---
title: "HvJ EU, 125/76, arrest van 11 oktober 1977 · Verordening 171/64 art. 1, verordening 166/64 art. 1"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 oktober 1977, 125/76: verordening 171/64 art. 1, verordening 166/64 art. 1."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-125-76-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-125-76-arret"
---

# Arrest van het Hof van 11 oktober 1977, 125/76 · Verordening 171/64 art. 1, verordening 166/64 art. 1

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Tweede kamer

**Zaak**

125/76

**ECLI**

ECLI:EU:C:1977:148

**Datum**

11 oktober 1977

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Hessisches Finanzgericht (Duitsland) beslissing van 1 december 1976 VII 386/72

**Zaak ingediend op**

22 december 1976

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Nationale beslissing na het arrest**

Hessisches Finanzgericht beslissing van 29 juni 1978 VII 386/72

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1977, blz. 1593

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Pescatore

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Granen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.01) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.01.02) [Uitvoerregeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.01.02.02) 4 beslissingen

## Tekst

80 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten van de zaak, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) gemaakte opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en de schriftelijke behandeling

Ten einde de uitvoer naar derde landen van graan en graanprodukten op basis van de wereldmarktprijzen mogelijk te maken, konden de Lid-Staten ingevolge artikel 20 van 's Raads verordening nr. 19 van 4 april 1962, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1962, blz. 933), een restitutie bij uitvoer toekennen om het verschil tussen de wereldmarktprijzen en de prijzen in de uitvoerende Lid-Staat te overbruggen. Krachtens artikel 14, lid 2, van 's Raads verordening nr. 13/64 van5 februari 1964, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector (PB 1964, blz. 549), kon een overeenkomstige restitutie worden toegekend voor melk en zuivelprodukten en bereidingen op basis van melkpoeder, gebezigd voor het voederen van dieren.

De regels inzake de toekenning van uitvoerrestituties voor mengvoeders die granen of zuivelprodukten bevatten, werden vastgesteld bij verordening nr. 166/64 van de Raad van 30 oktober 1964 betreffende de regeling voor bepaalde soorten mengvoeders (PB 1964, blz. 2747), en verordening nr. 171/64 van de Commissie van 30 oktober 1964 betreffende de wijze van toekenning van de restitutie bij uitvoer naar derde landen voor bepaalde soorten mengvoeders (PB 1964, blz. 2758).

In de periode 9 december 1964 — 9 maart 1965 exporteerde de vennootschap „Nordkraft” Kraftfutterwerk C. F. Günther & Co. GmbH, te Hamburg, 2928935 kg van een produkt, omschreven als „veevoeder samengesteld met melasse of met suiker en ander bereid voedsel van het type, Nordkraft' — varkensvoer” en vallende onder post 23.07 van het gemeenschappelijk douanetarief (GUT), uit de Bondsrepubliek Duitsland naar Denemarken, destijds nog een derde land.

Het produkt bestond uit 73 % tapiocachips, 2 % tapiocameel, 22 % sojaschroot en 3 % mineralen; het zetmeelgehalte bedroeg meer dan 50 %.

Günther & Co. verkreeg van de Einfuhr- und Vorratsstelle für Getreide und Futtermittel, rechtsvoorgangster van de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung, exportrestituties in de vorm van heffingvrije invoercertificaten voor een hoeveelheid granen, gelijk aan de hoeveelheid uitgevoerd verwerkt produkt, en droeg deze certificaten vervolgens over aan de eveneens te Hamburg gevestigde firma Peter Cremer, waarvan zij een dochteronderneming is.

Een onderzoek van de Duitse douanerecherche bracht evenwel aan het licht dat in Denemarken het grootste deel van de tapiocachips door zeving weer aan het produkt was onttrokken en vervolgens was verkocht en geleverd aan een Nederlandse onderneming, die juridisch met de firma Cremer was verbonden.

De Einfuhr- und Vorratsstelle was van mening dat het uitzeven van de tapiocachips niet was een „ge- of verbruik dan wel be- of verwerking” van het produkt in het land van bestemming in de zin van de voorwaarden waaraan volgens de Duitse restitutieregeling moest zijn voldaan, wilde van uitvoer naar een derde land sprake zijn. Bovendien was het zetmeelgehalte na het uitzeven tot beneden 50 % gedaald, zodat het resterende produkt niet meer voldeed aan de vereisten voor restitutieverlening.

Derhalve trok de Einfuhr- und Vorratsstelle op 7 september 1971 de heffingvrije invoercertificaten van de firma Cremer in. Deze ging van die beslissing in beroep bij het Hessische Finanzgericht.

Bij beschikking van 1 december 1976 heeft de 7e Kamer van het Finanzgericht de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële uitspraak over de navolgende vragen:

1\. Geldt verordening nr. 171/64 van de Commissie ook voor mengvoeders waarin geen melkpoeder is verwerkt?

2\. Zo ja: moet de in artikel 1, sub a, dezer verordening voorkomende zinsnede „voor elk van de drie soorten granen en tegen de daarvan … aangehouden hoeveelheden” aldus worden uitgelegd, dat een produkt slechts als mengvoeder van granen kan worden beschouwd indien daarin ook daadwerkelijk graan is verwerkt, of moet „aangehouden hoeveelheid” fictief worden opgevat voor de be rekening van de hoeveelheid graan waarop de restitutie is, gebaseerd (zoals in artikel 4 van 's Raads verordening nr. 166/64 met betrekking tot de heffingen)?

3\. Zo vraag 1 ontkennend of vraag 2 b bevestigend moet worden beantwoord: ging het bij de eventuele toekenning van restitutie voor mengvoeder ('s Raads verordening nr. 19, artikel 1, sub d, en bijlage; 's Raads verordening nr. 166/64, artikel 1) om de mate waarin het mengvoeder produkten bevatte waarop verordening nr. 19 van toepassing was, en volstond met name de bijmenging van 2 % van een heffingplichtig produkt als tapiocameel om hiermee een restitutie ten belope van 100 % heffingvrijdom voor importen van graan uit derde landen te verwerven?

4\. Zo vraag 3, eerste deel, ontkennend moet worden beantwoord: moeten de op grond van artikel 10 junctis artikel 4 en de bijlage, tabel A, van verordening nr. 166/64, naar gelang van het gehalte aan zetmeel van het mengvoeder toe te passen coëfficiënten met inachtneming van artikel 15 („de daadwerkelijk in de veevoeders verwerkte granen”) aldus worden opgevat, dat het in het produkt voorkomende gehalte aan zetmeel dat de coëfficiënt bepaalt, moet voortkomen uit produkten waarop verordening nr. 19 van toepassing was?

5\. Zo het eerste deel van vraag 3 ontkennend, het tweede deel bevestigend en ook vraag 4 ontkennend moeten worden beantwoord: zijn de betrokken bepalingen van verordening nr. 166/64 niet ongeldig voor zover daarin voor produkten van post 23.07 van het gemeenschappelijk douanetarief een forfaitaire restitutie wordt vastgesteld, die zonder onderscheid van toepassing is, ongeacht of in de produkten grote of kleine hoeveelheden heffingplichtige produkten zijn verwerkt (zoals het Hof van Justitie ten aanzien van een heffingregeling heeft beslist in het arrest van 9 maart 1976 in zaak 95/75, Jurispr. 1976, blz. 369)?

De beschikking van het Hessische Finanzgericht is op 22 december 1976 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 14 februari 1977, de Raad op 1 maart, de firma Peter Cremer — verzoekster in het hoofdgeding — op 10 maart, en de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung — verweerster in het hoofdgeding — op 18 maart 1977.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Bij beschikking van 27 april 1977 heeft het Hof met toepassing van artikel 95, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering, de zaak verwezen naar de Tweede Kamer.

#### II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

De firma Peter Cremer, verzoekster in het hoofdgeding, betoogt vooraf dat de verwijzingsbeschikking overbodig en mitsdien niet ontvankelijk is: de vraag of aan de betrokken produkten tapiocameel is toegevoegd, is van zuiver feitelijke aard en staat uitsluitend ter beoordeling van de nationale rechter. Blijkens 's Hofs arrest van 27 oktober 1971 (zaak 6/71, Rheinmühlen, Jurispr. 1971, blz. 823) is niet van belang hoe groot het zetmeelgehalte van het mengvoeder na de verwerking in Denemarken was; beslissend is immers het tijdstip waarop de waar in het vrije verkeer wordt gebracht. De Einfuhr- und Vorratsstelle heeft ten slotte nooit betwist dat een mengvoeder dat slechts 2 % van een onder verordening nr. 19 vallend produkt bevat, voor restitutie in aanmerking komt; dit valt ook af te leiden uit de bepalingen van de Duitse restitutieregeling.

Met betrekking tot de door het Finanzgericht gestelde vragen merkt verzoekster overigens het navolgende op:

a) Uit de verwijzing in artikel 1 van verordening nr. 171/64 naar verordening nr. 166/64 blijkt duidelijk dat eerstgenoemde verordening onder meer geldt voor mengvoeders „die granen of produkten bevatten waarop verordening nr. 19 of verordening nr. 16/64/EEG van toepassing is”; zij geldt dus ook voor mengvoeders die geen melkpoeder bevatten.

b) Bij het eerste deel van de tweede vraag moet worden opgemerkt dat de term „mengvoeder van granen” in de verordeningen nrs. 171/64 en 166/64 niet voorkomt. De zinsnede „voor elk van de drie soorten granen en tegen de daarvan aangehouden hoeveelheden” in artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 171/64 heeft alleen betrekking op de berekening van het bedrag van de restitutie, die wederom gebaseerd is op de berekening van het variabele element op de grondslag van maïs, gerst en sorgho. De drie graansoorten (maïs, gerst en sorgho) worden als abstracte berekeningsgrondslag slechts genoemd omdat zij zetmeel bevatten en de meest gebruikte grondstoffen in de mengvoederindustrie zijn. Ook een produkt dat geen graan bevat, kan dus een mengvoeder zijn. Gezien de wijze waarop deze uitdrukking in artikel 4 van verordening nr. 166/64 is gebruikt, heeft „aangehouden hoeveelheid” dus betrekking op de fictieve hoeveelheden graan waarvan bij de berekening van de restitutie wordt uitgegaan.

c) Verordening nr. 166/64 zegt niets over de hoeveelheid van een onder verordening nr. 19 vallend produkt, die in het mengvoeder dient voor te komen. Derhalve is elke, ook de kleinste hoeveelheid voldoende. Volgens 's Hofs rechtspraak moet bij de indeling van waren in het GDT naar hun objectieve eigenschappen worden gezien. Zo een objectieve eigenschap is de bestemming als diervoeder, en ook de bijmenging — ongeacht in welke hoeveelheid — van een onder verordening nr. 19 vallend produkt. Deze opvatting ligt ook ten grondslag aan de Duitse restitutieregeling van 24 november 1964 (Erstattungsverordnung Getreide und Reis, Bundesgesetzblatt 1964 I, 917).

d) Uit verordening nr. 166/64 en met name tabel A van de bijlage blijkt duidelijk dat het voor de berekening van de hoogte van de restitutie alleen aankomt op het totale zetmeelgehalte van de bereiding en niet op het zetmeelgehalte van elk bestanddeel afzonderlijk. Dit is ook de mening van de Duitse regering. Ook bij de bepaling van de coëfficiënt die, afhankelijk van het zetmeelgehalte van het mengvoeder, ingevolge artikel 10 junctis artikel 4 en de bijlage, tabel A, van verordening nr. 166/64 moet worden toegepast, moet het totale zetmeelgehalte van de bereiding in aanmerking worden genomen.

e) In zijn arrest van 9 maart 1976 (zaak 95/75, Effem, Jurispr. 1976, blz. 361) heeft het Hof inderdaad verklaard dat de vaststelling van een forfaitaire heffing die zonder onderscheid van toepassing is, hoe veel of hoe weinig graan er ook in mengvoeders van post 23.07 GDT is verwerkt, niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Dit arrest kan echter niet op het onderhavige geval worden toegepast. De heffing was immers te allen tijde dwingend voorgeschreven, daarentegen stond het de Lidstaten vrij de restitutie al dan niet toe te kennen. Deze konden voor de toekenning dus ook verdergaande voorwaarden stellen dan in het gemeenschapsrecht was voorzien. De conclusies van het arrest van 9 maart 1976 gelden derhalve niet voor de restitutie bij uitvoer.

De geldigheid van verordening nr. 166/64 staat buiten twijfel: het bleef aan de Lid-Staten overgelaten het criterium te bepalen volgens hetwelk de restitutie moest worden berekend.

Volgens de Bundesanstalt für landtvirtschaftliche Marktordnung, verweerster in het hoofdgeding, moeten de prejudiciële vragen worden beantwoord in het licht van 's Hofs rechtspraak, waarin de grondbeginselen die het communautaire recht betreffende restituties gedurende de overgangsperiode tot 1967 beheersten, zijn verduidelijkt en bevestigd.

a) Artikel 1 van verordening nr. 171/64 verwijst voor haar toepassingsgebied naar verordening nr. 166/64; de opsomming in artikel 1 dezer verordening van bepaalde categorieën mengvoeders die voor restitutie in aanmerking komen, is alternatief, zodat beide genoemde verordeningen ook gelden voor mengvoeders die geen melkpoeder bevatten.

b) Indien mengvoeders voor restitutie in aanmerking komen wanneer zij granen of onder de verordeningen nr. 19 of nr. 16/64 vallende produkten bevatten, kan artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 171/64 — dat regels geeft voor de berekening van het toepasselijke maximum restitutiebedrag — niet worden uitgelegd in die zin dat het mengvoeder juist de drie genoemde graansoorten zou moeten bevatten. De betrokken regeling komt veeleer overeen met de heffingregeling van artikel 4 van verordening nr. 166/64: de „aangehouden hoeveelheid” van de „drie soorten granen” is niets anders dan een berekeningsmethode om de hoeveelheden graan waarop de restitutie moet worden gebaseerd, te kunnen bepalen.

c) Artikel 1 van verordening nr. 166/64 zegt niets over een minimum gehalte met betrekking tot mengvoeders waarvoor een aanspraak op restitutie ontstaat wegens bijmenging van graan of produkten als bedoeld in verordening nr. 19. De aanspraak op restitutie voor deze produkten kan dus in principe niet afhankelijk zijn van de hoeveelheid van de bestanddelen die onder verordening nr. 19 vallen. Wel moeten deze bestanddelen duidelijk en met stelligheid aantoonbaar zijn, en dit is bij een gehalte van slechts 2 % aan een heffingplichtig produkt als tapiocameel niet het geval. De heffingplichtige bestanddelen moeten tijdens de vervaardiging van het mengvoeder eraan zijn toegevoegd. Als een deel van de tapiocachips tijdens het verladen of het vervoer van het „mengsel” tot meel is verkruimeld, ontstaat nog geen aanspraak op restitutie voor een produkt dat overigens niet daarvoor in aanmerking komt.

d) Blijkens artikel 10 junctis artikel 4 en bijlage, tabel A, van verordening nr. 166/64 was de toe te passen coëfficiënt afhankelijk van het zetmeelgehalte van de uitgevoerde waar. Deze coëfficiënten veranderden met het zetmeelgehalte van de bereiding, ongeacht of dit gehalte al dan niet afkomstig was van onder verordening nr. 19 vallende bestanddelen. Zowel naar de letter als naar de geest van de verordening ontbreekt er een duidelijk verband tussen het zetmeelgehalte van het produkt als basis voor de bepaling van de coëfficiënt en de onder verordening nr. 19 vallende bestanddelen. Bovendien golden voor de restitutiecoëfficiënten dezelfde regels als voor de heffingcoëfficiënten; het protectionistische doel van de heffing maakte het trouwens eenvoudig noodzakelijk deze te relateren aan het zetmeelgehalte van de ingevoerde bereidingen.

e) De mengvoederpreparaten die ten tijde van de vaststelling van de verordeningen nrs. 166/64 en 171/64 in de handel waren, ontleenden hun zetmeelgehalte voornamelijk aan produkten waarop verordening nr. 19 van toepassing was. Mogelijkheden van misbruik waren eerst aan de dag getreden toen sommige exporteurs hun in Duitsland vervaardigde bereidingen gingen vermengen met produkten met een zeer hoog zetmeelgehalte, die niet onder verordening nr. 19 vielen. Daarmee werd de bepaling van maximum restitutiebedragen op losse schroeven gezet; de restituties hadden veel hoger kunnen worden dan nodig was om de prijsverschillen tussen de Lid-Staten en ten opzichte van de wereldmarkt te overbruggen. Het Hof zal moeten uitmaken of de betrokken gemeenschapsbepalingen als ongeldig moeten worden beschouwd omdat er in bepaalde omstandigheden misbruik van kon worden gemaakt.

De Raad beperkt zich in zijn opmerkingen tot de vijfde vraag, die betrekking heeft op de geldigheid van verordening nr. 166/64.

De feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen, zijn niet te vergelijken met die van zaak 95/75. Daar ging het om de geldigheid van verordeningen der Commissie ter uitvoering van een verordening van de Raad, volgens welke bij de vaststelling van uitvoerheffingen voor mengvoeders „inzonderheid rekening wordt gehouden met de hoeveelheid van deze graansoort die noodzakelijk is voor de vervaardiging van de betrokken produkten.” Het Hof verklaarde de uitvoeringsverordeningen van de Commissie ongeldig omdat de vastgestelde heffingbedragen geen rekening hielden met het graangehalte van de produkten.

De onderhavige zaak betreft de verhouding tussen een verordening van de Raad en de uitvoeringsmaatregelen van de Lid-Staten, en de verwijzende rechter vraagt of het niet die verordening is die ongeldig is. In werkelijkheid gaat het om een machtiging aan de Lid-Staten om uitvoerrestituties toe te kennen, en in verordening nr. 171/64 van de Commissie, vastgesteld tot toepassing van verordening nr. 166/64 van de Raad, wordt van maximum bedragen gesproken. In hoeverre de Lid-Staten van die machtiging gebruik hebben gemaakt, behoeft in casu niet te worden onderzocht.

In elk geval bepaalt artikel 10, eerste alinea, van verordening nr. 166/64 dat „in het handelsverkeer met derde landen bij de vaststelling van de restitutie, die door een Lid-Staat kan worden toegekend, met name rekening wordt gehouden met de toestand op de wereldmarkt en de marktprijs van de produkten die voor de berekening van het variabele element in aanmerking worden genomen.” De berekening van dit variabele element wordt geregeld in artikel 3; volgens de tabellen van de bijlage bij de verordening moet daarbij ook worden gelet op het gehalte aan zetmeel of het gehalte aan melk en zuivelprodukten. De Raad heeft dus een differentiatie van de restituties voorgeschreven naar gelang van het zetmeelgehalte van de op basis van granen vervaardigde diervoeders; van forfaitaire vaststelling is dus geen sprake.

Bij het onderzoek van de vijfde vraag blijkt dus niet van gegronde redenen die de geldigheid van verordening nr. 166/64 zouden kunnen aantasten.

Die Commissie merkt in algemene zin op dat het enige doel van de verordeningen nrs. 166 en 171/64 was de mengvoeders aan te wijzen die voor restitutie in aanmerking kwamen, en het beleid van de Lid-Staten ten aanzien van de restitutietoekenning te coördineren door het vaststellen van maximum bedragen. Voor het overige bleven de Lid-Staten bevoegd om overeenkomstig hun eigen wettelijke bepalingen te beslissen of, wanneer, in welke vorm, voor welke produkten en exporten en hoeveel restitutie zou worden toegekend. Ten opzichte van de Lid-Staten hadden de verordeningen alleen het karakter van een machtiging van beperkte strekking.

Voor restitutie kwamen alle mengvoeders in aanmerking voor welke hetzij ingevolge verordening nr. 19, hetzij ingevolge verordening nr. 13/64 restitutie kon worden toegekend. Deze produkten werden opgesomd in artikel 1 van verordening nr. 166/64, in een lijst die niet cumulatief, doch alternatief was.

Omdat het om een machtigingsnorm ging, was ervan afgezien minima te bepalen voor de gehalten aan tot de graansector behorende bestanddelen.

Artikel 1 van verordening nr. 166/64 stelde dus de restitutie niet afhankelijk van de aanwezigheid van één van de graansoorten waarop de in lid 1, sub a, bedoelde berekening was gebaseerd; noodzakelijk was slechts dat één der onder verordening nr. 19 vallende produkten was bijgemengd. Voor de forfaitaire bepaling van het maximum restitutiebedrag ging deze modelberekening dus niet uit van het werkelijke gehalte aan maïs, gerst, sorgho of andere graanprodukten. Waar het op aankwam, was alleen de gemeenschappelijke factor „zetmeel”. Voor het geval de gewone regeling niet voldoende was om verstoringen op de diervoedermarkt te voorkomen, konden ingevolge artikel 15 van verordening nr. 166/64 nog wijzigingen worden aangebracht; daartoe is het evenwel niet gekomen.

Wat de vraag betreft of het in de bijlage van verordening nr. 166/64 bedoelde zetmeelgehalte uitsluitend van de bijgemengde graanprodukten afkomstig moest zijn, zij opgemerkt dat ondanks het opschrift van tabel A een dergelijke beperkende uitlegging niet aanvaardbaar is. Gezien de doelstellingen van een forfaitaire maximum-bedragenregeling, was zo een beperking niet noodzakelijk, daar de Lid-Staten dit bij de vaststelling van de verschillende restitutiebedragen zelf konden regelen.

De gestelde vragen kunnen als volgt worden beantwoord:

a) Als uitvoeringsregeling van artikel 10 van verordening nr. 166/64 was verordening nr. 171/64 van toepassing op alle mengvoeders waarvoor ingevolge verordening nr. 166/64 bij de uitvoer naar derde landen restituties konden worden toegekend. Tot deze produkten, omschreven in artikel 1 der verordening, behoorden ook mengvoeders zonder melkpoeder.

b) De term „mengvoeders van granen” komt niet voor in verordening nr. 171/64. Artikel 1 hiervan gaf een forfaitaire modelberekening, waarmee het toegelaten maximum restitutiebedrag kon worden bepaald; daarbij werd via de in de bijlage van verordening nr. 166/64 vermelde coëfficiënten wel rekening gehouden met het zetmeelgehalte van de uitgevoerde waar, maar niet met het gehalte aan bepaalde graansoorten. De zinsnede „tegen de daarvan aangehouden hoeveelheden” had betrekking op de in artikel 4 van verordening nr. 166/64 genoemde richthoeveelheden, op basis waarvan de heffingen werden berekend.

c) Voor een aanspraak op restitutie ingevolge artikel 1 van verordening nr. 166/64 was bijmenging van slechts 2 % van één der onder verordening nr. 19 vallende produkten, bij voorbeeld tapiocameel, voldoende. Ook voor de berekening van het maximum restitutiebedrag volgens artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 171/64 kwam het als algemene regel niet aan op het aandeel van deze produkten, maar op het zetmeelgehalte.

d) Het in aanmerking te nemen zetmeelgehalte was dat van de uitgevoerde waar als zodanig. Volgens de normale regeling behoefde dat gehalte niet afkomstig te zijn van onder verordening nr. 19 vallende produkten. Een bijzondere, krachtens artikel 15 van verordening nr. 166/64 vastgestelde bepaling bestond in de relevante periode niet.

e) In het kader van de verordeningen nrs. 19 en 13/64 stelden de Lid-Staten de restituties vast; de rol van de Gemeenschap was ertoe beperkt de bevoegdheid van de Lid-Staten op het gebied van de uitvoerrestituties aan bepaalde voorwaarden te binden. Verordening nr. 171/64 was dus slechts een aanvulling van de algemene regels van artikel 10 van verordening nr. 166/64, doordat zij nauwkeurige criteria aangaf voor de berekening van de maximum restitutiebedragen die de Lid-Staten in het handelsverkeer met derde landen in acht moesten nemen. De geldigheid van dergelijke machtigingsnormen kan niet met een verwijzing naar 's Hofs arrest in zaak 95/75 in twijfel worden getrokken; deze zaak, waarin het enkel ging om de vraag of de Commissie zich bij de vaststelling van exportheffingen aan de in de machtigingsnorm vervatte berekeningscriteria had gehouden, vertoont geen overeenkomst met de onderhavige.

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 9 juni 1977 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de firma Peter Cremer, verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door B. Festge, advocaat te Hamburg; de Bundesanstalt für landwirtschaftliche Marktordnung, verweerster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door A. Stockburger, advocaat te Frankfurt/ Main; de Commissie, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P. Kalbe; en de Raad, ten deze vertegenwoordigd door B. Schloh, adviseur bij de juridische dienst.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 juli 1977 conclusie genomen.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat het Hessische Finanzgericht bij beschikking van 1 december 1976, ingekomen ter griffie van het Hof op 22 december daaropvolgende, het Hof vier vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van verordening nr. 166/64 van de Raad van 30 oktober 1964 betreffende de regeling voor bepaalde soorten mengvoeders (PB 1964, blz. 2724), en van de daarop gebaseerde verordening nr. 171/64 van de Commissie van 30 oktober 1964 betreffende de wijze van toekenning van de restitutie bij uitvoer naar derde landen voor bepaalde soorten mengvoeders (PB 1964, blz. 2758), alsmede een vraag betreffende de geldigheid van voornoemde verordening nr. 166/64;

2. Overwegende dat het gewenst lijkt om alvorens op de vragen van de nationale rechter in te gaan, de bepalingen van de gemeenschapsregeling weer te geven, in het kader waarvan het geschil moet worden geplaatst;

3.

Overwegende dat de Raad ingevolge artikel 20, lid 2, van zijn verordening nr. 19 van 4 april 1962, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1962, blz. 933), bevoegd was een stelsel in te voeren van restituties bij de export naar derde landen van veevoeders welke granen of andere produkten bevatten waarop die verordening van toepassing was;

dat de artikelen 6, lid 3, en 14, lid 3, van 's Raads verordening nr. 13/64 van 5 februari 1964, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector (PB 1964, blz. 549), overeenkomstige bepalingen bevatten ter zake van de toekenning van uitvoerrestituties voor veevoeders waarin melkpoeder of bepaalde andere zuivelprodukten waren verwerkt;

4.

dat op basis van deze bepalingen bij verordening nr. 166/64 van de Raad een regeling werd vastgesteld welke van toepassing was bij de invoer en uitvoer van bepaalde soorten mengvoeders;

dat artikel 1 van deze verordening die mengvoeders omschrijft door verwijzing naar sommige onderverdelingen van post 23.07 van het gemeenschappelijk douanetarief, luidende als volgt:

> „Veevoeder, samengesteld met melasse of met suiker en ander bereid voedsel voor dieren …
>
> ex B andere:
>
> —die ten minste 50 % melk in poedervorm bevatten
>
> —niet genoemd:
>
> —die granen of produkten bevatten waarop verordening nr. 19… van toepassing is …”;

dat artikel 10 der verordening bepaalt dat de Lid-Staten in het handelsverkeer met derde landen restituties kunnen toekennen, daarbij met name rekening houdende „met de toestand op de wereldmarkt en de marktprijzen van de produkten die voor de berekening van het variabele element in aanmerking worden genomen”, terwijl volgens artikel 4, eerste streepje, betreffende de berekening van het „variabele element”, deze produkten zijn: maïs, gerst en sorgho;

dat ingevolge artikel 10, lid 2, de wijze van toekenning van de restituties bij uitvoer naar derde landen door de Commissie moet worden vastgesteld volgens de zogenoemde procedure van het comité van beheer;

5. dat langs die weg verordening nr. 171/64 van de Commissie tot stand is gekomen, waarvan artikel 1 de maximum restitutiebedragen bepaalt door te refereren aan de toe te kennen uitvoerrestitutie voor „drie soorten granen” en zulks „tegen de daarvan voor de berekening van het variabele element aangehouden hoeveelheden”, vermenigvuldigd „met de coëfficiënt die overeenkomt met de indeling van het mengvoeder en die vermeld is in kolom 1 van tabel A van de bijlage van verordening nr. 166/64/EEG”, welke coëfficiënt afhankelijk is van het „zetmeelgehalte”;

6.

Overwegende dat blijkens de verwijzingsbeschikking verzoekster in het hoofdgeding in het tijdvak december 1964 tot maart 1965 mengvoeder — bestaande uit 73 % tapiocachips, 22 % sojaschroot, 3 % mineralen en 2 % tapiocameel (met dien verstande dat de toevoeging van dit laatste bestanddeel omstreden is) — naar Denemarken heeft uitgevoerd;

dat vaststaat dat behalve het tapiocameel geen der bestanddelen van dit mengvoeder onder de toepassing van verordening nr. 19 viel;

dat eveneens vaststaat dat het mengsel op het tijdstip van uitvoer in alle gevallen een zetmeelgehalte van meer dan 50 % had;

7.

dat bij de uitvoer van dit mengvoeder verzoekster in het hoofgeding van de aldaar verweer voerende Duitse instantie aanvankelijk de overeenkomstig de criteria van de gemeenschapsregeling vastgestelde restituties heeft verkregen in de vorm van een vergunning voor heffingvrije invoer van een gelijke hoeveelheid maïs, gerst en sorgho;

dat echter die Duitse instantie, na te hebben geconstateerd dat de tapiocachips vervolgens weer door zeving grotendeels aan de waar waren onttrokken en wederom in de Gemeenschap waren ingevoerd, de in plaats van de restituties verleende invoervergunningen heeft ingetrokken;

dat deze beslissing het voorwerp is van het hoofdgeding;

#### De eerste vraag

8. Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of verordening nr. 171/64 van de Commissie ook geldt voor mengvoeders waarin geen melkpoeder is verwerkt;

9.

Overwegende dat deze vraag verband houdt met de omstandigheid dat verordening nr. 171/64 evenals de eraan ten grondslag liggende verordening nr. 166/64 gebaseerd is op zowel verordening nr. 19 betreffende de graansector als verordening nr. 13/64 betreffende de zuivelsector, weshalve twijfel kon rijzen omtrent de vraag of de in de verordening der Commissie bedoelde mengvoeders te allen tijde produkten van beide sectoren moesten bevatten;

dat het antwoord op deze vraag moet worden gezocht in de omschrijving van „mengvoeders” in artikel 1 van verordening nr. 166/64, welke, zoals hiervoor werd opgemerkt, naar sommige onderverdelingen van post 23.07 van het gemeenschappelijk douanetarief verwijst;

dat de opbouw van deze onderverdeling er geen twijfel over laat bestaan dat de regeling het oog heeft op verschillende soorten veevoeders, waaronder die met een gehalte aan melkpoeder van 50 of meer gewichtspercenten en die welke granen of andere produkten bevatten waarop verordening nr. 19 van toepassing is;

10. dat mitsdien moet worden geantwoord dat verordening nr. 171/64 van de Commissie ook geldt voor mengvoeders waarin geen melkpoeder is verwerkt;

#### De tweede en de derde vraag

11.

Overwegende dat in de tweede plaats wordt gevraagd of de in artikel 1, sub a, van verordening nr. 171/64 voorkomende zinsnede „voor elk van de drie soorten granen en tegen de daarvan… aangehouden hoeveelheden” aldus moet worden uitgelegd, dat a) een produkt slechts als een mengvoeder van graan kan worden beschouwd indien daarin daadwerkelijk graan is verwerkt, ofwel b) de uitdrukking „aangehouden hoeveelheid” fictief moet worden opgevat voor de berekening van de hoeveelheid graan waarop de restitutie is gebaseerd (zoals in artikel 4 van verordening nr. 166/64 met betrekking tot de heffingen);

dat de derde vraag, die nauw verband houdt met de voorgaande, luidt of het bij de eventuele toekenning van restitutie voor mengvoeder (verordening nr. 19, artikel 1, sub d, en bijlage; verordening nr. 166/64, artikel 1) gaat om de mate waarin het mengvoeder „produkten bevatte” waarop verordening nr. 19 van toepassing was, en of met name de bijmenging van 2 %. van een heffingplichtig produkt als tapiocameel volstond om hiermee een restitutie ten belope van 100 % heffingvrijdom voor importen van graan uit derde landen te verwerven;

dat deze vragen er in wezen op neerkomen of de uitvoerrestituties voor mengvoeder evenredig moeten zijn aan het gehalte aan produkten die onder verordening nr. 19 vallen, dan wel of voor de aanspraak op volledige restitutie elk gehalte — hoe klein ook (bij voorbeeld 2 %) — aan slechts één onder die verordening vallend produkt voldoende is;

12.

Overwegende dat volgens verzoekster in het hoofdgeding uit de verordening nrs. 166 en 171/64 volgt dat de volledige restitutie moet worden toegekend zodra een mengvoeder, ongeacht in welke hoeveelheid, een bestanddeel bevat waarop de gemeenschapsregeling van toepassing is;

dat deze opvatting wordt gedeeld door de Commissie, die van mening is dat de betrokken bepalingen een „modelberekening” zijn voor de vaststelling van het maximum restitutiebedrag, en niet een voorwaarde betreffende de werkelijke samenstelling van mengvoeders;

dat verweerster in het hoofdgeding weliswaar het forfaitaire en goeddeels fictieve karakter van de in de verordeningen nrs. 166 en 171/64 vastgestelde berekeningswijze erkent, doch niettemin betoogt dat die bepalingen geen toepassing mogen vinden bij misbruiken, zoals het aanvragen van restituties bij uitvoer voor mengvoeders die slechts een minieme hoeveelheid bevatten van een produkt dat onder de gemeenschapsregeling van de graansector valt;

13.

Overwegende dat de door de nationale rechter genoemde bepalingen der verordeningen, ofschoon zowel op zichzelf als in hun context beschouwd moeilijk te begrijpen, niettemin op bevredigende wijze kunnen worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van het stelsel der uitvoerrestituties, zoals die uit de considerans van verordening nr. 171/64 blijken;

dat immers volgens de eerste overweging van deze considerans de restituties tot doel hebben „het verschil tussen de prijzen binnen de uitvoerende Lid-Staat en de noteringen op de wereldmarkt te vereffenen”;

dat hieraan wordt toegevoegd dat „in het geval van mengvoeders dit verschil juist geschat kan worden aan de hand van dat wat geconstateerd wordt tussen de prijzen van de grondstoffen”, en dat daarom „de restitutie op deze produkten berekend moet worden op grond van die welke van toepassing is op hun samenstellende bestanddelen en volgens de wisselende verhoudingen vanwege hun afzonderlijke betekenis”;

dat uit deze overwegingen duidelijk blijkt dat de restitutie bij uitvoer naar derde landen de uitwerking van de voor de gebruikte bestanddelen geldende regeling op de mengvoederprijs moet compenseren;

14.

dat er mitsdien, zoals in de considerans van verordening nr. 171/64 uitdrukkelijk wordt gesteld, een zekere verhouding moet bestaan tussen de restitutie en de hoeveelheid van de onder een marktordening vallende grondstoffen die in het mengvoeder zijn verwerkt;

dat weliswaar niet valt te ontkomen aan het gebruik van forfaitaire berekeningsmethoden ter bepaling van het restitutiebedrag, doch dat toekenning van een restitutie niettemin steeds onderstelt dat het mengsel daadwerkelijk een niet te verwaarlozen hoeveelheid bevat van produkten waarop hetzij verordening nr. 19 (granen) hetzij verordening nr. 13/64 (zuivelprodukten) van toepassing is;

dat waar de verordeningen nrs. 166 en 171/64 geen nadere aanwijzingen bevatten omtrent de criteria waaraan moet worden getoetst of een uitgevoerd mengvoeder al dan niet recht geeft op toekenning van restitutie, het op de weg van de bevoegde nationale instanties ligt de feitelijke situatie te beoordelen om te verhinderen dat als gevolg van manipulaties van de producenten met de mengverhoudingen van veevoeders, restituties worden uitbetaald waarop geen aanspraak bestaat;

dat in elk geval een mengvoeder dat naast andere bestanddelen slechts een te verwaarlozen hoeveelheid van één enkel onder verordening nr. 19 vallend produkt bevat, stellig niet voor restitutie in aanmerking komt;

15. dat derhalve op de gestelde vragen moet worden geantwoord dat een restitutie bij de uitvoer van een mengvoeder, anders dan een voeder met een melkpoedergehalte van 50 of meer gewichtspercenten, ingevolge de verordeningen nrs. 166/64 van de Raad en 171/64 van de Commissie slechts kan worden toegekend indien het mengsel daadwerkelijk een niet te verwaarlozen hoeveelheid granen of andere produkten bevat waarop verordening nr. 19 van toepassing is;

#### De vierde vraag

16. Overwegende dat in de vierde plaats wordt gevraagd of de op grond van artikel 10 junctis artikel 4 en de bijlage, tabel A, van verordening nr. 166/64 naar gelang van het zetmeelgehalte van het mengvoeder toe te passen coëfficiënten met inachtneming van artikel 15 derzelfder verordening („de daadwerkelijk in de veevoeders verwerkte granen”) aldus moeten worden opgevat, dat het in het produkt voorkomende zetmeelgehalte dat de coëfficiënt bepaalt, moet voortkomen uit produkten waarop verordening 19 van toepassing was;

17.

Overwegende dat reeds uit het aan tariefpost 23.07 ontleende opschrift van tabel A („bereidingen die granen of produkten bevatten waarop verordening nr. 19 of verordening nr. 16/64/EEG van toepassing is”) volgt dat, onverminderd hetgeen in verband met de tweede en derde vraag is overwogen, het stelsel van uitvoerrestituties van toepassing is op alle produkten die in enigerlei verhouding granen of andere produkten bevatten die onder verordening nr. 19 vallen;

dat deze bepaling op de „bereidingen” als zodanig ziet, en niet alleen maar op sommige bestanddelen ervan;

dat de woorden „de daadwerkelijk daarin verwerkte granen”, door de verwijzende rechter ontleend aan artikel 15 van verordening nr. 166/64, gezien moeten worden in verband met de bijzondere functie van dit artikel, dat slechts bij verstoringen van de markt toepassing moest vinden;

dat de omstandigheid dat deze woorden in dit zeer bijzondere verband zijn gebruikt, bevestigt dat voor het overige de bepalingen van verordening nr. 166/64 en van haar bijlage van toepassing zijn zonder dat bij de bepaling van het zetmeelgehalte van een mengvoeder moet worden onderscheiden tussen de wel en de niet onder verordening nr. 19 vallende bestanddelen;

18. dat het antwoord derhalve dient te luiden dat met het oog op de toepassing van de coëfficiënten vermeld in de bijlage, tabel A, van verordening nr. 166/64, bij de vaststelling van het daar bedoelde zetmeelgehalte moet worden uitgegaan van het mengvoeder in zijn geheel en niet slechts van de onder verordening nr. 19 vallende bestanddelen;

#### De vijfde vraag

19. Overwegende dat in de vijfde plaats wordt gevraagd of de betrokken bepalingen van verordening nr. 166/64 niet ongeldig zijn voor zover daarin voor produkten van post 23.07 van het gemeenschappelijk douanetarief een forfaitaire restitutie wordt vastgesteld die zonder onderscheid van toepassing is, ongeacht of in de mengvoeders grote of kleine hoeveelheden heffingplichtige produkten zijn verwerkt (zoals het Hof van Justitie ten aanzien van een heffingregeling heeft beslist in zijn arrest van 9 maart 1976);

20. Overwegende dat uit de verwijzing van de nationale rechter naar 's Hofs arrest van 9 maart 1976 (zaak 95/75, Effem/Hauptzollamt Lüneburg, Jurispr. 1976, blz. 361) blijkt dat het Finanzgericht de geldigheid van verordening nr. 166/64 in twijfel trekt omdat deze, door bij de berekening van de uitvoerrestituties geen onderscheid te maken naar gelang de bestanddelen van een mengvoeder al dan niet onder communautaire langbouwregelingen vallen, aanleiding zou kunnen geven tot het toekennen van ongerechtvaardigde voordelen;

21.

Overwegende dat er tegenover deze twijfel op moet worden gewezen dat de Raad, gezien de bijzondere aard van het betrokken produkt en om de toepasbaarheid van de verordening te verzekeren, noodgedwongen gebruik moest maken van benaderende en forfaitaire toetsingsmethoden;

dat bovendien uit het antwoord op de tweede en derde vraag volgt dat de betrokken verordening alsmede verordening nr. 171/64 van de Commissie in geen geval zo ruim mogen worden toegepast, dat zij misbruiken van exporteurs, waartoe de forfaitaire beoordeling bij de berekening van de restitutie eventueel gelegenheid biedt, zouden dekken, zulks te meer omdat het destijds niet erom ging een volledige regeling te scheppen, doch slechts een kader waarbinnen de nationale instanties de markt van de betrokken produkten op eigen verantwoordelijkheid dienden te beheren;

22. dat zo gezien de geldigheid van verordening nr. 166/64 niet in twijfel kan worden getrokken;

##### Ten aanzien van de kosten

23.

Overwegende dat de kosten door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat het Hessische Finanzgericht over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede Kamer),

uitspraak doende op de door het Hessische Finanzgericht bij zijn beschikking van 1 december 1976 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Verordening nr. 171/64 van de Commissie van 30 oktober 1964 betreffende de wijze van toekenning van de restitutie bij uitvoer naar derde landen voor bepaalde soorten mengvoeders, geldt ook voor mengvoeders waarin geen melkpoeder is verwerkt.

2\. Een restitutie bij de uitvoer van een mengvoeder, anders dan een voeder met een melkpoedergehalte van 50 of meer gewichtspercenten, kan ingevolge verordening nr. 166/64 van de Raad van 30 oktober 1964, betreffende de regeling voor bepaalde soorten mengvoeders, en verordening nr. 171/64 van de Commissie slechts worden toegekend indien het mengsel daadwerkelijk een niet te verwaarlozen hoeveelheid granen of produkten bevat waarop verordening nr. 19 van de Raad van 4 april 1962, houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, van toepassing is.

3\. Met het oog op de toepassing van de coëfficiënten vermeld in de bijlage tabel A, van 's Raads verordening nr. 166/64, moet bij de vaststelling van het daar bedoelde zetmeelgehalte worden uitgegaan van het mengvoeder in zijn geheel en niet slechts van de onder verordening nr. 19 vallende bestanddelen.

4\. Bij onderzoek van de vijfde vraag is niet gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening nr. 166/64 van de Raad.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

6

verordening 171/64 art. 1 6 voorkomens

verordening 166/64 art. 1 5 voorkomens

verordening 166/64 art. 4 4 voorkomens

verordening 166/64 art. 10 3 voorkomens

verordening 166/64 art. 15 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

## Rechtspraak

4

### Europese Unie

4

Hof van Justitie C-251/16 22.11.2017

#### [Vrijstelling van leveringen van gebouwen en het erbij behorend terrein anders dan bedoeld in artikel 4, lid 3, onder a)](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-251-16-arrest)

Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer C-439/04 14.03.2006

#### [Aftrek van voorbelasting, 'Carrouselfraude'](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-439-04-conclusie)

Hof van Justitie C-255/02 21.02.2006

#### [Economische activiteit, leveringen van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest)
