indien hun werkgever of de zetel van de onderneming waarbij zij in dienst zijn, zich op het grondgebied van een andere Lid-Staat bevindt”;

10.

dat artikel 13, oud, dier verordening drie uitzonderingen op dit beginsel bevatte, ten aanzien van elders te werk gestelde werknemers (sub a)), werknemers van vervoersondernemingen (sub b)) en loonarbeiders werkzaam bij bedrijven waar de gemeenschappelijke grens van twee Lid-Staten doorheen loopt (sub c));

11.

dat dit artikel sub a) in het bijzonder bepaalt dat op werknemers of daarmede gelijkgestelden die hun woonplaats op het grondgebied van een Lid-Staat hebben en op het grondgebied van een andere Lid-Staat werkzaam zijn ten behoeve van een onderneming die op het grondgebied van eerstgenoemde staat een bedrijf heeft waarbij zij gewoonlijk werkzaam zijn, de wetgeving van eerstgenoemde staat van toepassing is, alsof zij op zijn grondgebied werkzaam waren, voor zover de vermoedelijke duur van hun tewerkstelling op het grondgebied van de tweede staat niet meer bedraagt dan twaalf maanden, welk tijdvak met goedkeuring van de bevoegde autoriteiten van de tweede staat éénmaal kan worden verlengd voor een nieuw tijdvak van twaalf maanden;

12.

dat uit de bewoordingen en de opzet van deze bepaling blijkt dat zij de positie van werknemers wil regelen, die in een duurzame arbeidsverhouding staan tot een op het grondgebied van een Lid-Staat gevestigde onderneming en die door de onderneming waarbij zij werkzaam zijn, voor een beperkte periode op het grondgebied van een andere Lid-Staat worden te werk gesteld;

13.

dat deze bepaling derhalve niet mede van toepassing kan zijn op de toch wel fundamenteel afwijkende positie van niet in loondienst zijnde handelsvertegenwoordigers;

14.

dat in het bijzonder de in artikel 13, sub a), oud, vervatte strikte tijdsbegrenzing niet past bij een beroepsactiviteit die wordt gekenmerkt door een regelmatig rondreizen voor klantenbezoek op het grondgebied van een Lid-Staat ten behoeve van in een andere Lid-Staat gelegen ondernemingen;

15.

dat de betrokken beroepsactiviteit, die derhalve niet kan worden gelijkgesteld met één van de in artikel 13, oud, bedoelde gevallen, vóór de wijziging bij verordening nr. 24/64 uitsluitend viel onder het in artikel 12 van verordening nr. 3 vervatte algemene beginsel;

16.

dat onder deze omstandigheden op de tweede vraag dient te worden geantwoord dat de betrokken beroepswerkzaamheid niet onder het toepassingsgebied van artikel 13, sub a), in de oude versie, maar onder dat van artikel 12 van verordening nr. 3 valt;

17.

Overwegende dat artikel 12 als aansluitingscriterium ter bepaling van de toepasselijke wetgeving inzake de sociale zekerheid voor werknemers of daarmee gelijkgestelden uitgaat van het „werkzaam zijn op het grondgebied van een Lid-Staat”;

18.

dat zowel uit dit artikel als uit een vergelijking met de uitzonderingen van artikel 13 blijkt dat deze bepaling beoogt de toepassing van één enkele nationale wetgeving te verzekeren en dat zij daartoe de werkzaamheid van de werknemer in aanmerking neemt, waarbij wordt verondersteld dat deze gewoonlijk plaatsvindt op het grondgebied van een en dezelfde Lid-Staat;

19.

dat, ten einde bij de stand van de gemeenschapswetgeving in het betrokken tijdvak het beginsel van eenheid van de toepasselijke wetgeving te bewaren ten aanzien van een samenhangende en voortdurende maar over het grondgebied van verschillende Lid-Staten verdeelde beroepswerkzaamheid waarop artikel 12 van toepassing is, door een analyse van de kenmerken dier werkzaamheid dient te worden vastgesteld of deze een overwegende binding meebrengt met het grondgebied van één der betrokken staten;

20.

dat daartoe niet alleen de duur van de activiteitsperioden, maar ook de aard van de betrokken werkzaamheid in beschouwing moet worden genomen;

21.

dat bij het door het Cour de Cassation omschreven soort activiteit die overwegende binding moet worden gezocht in de beroepsbetrekkingen van een vertegenwoordiger met de ondernemingen wier belangen hij behartigt, en niet in de bijkomende contacten die hij met een verspreide cliëntenkring onderhoudt;

22.

dat derhalve op de eerste vraag dient te worden geantwoord dat een handelsvertegenwoordiger die zijn beroepsactiviteiten uitoefent onder de in het verwijzingsarrest aangegeven omstandigheden, moet worden geacht werkzaam te zijn op het grondgebied van de twee betrokken Lid-Staten, waarbij echter voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving overwegende invloed toekomt aan de werkzaamheid op het grondgebied van die staat waar zich de zetel van de door hem vertegenwoordigde ondernemingen bevindt;

Ten aanzien van de derde vraag (regeling sedert verordening nr. 24/64)

23.

Overwegende dat bij de derde vraag wordt verzocht de term „woonplaats”, die in artikel 1, sub h), van verordening nr. 3 wordt gedefinieerd als „normale”, verblijfplaats”, te verduidelijken en aldus te bepalen of elke normale verblijfplaats binnen de grenzen van een Lid-Staat moet worden geacht de woonplaats op te leveren, zelfs indien het verblijf niet op een vaste plaats wordt gehouden, maar bestaat uit prospectiereizen met een caravan, dan wel of de normale verblijfplaats een zekere gefixeerdheid op een gegeven punt veronderstelt en of de woonplaats zich bijgevolg alleen bevindt in de Lid-Staat waarnaar de werknemer, tussen zijn rondreizen, op een welbepaald domicilie terugkeert en waar zich eveneens de zetel van de ondernemingen-principalen bevindt;

24.

Overwegende dat uit het verwijzingsarrest blijkt dat deze vraag is gesteld in verband met de bij verordening nr. 24/64 in artikel 13 van verordening nr. 3 aangebrachte wijziging, ten doel hebbende de uitzonderingsgevallen met betrekking tot het beginsel van artikel 12 te preciseren;

25.

dat dienaangaande in het bijzonder zij opgemerkt dat bij verordening nr. 24/64 een nieuwe bepaling in artikel 13 is opgenomen — in de eerste alinea sub c) van lid 1 — luidens welke op werknemers of daarmede gelijkgestelden die in de regel werkzaam zijn op het grondgebied van verscheidene Lid-Staten, de wettelijke regeling van die van deze staten, op welks grondgebied zij „woonachtig” zijn, van toepassing is;

26.

dat de door het Cour de Cassation bedoelde soort werkzaamheid binnen het toepassingsgebied van deze nieuwe bepaling valt en derhalve sedert de inwerkingtreding van verordening nr. 24/64 is onttrokken aan de algemene regel van artikel 12;

27.

dat met de derde vraag dienvolgens wordt gedoeld op de uitlegging, ten aanzien van de onderhavige bijzondere soort beroepswerkzaamheid, van het begrip woonplaats in artikel 13, lid 1, sub c), eerste alinea, gelet op de daarvan gegeven omschrijving in artikel 1, sub h), van verordening nr. 3;

28.

Overwegende dat, wanneer een werknemer zijn beroepswerkzaamheid op het gebied van verscheidene Lid-Staten uitoefent, artikel 13, lid 1, sub c), eerste alinea, ter voorkoming van een cumulatieve toepassing van verschillende wetgevingen de voorkeur geeft aan de wetgeving van de staat op wiens grondgebied de werknemer een deel van zijn werzaamheid uitoefent en tevens zijn woonplaats heeft;

29.

dat, door aldus de woonplaats te hanteren als criterium om een keuze mogelijk te maken tussen verschillende wetgevingen die in aanmerking komen op grond van de lokalisering der beroepswerkzaamheden, artikel 13 aangeeft dat de woonplaats mede moet worden bepaald aan de hand van andere dan beroepsfactoren;

30.

dat, waar de omschrijving in artikel 1, sub h), naast dit criterium nog dat van de „normale” aard van de verblijfplaats bezigt, het minder geëigend voorkomt om voor de vaststelling van de woonplaats acht te slaan op een werkzaamheid die bestaat uit het afreizen van klanten en die naar haar aard niet standvastig is;

31.

dat daarentegen in een dergelijk geval het hebben van een domicilie in een Lid-Staat moet worden beschouwd als een stabiliteitsfactor die de woonplaats in de zin van artikel 13, lid 1, sub c), eerste alinea, kan bepalen, a fortiori wanneer dit domicilie is gevestigd op het grondgebied van de Lid-Staat, welks nationaliteit de handelsvertegenwoordiger bezit en welke voor hem het centrum van zijn belangen is;

32.

dat derhalve op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat onder „woonplaats” in de zin waarin deze term wordt gebezigd in artikel 13, lid 1, sub c), eerste alinea, en nader wordt omschreven in artikel 1, sub h), van verordening nr. 3, in het geval van een handelsvertegenwoordiger die activiteiten uitoefent van dien aard als beschreven in het verwijzingsarrest, is te verstaan de plaats waar de werknemer het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd en waarheen hij tussen zijn rondreizen terugkeert;

Ten aanzien van de kosten

33.

Overwegende dat de kosten, door de regering van de Franse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

34.

dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Franse Cour de Cassation, kamer voor sociale zaken, bij arrest van 1 februari 1973 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1. Een handelsvertegenwoordiger die krachtens een nationale wetgeving valt onder verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, en die gedurende een deel van het jaar voortdurend in een Lid-Staat rondreist om cliënten te bezoeken, maar wiens werkzaamheid een vertakking heeft op het grondgebied van een andere Lid-Staat waar zich de zetel bevindt van de ondernemingen die hij vertegenwoordigt en waarmee hij contact komt opnemen buiten de rondreisperiode, moest vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 24/64 van 10 maart 1964 worden geacht werkzaam te zijn op het grondgebied van deze beide staten in de zin van artikel 12 van verordening nr. 3. In dit zelfde tijdvak moest ter bepaling van de toepasselijke sociale wetgeving als hoofdwerkzaamheid worden beschouwd die welke was gelegen op het grondgebied van die staat waar zich de zetel van de betrokken ondernemingen bevindt.

2. De bovenbeschreven beroepsactiviteit valt niet binnen het toepassingsgebied van artikel 13, sub a), van verordening nr. 3 in de versie vóór verordening nr. 24/64 van 10 maart 1964.

3. Onder „woonplaats”, in de zin waarin deze term wordt gebezigd in artikel 13, lid 1, sub c), eerste alinea, van verordening nr. 3, zoals gewijzigd bij verordening nr. 24/64, en wordt omschreven in artikel 1, sub h), dier verordening, dient in het geval van een handelsvertegenwoordiger die de bovenbeschreven soort beroepsactiviteit uitoefent, te worden verstaan de plaats waar hij het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd en waarheen hij tussen zijn rondreizen terugkeert.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

1
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen

Rechtspraak

2

Europese Unie

2

Hof van JustitieC-297/8923.04.1991

Tijdelijke invoer van motorrijtuig voor privé gebruik

Bekijk de 2 documenten

Rechtsleer

1
Neri, Sergio: Giurisprudenza della Corte di giustizia della CE in materia sociale, Affari Sociali Internazionali 1973 nº 4 p.183-186