---
title: "HvJ EU, 114/81, Tunnel Refineries Limited, arrest van 30 september 1982 · EEG-Verdrag art. 173 en art. 176"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 september 1982, 114/81, Tunnel Refineries Limited: EEG-Verdrag art. 173 en art. 176."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-114-81-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-114-81-arret"
---

# Arrest van het Hof van 30 september 1982, 114/81, Tunnel Refineries Limited · EEG-Verdrag art. 173 en art. 176

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Tweede kamer

**Zaak**

114/81

**ECLI**

ECLI:EU:C:1982:324

**Datum**

30 september 1982

## De zaak

**Procedure**

Beroep tot nietigverklaring ongegrond

**Zaak ingediend op**

11 mei 1981

**Advocaat-generaal**

Reischl

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1982, blz. 3189

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Grévisse

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Handelingen van de instellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20)

  - [Motivering](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.05) 48 beslissingen
  - [Toepassing ratione temporis](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-20.06) 19 beslissingen

## Tekst

62 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusion, middelen en argumenten van partijen, kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en procesverloop

##### A — Voorgeschiedenis

1. Bij wege van prejudiciële beslissing heeft het Hof van Justitie in het arrest, op 25 oktober 1978 gewezen in de gevoegde zaken 103/77 en 145/77 *(Royal Scholten-Honig (Holdings) Ltd.* t *Intervention Board for Agricultural Produce; Tunnel Refineries Ltd.* t *Intervention Board for Agricultural Produce* (Jurispr. 1978, biz. 2037)), uitgesproken dat 's Raads verordening nr. *IH I/77* van 17 mei 1977 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose, niet rechtsgeldig is, voor zover in de artikelen 8 en 9 dier verordening voor het tijdvak overeenkomende met het suikerverkoopseizoen 1977/1978 een produktieheffing voor isoglucose van vijf rekeneenheden per 100 kg droge stof was opgelegd. Het Hof heeft het bij genoemde artikelen ingevoerde stelsel strijdig verklaard met het algemeen gelijkheidsbeginsel (zoals dat in casu tussen suiker- en isoglucoseproducenten tot gelding moest komen), met dien verstande evenwel dat de Raad bevoegd bleef alle nuttige, met het gemeenschapsrecht verenigbare maatregelen te nemen, ter verzekering van de goede werking van de zoetmiddelenmarkt.

2. In dat arrest vond de Raad op 25 juli 1979 aanleiding om, op grondslag van een desbetreffend ontwerp der Commissie, zijn wijzigingsverordening nr. 1293/79 (PB L 162, biz. 10, gerectificeerd in PB L 176, biz. 37, bijlage) vast te stellen, die krachtens haar artikel 5 op 1 juli 1979 in werking is getreden.

3.

Bij verordening nr. 1293/79 is verordening nr. 1111/77 met inaanmerkingneming van 's Hofs arrest van 25 oktober 1978 gewijzigd. Op grond van de overweging „dat de meest geschikte methode ter voorkoming van de ongelijke behandeling is dat de produktie voor isoglucose wordt onderworpen aan voorschriften die soortgelijke verplichtingen inhouden als die voor de produktie van suiker tot 30 juni 1980 golden”, is bij verordening nr. 1293/79, bij wege van tijdelijke maatregel, tot aan die datum een quotaregeling voor de isoglucoseproduktie ingevoerd (vgl. zesde overweging van de considerans). De toewijzingsmodaliteiten en de wijze van vaststelling der quota zijn in de zevende overweging besproken. In de achtste overweging komt de noodzaak ter sprake van vaststelling van een bijzonder produktieheffingsbedrag voor isoglucose.

Deze verschillende overwegingen vonden hun neerslag in artikel 3 der verordening waarbij, na artikel 7 van verordening nr. 1111/77, een titel II, „Quotaregeling”, is opgenomen.

Bij artikel 4 der verordening is aan verordening nr. 1111/77 een bijlage II toegevoegd, luidende als volgt:

„BIJLAGE II”

OndernemingPlaats van vestigingBasisquota in tonnen (droge stof)Maizena GmbH

D-2000 Hamburg 1,

Postfach 1000

28000Amylum NV

Opzichterstraat,

B-1020 Brussel

56667SA Roquette Frères

17, boulevard Vauban,

F-59000 Lille

15887SPAD

15063 Cassano Spinola,

I-Alessandria,

Casella postale 1

5863Fabbriche riunite Amido glucosio

Piazza Erculea 9, destrina, SpA

I-Milano

10706Tunnel Refineries Ltd.

Thames Bank House,

Greenwich,

UK-London SE 10 OPA

21696

4. Bij arresten, op 29 oktober 1980 onderscheidenlijk gewezen in de zaken 138/79, *Roquette* t. *Raad* (Jurispr. 1980, blz. 3333) en 139/79, *Maizena t.Raad* (Jurispr. 1980, blz. 3393) heeft het Hof verordening nr. 1293/79 wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften nietig verklaard: de verordening was op 25 juni 1979 vastgesteld zonder dat het Parlement zich, in voege als in artikel 43 van dat Verdrag bedoeld, over het hem op 19 maart 1979 voorgelegde voorstel had kunnen uitspreken. Evenwel heeft het Hof alle middelen, ten principale tegen de bij die verordening ingevoerde produktiequotaregeling aangevoerd, en wel in het bijzonder de middelen die in beide zaken tegen de vaststelling der basisquota waren gericht, verworpen.

5. Tijdens de behandeling van de zaken 138/79 en 139/79 stelde de Raad zijn verordening nr. 1592/80 van 24 juni 1980 (PB L 160, blz. 12) vast, waarbij de regeling inzake de produktiequota voor isoglucose, besloten liggende in artikel 9 van verordening nr. 1111/77 (zoals bij verordening nr. 1293/79 gewijzigd), op de periode 1 juli 1980 tot en met 30 juni 1981 van toepassing werd verklaard.

6. Bij op 21 augustus 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift heeft de vennootschap naar Frans recht Roquette Frères, die in haar fabriek te Lestrem (Pas de Calais) onder meer isoglucose vervaardigt, het Hof verzocht te haren aanzien artikel 2 en bijlage II van 's Raads verordening nr. 1592/80 van 24 juni 1980, houdende toepassing van de regelingen inzake de produktiequota in de sectoren suiker en isoglucose voor de periode van 1 juli 1980 tot en met 30 juni 1981, niet rechtsgeldig te verklaren.

7. Die bepalingen vormden ook de inzet van het beroep dat op 5 augustus 1980 door de vennootschap naar Duits recht Maizena werd ingesteld.

8. De zaken zijn onder nrs. 179/80 (Roquette t. Raad) en 176/80 (Maizena t. Raad) op 's Hofs rol gebracht.

9.

Op 10 januari 1981, tijdens de behandeling van de zaken 176 en 179/80, heeft de Raad, gezien het advies van het Europees Parlement d.d. 9 februari 1981, de beide navolgende verordeningen vastgesteld:

a)*Verordening nr. 387/81,* (PB L 44, biz. 1) houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 1111/77 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose — waarbij, met verwijzing naar de bepalingen van verordening nr. 1111/77, met name de regeling inzake de produktiequota met terugwerkende kracht tot 1 juli 1979 wederom is ingevoerd;

b)*Verordening nr. 388/81* (PB L 44, biz. 4) tot wijziging van verordening nr. 1592/80, welke verordening blijkens de tweede overweging van zijn considerans is vastgesteld teneinde alle onzekerheid omtrent de wettigheid van verordening nr. 1592/80 weg te nemen. Artikel 1 van verordening nr. 388/81 brengt wijziging in artikel 2 van verordening nr. 1592/80, waarin naar artikel 9 van verordening nr. 1111/77 is verwezen. Deze nieuwe redactie is bedoeld om de regeling inzake de produktiequota voor isoglucose ook voor het verkoopseizoen 1980/1981 te doen gelden; volgens haar artikel 2 is verordening nr. 388/81 vanaf 1 juli 1980 van toepassing.

10. Bij beschikking van 2 april 1981 heeft het Hof akte genomen van de in zaak 176/80 door de vennootschap Maizena gedane verklaring dat zij haar vordering laat varen, en de zaak op de rol doen doorhalen.

11. Zaak 179/80 is nog aanhangig.

##### B — Procesverloop

1. Bij op 11 mei 1981 ter griffie ingeschreven verzoekschrift heeft de vennootschap *Tunnel Refineries* het Hof verzocht 's Raads verordening nr. 387/81 nietig te verklaren.

2. Bij op 2 juli 1981 ingediend verweerschrift heeft de *Raad* verklaard het beroep ongegrond te achten.

3. Verzoekster heeft op 11 september 1981 haar conclusie van repliek ter griffie gedeponeerd.

4.

Bij op 29 juli 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift heeft de *Commissie* het Hof verzocht aan de zijde van de Raad tot interventie te worden toegelaten.

Bij beschikking d.d. 30 september 1981 heeft het Hof, de advocaatgeneraal gehoord, de Commissie tot interventie toegelaten.

Bij op 17 november 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven memorie in interventie heeft de Commissie verklaard het standpunt van de Raad gegrond te achten.

5. De Raad van de Europese Gemeenschappen heeft zijn conclusie van dupliek op 16 oktober 1981 ter griffie gedeponeerd.

6. Verzoeker heeft op 14 januari 1982 de opmerkingen waartoe de memorie van interveniente hem aanleiding gaf, ter griffie gedeponeerd.

7. Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaatgeneraal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

8. Bij beschikking van 24 maart 1982 heeft het Hof, de advocaatgeneraal gehoord, overeenkomstig artikel 95, lid 1 en lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de zaak naar de Tweede kamer verwezen.

#### II — Conclusie van partijen

1.

Bij introductief rekest heeft de vennootschap naar Brits recht *Tunnel Refineries Limited* geconcludeerd dat het den Hove behage :

—verordening nr. 387/81 nietig te verklaren;

—subsidiair: artikel 1, lid 3 en lid 4, van verordening nr. 387/81 nietig te verklaren,

—in ieder geval: verweerder in de kosten te verwijzen.

2.

In zijn verweerschrift heeft de *Raad van de Europese Gemeenschappen:*

—het Hof verzocht verzoekers beroep tot nietigverklaring ongegrond te verklaren met verwijzing van verzoekster in de kosten.

3.

Bij memorie in interventie heeft de *Commissie* de conclusies van de Raad, strekkende tot:

—verwerping van het beroep tot nietigverklaring;

—verwijzing van verzoekster in de kosten,

ondersteund.

4. In haar conclusie van repliek heeft *verzoekster* bij haar vordering gepersisteerd.

5. In zijn conclusie van repliek heeft de *Raad van de Europese Gemeenschappen* bij de conclusies van zijn verweerschrift volhard.

6. In haar opmerkingen naar aanleiding van de memorie van interveniente, heeft *verzoekster* bij haar vordering volhard.

#### III — Middelen en argumenten van partijen

##### Eerste middel: schending van het algemeen beginsel volgens hetwelk wetten niet mogen terugwerken

1.

De vennootschap *Tunnel Refineries Limited* meent dat in 's Hofs jurisprudentie ten duidelijkste besloten ligt dat normatieve maatregelen met terugwerkende kracht zich in beginsel niet met het gemeenschapsrecht verdragen en dat hun retroactiviteit, ook bij gebleken noodzaak, slechts in zeer beperkte mate kan worden erkend.

a) Verzoekster meent dat het Hof zich nimmer had uit te spreken over de vraag of „echte” retroactiviteit geoorloofd is; uit 's Hofs uitspraken betreffende de dag van inwerkingtreding der verordeningen zou men evenwel enerzijds kunnen afleiden dat het Hof te dezen heeft gestreefd naar een afbakening in die zin dat er van retroactiviteit geen sprake zou zijn wanneer de wet onmiddellijk wordt toegepast op een tevoren ontstane, maar nog niet geheel vastliggende situatie, en anderzijds dat het Hof van het toekennen van terugwerkende kracht aan handelingen van de Gemeenschap slechts heeft willen weten wanneer er van een met de bescherming van een algemeen communautair belang samenhangende gebiedende noodzaak kon worden gesproken. In ieder geval gaat het in zulke arresten, gewezen in zaken betreffende de toepassing, ratione temporis, van economische maatregelen (compenserende bedragen, nationale vrijwaringsmaatregelen, genomen om aan monetaire gebeurlijkheden het hoofd te bieden...) om een terugwerkende kracht van zeer korte duur (enkele dagen) waaraan in den regel vanwege de eigen aard der betrokken voorzieningen (monetaire maatregelen) niet viel te ontkomen, en voorts om gevallen die zich in het geheel niet lenen voor vergelijking met de onderhavige casuspositie, waarin de terugwerking zich over een aantal jaren uitstrekt.

Verzoekster beroept zich in haar conclusie te dezen op de arresten, door het Hof gewezen in de zaken 42 en 49/59 (Jurispr. 1961, blz. 103) 88/76 (Jurispr 1977, blz. 709) en 98/76 (JMspr. 1979, blz. 69), ten betoge dat het Hof de retroactiviteit gemeenschapsrechtelijk in beginsel verboden acht, wanneer zij ten koste gaat van de beginselen van rechtszekerheid en legaliteit. Van zulk een schending zou in casu sprake zijn: de Raad wil een door het Hof onrechtmatig bevonden besluit met terugwerkende kracht laten herleven.

b) Verzoekster betoogt dat de Raad zich in casu geen moeite heeft getroost te bewijzen dat aan de bestreden verordening terugwerkende kracht moest toekomen.

Verzoekster begrijpt het betoog van de Raad en van de interveniente in die zin dat er volgens hen onder twee voorwaarden terugwerkende kracht aan een wettelijke regeling mag worden toegekend: enerzijds dient het gewettigd vertrouwen van betrokkenen te zijn geëerbiedigd; anderzijds dienen „hogere” overwegingen van algemeen belang om bescherming te vragen.

—Verzoekster meent dat de wederpartij er met haar stelling dat er in casu van een te beschermen gewettigd vertrouwen geen sprake zou zijn, omdat het begrip gewettigd vertrouwen toepassing zou missen, helemaal naast is. Door eerbiediging van het gewettigd vertrouwen te verlangen, beperkt het Hof het domein van de wetgever ter bescherming van particulieren tegen de toekomstige gevolgen van een wettelijke regeling welke, indien onmiddellijk toegepast, die particulieren zou beschamen in hun verwachting de tevoren bestaande rechtsregeling niet onverhoeds te zien gewijzigd. Verzoekster meent dan ook dat in het beginsel van het gewettigd vertrouwen alleen maar toepassing wordt gegeven aan het algemene beginsel volgens hetwelk de wet slechts de toekomstige gevolgen van in het verleden gelegen handelingen kan regeren. Reeds naar hun aard verdragen gewettigd vertrouwen en retroactiviteit elkander niet.

Het beginsel van het gewettigd vertrouwen kan, naar zijn aard, een ab initio onrechtmatige wettekst niet rechtmatig maken; het algemeen gemeenschapsrechtelijk verbod van terugwerkende kracht staat daaraan in de weg. Verzoekster concludeert dat het beginsel van het gewettigd vertrouwen „met retroactieve wetgeving in het geheel niets uitstaande heeft”.

In haar beantwoording van de argumenten der Commissie erkent verzoekster dat er, wat haar betreft, niet van een gewettigd vertrouwen op terugbetaling der krachtens verordening nr. 1293/79 betaalde heffingen kon worden gesproken. Daarentegen meent zij na nietigverklaring van die verordening bij de arresten, door het Hof in de zaken 138 en 139/79 gewezen, niet een gewettigd vertrouwen, doch een aanspraak te hebben op terugbetaling van de krachtens die onrechtmatige voorschriften betaalde heffing, en om diezelfde reden behoefde zij er geen genoegen mee te nemen dat haar de door het Hof nietig verklaarde regeling wederom werd opgelegd.

—Het aan hogere overwegingen van algemeen belang ontleende argument acht verzoekster ongegrond: het toekennen van terugwerkende kracht aan verordening nr. 387/81 is volgens verzoekster alleen maar bedoeld om de isoglucoseheffing voor het verkoopseizoen 1979/1980 te kunnen innen. Waar de heffing was nietigverklaard bij de arresten die het Hof in de zaken 138 en 139/79 heeft gewezen, heeft men met een wederinvoering van die heffing te maken. Daarvan kan evenwel geen sprake zijn, nu het met invoering der heffing beoogde doel tot een beperking van de isoglucoseproduktie te komen, kennelijk werd bereikt, daargelaten dat wederinvoering der heffing de eenmaal bereikte produktieomvang onberoerd laat.

Verzoekster bestrijdt vervolgens het door Raad en Commissie voorgedragen argument dat terugbetaling der heffing de isoglucosefabrikanten een onverwacht en onverschuldigd geldelijk voordeel zou bezorgen. Zij wijst erop dat de nietigverklaring van verordening nr. 387/81, evenals de eraan voorafgaande nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, de isoglucosefabrikanten maar één voordeel verschaft: zij hebben zich niet langer naar een onrechtmatige regeling te gedragen. Zulk een voordeel levert volgens verzoekster geen argument op om een onrechtmatige regeling niet nietig te verklaren. Het argument van de Commissie, die zich op het standpunt stelt dat er van terugbetaling der heffing alleen sprake kan zijn wanneer betrokkene bewijst nadeel te hebben geleden, faalt. Het in 's Hofs jurisprudentie uitgewerkte gemeenschapsrecht verwijst te dezen naar het nationale recht. Alleen het Italiaanse en het Deense recht stellen een voorwaarde als door de Commissie wordt bepleit. Naar Brits recht en volgens de andere rechtssystemen is degene die, anders dan door een gift, op rechtens ongerechtvaardigde wijze werd bevoordeeld, tot restitutie verplicht. Verzoekster meent evenwel dat in casu de Gemeenschap en niet de ondernemers op ongerechtvaardigde wijze werd verrijkt door de opbrengst van een heffing die krachtens onrechtmatig bevonden bepalingen is betaald, aan zich te houden.

Tenslotte betwist verzoekster dat de door de suikerproducenten beweerdelijk ondervonden discriminatie bij terugbetaling van de litigieuze heffing, wederinvoering der isoglucoseheffing met terugwerkende kracht vermag te rechtvaardigen. De Gemeenschap heeft allereerst het legaliteitsbeginsel te eerbiedigen en mag illegaal bevonden voorschriften niet handhaven omdat intrekking ervan een anderszins onrechtmatige toestand zou doen ontstaan.

Op grond van een en ander concludeert verzoekster dat de Raad niet geslaagd is in het bewijs dat de aan verordening nr. 387/81 toegekende terugwerkende kracht zijn rechtvaardiging vindt in de gebiedende noodzaak het openbaar belang te beschermen.

c) De door de Raad gewilde terugwerkende kracht is in casu bovendien in tweeërlei opzicht met het gemeenschapsrecht in strijd, omdat zij miskenning inhoudt van het arrest van het Hof van Justitie en niet-nakoming van de verdragsverplichting tot raadpleging van het Parlement.

In de zaken 138 en 139/79 heeft het Hof zich er weloverwogen van onthouden gebruik te maken van de mogelijkheid om, krachtens artikel 174, lid 2, van het Verdrag, de gevolgen van nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, ratione temporis, af te bakenen, ofschoon dit het Hof door de Commissie en, in zijn conclusie, door de advocaatgeneraal in overweging was gegeven. De slotsom moet zijn dat het Hof aan verordening nr. 1293/79 „ab initio” nietigheid heeft toegedacht.

Verzoekster constateert dat de Raad onderscheid maakt tussen de gevolgen toekomende aan nietigverklaring om met de procedure verband houdende redenen en die welke aan een nietigverklaring ten principale zijn verbonden. Zulk een onderscheid wordt volgens verzoekster in artikel 173 van het EEG-Verdrag in het geheel niet gemaakt en niet wettigt haars inziens de conclusie dat de gevolgen waartoe nietigverklaring moet leiden, worden bepaald door de reden waarom tot nietigverklaring werd overgegaan. De nietigheidsgrond blijft rechtens zonder gevolgen en het gaat niet aan te stellen dat nietigverklaring om formele redenen de auteur van de nietigverklaarde handeling bevoegd maakt de gewraakte maatregelen alsnog met terugwerkende kracht te nemen.

Door in verordening nr. 387/81 bepalingen vast te stellen die identiek zijn aan de inhoud der nietigverklaarde verordening — en ze te doen terugwerken — heeft de Raad dus het hoofd willen bieden aan de gevolgen waartoe nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 zou leiden. Door zulk een handelwijze wordt niet alleen de bindende aard van de voorgeschreven raadpleging van het Parlement geïgnoreerd; het wordt ook aan betrokkenen onmogelijk gemaakt de hun ter bestrijding van de retroactieve handeling opengestelde rechtsweg te bewandelen, i.e. beroep wegens feitelijke schending van een wezenlijk vormvoorschrift in te stellen. Dit is te ernstiger, nu het Europees Parlement niet krachtens artikel 173 van het Verdrag in het geweer kan komen, zodat er geen enkel middel is om de voorgeschreven raadpleging door het Hof te doen afdwingen. De gemeenschapswetgever zou dus ongestraft de aan zijn wetgeving gestelde formele condities kunnen ignoreren.

In casu kan niet worden ontkend dat het Parlement in formele zin werd geraadpleegd. Maar toen de Raad aan verordening nr. 387/81 terugwerkende kracht verleende, heeft de Raad aan het feit dat een behoorlijke raadpleging van het Parlement bij vaststelling van verordening nr. 1293/79 achterwege was gebleven, willen ontkomen en aldus niettemin de verplichting tot raadpleging geschonden. Wil er worden gesproken van een werkelijke raadpleging die zich met de democratische gang van zaken verdraagt, dan dient zij vooraf te gaan aan de inwerkingtreding van de wettelijke regeling waarover het Parlement zijn advies heeft uit te brengen. Door in casu de retroactiviteit te aanvaarden, zou de verplichting tot raadpleging worden gereduceerd tot een zinledige formaliteit, welke de Raad feitelijk, zo niet rechtens, naast zich neer zou kunnen leggen.

2.

De *Raad van de Europese Gemeenschappen,* verweerder, is van oordeel dat uit 's Hofs jurisprudentie, en wel met name uit rechtsoverweging nr. 20 van het arrest 98/78 (Jurispr. 1979, blz. 69), ten duidelijkste blijkt dat de terugwerkende kracht van communautaire handelingen in beginsel geenszins is uitgesloten. Het Hof heeft evenwel gemeend, wat de terugwerkende kracht van communautaire handelingen betreft, rechtscontrole te moeten uitoefenen en wel zulks:

—enerzijds ter verzekering dat het gewettigd vertrouwen van betrokkenen, indien bestaande, niet wordt beschaamd;

—anderzijds om te kunnen nagaan of de verwezenlijking van het doel der betrokken wettelijke regeling of een dwingend algemeen belang om retroactiviteit vraagt.

De Raad meent dat die voorwaarden in casu zijn nageleefd.

a) Er kan, wat de voorwaarden voor nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 en de constante gedragslijn der communautaire instellingen betreft, niet van een gewettigd vertrouwen van betrokkenen worden gesproken.

Sedert 17 mei 1977 (dag van inwerkingtreding van verordening nr. 1111/77) waren de isoglucoseproducenten op de hoogte van het bij de Gemeenschap levende voornemen om ten aanzien van isoglucose restrictieve maatregelen te nemen. Dit voornemen heeft nadien ten duidelijkste bevestiging gevonden in de legislatieve activiteiten (verordeningen nrs. 1111/77, 1293/79, 1592/80, 387 en 388/81) en in de gedragslijn van de instellingen der Gemeenschap. Van een gewettigd vertrouwen der isoglucoseproducenten dat de isoglucoseregeling van de baan zou zijn, kon dus alleen maar sprake zijn wanneer het Hof het te dezen gevoerde beleid principieel had veroordeeld. In het arrest waarbij verordening nr. 1111/77 niet rechtsgeldig werd verklaard, is echter alleen de wijze van berekening der produktieheffing, doch niet het principe dier heffing veroordeeld. In dit redeverband was het dus juridisch denkbaar dat de Raad met terugwerkende kracht tot wijziging van verordening nr. 1111/77 zou overgaan. Kennelijk hebben beleidsoverwegingen de Raad aanleiding gegeven van zulk een oplossing af te zien en verordening nr. 1293/79 vast te stellen, die in het arrest, door het Hof gewezen in de gevoegde zaken 138 en 139/80, ten principale duidelijk met het gemeenschapsrecht in overeenstemming is bevonden. Weliswaar heeft het Hof verordening nr. 1293/79 wegens schending van wezenlijke, vormvoorschriften vernietigd, doch tevens alle middelen door verzoeksters ten principale aangevoerd tegen het beginsel van een heffing over de produktie van isoglucose, verworpen. Waar het beleid van de Raad aldus, in zijn opzet en uitwerking telkens weer rechtsgeldig werd bevonden, mocht de Raad voor het verkoopseizoen 1979/1980 met terugwerkende kracht tot wederinvoering van de omstreden heffing overgaan.

De Raad meent dat de omstreden handelingen van „gemengde” aard zijn in die zin dat er zowel regelen van algemene strekking (omschrijving van de abstracte criteria voor de ordening der produktie en de toewijzing der quota) als individuele bepalingen in voorkomen, die kunnen worden aangemerkt als beschikkingen (bepalingen waarbij aan de onderscheiden ondernemers van de Gemeenschap produktiequota worden toegekend).

In de „gemengde” aard van de omstreden verordeningen is de verklaring te vinden voor het feit dat het Hof de gevolgen, ratione temporis, van de nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften niet heeft willen beperken. Naar luid van artikel 174 van het EEGVerdrag is dat alleen maar bij puur normatieve handelingen mogelijk. De bepaling bood het Hof dus niet de mogelijkheid zijn instemming met de handhaving van verordening nr. 1293/79 tot uitdrukking te brengen. Maar het enkele feit dat het Hof alle grieven, door verzoeksters in de zaken 138 en 139/80 ten gronde aangevoerd heeft verworpen, rechtvaardigt de bij de Raad levende overtuiging dat zijn beleid als zodanig niet verwerpelijk was en dat er in beginsel sedert het verkoopseizoen 1979/1980 heffingen mochten worden toegepast. Er zij in dit verband aan herinnerd dat het Hof in zijn arrest 101/78 (Jurispr. 1971, blz. 623) het beginsel heeft ontwikkeld dat verordeningen dienen te worden toegepast zolang het Hof zich niet heeft uitgesproken over hun rechtmatigheid (artikel 173 van dat Verdrag) of rechtsgeldigheid (artikel 177). Daaruit blijkt wel dat verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 tot aan de uitspraak van 's Hofs arrest in oktober 1980, de er aan toegedachte rechtsgevolgen, ook wat de heffing betreft, behoorden te sorteren.

De Raad is dan ook van mening dat er feitelijk noch rechtens van een voor bescherming in aanmerking komend gewettigd vertrouwen kon worden gesproken. In zijn arrest in de zaken 138 en 139/80 heeft het Hof niet slechts alle ten principale tegen de maatregelen van de Raad ingebrachte grieven verworpen, doch ook overwogen dat die maatregelen voor het verkoopseizoen 1979/1980 ten volle gerechtvaardigd waren en de Raad uitgenodigd voor de isoglucosesector passende maatregelen te treffen. Volgens de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat hij zijn verplichting tot uitvoering van 's Hofs arrest — in de zin van artikel 176 van het EEG-Verdrag — niet is nagekomen.

De Raad is van mening dat men bij uitlegging van de verplichtingen die uit een tot nietigverklaring strekkend arrest voortvloeien, verband dient te leggen met de reden waarom tot nietigverklaring werd overgegaan. In casu was de Raad, naar luid van het arrest tot nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, gehouden het recht van het Parlement om te dezen te worden gehoord, te eerbiedigen. Het Parlement heeft in zijn resolutie van 9 februari 1981 naar aanleiding van het voorstel van de Commissie van 20 december 1980 gunstig geadviseerd. Dat dit advies de dag voor vaststelling, door de Raad, van verordeningen nrs. 387 en 388/81 (10 februari 1981) werd uitgebracht, is geen reden om de rechtsgeldigheid van de consultatie in twijfel te trekken, zoals verzoekster wil. Gezien de snelheid van de berichtgeving tussen de instellingen der Gemeenschap, mocht de Raad met het advies van het Parlement ten volle rekening houden, vooral omdat het niet tot wijzigingen van het bestaande voorstel leidde.

De Raad heeft zijn in artikel 176 van het EEG-Verdrag omschreven plicht dus wel degelijk nageleefd en het gaat niet aan de Raad schending te verwijten van een „gewettigd” vertrouwen, waarvan te minder kon worden gesproken nu betrokkenen als verstandige ondernemers die van het communautaire beleid in de isoglucosesector ten volle op de hoogte waren, in juridische en in feitelijke zin kennis droegen van de ondubbelzinnige bedoeling van de instellingen hun op reglementering van de betrokken sector gerichte beleid voort te zetten. Het standpunt van de wetgever zou met name ten duidelijkste bevestiging hebben gevonden in de bekendmaking d.d. 20 december 1980 (PB C 334, blz. 2) van het voorstel, waarin de Commissie aan het arrest tot nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 de nodige consequenties heeft verbonden en zich heeft uitgesproken vóór vaststelling — met terugwerkende kracht — van de voorschriften welke de Raad in verordeningen nrs. 387 en 388/81 heeft neergelegd.

Al met al is de Raad van mening noch de rechtsmacht van het Hof noch de bevoegdheden van het Parlement te hebben aangetast. De Raad wil in dit verband wijzen op de uitzonderlijke aard van de omstandigheden waaronder verordening nr. 1293/79 werd vastgesteld. Zowel omdat het arrest waarin het Hof verordening nr. 1111/71 niet rechtsgeldig had verklaard ten uitvoer moest worden gelegd als vanwege de aldus geschapen feitelijke situatie — die de suikerfabrikanten aan de heffingsregeling onderwierp, terwijl de isoglucoseproducenten er van werden vrijgesteld — was de zaak spoedeisend, zodat de Raad, mede in aanmerking genomen de al evenzeer uitzonderlijke vertraging waarmede het Parlement zich heeft uitgesproken, gedwongen was verordening nr. 1293/79 vast te stellen zonder het advies van die instelling af te wachten. De Raad wijst er evenwel op dat zijn waardigheid als communautaire wetgever, zijn bedoeling de verdragen te eerbiedigen en de aan de Commissie, als hoedster der verdragen, toekomende bevoegdheid de eerbiediging van het recht af te dwingen, wat de communautaire wetgevingsmachinerie betreft, voor een reguliere gang van zaken garant staat. Trouwens, uit de omstandigheden waaronder verordeningen 387 en 388/81 zijn vastgesteld alsook uit de behandeling van de voorstellen welke voor die teksten in de plaats zijn gekomen, blijkt wel dat de Raad het recht van het Parlement om te worden gehoord, respecteert.

b) In de tweede plaats wenst de Raad aan te tonen dat een retroactieve invordering der heffingen volgens verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 om dringende redenen van algemeen belang — die ten opzichte van de geldelijke belangen der verzoekers als prioritair zijn te beschouwen — geboden is.

Mocht de terugwerkende kracht die aan de verordeningen werd toegekend, onrechtmatig worden bevonden, dan zou volgens de Raad niet slechts aan de rechtmatigheid der reeds geïnde heffingen de grondslag komen te ontvallen, doch ook het gehele systeem van de regelingen betreffende de isoglucoseproduktie onrechtmatig worden. De Gemeenschap zou dan tot terugbetaling der geïnde heffingen moeten overgaan, waarmede aan de isoglucoseproducenten een onverwacht, hun niet toekomend voordeel in de schoot zou worden geworpen, dat ten opzichte van hun concurrenten de suikerproducenten, als discriminerend moet worden beschouwd, terwijl de isoglucoseproducenten in staat zouden worden gesteld hun concurrentiepositie „eenzijdig” te versterken. Het aldus verkregen resultaat zou ingaan tegen hetgeen het gemeenschappelijk beleid vraagt, en wel met name tegen artikel 39 van het Verdrag waarin, naar het Hof heeft overwogen, grenzen worden gesteld aan het beleid, door de instellingen ten aanzien van de beperking der suikerproduktie gevoerd.

c) Tenslotte wenst de Raad het argument te weerleggen dat de bestreden verordeningen niet zouden mogen terugwerken omdat de op de produktie van isoglucose toegepaste heffing van fiscale of quasi-fiscale aard zou zijn. Ook al kan de hierbedoelde heffing met een fiscale heffing worden vergeleken, bij die heffing zit geen fiscale bedoeling voor, immers zij werd niet ingesteld om de Gemeenschap een bron van inkomsten te verschaffen, maar om, in het algemeen belang, de ontwikkeling der isoglucose-produktie aan banden te leggen. De Raad wijst er in dit verband op dat de uit de heffing verkregen opbrengst geen regelmatig karakter draagt, doch van de verhouding tussen de suikerkoersen op de wereldmarkt en in de Gemeenschap afhankelijk is. Waar het in de bedoeling lag de verliezen bij export van suiker geleden wanneer er in de Gemeenschap teveel suiker wordt geproduceerd dan wel bij overproduktie van isoglucose te beperken, wordt de heffing slechts toegepast wanneer de produktiequota door toedoen van de ondernemers worden overschreden. Het doet dan niet ter zake dat er in de verkoopseizoenen 1979 en 1980, tot oktober 1980, door toepassing van verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 de facto beperkingen waren gesteld. Terugbetaling van de heffing zou niet alleen de mededingingspositie van de isoglucoseproducenten eenzijdig wijzigen, maar ook het systeem van beperking der isoglucoseproduktie in de verkoopseizoenen 1979-1980 te niet doen.

3.

De *Commissie van de Europese Gemeenschappen,* interveniente aan de zijde van de Raad, betoogt dat:

—er enerzijds in 's Hofs Jurisprudentie en in het recht der Lid-Staten echte uitzonderingen op het beginsel van de non-retroactiviteit der wetten worden erkend;

—anderzijds in casu aan de voorwaarden waaraan volgens 's Hofs Jurisprudentie moet zijn voldaan, wil er aan de verordeningen der Gemeenschap terugwerkende kracht toekomen, is voldaan.

a) In 's Hofs Jurisprudentie (en wel met name in het arrest, gewezen in de zaken 42-49/59, Jurispr. 1961, blz. 103) wordt het verlenen van terugwerkende kracht aan communautaire bepalingen waarin aan particulieren lasten worden opgelegd, geenszins uitgesloten. De mogelijkheid ertoe is trouwens onontbeerlijk in een rechtsstelsel dat het algemeen belang met het particulier belang moet verzoenen, wanneer het komt tot de toepassing van verordeningen die voornamelijk de economische betrekkingen reguleren.

Het mag er volgens de Commissie niet voor worden gehouden dat het Hof in zijn uitspraken slechts aan „materiële” en niet aan „werkelijke” retroactiviteit heeft gedacht. Met name in de conclusie, door de advocaatgeneraal Reischl genomen in de zaak-Racke (98/78, Jurispr. 1979, blz. 88) is gereleveerd dat het Hof zich in die zaak over een geval van echte retroactiviteit had uit te spreken en in rechtsoverweging 20 heeft het Hof ondubbelzinnig uitgesproken dat die retroactiviteit zich — binnen de door het Hof aangegeven grenzen — met het gemeenschapsrecht verdraagt.

b) De Commissie meent dat de voorwaarden, door het Hof aan de retroactiviteit van communautaire handelingen gesteld, door het onderhavig legislatief optreden van de Raad niet zijn geschonden.

—In de eerste plaats is het rechtmatig vertrouwen van betrokkenen niet geschonden: dat zij aanspraak mochten maken dan wel mochten rekenen op terugbetaling van de heffing dan wel dat de met terugwerkende kracht genomen maatregel onvoorzienbaar was, is door hen niet overtuigend aangetoond.

Met betrekking tot het beweerdelijk verworven recht op terugbetaling van de omstreden heffing na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, heeft de Commissie erop gewezen dat aan 's Hofs arresten van 29 oktober 1980 zulk een aanspraak niet kan worden ontleend, nu de nietigverklaring niet op materiële gronden, maar op een gebleken vormfout berustte.

Verzoekster verwart twee rechtmatigheidsaspecten: externe en interne rechtmatigheid. De uitkomsten waartoe het Hof ten aanzien van de interne rechtmatigheid kwam, liggen besloten in 's Hofs bespreking van de materiële grieven die in de zaken 138 en 139/79 waren voorgedragen.

's Hofs verklaring dat verordening 1293/79 rechtens als nietig is te beschouwen, kan dus niet wo.rden gelijkgesteld met de verklaring dat de bestreden handeling niet bestaat, welke handeling volgens 's Hofs vaste Jurisprudentie (men zie het arrest 101/78, Jurispr. 1979, blz. 623) tot de uitspraak rechtsgevolg sorteerde. Van het bedrogen uitkomen in rechtmatig gekoesterd vertrouwen kan bij de ondernemers dus geen sprake zijn. Een verkregen recht op restitutie had door de isoglucosefabrikanten dus slechts kunnen worden ingeroepen, indien het Hof in zijn arrest aan de handeling „interne” rechtmatigheid mocht hebben ontzegd. Om dezelfde reden mochten de ondernemers na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 niet verwachten dat hun de heffing zou worden gerestitueerd. En mochten er al zulke verwachtingen hebben bestaan, dan nog zou de constante gedragslijn van de instellingen der Gemeenschap hun die hoop hebben ontnomen — en rechtens irrelevant hebben gemaakt.

Handhaving van de omstreden heffing met terugwerkende kracht tot 1 juli 1979, lag trouwens voor alerte ondernemers als verzoekers, geheel in de lijn der verwachtingen; men zie de rechtsoverwegingen van het arrest door het Hof in de zaken 138 en 139/79 gewezen. In zijn arresten heeft het Hof alle materiële grieven ten duidelijkste verworpen en er, op een wijze welke de Commissie niet zeer gebruikelijk acht, op gezinspeeld dat de Raad alle „passende maatregelen” kon nemen teneinde de isoglucoseproduktie te reglementeren.

De Commissie betoogt nu dat aan de arresten van 29 oktober 1980, naar de aard van de daarbij uitgesproken nietigverklaring, hoogstens alleen kon worden afgelezen dat de Raad, alvorens maatregelen te nemen die zich overigens met het gemeenschapsrecht verdroegen, in formele zin het Parlement had te consulteren. Daarentegen was het volgens de Commissie een door de Raad — onder controle van het Hof — te beoordelen vraag van algemeen belang of er aan de isoglucoseregeling terugwerkende kracht moest worden toegekend. En toen het Hof, anders dan in zijn eerste uitspraak over verordening nr. 1111/77, de heffing noch in beginsel noch qua uitvoering onrechtmatig oordeelde, kon het Hof geacht worden met zijn verwijzing naar de aan de Raad gelaten mogelijkheid „alle passende maatregelen te nemen”, te hebben gedoeld op de mogelijkheid om maatregelen besloten liggende in een „extern” onrechtmatig bevonden verordening, alsnog met terugwerkende kracht te nemen.

—De Commissie is voorts van mening dat aan verordening nr. 387/81 om dwingende redenen van algemeen belang terugwerkende kracht moest worden verleend.

Blijkens rechtsoverweging nr. 30 van de arresten 138 en 139/79 dragen maatregelen tot beperking van de isoglucoseproduktie ontegenzeglijk bij tot stabilisatie van de communautaire zoetmiddelenmarkt, in die zin dat, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, aan de producenten een redelijke levensstandaard wordt geboden. Het lijdt

al evenmin twijfel dat deze doelstelling van algemeen belang, gezien de duidelijke substitutierelatie tussen vloeibare suiker en isoglucose, slechts kan worden verwezenlijkt door gecombineerde, voor suiker en voor isoglucose geldende voorschriften. Wie het voor regularisering van de communautaire suikermarkt bedoelde mechanisme niet wil ontwrichten, kan dus niet doen alsof de isoglucosebepalingen „ab initio” niet hebben bestaan.

Voorts zou terugbetaling van de onder vigeur van verordening nr. 1293/79 geïnde heffingen op een ongelijke behandeling van isoglucose- en suikerproducenten en ontwrichting van de markt uitlopen.

Enerzijds zou aldus aan de isoglucose-producenten een geldelijk voordeel worden toegekend dat voor de suikerproducenten niet is weggelegd. Dit zou te onredelijker zijn waar de isoglucoseproducenten na de prejudiciële arresten van 25 oktober 1978 reeds zeer werden bevoordeeld omdat de eerste heffing van verordening nr. 1111/77 niet voor hen gold. Daardoor zou de produktiecapaciteit van deze fabrikanten reeds ten nadele van het marktevenwicht zijn versterkt. Die situatie zou worden gecontinueerd indien de isoglucoseproducenten zich, na de arresten van 29 oktober 1980, bovendien de reeds betaalde heffingen zouden zien gerestitueerd. Zulk een terugbetaling zou betekenen dat de financiering van de interventievoorzieningen voor de export van zoetmiddelen (restitutie; indirecte prijsgarantie...) alleen door de suikerproducenten wordt gedragen, ofschoon beide categorieën van ondernemers (suiker- en isoglucosefabrikanten) ervan profiteerden.

Anderzijds wijst de Commissie erop dat intrekking van de heffing „ab initio” niet slechts voor een categorie van producenten een ongerechtvaardigde verrijking zou betekenen, die hen in staat stelt hun produktiecapaciteit te vergroten, maar diezelfde producenten bovendien bevrijdt van alle financiële aansprakelijkheid voor de afzet van het overschot waartoe de vergroting van hun produktiecapaciteit leidt, waardoor de goede werking van de suikermarkten ernstig wordt bedreigd.

De Raad heeft dan ook, volgens de Commissie, terecht gemeend dat alleen reeds dwingende redenen van openbaar belang het toekennen van terugwerkende kracht aan de hier bedoelde bepalingen genoegzaam rechtvaardigden.

Het mag er niet voor worden gehouden dat bedoelde retroactiviteit aan de parlementaire consultatieprocedure zijn bestaansrecht heeft ontnomen. Het Parlement is in casu wel degelijk gehoord, en toen het zich uitsprak was het van de terugwerkende kracht die de Raad aan de beoogde maatregel toedacht, helemaal op de hoogte. De resolutie van 9 februari 1980 (PB 50, blz. 14) laat dienaangaande geen twijfel bestaan. Het Parlement heeft dus ten volle van zijn bevoegdheden gebruik gemaakt, immers van de inhoud der aan zijn oordeel onderworpen bepalingen ten volle kennisgedragen en zijn instemming met de desbetreffende maatregelen betuigd. Wilde de Raad evenwel met schending van zijn consultatieverplichting per se een bepaalde tekst vaststellen en heeft de Commissie — „zowel haar taak als hoedster der verdragen als het risico van parlementaire kritiek vergetend” — de Raad bij zijn handelwijze laten volharden, dan kunnen verzoekers zich, tot bewaring van recht, altijd nog met een nieuw beroepschrift tot het Hof van Justitie wenden.

##### Tweede middel: schending van de motiveringsplicht

1.

De vennootschap Tunnel Refineries acht de redengeving van verordening nr. 387/81, wat de opzet der quoteringsmaatregelen betreft, ontoereikend en inadequaat en is voorts van mening dat de terugwerkende kracht welke aan de regeling werd toegekend, in het geheel niet werd gerechtvaardigd.

—Verzoekster is van mening dat in de algemeen gehouden redengeving van verordening nr. 387/81 slechts de „kennelijk en wezenlijk onjuiste” bewering wordt herhaald dat het Hof, in de arresten welke het in de zaken 138 en 139/79 heeft gewezen, het mechanisme van verordening nr. 1293/79 materieel met het gemeenschapsrecht in overeenstemming heeft bevonden. Deze bewering houdt een miskenning in van de betekenis van de procedure die met nietigverklaring wordt besloten: de rechter kan zich alleen maar uitspreken over de grieven welke tegen de bestreden bepaling werden ingebracht, doch niet over de materiële rechtmatigheid der bepaling.

In ieder geval zou er volgens verzoekster een soortgelijke redenering als tot de vaststelling van verordening nr. 1293/79 leidde noodzakelijk zijn geweest om verordening nr. 387/81 te rechtvaardigen: De Raad kan, ter rechtvaardiging van de nieuwe verordening, niet verwijzen naar de overwegingen van de considerans van de nietigverklaarde verordening nr. 1293/79; die redengeving bestaat rechtens niet en kan niet worden gebruikt om een nieuwe wettelijke maatregel met redenen te omkleden.

—Met betrekking tot de terugwerkende kracht welke de Raad aan de voornaamste bepalingen van verordening nr. 387/81 heeft toegekend, ontbreekt volgens verzoekster iedere redengeving, hetgeen volgens 's Hofs gevestigde Jurisprudentie (arresten gewezen in de zaken 14/61, Jurispr. 1962, blz. 485, en 24/62, Jurispr. 1963, blz. 129), ongeacht de overige, elders voorgedragen onrechtmatigheidsgronden, alleen reeds tot nietigverklaring der verordening behoort te leiden.

Verzoekster concludeert dat verordening nr. 387/81 moet worden nietigverklaard, nu zij in het algemeen èn in het bijzonder wat de eraan toegekende terugwerkende kracht betreft, niet met redenen werd omkleed.

2.

De *Raad van de Europese Gemeenschappen,* verweerder, acht deze grieven ongegrond.

Het is vaste rechtspraak dat de redengeving van een verordening die deel uitmaakt van een complexe wettelijke regeling, in de considerans van eerdere verordeningen mag worden gezocht. De Raad acht in casu zijn beleidsredenen ten duidelijkste uiteengezet in de considerans van verordening nr. 1111/77 — en nader uitgewerkt in die van verordening nr. 1293/79.

Wat betreft het ontbreken van een redengeving met betrekking tot de noodzaak om aan verordening nr. 387/81 terugwerkende kracht toe te kennen: de Raad meent dat die noodzaak ten duidelijkste ter sprake is gekomen in de laatste volzin van de tweede overweging van de considerans: „dat derhalve \[i.e. omdat het Hof de regeling ten gronde met het gemeenschapsrecht in overeenstemming heeft'bevonden\] —... de desbetreffende quotaregeling opnieuw met terugwerkende kracht moet worden ingesteld”.

> Een „redelijk oplettende lezer”, en verzoekster is „veel meer dan een redelijk oplettende lezer”, immers zij „heeft aan eerdere isoglucosegevechten deelgenomen” — kon volgens de Raad zijn beweegredenen en zijn besluit aan de verordening terugwerkende kracht te verlenen, zeer wel begrijpen.

3. De *Commissie van de Europese Gemeenschappen* is van mening dat het aan schending van de motiveringsplicht ontleende middel „reeds bij lezing van de overwegingen van de considerans van verordening nr. 387/81 geen stand houdt” en verklaart het geheel met de Raad eens te zijn dat het middel moet worden verworpen.

#### IV — Mondelinge behandeling

Ter openbare terechtzitting van 1 juli 1982 is de zaak bepleit — en zijn opmerkingen gemaakt — door de vennootschap Tunnel Refineries Ltd., vertegenwoordigd door F. Jacobs, barrister van de Middle Temple, gevolmachtigd door G. Child, solicitor, Slaughter & May, Londen, de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Vignes, directeur van de juridische dienst, bijgestaan door A. Bräutigam, administrateur van die dienst, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright, juridisch adviseur, bijgestaan door F. Lamoureux, lid van de juridische dienst.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 23 september 1982 zijn conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij op 11 mei 1981 ter griffie van het Hof ingekomen beroepschrift heeft de naamloze vennootschap naar Brits recht Tunnel Refineries krachtens artikel 173, tweede alinea, van het EEG-Verdrag de nietigverklaring gevorderd van 'sRaads verordening nr. 387/81 van 10 februari 1981 (PB L 44, biz. 1) tot wijziging van verordening nr. 1111/77 van 17 mei 1977 (PB L 134, biz. 4) tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose, op grond dat in artikel 1, lid 3 en lid 4, van die verordening de quotaregeling van verordening nr. 1293/79 voor het tijdvak 1 juli 1979 - 30 juni 1980, voor die zelfde periode ofwel met terugwerkende kracht, wederom werd ingevoerd.

2. 's Raads voornoemde verordening nr. 1293/79, van 25 juni 1979, waarbij voormelde verordening nr. 1111/77 met name door aanvulling met een artikel 9 werd gewijzigd, is door het Hof bij arresten van 29 oktober 1980 (gewezen in de zaken SA Roquette Frères, 138/79, Jurispr. biz. 3333, en Maizena GmbH, 139/79, Jurispr. biz. 3393) nietigverklaard omdat zij was vastgesteld zoi. - dat het Parlement, zoals in artikel 43 van het Verdrag is voorgeschreven, was geraadpleegd.

3. Tot staving., naar beroep betoogt verzoekster enerzijds dat in de bestreden verordening het beginsel is geschonden volgens hetwelk er aan handelingen van de Gemeenschap geen terugwerkende kracht mag worden verleend, anderzijds dat de verordening onvoldoende met redenen is omkleed.

#### I — Het eerste middel: schending van het beginsel volgens hetwelk handelingen van de Gemeenschap niet mogen terugwerken

4. Meermalen, onder meer in zijn arresten van 25 januari 1979 (Racke, 98/78, Jurispr. blz. 69; Decker, 99/78, Jurispr. blz. 101) heeft het Hof overwogen dat het principe van de zekerheid der rechtsposities zich er, zoals ook verzoekster betoogt, in den regel tegen verzet dat een communautaire handeling op een vóór publikatie gelegen datum aanvangt effect kan sorteren; het kan evenwel in uitzonderingsgevallen anders zijn, wanneer het te verwezenlijken doel zulks vordert en het gewettigd vertrouwen der betrokkenen is geëerbiedigd.

5. Wat betreft de eerste van deze twee voorwaarden, zij herinnerd aan enkele gegevens van feitelijke of juridische aard, waarmee de partijen overigens zeer wel bekend zijn. In het tijdvak waarin de bestreden verordening van toepassing was, golden er voor de suikerfabrikanten quota en produktieheffingen. Isoglucose is een rechtstreeks met suiker concurrerend substitutieprodukt. Elk met betrekking tot een dezer produkten genomen communautair besluit leidt voor het andere noodzakelijkerwijze tot gevolgen. Die situatie in aanmerking genomen, heeft het Hof, toen het bij arresten van 29 oktober 1980 verordening nr. 1293/79 wegens schending van een wezenlijk vormvoorschrift — dat raadpleging van het Parlement verlangt — nietig verklaarde, niettemin geoordeeld dat het, waar de produktie van isoglucose tot het toenemen der suikeroverschotten bijdroeg en de Raad ten aanzien van die produktie restrictieve maatregelen mocht nemen, ook op de weg van de Raad lag om, in het kader van het landbouwbeleid, de door hem nuttig geachte maatregelen te nemen, met inaanmerkingneming van de overeenkomst tussen beide markten, hun onderlinge afhankelijkheid en de specifieke aard van de isoglucosemarkt.

6. Ofschoon de Raad, na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, ten aanzien van de isoglucoseproduktie niet was overgegaan tot beperkende maatregelen, zoals in casu herstel van de toegestane quota en van de aan de fabrikanten opgelegde heffingen per 1 juli 1979 zouden zijn geweest, had het door de Raad nagestreefde doel, te weten stabilisatie van de suikermarkt in het algemeen belang, in het geheel niet kunnen worden verwezenlijkt ofwel slechts ten detrimente van de suikerfabrikanten die de last van de communautaire overschotten alleen hadden moeten financieren, of ook ten detrimente van de gehele Gemeenschap, terwijl aan de isoglucosefabrikanten, die de suikerbedrijven beconcurreerden, niets in de weg gelegd werd.

7. De Raad mocht het er dus voor houden dat het in het algemeen belang te verwezenlijken doel, namelijk de stabilisatie van de communautaire zoetmiddelenmarkt, zonder willekeurige discriminatie tussen de ondernemers, medebracht dat de bestreden bepalingen dienden terug te werken, alsook dat de eerste voorwaarde waarvan het Hof de toepasselijkheid, ratione temporis, van een communautaire handeling op een vóór publikatie gelegen datum afhankelijk stelt, geacht mocht worden te zijn vervuld.

8. Met het oog op de vaststelling of ook de tweede voormelde voorwaarde vervuld is, dient te worden nagegaan of 's Raads beleid gewettigd vertrouwen heeft beschaamd — in die zin dat betrokkenen door de publikatie van verordening nr. 387/81, op 17 februari 1981, bedrogen zijn uitgekomen in hun verwachting dat de isoglucoseproduktie niet zou worden gereglementeerd in het tijdvak 1 juli 1979 - 30 juni 1980, waarvoor laatstgenoemde verordening het daarbij aan verordening nr. 1111/77 toegevoegde artikel 9 — betreffende de produktiequota en -heffingen voor isoglucose, van toepassing verklaarde.

9. Allereerst zij eraan herinnerd dat er in de bestreden bepalingen van verordening nr. 387/81 geen nieuwe maatregel besloten ligt; zij herhalen slechts hetgeen er in 's Raads op 29 oktober 1980 door het Hof vernietigde verordening nr. 1293/79 was bepaald.

10. Waar 's Raads verordening nr. 1293/79 van 25 juni 1979 tot aan haar nietigverklaring in de communautaire rechtsorde volledig rechtsgevolg heeft gesorteerd, zodat de met haar uitvoering belaste nationale overheden verplicht waren de isoglucoseproduktie aan de restrictieve regeling dier verordening te onderwerpen, was een dergelijk vertrouwen slechts gewettigd wanneer herhaling, met terugwerkende kracht, van de maatregelen welke in de door het Hof nietig verklaarde verordening nr. 1293/79 besloten lagen, als onvoorzienbaar was te beschouwen.

11. Verzoekster kan zich evenwel niet op een voor bescherming in aanmerking komend vertrouwen beroepen; in haar conclusie van repliek heeft zij voorts, ten onrechte, gesteld dat er met dit begrip niet kan worden gewerkt als het om de rechtvaardiging van de aan een wettelijke regeling toegekende terugwerkende kracht gaat.

12. In de eerste plaats raakt de regeling een kleine groep van ondernemers, die redelijkerwijs geacht mogen worden op de hoogte te zijn van de interdependentie van de markten voorvloeibare suiker en isoglucose, van de situatie op de zoetmiddelenmarkt der Gemeenschap en — eo ipso — van de gevolgen welke, na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, voor het tijdvak 1 juli 1979 - 30 juni 1980 aan het onderwerpen van de suikerproduktie aan stabiliserende maatregelen — waaraan de isoglucoseproduktie ten enenmale was ontkomen — verbonden konden zijn.

13. In de tweede plaats heeft de Raad, toen hij achtereenvolgens verordeningen nrs. 1111/77, 1293/79 en 1592/80 vaststelde, waarbij opmerking verdient dat deze laatste verordening voor het tijdvak 1 juli 1980 - 30 juni 1981 de rechtsgevolgen van de eerdere verordening continueerde, duidelijk doen blijken van zijn bedoeling de communautaire zoetmiddelenproduktie in haar geheel te reglementeren — en daartoe de isoglucoseproduktie te onderwerpen aan een op quotering en produktieheffingen berustende restrictieve regeling.

14. In de derde plaats kan het aan verzoekster niet zijn ontgaan dat het Hof in de verschillende op 29 oktober 1980 gewezen arresten waarbij verordening nr. 1293/79 — met haar produktiequota — werd nietigverklaard, de door verzoeksters Roquette en Maizena tegen de verordening opgeworpen materiële middelen heeft verworpen en, de verordening nietigverklarend omdat de raadpleging van het Parlement niet had plaatsgehad, bepaaldelijk heeft overwogen dat die nietigverklaring „de bevoegdheid van de Raad om naar aanleiding van dit arrest, overeenkomstig artikel 176, eerste alinea, van het Verdrag, alle passende maatregelen te nemen”, onverlet laat.

15. Tenslotte zij opgemerkt dat het voorstel in het Publikatieblad van 20 december Í980 (C 334, blz. 2) bekend gemaakt is, zodat verzoekster heeft kunnen weten dat de Commissie reeds op 3 december 1980 bij de Raad een wijzigingsvoorstel had ingediend, dat met name verandering zou brengen in verordening nr. 1111/77 in die zin dat het in verordening nr. 1293/79 neergelegde quoterings- en heffingsstelsel, zoals het in de aangevochten bepalingen van verordening nr. 387/81 zou worden overgenomen, voor de periode van 1 juli 1979 tot en met 30 juni 1980 zou herleven.

16. De aan deze bepalingen toegekende terugwerkende kracht wordt door verzoekster op nog twee andere gronden bestreden: op 's Hofs arresten van 29 oktober 1980 zou geen acht zijn geslagen en de voorgeschreven raadpleging van het Europees Parlement zou achterwege zijn gebleven.

17. Het moge, wat het eerste punt betreft, waar zijn dat de Raad krachtens artikel 176, eerste alinea, van het Verdrag gehouden was de ter uitvoering van 's Hofs arresten nodige maatregelen te nemen en dat die maatregelen, naar ook in 's Hofs arresten van 29 oktober 1980 werd overwogen, „passend” moeten zijn, artikel 176 verbood de Raad niettemin niet om, ter uitvoering van 's Hofs arresten, bepalingen vast te stellen die, indien er terugwerkende kracht aan zou toekomen, in voege als voormeld een verstoring van de zoetmiddelenmarkt en een — voor de isoglucosefabrikanten voordelige en voor de suikerfabrikanten nadelige — discriminerende situatie konden voorkomen. Aan het feit dat het Hof in zijn arresten van 29 oktober 1980 heeft gemeend geen gebruik te moeten maken van de in artikel 174, tweede alinea van het Verdrag geboden mogelijkheid om de gevolgen, aan door hem uitgesproken nietigverklaringen van verordeningen verbonden, te beperken, zijn in zoverre geen consequenties verbonden voor de omvang van de bevoegdheden welke de Raad aan artikel 176, eerste alinea, van het Verdrag ontleent.

18. Met betrekking tot het tweede punt zij opgemerkt dat de Commissie het Parlement ontegenzeglijk heeft geraadpleegd en dat het Parlement zich over de bepalingen van verordening nr. 387/81 heeft uitgesproken. Verzoeksters betoog faalt derhalve. Enerzijds doet het, verzoeksters twijfels ten spijt, aan de regelmatigheid van de raadpleging van het Parlement niet af dat het pas op 9 februari 1981, daags voordat de betrokken verordening er kwam, zijn — overigens gunstig — advies heeft uitgebracht. Anderzijds staat het feit dat het Parlement, naar het Hof in zijn arresten van 29 oktober 1980 heeft vastgesteld, over de bepalingen van verordening nr. 1293/79 niet het in artikel 43 van het Verdrag verlangde advies had uitgebracht, aan de — in artikel 43 juist verlangde — raadpleging over de bepalingen der aangevochten verordening nr. 387/81 geenszins in de weg. Verzoeksters standpunt komt erop neer dat het Parlement nimmer kan worden gehoord over voorstellen die ertoe strekken bepalingen waaromtrent het aanvankelijk niet regulier was gehoord, alsnog met terugwerkende kracht in te voeren. In deze opvatting, volgens welke maatregelen die, het gemeenschapsrecht ten spijt, zonder raadpleging van het Parlement zijn vastgesteld, niet wederom mogen worden ingevoerd, zelfs niet wanneer zij met het algemeen belang in overeenstemming zijn en de betrokken ondernemers niet in hun gewettigd vertrouwen worden beschaamd, worden aan het horen van het Parlement, hoe wezenlijk ook, gevolgen verbonden welke in geen enkele bepaling van het recht der Gemeenschappen zijn voorzien, terwijl de bevoegdheden van het Parlement zelf en die van de instellingen die het Parlement hebben te raadplegen, op ongerechtvaardigde wijze worden beknot.

#### II — Het tweede middel: schending van de motiveringsplicht

19. Verzoekster verklaart in dit middel de redengeving van 's Raads verordening nr. 387/81, zowel ten aanzien van de principiële beslissing welke in de quoteringsmaatregelen besloten ligt als wat de eraan toegekende terugwerkende kracht betreft, onvoldoende en niet ter zake dienende te achten. De Raad zou daarmede artikel 190 van het Verdrag hebben geschonden,

20. Volgens 's Hofs Jurisprudentie behoort de in artikel 190 van het Verdrag verlangde redengeving op de aard van de betrokken handeling te zijn afgestemd. De redenering van het communautaire gezagsorgaan waarvan de gewraakte handeling is uitgegaan, moet er duidelijk en ondubbelzinnig aan kunnen worden afgelezen, zodat betrokkenen zich kunnen vergewissen van de redenen welke tot het nemen van de maatregel hebben geleid, en het Hof zijn controle kan uitoefenen.

21. Aan de overwegingen van 's Raads verordening nr. 387/81 kan enerzijds worden ontleend „dat verordening... nr. 1111/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose in haar versie van verordening... nr. 1293/79, voorzag in regeling van de produktie door middel van quota gedurende de periode van 1 juli 1979 tot en met 30 juni 1980”, anderzijds dat „het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken 138/79 en 139/79 op 29 oktober 1980 verordening... nr. 1293/79 tot wijziging van verordening... nr. 1111/77 nietig heeft verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften; dat het Hof overigens heeft geconstateerd dat verordening... nr. 1293/79 wat de grond van de zaak betreft in overeenstemming is met het communautaire recht doordat het alle tegen de bij laatstgenoemde verordening ingevoerde quotaregeling voor de produktie aangevoerde grieven inzake schending van de beginselen van het mededingingsrecht, van het evenredigheidsbeginsel en van het non-discriminatiebeginsel heeft afgewezen; dat derhalve onder meer de desbetreffende quotaregeling opnieuw met terugwerkende kracht moet worden ingesteld”.

22. Met deze redengeving, hoe laconiek ook, is voldaan aan de in artikel 190 van het Verdrag gestelde eis: waar in de considerans van de bestreden verordening wordt verwezen naar het aan betrokkenen welbekende stelsel van produktiequota, blijkt bij de instelling waarvan de bestreden handeling is uitgegaan, ten duidelijkste de bedoeling te hebben voorgezeten om met betrekking tot een regeling ter beperking van de isoglucoseproduktie voor de nodige continuïteit te zorgen, zodat de gelijke verdeling van lasten over de isoglucoseproduktie en de produktie van vloeibare suiker — die elkander op de zoetmiddelenmarkt rechtstreeks beconcurreren — zou worden gehandhaafd.

23. Het middel volgens hetwelk de motiveringsplicht zou zijn geschonden, moet dan ook ongegrond worden verklaard.

#### IV — Kosten

24. Ingevolge artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten verwezen. Verzoekster is geheel in het ongelijk gesteld, zodat zij in de kosten, die van interveniente daaronder begrepen, moet worden verwezen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

rechtdoende ;

1\. Verklaart het beroep tot nietigverklaring ongegrond;

2\. Verwijst verzoekster in de kosten, die van interveniente daaronder begrepen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

9

EEG-Verdrag art. 173 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 176 2 voorkomens

verordening 1111/77 art. 9 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 39 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 43 1 voorkomen

verordening 1111/77 art. 7 1 voorkomen

verordening 1592/80 art. 2 1 voorkomen

verordening 387/81 art. 1 1 voorkomen

verordening 388/81 art. 1 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat 70/83 13.12.1983

#### [EEG-Verdrag art. 191, Zesde richtlijn 77/388 art. 1](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-70-83-conclusie)

## Rechtsleer

1

Maiwald, Beate: Rückwirkung im europäischen Gemeinschaftsrecht, Neue juristische Wochenschrift 1983 p.1951-1952
