Arrest
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 19 april 1988, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet de nodige maatregelen vast te stellen om het voor niet-belastingplichtigen die in deze Lid-Staat goederen invoeren waarover in andere Lid-Staten reeds belasting over de toegevoegde waarde (hierna: BTW) is geheven, en die daarvan geen terugbetaling hebben kunnen verkrijgen, mogelijk te maken het bedrag van de in de Lid-Staat van uitvoer betaalde en op het tijdstip van invoer nog in de waarde van de goederen begrepen BTW in mindering te brengen op de bij de invoer verschuldigde BTW.
De Commissie betoogt, dat de Italiaanse Republiek, door geen regels vast te stellen waarin dit recht op aftrek overeenkomstig de rechtspraak van het Hof aan niet-belastingplichtigen wordt verleend een onduidelijke feitelijke situatie creëert, die indruist tegen het rechtszekerheidsbeginsel en kan leiden tot een dubbele heffing welke onverenigbaar is met het verbod op fiscale discriminatie — een rechtstreeks toepasselijk beginsel dat is verankerd in artikel 95 EEG-Verdrag in de uitlegging die het Hof daaraan heeeft gegeven —, voor zover over de levering van soortgelijke produkten door niet-belastingplichtigen binnen Italië geen BTW behoeft te worden betaald.
De Italiaanse Republiek stelt, dat het beginsel van het verbod op dubbele heffingen op zichzelf niet volstaat om alle belastingtechnische problemen op dit gebied op te lossen en dat het voorstel voor een Zestiende richtlijn van de Raad tot invoering van een gemeenschappelijke regeling voor bepaalde definitief aan de BTW onderworpen goederen welke door een eindverbruiker van een Lid-Staat vanuit een andere Lid-Staat worden ingevoerd (PB 1986, C 96, blz. 5) snel moet worden aangenomen, om de toepassing van uniforme procedures en uitvoeringsbepalingen mogelijk te maken. Bovendien zou de voor de Europese burgers bestaande situatie van onzekerheid over de omvang van hun rechten zijn te wijten aan de gemeenschapsregeling en niet aan de Italiaanse Republiek kunnen worden verweten.
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat artikel 95 EEG-Verdrag volgens vaste rechtspraak van het Hof een verbod op fiscale discriminatie van ingevoerde produkten behelst. Dit verbod heeft rechtstreekse werking en schept voor particulieren rechten die door de nationale rechterlijke instanties moeten worden gehandhaafd (zie met name het arrest van 5 mei 1982, zaak 15/81, Schul I, Jurispr. 1982, blz. 1409, r. o. 46).
Eveneens volgens vaste rechtspraak (zie de arresten van 21 mei 1985, zaak 47/84, Schul II, Jurispr. 1985, blz. 1491, en 25 februari 1988, zaak 299/86, Drexl, Jurispr. 1988, blz. 1213) moet artikel 95 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat bij de berekening van de BTW die door een Lid-Staat wordt geheven bij de invoer vanuit een andere Lid-Staat van een door een niet-belastingplichtige geleverd goed, terwijl deze belasting niet wordt geheven ter zake van de levering door een particulier van gelijksoortige goederen binnen de Lid-Staat van invoer, rekening moet worden gehouden met het bedrag van de in de Lid-Staat van uitvoer betaalde BTW, dat op het tijdstip van invoer nog in de waarde van het goed is begrepen, in dier voege dat dit bedrag niet wordt opgenomen in de maatstaf van heffing en bovendien in mindering wordt gebracht op de bij de invoer verschuldigde BTW.
Hieruit volgt, dat, anders dan de Italiaanse Republiek betoogt, de relevante gemeenschapsbepalingen de Europese burgers niet in de onzekerheid laten over de omvang van hun rechten ten aanzien van het verbod van fiscale discriminatie van ingevoerde produkten.
Vaststaat overigens, dat de betrokken nationale bepalingen voorzien in heffing van BTW bij invoer door niet-belastingplichtigen van reeds in de Lid-Staat van uitvoer met BTW belaste goederen, zonder de belanghebbenden de mogelijkheid te bieden het restant aan BTW in mindering te brengen op de bij invoer geheven BTW, terwijl de levering van soortgelijke goederen door niet-belastingplichtigen binnen Italië niet aan BTW is onderworpen.
Dergelijke bepalingen zijn onverenigbaar met het verbod op fiscale discriminatie van ingevoerde produkten, daar zij, niettegenstaande de rechtstreekse werking van artikel 95 EEG-Verdrag, de niet-belastingplichtige importeurs in onzekerheid laten over hun recht om zich op dit artikel te beroepen, en zij de met de heffing van de BTW belaste nationale ambtenaren ertoe kunnen brengen het beginsel van aftrek van het restant aan BTW niet toe te passen.
De omstandigheid dat de justitiabelen zich voor de nationale rechter op de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van het Verdrag kunnen beroepen, is immers slechts een minimumwaarborg die op zichzelf niet volstaat om de volledige toepassing van het Verdrag te verzekeren (zie het arrest van 15 oktober 1986, zaak 168/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 2945, r. o. 11).
Bovendien vereisen de beginselen van rechtszekerheid en rechtsbescherming met betrekking tot de materies die aan het gemeenschapsrecht zijn onderworpen, een ondubbelzinnige regeling van de Lid-Staten, die de belanghebbenden op duidelijke en nauwkeurige wijze in kennis stelt van hun rechten en plichten en de nationale rechter in staat stelt, deze te handhaven (zie arrest van 21 juni 1988, zaak 257/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1988, blz. 3249).
Het verweermiddel dat de Italiaanse Republiek aan het ontbreken van een gemeenschappelijk BTW-stelsel voor de betrokken invoerhandelingen ontleent, moet worden verworpen.
Het volstaat in dit verband eraan te herinneren, dat het weliswaar aan de gemeenschapswetgever staat een gemeenschappelijk BTW-stelsel voor deze handelingen tot stand te brengen, maar dat zolang een dergelijk stelsel niet is ingevoerd, artikel 95 EEG-Verdrag zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat van invoer zijn BTW-stelsel op ingevoerde produkten toepast op een wijze die in strijd is met het verbod op fiscale discriminatie (zie het reeds genoemde arrest Schul I).
De tenuitvoerlegging van de in artikel 99 EEG-Verdrag bedoelde harmonisatie van de belastingwetgevingen kan immers geen voorafgaande voorwaarde zijn voor de toepassing van artikel 95, dat de Lid-Staten ertoe verplicht om met onmiddellijke ingang en vóór iedere harmonisatie hun belastingwetgevingen op niet-discriminerende wijze toe te passen (zie het arrest van 27 februari 1980, zaak 171/78, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1980, blz. 447).
Hieruit volgt, dat de argumenten van de Italiaanse Republiek niet kunnen worden aanvaard.
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet de nodige maatregelen vast te stellen om het voor niet-belastingplichtigen die in Italië goederen invoeren waarover in een andere Lid-Staat reeds BTW is geheven, en die daarvan geen terugbetaling hebben kunnen verkrijgen, mogelijk te maken het bedrag van de in de Lid-Staat van uitvoer betaalde en op het moment van invoer nog in de waarde van de goederen begrepen BTW in mindering te brengen op de bij invoer verschuldigde BTW, wanneer de levering van gelijksoortige goederen door niet-belastingplichtigen binnen Italië niet aan BTW is onderworpen.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) De Italiaanse Republiek is de krachtens artikel 95 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door niet de nodige maatregelen vast te stellen om het voor niet-belastingplichtigen die in Italië goederen invoeren waarover in een andere Lid-Staat reeds BTW is geheven, en die daarvan geen terugbetaling hebben kunnen verkrijgen, mogelijk te maken het bedrag van de in de Lid-Staat van uitvoer betaalde en op het moment van invoer nog in de waarde van de goederen begrepen BTW in mindering te brengen op de bij invoer verschuldigde BTW, wanneer de levering van gelijksoortige goederen door niet-belastingplichtigen binnen Italië niet aan BTW is onderworpen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
9Rechtspraak
2Europese Unie
2Conclusie van advocaat-generaal LenzC-276/9117.02.1993