---
title: "HvJ EU, 13/72, arrest van 11 januari 1973 · Verordening 13/64 art. 14, EEG-Verdrag art. 190"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 januari 1973, 13/72: verordening 13/64 art. 14, EEG-Verdrag art. 190."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-13-72-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-13-72-arret"
---

# Arrest van het Hof van 11 januari 1973, 13/72 · Verordening 13/64 art. 14, EEG-Verdrag art. 190

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

13/72

**ECLI**

ECLI:EU:C:1973:4

**Datum**

11 januari 1973

## De zaak

**Procedure**

Beroep tot nietigverklaring gegrond

**Zaak ingediend op**

19 april 1972

**Advocaat-generaal**

Mayras

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Nederlands

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1973, blz. 27

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Kutscher

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20) [Motivering](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.05) 48 beslissingen
  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03)

    - [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Zuivelproducten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.07) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.07.02) [Uitvoerregeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.07.02.02) 3 beslissingen
    - [Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.08) 12 beslissingen
    - [Gemeenschappelijke marktordeningen: beginselen en instrumenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03) [Restituties bij uitvoer](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.03.06) 10 beslissingen

## Tekst

91 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

#### I — Feiten en procesverloop

Overwegende dat de aan het geding ten grondslag liggende feiten en het procesverloop kunnen worden samengevat als volgt:

1\. Bij artikel 1 van verordening nr. 25 van 4 april 1962„inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid” (PB blz. 991) heeft de Raad het „Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw”, hierna te noemen „Fonds”, ingesteld. Volgens artikel 3, lid 1, van deze verordening, in de redactie vastgesteld bij artikel 8, lid 1, van verordening nr. 130/66/EEG van de Raad van 26 juli 1966 (PB nr. 165, blz. 2965), „komen de volgende uitgaven voor financiering uit het Fonds in aanmerking: De restituties bij uitvoer naar derde landen, berekend overeenkomstig de bepalingen die in de verordeningen voor de verschillende produkten zijn vastgesteld op grondslag van enerzijds de hoogte der restitutie van de Lid-Staat met de laagste gemiddelde restitutie en anderzijds de omvang van de netto-uitvoer tot en met de berekeningsperiode 1966-1967, en de omvang van de bruto-uitvoer nadien; tot en met d) …” Op grond van deze verordening gaf de Raad op 5 februari 1964 verordening nr. 17/64/EEG „betreffende de voorwaarden voor het verlenen van bijstand” door genoemd Fonds (PB blz. 586). Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 dezer verordening — die sedertdien herhaalde wijzigingen hebben ondergaan die hier verder niet van belang zijn — dienen de betrokken Lid-Staten eenmaal per jaar bij de Commissie een verzoek in om vergoeding van met name bovenbedoelde restituties die voor rekening van de afdeling Garantie van het Fonds dienen te komen; aan de hand van deze aanvragen beschikt de Commissie eveneens eenmaal per jaar over de bijstand van het Fonds, na raadpleging van het Comité van het Fonds (hierna te noemen „Comité”). Dit Comité, waarover de artikelen 24 en volgende van verordening nr. 11/64 handelen, bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en van de Commissie (artikel 25, lid 1). Wat meer in het bijzonder de zuivelsector betreft, gaf de Raad op 5 februari 1964 verordening nr. 13/64/EEG „houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten” in deze sector (PB blz. 549). Deze verordening bepaalt in artikel 14, lid 2: „Ten einde de uitvoer naar derde landen … op grondslag van de in de internationale handel geldende prijzen mogelijk te maken, kan het verschil tussen deze prijzen en de prijzen in de uitvoerende Lid-Staat worden overbrugd door een restitutie.”

2\. In 1966 heeft het Comité bij het onderzoek van de berekeningsperiode 1963-1964 voor het eerst de vraag besproken, of bepaalde uitgaven van een Lid-Staat voor voedselhulpverrichtingen voor derde landen als „restituties bij uitvoer” in aanmerking komen voor financiering door het Fonds. Mede gezien de vrij lage verlangde bedragen, werd deze vraag toen — onder voorbehoud van de in de toekomst te volgen oplossing — bevestigend beantwoord. In 1968 en 1969 werd deze zelfde vraag echter in ontkennende zin beantwoord voor de berekeningsperioden 1964-1965, respectievelijk 1965-1966. In het verslag der Commissie over de eerste van deze perioden wordt ten aanzien van graangiften van Frankrijk gezegd: „De Raad moet zich uitspreken over de vraag of deze met restitutie gelijkgestelde uitgaven eventueel voor Frankrijk in aanmerking kunnen worden genomen. Tijdens de onderhandelingen over voedselhulp in de vorm van graan in het kader van de tenuitvoerlegging van de Ken-nedy-ronde heeft men zich gunstig uitgesproken over de financiering van de restituties fob, vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst. De met restituties gelijkgestelde uitgaven voor vroegere perioden komen a contrario niet in aanmerking voor vergoeding door het EOGFL, zolang de Raad geen besluit in die zin heeft genomen. Deze restituties en de overeenkomstige hoeveelheden werden derhalve afgetrokken van de opgegeven bedragen en gegevens over het handelsverkeer voor de basisprodukten zachte tarwe en maïs.” Tijdens de vergadering van het Comité over de berekeningsperiode 1964-1965 verklaarde de voorzitter van het Comité dat de geldende bepalingen slechts restitutieverlening voor commerciële verrichtingen toelieten. In de vergadering betreffende de periode 1965-1966 heeft de vertegenwoordiger der Commissie haar standpunt opnieuw uiteengezet. In een brief van 9 februari 1970 aan de heer Mansholt, toenmaals vice-voorzitter der Commissie, oefende de heer Spierenburg, Permanent Vertegenwoordiger van Nederland, kritiek op dit standpunt uit en verzocht hij de Commissie dit opnieuw in overweging te nemen en daarbij rekening te houden met de Nederlandse zienswijze zoals die in een bijlage bij genoemde brief was uiteengezet. Bij brief van 2 april 1970 antwoordde de heer Mansholt onder meer: dat de Commissie dit vraagstuk nog aan de Raad zou voorleggen; „alleen de Raad is namelijk bevoegd zich op juridisch gebied uit te spreken over de financiering van voedselhulptransacties, aangezien deze leveranties niet als een commerciële uitvoer in de zin van de gemeenschappelijke marktordening kunnen worden beschouwd”; dat bovendien een dergelijke financiering door het Fonds, „gezien de uiteenlopende administratieve praktijken van de Lid-Staten, tot gevolg heeft dat op het financiële plan bepaalde Lid-Staten zoals Nederland worden bevoordeeld en andere benadeeld”. In een antwoordbrief van 24 juni 1970 aan de heer Mansholt handhaafde de heer Spierenburg zijn standpunt.

3\. Op 1 augustus 1969 diende de Nederlandse Regering bij de Commissie een verzoek in tot vergoeding van haar uitgaven voor met name restituties bij uitvoer naar derde landen over de periode 1966-1967. In de toelichting op dit verzoek werd onder punt 5 het volgende opgemerkt: „Nederland heeft . . . bepaalde bedragen geschonken aan het World Food Program. Daarvoor zijn door deze organisaties, met inschakeling van handel en exporteurs, de volgende hoeveelheden produkten, welke onder de toen bestaande gemeenschappelijke marktordeningen vallen, op de Nederlandse markt aangekocht en verzonden naar ontwikkelingslanden: … Op deze exporten is aan de betreffende exporteurs op de normale wijze restitutie verleend. De bedoelde restitutiebedragen zijn in de onderhavige aangifte opgenomen.” Op de vergadering van het Comité van 16 december 1971 betreffende de periode 1966-1967 maakte de voorzitter van het Comité melding van een werkdocument dat de diensten der Commissie hadden opgesteld als „aanvullende nota” bij het „verslag betreffende het verlenen van bijstand door het Europees Oriëntatie-en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Garantie, voor de berekeningsperiode 1966-1967”„doc. nr. VI/ 4640/71 + aanvullende nota”). De auteurs van de nota hebben met name overwogen dat een gift uit hoofde van voedselhulp van nature uit een belangeloze daad is, die geen handelsverrichting vormt en derhalve geen restitutie behoeft om tot stand te komen; dat deze gift niet valt onder de definitie die in de verordeningen houdende marktorganisaties besloten ligt; dat onder deze omstandigheden door de Commissie in de financiering van met restituties gelijk te stellen uitgaven slechts kan worden voorzien op grond van een besluit van de Raad. In het genoemde verslag wordt bij elke Lid-Staat, waaronder Nederland, nader aangegeven welke giften in het kader van de voedselhulp van de verzoeken om vergoeding zijn afgetrokken, zowel wat de hoeveelheden als wat de restituties betreft. Blijkens het verslag van genoemde vergadering kon de Nederlandse delegatie „zich niet verenigen met het standpunt dat de Commissie in deze zaak inneemt”, Op 26 januari 1972 gaf de Commissie de twee volgende beschikkingen: beschikking nr. 72/120/EEG, op het hierboven onder a) bedoelde verzoek van de Nederlandse Regering, hierna te noemen „bijstandsbeschikking”, waarbij voor de berekeningsperiode 1966-1967 het door het Fonds aan Nederland te vergoeden bedrag, met name uit hoofde van restituties bij uitvoer naar derde landen, werd vastgesteld (PB nr. L 61 van 13 maart 1972, blz. 15); in de vijfde overweging van deze beschikking wordt gesteld „dat de hoeveelheden uitgevoerd uit hoofde van voedselhulp niet voor financiering door het Fonds in aanmerking komen, daar uitgaven voor niet-commerciële verrichtingen niet als restituties bij de uitvoer naar derde landen in de zin van de gemeenschappelijke wetgeving kunnen worden beschouwd; dat derhalve de hoeveelheden en de desbetreffende uitgaven moeten worden uitgesloten van de netto-uitvoer en de berekening van de hoogte van de restituties”; beschikking nr. 72/115/EEG, hierna te noemen „beschikking gemiddelde restituties”, die tot alle Lid-Staten is gericht en werd gepubliceerd in PB nr. L 61 van 13 maart 1972, blz. 1; in deze beschikking zijn overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub a), van verordening nr. 25 voor bedoelde periode de laagste gemiddelde restitutiebedragen vastgesteld voor de verschillende in aanmerking komende landbouwprodukten; bij deze berekening zijn de restituties met betrekking tot voedselhulpacties buiten beschouwing gelaten. Op 19 april 1972 diende de Nederlandse Regering het onderhavig beroep tot nietigverklaring van deze beschikkingen in.

4\. De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Het Hof heeft, op rapport van de Rechter-Rapporteur en gehoord de Advocaat-Generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over de gaan. Het verzocht de Nederlandse Regering echter om nadere inlichtingen over de wijze waarop de betrokken acties in hun verschillende stadia waren uitgevoerd, en met name over de vraag, door wie en eventueel voor wiens rekening de aankoopprijs was betaald. De Commissie werd verzocht de werkdocumenten VI/ 4639/71 en VI/4640/71, die door haar diensten waren opgesteld ter voorbereiding van de bestreden beschikkingen, over te leggen. Door partijen is aan deze verzoeken voldaan. Partijen zijn ter terechtzitting van 7 november 1972 in haar pleidooien gehoord. De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting van 6 december 1972 conclusie génomen.

#### II — Conclusies van partijen

De Nederlandse Regering concludeert:

a) tot nietigverklaring van de „bijstandsbeschikking”, „voor zover de hoeveelheden uitgevoerd uit hoofde van voedselhulp en de daarmede verband houdende uitgaven niet in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de hoogte van de te vergoeden restituties bij uitvoer”;

b) tot nietigverklaring van de „beschikking gemiddelde restituties”, „indien en voor zover de aan eisende partij te vergoeden bedragen ingevolge de beschikking sub a) worden beïnvloed als gevolg van het geen rekening houden met de hoeveelheden uitgevoerd uit hoofde van voedselhulp bij de vaststelling van de laagste gemiddelde restituties in \[de „beschikking gemiddelde restituties”\]”;

tot verwijzing van de Commissie in de kosten.

De Commissie concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en tot verwijzing van de Nederlandse Regering in de kosten.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

##### 1. Algemeen

De Nederlandse Regering verwijst naar haar gedachtenwisseling met de Commissie over de aangelegenheid in geding.

In de onderhavige zaak gaat het om uitgaven voor restituties bij uitvoer naar ontwikkelingslanden wegens voedselhulptransacties waartoe de Nederlandse Regering zich in het kader van het Wereld Voedsel Programma had verbonden. Deze transacties waren als volgt in hun werk gegaan:

de Nederlandse Regering had aan het Wereld Voedsel Programma een bepaald bedrag ter beschikking gesteld, waarvan twee derde was bestemd voor de aankoop van goederen en één derde voor cash and services;

op verzoek van het Wereld Voedsel Programma had het Nederlandse Ministerie van Landbouw en Visserij zich bereid verklaard op bepaalde data bepaalde hoeveelheden goederen te leveren aan een door deze organisatie aangewezen land;

het ministerie had daarop het bevoegde Produktschap verzocht voor de leveranties in kwestie een inschrijvingsprocedure op basis van foboffertes te openen; een der voorwaarden van deze procedure was de toekenning aan de inschrijver van de op het ogenblik van uitvoer geldende restitutie naar derde landen; derhalve werd in feite tegen de wereldmarktprijs ingeschreven;

vervolgens was de levering gegund aan de firma met de laagste offerte;

aan deze firma waren instructies gegeven, waarin met name was gesteld dat de levering tegen de opgegeven offerteprijs diende te geschieden, dat de firma bij de transactie „als exporteur” zou optreden en dat de factuur moest worden ingezonden bij het Produktschap op naam van het Ministerie van Landbouw en Visserij; in het betrokken uitvoerdocument was de firma inderdaad als exporteur aangeduid;

de firma had de goederen in Amsterdam aangeleverd ter verscheping waarvoor de Nederlandse autoriteiten hadden gezorgd ingevolge een met het Wereld Voedsel Programma getroffen regeling;

vervolgens had het ministerie opdracht gegeven de overeengekomen aankoopprijs aan de firma te betalen ten laste van het daarvoor in beheer bij het ministerie zijnde fonds, uitmakend de tegenwaarde van de zogenaamde commodity pledging voor 1966; gelijktijdig was de factuur van de firma aan de diensten van het Wereld Voedsel Programma toegezonden met de mededeling dat de goederen door het betrokken ministerie zouden worden betaald, wat inderdaad is gebeurd, en wel voor rekening van het Wereld Voedsel Programma;

de bevoegde Nederlandse instantie had de restitutie uitbetaald aan de exporterende firma.

De Commissie verklaart dat een aantal Lid-Staten, waaronder Nederland destijds autonoom — dus zonder overleg met de Commissie of de andere Lid-Staten — hadden besloten voedselhulp aan derde landen te verstrekken. Naar het schijnt, was de wijze waarop deze verrichtingen werden georganiseerd, van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillend; in sommige gevallen werden deze acties geheel uitgevoerd door de overheid, in andere gevallen beperkte de overheid zich tot de beslissing en de financiering.

Later ging ook de Gemeenschap zich meer en meer met voedselhulp bezighouden. De Commissie vermeldt de hiertoe genomen maatregelen (overeenkomsten met de betrokken landen of internationale organisaties; verordeningen van de Raad); zij beklemtoont dat de Gemeenschap in verband met deze acties geen gebruik heeft gemaakt van het stelsel van de restituties bij uitvoer.

##### 2. Eerste middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften.

Volgens de Nederlandse Regering bevat de motivering van de bestreden beschikkingen een onvoldoende opgave van de overwegingen feitelijk en rechtens, waarop de beschikkingen steunen. De „bijstandsbeschikking” is karig gemotiveerd; het enkel verwijzen naar de „communautaire wetgeving” staat gelijk met niet verwijzen. Bovendien had de Commissie tenminste de uiteindelijke uitkomst van haar berekening moeten meedelen. Uit de „beschikking gemiddelde restituties” blijkt op geen enkele wijze, of en zo ja hoe de Commissie bij de vaststelling van de gemiddelde laagste restitutie rekening heeft gehouden met de uit hoofde van voedselhulp uitgevoerde hoeveelheden; de opgaven van de Lid-Staten, waarop de beschikking berust, zijn door haar op enigerlei wijze „geamendeerd”. Bovendien heeft de Commissie niet exact aangegeven welke bedragen feitelijk in mindering zijn gebracht op de door verzoekster gevraagde vergoeding en op welke wijze deze zijn vastgesteld.

Ingevolge 's Hofs jurisprudentie dient een communautaire handeling zodanig te zijn gemotiveerd dat de feitelijke en rechtsoverwegingen op een duidelijke en coherente wijze zijn weergegeven ten einde zowel betrokkene als het Hof in staat te stellen van de essentiële elementen dier overwegingen kennis te nemen.

In casu zijn de motieven die in de verschillende voorgaande documenten zijn aangegeven en waarop de Commissie zich beroept, mager en incoherent:

de eerste uitspraak van de Commissie, uit 1968, had uitsluitend betrekking op granen; de toenmalige motivering (dat de Raad een uitspraak moest doen) komt in de „bijstandsbeschikking” in het geheel niet meer voor

de brief van de heer Mansholt van 2 april 1970 en de „bijstandsbeschikking” gaan uit van het niet-commerciële karakter van de betrokken leveringen, terwijl de aanvullende nota van 1971 van het begrip „acte gratuit” uitgaat.

De Commissie belicht in haar antwoord allereerst de ontstaansgeschiedenis van de bestreden beschikkingen. Nadat de Lid-Staten de Commissie de gegevens voor de vaststelling van de gemiddelde laagste restituties hadden verstrekt en hun verzoeken om bijstand van het Fonds hadden ingediend, hadden de diensten der Commissie een aantal werkdocumenten opgesteld, waarin de verschillende gegevens verzameld en met elkaar in overeenstemming gebracht werden, met name de door de Commissie overgelegde documenten VI/4639/71 en IV/4640/71. Laatstgenoemd document geeft nauwkeurig aan, welke voedselgiften in de verzoeken om vergoeding zijn afgetrokken, zowel wat de hoeveelheid als wat de restituties betreft. Het Comité van het Fonds heeft deze documenten bestudeerd en besproken. Tevens werd toen de kwestie van het al dan niet in aanmerking nemen van uitgaven voor voedselhulp aangesneden, waarbij de vertegenwoordiger van de Nederlandse Regering dienaangaande een duidelijk standpunt innam. Bovendien werd het Comité geraadpleegd over de ontwerpbeschikkingen die naderhand ongewijzigd werden vastgesteld en thans worden bestreden. In bovengenoemde aanvullende nota is uiteengezet waarom de betrokken uitgaven niet in aanmerking werden genomen; de Commissie herhaalt de hoofdpunten van haar daarin vervatte betoog. Daar de Nederlandse Regering aldus nauw bij de besluitvorming over de bestreden beschikkingen betrokken is geweest, is zij heel wel in staat in te zien waarom en tot welke bedragen de uitgaven in het kader van voedselhulp buiten beschouwing werden gelaten. Aldus tot stand gekomen beschikkingen behoeven niet uitvoerig te worden gemotiveerd. De juridische argumentering die de Commissie in de loop der jaren heeft gehanteerd, is wel degelijk coherent en komt erop neer dat de bestaande regeling geen restitutieverlening toelaat voor niet-commerciële verrichtingen, dus met name niet voor belangeloze daden, en dat hierin alleen verandering kan worden gebracht door een besluit van de Raad tot wijziging van de bestaande regeling.

Wat in het bijzonder de bijstandsbeschikking betreft, is de vijfde overweging weliswaar beknopt, maar duidelijk en ter zake; met name de woorden „gemeenschappelijke wetgeving” verwijzen naaide voorschriften inzake de toekenning van restituties. Intussen heeft de Commissie bij de bespreking van de litigieuze aangelegenheid in het Comité uitdrukkelijk verwezen naar de desbetreffende bepalingen van de basisverordeningen. Wat betreft de grief dat de beschikking de einduitkomst van de berekeningen had moeten bevatten, zou de Commissie deze inlichting zeker hebben verstrekt, als de Nederlandse Regering haar daarom had gevraagd; deze uitkomst blijkt overigens uit de gegevens die de Commissie bij de bespreking van de ontwerp-beschikking in het Comité heeft medegedeeld, zodat deze ter kennis was gebracht van de diensten van de Nederlandse Regering. Luidens de 17e overweging bij verordening nr. 17/64 is het Comité ingesteld om „een nauwe samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie” tot stand te brengen „ten einde de algemene werking van het Fonds te vergemakkelijken”; een bespreking in dit Comité is dan ook de meest voor de hand liggende gelegenheid om gegevens als de onderhavige in te winnen.

Soortgelijke overwegingen gelden voor de „beschikking gemiddelde restituties”. Het spreekt trouwens vanzelf dat wanneer de Commissie deze bedragen uitsluit van de communautaire financiering, zij ook de desbetreffende exporten buiten beschouwing moet laten bij de vaststelling van de „laagste gemiddelde restituties”, op grond waarvan deze financiering wordt berekend.

##### 3. Tweede middel: schending van verordening nr. 17/64 en van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64

De Nederlandse Regering betoogt dat de Commissie blijkens de vijfde overweging van de „bijstandsbeschikking” zelf schijnt aan te nemen dat de litigieuze verrichtingen „uitvoeren” zijn in de zin van de gemeenschappelijke wetgeving. Dit is trouwens de enige aanvaardbare interpretatie. Immers, in geen enkele tekst van de Raad of de Commissie wordt het begrip „uitvoer” zodanig beperkt dat het niet alle — al dan niet commerciële — verrichtingen omvat, welke bestaan in het brengen van een goed buiten de Gemeenschap naar een derde land, anders dan in doorvoer. In de betrokken teksten wordt namelijk de uitvoer van goederen onderworpen aan regelingen van verschillende aard, zodat het noodzakelijk is een zelfde en neutraal begrip „uitvoer” te hanteren.

Deze zienswijze vindt bevestiging in de communautaire praktijk. Zo worden in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2227/71 van de Commissie van 18 oktober 1971„betreffende de toepassing van een heffing bij uitvoer van magere-melkpoeder” (PB nr. L 234 van 19 oktober 1971, blz. 11) leveringen in het kader van gemeenschappelijke voedselhulp aan landen in ontwikkeling vrijgesteld van een heffing bij uitvoer. Artikel 19 van verordening (EEG) nr. 2637/70 van de Commissie van 23 december 1970, „houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten” (PB nr. L 283 van 29 december 1970, blz. 15) bepaalt dat bij leveringen „in het kader van het voedselhulpverdrag” een uitvoercertificaat moet worden overgelegd. Deze teksten tonen aan dat onder de term „uitvoer naar derde landen” ook verrichtingen in het kader van voedselhulp vallen.

De litigieuze betalingen zijn gebaseerd op artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64, juncto artikel 1, van verordening nr. 56/66/EEG van de Commissie van 23 mei 1966„betreffende de berekening van de maximumbedragen van de restituties bij de uitvoer van zuivelprodukten naar derde landen” (PB 1966, blz. 1422), waarbij respectievelijk het beginsel van restituties wordt erkend en de maximumbedragen hiervan worden vastgesteld. In deze verordeningen blijkt uit geen enkele bepaling dat de restitutie niet zou mogen worden verleend bij uitvoer uit hoofde van voedselhulp; het is trouwens onjuist dat deze verordeningen door de Raad en de Commissie steeds in die zin zouden zijn uitgelegd. Artikel 14, lid 2, is slechts een basisbepaling die nader dient te worden uitgewerkt, zodat een beperking als bedoeld alleen had kunnen worden aangebracht overeenkomstig lid 4 van dit artikel, op grond waarvan de wijze van toepassing van het artikel wordt vastgesteld volgens de in artikel 25 van verordening nr. 13/64 voorgeschreven procedure, dat wil zeggen door de Commissie na advies van het Beheerscomité; geen der aldus vastgestelde verordeningen, met inbegrip van bovenvermelde verordening nr. 56/66, voorziet echter in de thans door de Commissie bedoelde beperking.

Bovendien is voor de restitutieverlening in geen enkele verordening ooit enige voorwaarde gesteld inzake de aan de uitvoer ten grondslag liggende transactie; zie onder meer verordening nr. 1041/67/EEG van de Commissie van 21 december 1967„houdende uitvoeringsbepalingen inzake de verlening van restituties bij de uitvoer van produkten waarvoor een stelsel van gemeenschappelijke prijzen geldt” (PB nr. 314 van 23 december 1967, blz. 9).

Men mag geen a contrario argument ontlenen aan het feit dat de restitutie volgens artikel 14 van verordening nr. 13/64 „de uitvoer naar derde landen op de grondslag van de in de internationale handel geldende prijzen mogelijk (moet) maken”. Deze bepaling beoogt het buitenwaarts gericht goederenverkeer op de grondslag van wereldmarktprijzen mogelijk te maken. De term „op de grondslag van een prijs” betekent niet hetzelfde als „tegen een prijs”. Het verschil in prijspeil tussen de binnenmarkt en de wereldmarkt en met name het stelsel van heffingen bij invoer brengt mede dat uitvoer, ongeacht of daaraan een commerciële verrichting ten grondslag ligt of niet, aan de werking van het prijsverschil is onderworpen. De genoemde bepaling heeft niet ten doel uitvoer mogelijk te maken, maar om uitvoer op de grondslag van de in de internationale handel geldende prijzen mogelijk te maken. Het onweerlegbare feit dat deze prijzen alleen kunnen worden waargenomen aan commerciële verrichtingen, doet hier niet ter zake. Overigens beantwoordt de overbrugging van genoemd prijsverschil door een restitutie zelfs in gevallen als het onderhavige aan de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, daar de gemeenschappelijke markt mede hierdoor van overschotten wordt ontlast. De houding van de Commissie zou tot gevolg kunnen hebben dat Lid-Staten die zich voor voedselhulpverlening willen inspannen, het niet meer verantwoord zouden achten om aankopen op de gemeenschappelijke markt te verrichten. Bij aankoop op de wereldmarkt zouden de desbetreffende hoeveelheden niet meer uit de EEG worden uitgevoerd en dus alsnog ten laste van het Fonds komen.

Het is vreemd dat de Commissie restitutie weigert voor humanitaire geschenken, terwijl zij deze wel voor schenkingen in het kader van een reclameactie verleent en terwijl het Fonds de kosten van vernietiging van landbouwprodukten draagt. De Commissie antwoordt dat de om schrijving van de maatregelen die voor financiering door het Fonds in aanmerking komen, volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 25 wordt overgelaten aan de verordeningen inzake de gemeenschappelijke marktordeningen, zodat in casu slechts behoeft te worden aangetoond dat de litigieuze betalingen geen restituties bij uitvoer in de zin van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64 zijn.

Deze bepaling heeft blijkens haar bewoordingen alleen ten doel commerciële verrichtingen mogelijk te maken:

uitsluitend een uitvoer in de zin van commerciële verrichting heeft plaats „op de grondslag van de in de internationale handel geldende prijzen”, omdat slechts in dat geval sprake is van een ondernemer in de Gemeenschap, die aan een ondernemer in een derde land verkoopt tegen een prijs die zich noodzakelijkerwijs moet richten naar de in de internationale handel geldende prijzen, omdat de transactie anders niet kan plaatsvinden;

indien de Nederlandse Regering gelijk had, zou de genoemde bepaling niet hebben gesproken van „mogelijk maken”, omdat een gift die per definitie belangeloos is, mogelijk is, ongeacht de financiële last ervan voor de schenker.

Deze zienswijze vindt bevestiging in artikel 30 van verordening nr. 13/64, waar sprake is van „de bij de onderhavige verordening ingevoerde regeling van het handelsverkeer”, en in de 14e overweging bij deze verordening, volgens welke restituties moeten zijn toegestaan „om de deelneming van de Lid-Staten aan de internationale handel in melk en zuivelprodukten veilig te stellen”. Tevens kan hiertoe nog naar de latere communautaire wetgeving worden verwezen; zie considerans en bepalingen van verordening (EEG) nr. 876/68 van de Raad van 28 juni 1968, „tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van de restituties bij de uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de restitutie in de sector melk en zuivelprodukten” (PB nr. L 155, blz. 1). Ten slotte vindt het standpunt der Commissie steun bij een onderzoek naar de functie van de restitutie in het mechanisme van de marktordening, namelijk het handhaven van de afzetmogelijkheden en daardoor het bijdragen tot de stabilisatie van de interne markt en tot het verzekeren van een redelijke levensstandaard aan de landbouwbevolking in de Gemeenschap.

Bovendien, toen de Raad na de ten deze relevante periode besloot tot het verlenen van voedselhulp binnen het kader van de gemeenschappelijke marktordening, heeft hij geen gebruik gemaakt van het stelsel van restituties bij uitvoer maar ad hoe bepalingen vastgesteld; zie voor de sector zuivelprodukten de artikelen 6, lid 3, en 7, lid 2, van verordening nr. 804/68 van 27 juni 1967 (PB nr. L 148, blz. 13) evenals verordening nr. 1399/69 van 17 juli 1969 (PB nr. L 179, blz. 14). De Commissie wijdt een uitvoerige beschouwing aan de Gemeenschapsverordeningen inzake voedselhulp op het gebied van melk en zuivelprodukten en van granen. Zij leidt hieruit af dat de Raad ervan is uitgegaan dat vóór de vaststelling dezer verordeningen het gedeelte van de uitgaven voor nationale voedselhulpacties, dat overeenkomt met de „restituties bij de uitvoer”, niet is aan te merken als „restituties bij de uitvoer” in de zin van artikel 3, lid 1, sub a), van verordening nr. 25. Het is met name opvallend dat volgens de tweede overweging bij verordening (EEG) nr. 289/69 van de Raad, „houdende wijzging van verordening nr. 120/67/EEG met het oog op de beschikbaarstelling van voor voedselhulp bestemd graan” (PB nr. L 41, blz. 1), „deze verordening” (i.e. verordening nr. 120/67) „niet de voor de tenuitvoerlegging van voedselhulp noodzakelijke bepalingen bevat”.

De door de Commissie verdedigde uitlegging wordt niet weersproken door argumenten die de Nederlandse Regering aan andere bepalingen ontleent:

Daar artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64 zelf het antwoord op de litigieuze vraag bevat en door de Raad en de Commissie altijd aldus is uitgelegd dat het uitsluitend op commerciële verrichtingen slaat, is niet in te zien waarom de uitvoeringsverordeningen nrs. 56/66 en 1041/67 zulks nog zouden behoeven te bevestigen.

Het voorschrift in artikel 19 van verordening nr. 2637/70, dat op het uitvoercertificaat bij voedselhulpverrichtingen het woord „voedselhulp” moet zijn aangegeven, houdt verband met het besluit van de Raad om aan dergelijke verrichtingen een financiële steun te verlenen, die „fob-restitutie” wordt genoemd (cf. titel hoofdstuk I van verordening (EEG) nr. 2052/69 van de Raad van 17 oktober 1969 „betreffende de communautaire financiering van de uitgaven betreffende de uitvoering van de overeenkomst inzake voedselhulp, PB. nr. L 263, blz. 6). Uit genoemd artikel blijkt derhalve dat bedoelde verrichtingen niet onder het onderhavige stelsel van de restitutie bij uitvoer vallen.

Wat betreft artikel 1 van verordening nr. 2227/71 betreffende de heffing bij uitvoer, is het niet mogelijk dergelijke heffingen te vergelijken met restituties bij uitvoer. De heffing belast immers automatisch de materiële uitvoer van een produkt uit het douane gebied der Gemeenschap, terwijl de restitutie bestemd is voor commerciële verrichtingen en destijds facultatief gold.

Dat voedselhulpleveringen bijdragen tot vermindering van de overschotten in de Gemeenschap, wil niets zeggen, daar de Lid-Staten tijdens de overgangsperiode goeddeels verantwoordelijk bleven voor het landbouwbeleid. Bovendien vielen de toen door de Lid-Staten in het kader van de voedselhulp genomen maatregelen buiten elke communautaire regeling, zodat de financiële last hiervan logischerwijs ook uitsluitend op de betrokken Lid-Staten rustte. Voorts bestaat bij dergelijke acties het gevaar dat zij storend werken op de interne markt (bij voorbeeld doordat de produkten op een ongeschikte tijd of plaats aan de markt worden onttrokken) en het handelsverkeer met derde landen belemmeren; in bepaalde gevallen zouden zij zelfs kunnen worden beschouwd als een inbreuk op de communautaire bepalingen betreffende interventies en steunmaatregelen.

Ten slotte kan de Nederlandse Regering er geen aanspraak op maken dat een deel der kosten van de voedselhulp waartoe zij autonoom en om alleen haar moverende redenen heeft besloten, voor rekening der Gemeenschap komt.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat het door de regering van het Koninkrijk der Nederlanden op grond van artikel 173 van het EEG-Verdrag ingestelde beroep in de eerste plaats strekt tot nietigverklaring van beschikking nr. 72/120/EEG der Commissie van 26 januari 1972 (PB nr. L 61, blz. 15), hierna te noemen „bijstandsbeschikking”, voor zover bij deze beschikking de bijstand van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw — hierna tenoemen „Fonds” — ter zake van de uitgaven van het Koninkrijk der Nederlanden voor restituties over de berekeningsperiode *1966-1967* bij uitvoer naar derde landen uit hoofde van voedselhulp werd geweigerd;

2. dat het beroep tevens strekt tot nietigverklaring van beschikking nr. 72/115/ EEG der Commissie van dezelfde datum (PB nr. L 61, blz. 1) — hierna te noemen „beschikking gemiddelde restituties” — „indien en voor zover de aan eisende partij te vergoeden bedragen ingevolge de \[bijstandsbeschikking\] worden beïnvloed als gevolg van het geen rekening houden metde hoeveelheden uitgevoerd uit hoofde van voedselhulp bij de vaststelling van de laagste gemiddelde restituties” — welk element als grondslag dient voor de berekening van de restituties bij uitvoer naar derde landen, welke in aanmerking komen voor financiering door het Fonds overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 25 van de Raad van 4 april 1962 (PB blz. 991) —;

#### Ten aanzien van het eerste middel (schending van wezenlijke vormvoorschriften

3. Overwegende dat de Nederlandse Regering betoogt dat de bestreden onderdelen dezer beschikkingen schending van wezenlijke vormvoorschriften opleveren doordat zij niet genoegzaam met redenen zijn omkleed naar de eis van artikel 190 van het Verdrag;

4. Overwegende dat met betrekking tot de „bijstandsbeschikking” de Nederlandse Regering aanvoert dat de toelichting dezer beschikking zich ter verklaring van de uitsluiting der uit hoofde van voedselhulp uitgevoerde hoeveelheden produkten beperkt tot de vaststelling dat deze hoeveelheden „niet voor financiering door het Fonds in aanmerking komen, daar uitgaven voor nietcommerciële verrichtingen niet als restitutie bij de uitvoer naar derde landen in de zin van de gemeenschappelijke wetgeving kunnen worden beschouwd”;

5. Overwegende met betrekking tot het beginsel van het niet in aanmerking komen van de betrokken uitgaven voor financiering door het Fonds, dat de redenering die voor de Commissie de doorslag heeft gegeven, beknopt doch duidelijk in de toelichting der beschikking is weergegeven;

6. dat de Nederlandse Regering niet in twijfel kon verkeren omtrent de strekking van de verwijzing naar de „gemeenschappelijke wetgeving”, daar deze term alleszins duidelijk doelt op de bepalingen waarbij de Lid-Staten worden gemachtigd restituties bij de uitvoer naar derde landen te verlenen — derhalve voor de sector melk en zuivelprodukten, op artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64/EEG van de Raad van 5 februari 1964 (PB blz. 549) — alsmede op artikel 3, lid 1, van verordening nr. 25, volgens hetwelk deze restituties „voor financiering uit het Fonds in aanmerking komen”;

7. dat de in de beschikking genoemde reden in wezen niet verschilde van de tevoren door de Commissie gebezigde argumenten;

8. dat de bedragen welke door de Commissie in mindering zijn gebracht op de door de Nederlandse Regering gevraagde som, evenals de desbetreffende hoeveelheden produkten zijn opgenomen in het verslag der Commissie van 7 december 1971;

9. dat uit het beknopt verslag van de 62e vergadering van het Comité van het Fonds van 16 december 1971 blijkt, dat voornoemd verslag der Commissie deel uitmaakte van de werkdocumenten die waren voorgelegd aan de deelnemers dier vergadering, onder wie de vertegenwoordigers van genoemde regering, die dus volledig op de hoogte was van de betrokken cijfers;

10. dat de Nederlandse Regering de juistheid van deze cijfers trouwens niet betwist;

11. Overwegende dat de omvang van de in artikel 190 van het Verdrag neergelegde motiveringsverplichting afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld;

12. dat in casu niet betwist wordt dat de Nederlandse Regering nauw bij de besluitvorming over de bestreden beschikking was betrokken en dus wist waarom de Commissie meende geen gevolg te moeten geven aan het verzoek om vergoeding van genoemde regering, voor zover dit betrekking had op uitgaven in verband met voedselhulp;

13. dat de beschikking onder deze omstandigheden moet worden geacht genoegzaam met redenen te zijn omkleed;

14. Overwegende dat met betrekking tot de „beschikking gemiddelde restituties” de Nederlandse Regering betoogt dat daaruit niet blijkt of en zo ja hoe de Commissie bij de vaststelling van de laagste gemiddelde restitutie rekening heeft gehouden met de uit hoofde van voedselhulp uitgevoerde hoeveelheden produkten, en op welke wijze zij de opgaven van de Lid-Staten, waarop de beschikking berust, heeft „geamendeerd”;

15. Overwegende dat luidens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 25 „voor financiering uit het Fonds in aanmerking komen … de restituties bij uitvoer naar derde landen … berekend” onder meer „op grondslag van … de hoogte der restitutie van de Lid-Staat met de laagste gemiddelde restitutie”;

16. dat, waar de Commissie meende dat bepaalde uitgaven niet als restituties bij uitvoer konden worden beschouwd, zij deze uitgaven evenmin in aanmerking kon nemen bij de berekening van de laagste gemiddelde restitutie;

17. Overwegende dat het middel derhalve ongegrond is;

#### Ten aanzien van het tweede middel (schending van verordening nr. 17/64 en van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64)

18. Overwegende dat de Nederlandse Regering meent dat de Commissie de bepalingen van verordening nr. 17/64/EEG van de Raad van 5 februari 1964 (PB blz. 586) juncto artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64 heeft geschonden door te beslissen dat de door deze regering uit hoofde van voedselhulp in de berekeningsperiode 1966-1967 verrichte uitgaven geen recht geven op vergoeding door het Fonds, daar het geen restituties bij uitvoer in de zin dier bepalingen zijn;

19. Overwegende dat luidens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 25 „voor financiering uit het Fonds in aanmerking komen … de restituties bij uitvoer naar derde landen”;

20. dat ingevolge artikel 9, lid 1, van verordening nr. 17/64 betreffende de voorwaarden voor het verlenen van bijstand door het Fonds, de betrokken Lid-Staten eenmaal per jaar bij de Commissie een verzoek indienen om vergoeding met name van „de uitgaven voor restituties bij uitvoer naar derde landen … met betrekking tot het tijdvak van 1 juli tot en met 30 juni, die voor rekening van de afdeling garantie van het Fonds dienen te komen”, terwijl volgens artikel 10 dier verordening „de Commissie eenmaal per jaar over de bijstand van het Fonds beschikt na raadpleging van het Comité van het Fonds”, hetgeen zij ten aanzien van de berekeningsperiode 1966-1967 heeft gedaan bij de bestreden „bijstandsbeschikking”;

21. dat ten aanzien van de in casu alleen ter zake doende sector melk en zuivelprodukten artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64 bepaalt dat „ten einde de uitvoer naar derde landen op grondslag van de in de internationale handel geldende prijzen mogelijk te maken, het verschil tussen deze prijzen en de prijzen in de uitvoerende Lid-Staat kan worden overbrugd door een restitutie”;

22. dat de verordeningen nr. 25 en nr. 17/64 voor de betekenis van de term „restituties bij uitvoer naar derde landen” moeten worden geacht te verwijzen naar de communautaire basisverordeningen waarbij de Lid-Staten worden gemachtigd zodanige restituties te verlenen;

23. dat derhalve de te onderzoeken vraag erop neerkomt of de betrokken uitgaven zijn te beschouwen als restituties bij uitvoer naar derde landen in de zin van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64;

24. Overwegende dat de Commissie meent dat zulks niet het geval is, daar deze bepaling ten doel heeft „de uitvoer naar derde landen op grondslag van de in de internationale handel geldende prijzen mogelijk te maken”;

25. dat uit deze tekst zou volgen dat de onderhavige bepaling slechts beoogt transacties onder bezwarende titel mogelijk te maken, dat wil zeggen verrichtingen die bij ontbreken van restitutie niet hadden kunnen plaatsvinden omdat de prijs in de uitvoerende Lid-Staat op de wereldmarkt niet concurrerend was;

26. Overwegende dat het juist is dat artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64 in de eerste plaats doelt op verrichtingen waarbij een exporteur melk of zuivelprodukten aan een importeur in een derde land levert tegen de door deze laatste te betalen wereldmarktprijs, hetgeen ook bevestiging vindt in de veertiende overweging bij deze verordening, luidens welke het verlenen van restituties moet worden toegestaan „om de deelneming van de Lid-Staten aan de internationale handel in melk en zuivelprodukten veilig te stellen”;

27. dat echter deze bepaling, welke geen onderscheid maakt naar het rechtskarakter van de transacties die aan de leveringen naar derde landen ten grondslag liggen, niet toelaat van het begrip „restituties” uitgaven uit te sluiten, die zijn bedoeld als compensatie van het verschil tussen de prijzen in de uitvoerende Lid-Staat en de in de internationale handel geldende prijzen, ook al heeft deze staat, gelijk in casu, de betrokken produkten op de binnenlandse markt aangekocht voor schenking aan het invoerende land of deszelfs onderdanen;

28. dat overigens de aldus tussen genoemde staat en de verkopers verrichte transacties commerciële verrichtingen zijn;

29. Overwegende voorts dat verordening nr. 13/64, vastgesteld op grond van de artikelen 38 en volgende van het Verdrag betreffende de landbouw, moet worden uitgelegd in het licht van de in artikel 39 genoemde doelstellingen, in het bijzonder die om „de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn” en om „de markten te stabiliseren”;

30. dat derhalve artikel 14, lid 2, van verordening nr. 13/64 moet worden uitgelegd als een bevordering van elke uitvoer naar derde landen, welke tot verwezenlijking dier doelstellingen kan bijdragen;

31. dat dit het geval was met de onderhavige exporten die de voorafgaande aankoop van de betrokken produkten op de binnenlandse markt inhielden en mitsdien ertoe hebben bijgedragen de verkoopmogelijkheden van de landbouwers van de betrokken Lid-Staat te handhaven of te vergroten;

32. dat het niet ter zake doet dat in casu de Nederlandse Regering als koper is opgetreden in plaats van het invoerende land of deszelfs importeurs, daar het economisch effect, bestaande in het openen of in stand houden van afzetkanalen naar derde landen ten behoeve van genoemde landbouwers, in het ene zowel als in het andere geval gelijk blijft;

33. Overwegende ten slotte dat de uitlegging van verordening nr. 13/64 als geheel niet onmogelijk mag worden gemaakt door overwegingen ontleend aan Gemeenschapsbesluiten waarbij na het relevante tijdvak werd besloten tot voedselhulpacties in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten;

34. Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de betrokken uitgaven zijn te beschouwen als restituties bij uitvoer in de zin van artikel 14, lid 2, dier verordening, en in aanmerking komen voor financiering uit het Fonds krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 25;

35. dat mitsdien het beroep gegrond is;

#### Ten aanzien van de kosten

36. Overwegende dat ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering de in het ongelijk gestelde partij in de kosten moet worden verwezen;

37. dat de Commissie in het ongelijk is gesteld;

38. dat zij derhalve in de kosten dient te worden verwezen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

rechtdoende:

1\. verklaart beschikking nr. 72/120/EEG der Commissie van 26 januari 1972 betreffende de bijstand van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, in verband met de uitgaven van het Koninkrijk der Nederlanden voor de restituties bij uitvoer naar derde landen (PB nr. L 61, blz. 15), nietig voor zover daarin, bij de vaststelling van het bedrag van de bijstand van het Fonds voor deze restituties, geen rekening is gehouden met de uitgaven voor uit hoofde van voedselhulp uitgevoerde produkten;

2\. verklaart beschikking nr. 72/115/EEG der Commissie van 26 januari 1972, houdende vaststelling van de laagste gemiddelde restituties voor de financiering van de restituties bij de uitvoer naar derde landen in de berekeningsperiode 1966-1967 (PB nr. L 61, blz. 1), nietig voor zover daarin bij de vaststelling van de laagste gemiddelde restituties, bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 25 van de Raad van 4 april 1962 (PB blz. 991) geen rekening is gehouden met de hierboven sub 1 bedoelde uitgaven;

3\. verwijst de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten van het geding.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

13

verordening 13/64 art. 14 12 voorkomens

EEG-Verdrag art. 190 2 voorkomens

verordening 2637/70 art. 19 2 voorkomens

verordening 2227/71 art. 1 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 173 1 voorkomen

verordening 11/64 art. 24 1 voorkomen

verordening 13/64 art. 25 1 voorkomen

verordening 13/64 art. 30 1 voorkomen

verordening 17/64 art. 9 1 voorkomen

verordening 56/66 art. 1 1 voorkomen

verordening 130/66 art. 8 1 voorkomen

verordening 804/68 art. 6 1 voorkomen

verordening 804/68 art. 7 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Tesauro C-408/95 27.05.1997

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-408-95-conclusie)

## Rechtsleer

2

Toledano-Laredo, Armando: Restitutions à l'exportation et aide alimentaire dans la jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes, Cahiers de droit européen 1973 p. 654-660 (FR)

Naranjo González-Pola, Daniel: Revista de Instituciones Europeas 1977 p.205-212 (ES)
