---
title: "HvJ EU, 112/80, arrest van 5 mei 1981 · Verordening 1035/72 art. 29, verordening 2707/72 art. 3"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 mei 1981, 112/80: verordening 1035/72 art. 29, verordening 2707/72 art. 3."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-112-80-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-112-80-arret"
---

# Arrest van het Hof van 5 mei 1981, 112/80 · Verordening 1035/72 art. 29, verordening 2707/72 art. 3

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

112/80

**ECLI**

ECLI:EU:C:1981:94

**Datum**

5 mei 1981

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Hessisches Finanzgericht (Duitsland) beslissing van 24 maart 1980 VII 375/79

**Zaak ingediend op**

18 april 1980

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Opmerkingen**

Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Hessisches Finanzgericht beslissing van 30 juni 1981 VII 375/79

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1981, blz. 1095

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Bosco

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Bronnen van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01) [Algemene rechtsbeginselen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02) [Gewettigd vertrouwen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-01.02.04) 31 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Handelspolitiek](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14) [Communautaire regeling voor handel met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-14.01) 15 beslissingen

## Tekst

169 paragrafen

### ARREST

### De feiten

#### I — De feiten en het procesverloop

Bij verordening nr. 687/79 van 5 april 1979 stelde de Commissie vrijwaringsmaatregelen vast als bedoeld in artikel 29 van verordening nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB L 118, van 1972, blz. 1).

De maatregelen bestonden met name hierin, dat het in het vrije verkeer brengen van uit Chili ingevoerde verse appelen, behalve ciderappelen, gedurende de periode van 25 april tot en met 15 augustus 1979 werd geschorst.

In verband met bepaalde omstandigheden besloot de Commissie vervolgens tot twee maal toe die schorsingsperiode op een later tijdstip te doen aanvangen.

Bij verordening nr. 797/79 van 23 april 1979 werd de aanvangsdatum voor de in verordening nr. 687/79 bedoelde appelen, vervoerd met schepen die Chili uiterlijk op 12 april 1979 hadden verlaten met bestemming een haven in de Gemeenschap, gesteld op 5 mei 1979.

Bij verordening nr. 1152/79 van 12 juni 1979 werd het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap geschorst met ingang van 17 juni 1979, voor zover de schepen waarmee de uit Chili afkomstige appelen werden vervoerd, vóór 19 mei 1979 een haven in de Gemeenschap hadden bereikt.

Op 13 juli 1979 verzocht Chili overeenkomstig artikel XXIII-2 van het GATT, overleg in het kader van deze overeenkomst over genoemde vrijwaringsmaatregelen, aangezien deze maatregelen volgens Chili in strijd waren met de bepalingen van het GATT.

De firma Anton Dürbeck (hierna „Dür-beck”), verzoekster in het hoofdgeding, die in de Bondsrepubliek Duitsland een groot- en importhandel in groenten en fruit bedrijft, verzocht de Duitse instanties op 25 juli 1979 twee dozen met 45 kg tafelappelen uit Chili, die per vliegtuig in de Bondsrepubliek Duitsland waren aangekomen, tot het vrije verkeer toe te laten. De Duitse douane wees het verzoek om inklaring af onder verwijzing naar artikel 1 van verordening nr. 687/79 en de wijzigingsverordeningen nrs. 797/79 en 1152/79, omdat zij meende dat de betrokken invoer onder deze verordeningen viel, ofschoon hierin alleen de invoer per schip en niet die per vliegtuig uitdrukkelijk werd geregeld. Van deze beschikking ging betrokkene in beroep bij het Hessische Finanzgericht, stellende dat de rechtsgrondslag van de beschikking, te weten verordening nr. 687/79 van de Commissie, in strijd was met verordening nr. 1035/72 en met verordening nr. 2707/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 291 van 1972, blz. 3).

Om dit probleem te kunnen oplossen, heeft het Hessische Finanzgericht bij beschikking van 24 maart 1980 het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is verordening (EEG) nr. 687/79 van de Commissie van 5 april 1979 (PB L 86 van 1979, blz. 18) junctis de wijzigingsverordeningen nr. 797/79 van 23 april 1979 (PB L 101 van 1979, blz. 7) en nr. 1152/79 van 12 juni 1979 (PB L 144 van 1979, blz.13) geldig?”

De verwijzingsbeschikking is op 18 april 1980 ter griffie van het Hof ingekomen.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Dürbeck, te dezen vertegenwoordigd door de heren Ehle, Feldmann, Schiller en Eyl, advocaten te Keulen, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door J. Sack, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie echter verzocht vóór 31 oktober 1980 een rapport over de prijsontwikkeling van tafelappelen en over de produktie in de Gemeenschap in de jaren 1976-1977, 1977-1978 en 1978-1979 over te leggen en ter terechtzitting verdere mededelingen te doen over de stand en eventueel over de afloop van de procedure die Chili bij de bevoegde organen van het GATT heeft ingeleid.

Bij brief van 30 oktober 1980 heeft de Commissie een tabel doen toekomen, de produkten, de ontwikkeling der prijzen en de voorraden tafelappelen in voormelde jaren betreffende. Op 3 december 1980 heeft het Hof de Commissie nog een groot aantal vragen gesteld, waarop de Commissie bij brief van 7 januari 1981 heeft geantwoord.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

Dürbeck analyseert in de eerste plaats de situatie die de achtergrond vormt van het onderhavige geval.

Zij wijst er in de eerste plaats op, dat zij reeds in november 1978 met een Chileense exportonderneming een overeenkomst heeft gesloten voor een totale hoeveelheid van ongeveer 300000 dozen Chileense appelen voor invoer vanaf eind maart 1979.

Vervolgens zet zij de voorgeschiedenis uiteen van de door de Commissie in april 1979 vastgestelde vrijwaringsmaatregelen.

De Commissie zou reeds eind 1978, begin 1979 hebben geweten welke hoeveelheden tafelappelen de vijf traditionele uitvoerlanden, waaronder Chili, naar de Gemeenschap wilden uitvoeren en met welke oogstcijfers in 1978 in de Lid-Staten ongeveer moest worden gerekend. Desondanks heeft de Commissie toentertijd nooit van eventuele vrijwaringsmaatregelen tegen Chili of andere uitvoerlanden gesproken.

Onder druk van de producentenorganisaties van de Gemeenschap, die op beperking van de invoer van het zuidelijk halfrond aandrongen, zag de Commissie zich vervolgens genoodzaakt met de traditionele uitvoerlanden over een vrijwillige beperking te onderhandelen.

Chili, waarvoor de Commissie een quotum van 42000 ton had vastgesteld, wilde zich niet tot deze hoeveelheden beperken, aangezien reeds voor meer dan 55000 ton — waarvan 5000 ton bestemd voor doorvoer naar Oostenrijk — vaste overeenkomsten met importeurs in de Gemeenschap waren gesloten.

De conjunctuur op de markt van tafelappelen in de Gemeenschap bestaande op het tijdstip van de vrijwaringsmaatregelen was de Commissie zeer wel bekend en doorzichtig.

Het was voorzienbaar dat Zuid-Afrika en Nieuw-Zeeland de quota die hun in het kader van de afspraken tot vrijwillige beperking waren toegekend, niet volledig zouden gebruiken; zij hadden er echter belang bij hun referentiehoeveelheden te behouden met het oog op eventuele toekomstige zelfbeperkingsovereenkomsten.

De oogst in de Gemeenschap in 1978 bedroeg ongeveer 6,5 miljoen ton, doch dit absoluut getal zegt op zichzelf weinig. Om de marktsituatie voor appelen in april 1979 te kunnen beoordelen, moet men immers weten

a) in hoeverre het om produkten ging die voor interventie in aanmerking kwamen,

b) welke voor interventie in aanmerking komende hoeveelheden produkten op 1 april 1979 nog in koelhuizen waren opgeslagen, en

c) of de opgeslagen hoeveelheden bij een normale marktsituatie voor zover dit nog noodzakelijk zou zijn geweest, sneller hadden kunnen worden afgezet.

Volgens deskundigen kwam hoogstens 25 tot 30 % van de opgeslagen appelen van de oogst 1978 voor interventie in aanmerking, aangezien ongeveer 70 % van de opgeslagen produkten niet aan de kwaliteitsnormen van de gemeenschappelijke marktordening voldeden en derhalve niet tegen de opkoopprijs konden worden opgekocht of op andere gronden uit de markt konden worden genomen.

Bij de vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen bevond zich nog slechts een deel van de voor interventie in aanmerking komende produkten in de opslagplaatsen. De in normale depots opgeslagen appelen konden daar om zuiver technische redenen niet langer dan tot midden/eind februari blijven.

Tenslotte moet worden aangenomen dat onder normale marktomstandigheden tot begin 1979 aanzienlijk meer appelen zouden zijn verkocht. Het aanbod van appelen is echter sinds oktober 1978 opzettelijk klein gehouden om hogere prijzen te kunnen maken, om niet door te vroege interventie de slechte kwaliteit van de produkten te laten blijken, en qm kracht bij te zetten aan de eis dat de interventieperiode zou worden verlengd.

De verkoopprijzen van de groothandel op de representatieve markten van de Gemeenschap vertoonden een voortdurend stijgende tendens.

Dit alles zou de Commissie, indien het Hof haar daarom vraagt, aan de hand van de gegevens waarover zij beschikt, kunnen bevestigen.

In deze situatie hadden de door de Commissie vastgestelde vrijwaringsmaatregelen in wezen alleen op een extra invoer van ongeveer 8000 ton betrekking kunnen hebben. De verordening waarbij deze maatregelen zijn vastgesteld, verwijst niet naar verordening nr. 2707/72 houdende omschrijving van de wijze van toepassing van vrijwaringsmaatregelen in de sector groenten en fruit, en bevat ook geen enkel gegeven omtrent de nog beschikbare voorraden. Bovendien waren op het tijdstip van de vrijwaringsmaatregelen naar schatting nog pas 35000 ton appelen uit Chili ingevoerd.

Dürbeck heeft onverwijld, namelijk op 10 en 12 april 1979, tegen de vaststelling van de vrijwaringsmaatregel geprotesteerd en een bijzondere vergunning voor ongeveer 2000 ton tafelappelen aangevraagd. De Commissie weigerde echter voor die hoeveelheid een overgangsregeling toe te staan.

Enige tijd later heeft de Commissie bij de verordeningen nrs. 797/79 van 23 april 1979 en 1152/79 van 12 juni 1979 toch nog een overgangsregeling vastgesteld, in de eerste verordening met de overweging dat de opnamemogelijkheid door de invoer van vóór 25 april 1979 niet was uitgeput, en in de tweede verordening dat de opnamemogelijkheid ook door de invoer van vóór 5 mei 1979 niet was uitgeput.

Dürbeck heeft niet van deze overgangsregeling geprofiteerd, omdat zij haar koopcontract met de Chileense exporteur en de vrachtovereenkomst voor het schip waarmee de appelen hadden moeten worden vervoerd, had opgezegd, nadat de Commissie haar ondanks herhaald verzoek geen hoop op een overgangsregeling had gegeven.

In 1980 heeft de Commissie met de uitvoerende landen geen afspraken tot vrijwillige beperking meer gesloten en ook geen vrijwaringsmaatregelen vastgesteld, ofschoon in de EEG meer dan 7 miljoen ton appelen zijn geoogst.

In dit verband kunnen verschillende gebreken van de verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79 worden vastgesteld, die tot nietigheid van die verordeningen moeten leiden. Inzonderheid beroept Dürbeck zich op schending van

1\. artikel 29 van verordening nr. 1035/72 junctis de artikelen 1, 2 en 3 van verordening nr. 2707/72,

2\. het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen,

3\. artikel 37 van verordening nr. 1035/72 alsmede de artikelen 39 en 110 EEG-Verdrag, en

4\. het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag.

##### 1. Schending van artikel 29 van verordening nr. 1035/72 junctis de artikelen 1, 2 en 3 van verordening nr. 2707/72

Deze schending blijkt hieruit, dat de voorwaarden voor een vrijwaringsmaatregel voor tafelappelen zowel feitelijk als rechtens kennelijk niet waren vervuld.

In de eerste plaats was verordening nr. 687/79 alleen gebaseerd op verordening nr. 1035/72. Iedere verwijzing naar verordening nr. 2707/72, waarin de voorwaarden voor toepassing van vrijwaringsmaatregelen in de sector groenten en fruit nauwkeurig zijn vastgesteld, ontbreekt. Het is dus niet zeker dat de Commissie met deze verordening rekening heeft gehouden; alleen al deze fout zou verordening nr. 687/79 nietig kunnen maken.

Volgens artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1035/72 mogen vrijwaringsmaatregelen alleen worden vastgesteld wanneer aan drie voorwaarden is voldaan, namelijk

wanneer sprake is van ernstige verstoring of dreigende verstoring,

wanneer deze ernstige verstoring wordt veroorzaakt door de invoer van het betrokken produkt,

wanneer de doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag in gevaar worden gebracht.

Bij de vraag of aan de eerste voorwaarde is voldaan, moeten in het bijzonder drie factoren in aanmerking worden genomen, namelijk

de omvang van de gerealiseerde, respectievelijk nog te verwachten invoer,

de beschikbare hoeveelheden op de gemeenschappelijke markt, en

de op de gemeenschappelijke markt voor binnenlandse produkten vastgestelde prijzen of de voorzienbare ontwikkeling dier prijzen.

Met betrekking tot de omvang van de verrichte, respectievelijk voorzienbare invoer stelt Dürbeck, dat het verschil tussen het door de Commissie voorgestelde invoerquotum en de hoeveelheid die Chili bereid was te aanvaarden, slechts 13000 ton bedroeg, waarvan nog 5000 ton bestemd was voor doorvoer naar Oostenrijk. In werkelijkheid ging het dus om een verschil van slechts 8000 ton; gelet op een appelproduktie in de Gemeenschap van 6661000 ton, was dit een zo kleine hoeveelheid, dat met het oog op de omvang van de voorzienbare invoer geen verstoringen, laat staan ernstige verstoringen waren te vrezen. Trouwens, op 25 april 1979 was slechts ongeveer 36000 ton uit Chili ingevoerd.

De Commissie heeft in verordening nr. 687/79 ook niet kunnen motiveren dat de „op de gemeenschapp'elijke markt beschikbare hoeveelheden” deswege ernstige verstoringen zouden veroorzaken, omdat met name de uit Chili ingevoerde tafelappelen verdere interventiemaatregelen noodzakelijk zouden maken.

De door de Commissie gemaakte vergelijking tussen de appelproduktie in de Gemeenschap in het verkoopseizoen 1978-1979 enerzijds en in het verkoopseizoen 1977-1978 anderzijds is voor de beoordeling van de beschikbare hoeveelheden op de gemeenschappelijke markt ten tijde van de beslissing over de vrijwaringsmaatregel in wezen van geen belang. Beslissend zijn namelijk alleen de voor interventie in aanmerking komende hoeveelheden, die zich in CA-(Controlled Atmosphere)-opslagplaatsen bevonden, waarin technisch gezien opslag tot na februari mogelijk was, en die niet voor speculatiedoeleinden opzettelijk buiten de markt werden gehouden.

Volgens schattingen van Dürbeck kwam hoogstens 25 tot 30 % van de opgeslagen appelen van de oogst 1978 voor interventie in aanmerking.

Met betrekking tot de voorraden op het tijdstip van vaststelling van de vrijwaringsmaatregel heeft de Commissie beweerd, dat deze „aanzienlijk groter waren dan op hetzelfde tijdstip in de twee voorgaande verkoopseizoenen.” Daarbij heeft zij echter vergeten te vermelden dat in het verkoopseizoen 1976-1977 sprake was van een normale appeloogst, terwijl de appeloogst in het verkoopseizoen 1977-1978 ongewoon klein was uitgevallen, zodat in deze verkoopseizoenen geen interventie door de overheid heeft plaatsgevonden.

De Commissie meende dat de opgeslagen appelen onder normale omstandigheden niet voor het einde van het verkoopseizoen konden worden verkocht. Om technische redenen hadden echter met betrekking tot normaal opgeslagen appelen reeds eind februari 1979 interventies moeten plaatsvinden. Wat de appelen in CA-opslagplaatsen betreft, is de invoer van verse appelen van het zuidelijk halfrond in de regel gunstig voor de verkoop; deze importen hebben in zoverre een „marketing”-effect.

Afgezien daarvan zijn relatief grote hoeveelheden appelen opgeslagen als gevolg van speculatie door de appelproducenten in de Gemeenschap.

In de derde plaats moet worden nagegaan of de prijzen van binnenlandse produkten een tendens tot buitensporige daling of buitengewone stijging tegenover de basisprijzen vertoonden.

Teneinde aan te tonen dat in vergelijking tot de basisprijs sprake was van bijzonder lage producentenprijzen, heeft de Commissie een vergelijking gemaakt met de prijzen in het verkoopseizoen 1977-1978. Deze vergelijking is onvolledig en misleidend, aangezien de prijzen in het verkoopseizoen 1977-1978 wegens de zeer geringe produktie buitengewoon hoog waren. Zo de prijzen in het verkoopseizoen 1978-1979 ook onder die van het verkoopseizoen 1976-1977 lagen, dan is dat een teken van de reeds genoemde slechte kwaliteit van de produktie van het jaar 1978-1979.

De Commissie heeft bovendien gezwegen over de voorzienbare ontwikkeling van de prijzen en niets gezegd over het reeds genoemde marketingeffect van de invoer van verse appelen voor opgeslagen produkten.

De eerste voorwaarde van artikel 29 van verordening nr. 1035/72 voor de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen is derhalve niet vervuld.

Artikel 29 verlangt bovendien — en dit is de tweede voorwaarde — dat de ernstige verstoringen van de markt het gevolg zijn van de invoer. Dit betekent dat invoer de voornaamste oorzaak van de ernstige verstoring of van het gevaar van verstoring moet zijn.

De Commissie is niet op dit oorzakelijk verband ingegaan. De hiervóór gemaakte opmerkingen rechtvaardigen bovendien de stelling, dat de appelimporten uit Chili, waarop de vrijwaringsmaatregelen betrekking hadden, volstrekt geen ernstige verstoring van de gemeenschappelijke appelmarkt konden veroorzaken.

Tenslotte mogen vrijwaringsmaatregelen volgens artikel 29 slechts dan worden vastgesteld, indien ernstiger verstoringen dreigen die „de doeleinden van artikel 39 EEG-Verdrag in gevaar kunnen brengen.” In casu zijn slechts drie van die doelstellingen relevant, namelijk

de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren,

de markten te stabiliseren en

de voorziening veilig te stellen, met name voor verbruikers.

De verwezenlijking van deze doelstellingen is door de invoer van Chileense appelen niet in gevaar gebracht, doch integendeel bevorderd.

De door de Commissie vastgestelde vrijwaringsmaatregelen zijn derhalve onrechtmatig in het licht van artikel 29 van verordening nr. 1035/72. Bovendien zijn deze maatregelen ook onrechtmatig wegens inbreuk op het evenredigheidsbeginsel, aangezien zijn niet passend of noodzakelijk waren.

##### 2. Schending van het beginsel dat het gewettigd vertrouwen bescherming verdient

Het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen, dat in het gemeenschapsrecht algemeen wordt erkend, drukt in het bijzonder zijn stempel op artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72, volgens hetwelk bij vrijwaringsmaatregelen „rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap.”

De Commissie is zeer goed op de hoogte van de situatie op de markt van tafelappelen. Reeds aan het eind van het jaar vóór de invoeren weet zij, althans bij benadering, hoe groot de oogst in de Gemeenschap en de te verwachten uitvoer uit derde landen zal zijn. Bovendien weet zij dat de importeurs op dat moment reeds hun leveringsovereenkomsten en — wat Chili betreft — hun vrachtovereenkomsten hebben gesloten. Men zou derhalve mogen verwachten, dat zij op zijn laatst aan het eind van een jaar laat weten of vrijwaringsmaatregelen zijn gepland of niet. Wat de thans in geding zijnde maatregelen betreft, zelfs in de maanden januari en februari 1979 heeft de Commissie niet te kennen gegeven dat zij voornemens was dergelijke maatregelen te nemen.

Gesteld dat de vrijwaringsmaatregel rechtmatig was, dan was de Commissie op grond van haar constante gedragslijn verplicht geweest ook Dürbeck een overgangstermijn toe te staan. De Commissie heeft later inderdaad twee overgangstermijnen toegestaan (waarvan Dürbeck geen gebruik meer kon maken), waarmee zij in principe het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen in een concreet geval heeft erkend.

##### 3. Schending van aritkel 37 van verordening nr. 1035/72 en van de artikelen 39 en 110 EEG-Verdrag

Dürbeck wijst erop, dat volgens artikel 37 van verordening nr. 1035/72 bij de vaststeling van de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit gelijkelijk en op passende wijze rekening moet worden gehouden met de in de artikelen 39 en 110 EEG-Verdrag gestelde doeleinden.

De Commissie heeft niet alleen inbreuk gemaakt op artikel 39, doch ook — en nog flagranter — op artikel 110, eerste alinea, volgens hetwelk de Lid-Staten en de gemeenschapsinstellingen onder meer verplicht zijn bij te dragen aan de geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer, alsmede op artikel 110, tweede alinea, waaruit in wezen de verplichting voortvloeit de gemeenschappelijke markt open te stellen voor derde landen onder voorwaarden die de regels van de mededinging eerbiedigen.

In werkelijkheid heeft de Commissie de invoer van 13000 (8000) ton appelen uit Chili tegengehouden door de toepassing van feitelijk noch rechtens gegronde vrijwaringsmaatregelen. Het is mogelijk dat het de Commissie er in eerste instantie om ging, de landen die met het oog op reeds gesloten contracten niet in vrijwillige beperking konden bewilligen, te laten zien wat hun „mogelijkheden” waren. Dit is echter duidelijk in strijd met artikel 110 EEG-Verdrag.

##### 4. Schending van het discriminatieverbod

Het discriminatieverbod van artikel 40 EEG-Verdrag geldt ook ten aanzien van importeurs, want deze zijn te beschouwen als „verbruikers” van de Gemeenschap in de zin van genoemde bepaling.

Bij de verordeningen nrs. 797/79 van 23 april 1979 en 1152/79 van 12 juni 1979 zijn voor bepaalde importen overgangsregelingen vastgesteld, waarvan Dürbeck, ook een importeur, was uitgesloten. Zij had immers haar leveringscontracten en haar vrachtovereenkomst opgezegd, nadat de Commissie haar in antwoord op haar telexen van 10 en 12 april 1979 had meegedeeld dat zij geen overgangsmaatregelen beoogde.

Gesteld dat de vrijwaringsmaatregel geldig was, dan had de Commissie op zijn minst ervoor moeten zorgen, dat de na 25 april 1979 ingevoerde tafelappelen uit Chili volgens een referentieprocedure eerlijk onder de betrokken importeurs werden verdeeld.

Ook de Commissie der Europese Gemeenschappen acht het nuttig de marktsituatie op het tijdstip van vaststelling van de vrijwaringsmaatregelen te beschrijven. Zij wijst met name op het volgende:

de zeer grote appelproduktie in de Gemeenschap in het verkoopseizoen 1978-1979 (ongeveer 6500000 ton).

de ongewoon grote hoeveelheid opgeslagen appelen per 1 maart 1979 (ongeveer 1500000 ton),

de grote hoeveelheden die uit de markt zijn genomen (90000 ton), en de daardoor vereiste interventiemaatregelen in een aantal Lid-Staten op hetzelfde moment,

de daling van de marktprijzen voor appelen onder de basisprijs, en

de aanzienlijke hoeveelheid appelen (380000 ton) die naar verwachting tussen maart en augustus 1979 uit derde landen in de Gemeenschap zou worden ingevoerd.

Om de gevaarlijke ontwikkeling op de appelenmarkt af te remmen en inzonderheid de kostbare opkoopmaatregelen zoveel mogelijk te beperken, nodigde de Commissie de landen die traditioneel appelen leveren, uit hun uitvoer naar de Gemeenschap vrijwillig te beperken.

Toen Chili het door de Commissie voorgestelde quotum van 42000 ton niet aanvaardde, zag de Commissie zich gedwongen vrijwaringsmaatregelen te nemen tegen de Chileense export.

Toen later bleek dat de totale hoeveelheid uit Chili ingevoerde appelen onder het quotum van 42000 ton zou blijven, heeft de Commissie bij verordening nr. 797/79 en 1152/79 extra importen (zendingen die reeds op weg naar de Gemeenschap waren) toegestaan tot maximaal het toegestane quotum.

Na aldus de achtergrond van de onderhavige zaak te hebben geschetst, gaat de Commissie in op de in de verwijzingsbeschikking weergegeven (en door verzoeker in haar na de memorie van de Commissie ingediende opmerkingen herhaalde) argumenten van Dürbeck met betrekking tot de ongeldigheid van de vrijwaringsmaatregelen.

De Commissie is van mening dat in april/mei 1979 was voldaan aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1035/72.

Door de buitengewoon omvangrijke importen die men in het verkoopseizoen 1978-1979 uit de landen van het zuidelijk halfrond verwachtte, en de grote hoeveelheden opgeslagen appelen van de eigen oogst werd de gemeenschappelijke markt van tafelappelen in april/mei 1979 met ernstige verstoringen bedreigd, die de doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag, inzonderheid de stabilisering van de markt en de verzekering van een redelijk inkomen voor de producenten, in gevaar brachten. Het gevaar bestond namelijk dat bij bijzonder omvangrijke importen de toch al lage prijzen volkomen ineen zouden storten en dat het volstrekt onmogelijk zou worden de grote hoeveelheden opgeslagen appelen zelfs maar gedeeltelijk af te zetten. Hieruit en uit de eerder gegeven beschrijving van de marktsituatie blijkt, dat de Commissie bij de toepassing van artikel 29, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, voldoende rekening heeft gehouden met de in artikel 1 van verordening nr. 2707/72 bedoelde beoordelingscriteria (inzonderheid de omvang van de te verwachten invoer, de op de markt beschikbare hoeveelheden en de vastgestelde prijzen). Zij heeft dus haar beoordelingsvrijheid op passende wijze gebruikt.

Volgens artikel 29, lid 1, tweede alinea, kunnen de krachtens het eerste streepje vastgestelde vrijwaringsmaatregelen slechts worden toegepast „totdat de verstoring opgeheven of het gevaar daarvoor geweken is.”

Volgens de Commissie blijkt echter uit de in het begin van haar memorie genoemde cijfers zeer duidelijk, dat het gevaar voor verstoring tot het einde van het verkoopseizoen 1978-1979 is blijven bestaan. Ook werden nog steeds grote hoeveelheden uit de markt genomen. In totaal moesten namelijk in genoemd verkoopseizoen meer dan 365000 ton appelen uit de markt worden genomen.

De Commissie bestrijdt eveneens dat zij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Zij heeft namelijk alleen vrijwaringsmaatregelen vastgesteld voor zover die noodzakelijk waren, dat wil zeggen met betrekking tot invoer uit Chili, en zij heeft verordening nr. 687/79 tweemaal gewijzigd toen bleek dat het mogelijk was een overgangsregeling vast te stellen teneinde rekening te houden met produkten die reeds op weg waren naar de Gemeenschap of deze reeds hadden bereikt, doch die in de Gemeenschap nog niet in het vrije verkeer waren gebracht.

Alvorens de vrijwaringsmaatregelen vast te stellen, heeft zij de feiten nauwkeurig bestudeerd en deze onder afweging van alle economische en politieke belangen objectief beoordeeld.

Wat de beweerde schending van het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen betreft, bestrijdt de Commissie niet dat vooral reeds gesloten koopovereenkomsten door de vastgestelde vrijwaringsmaatregelen werden getroffen. Alle vrijwaringsmaatregelen zijn echter noodzakelijkerwijze gebaseerd op de gegevens betreffende de te verwachten invoer in de Gemeenschap, welke gegevens onder meer ook betrekking hadden op de hoeveelheden waarvoor reeds contracten waren gesloten. Zou men deze contracten buiten de werkingssfeer van vrijwaringsmaatregelen houden, dan zou dit betekenen dat de in marktverordeningen of in internationale overeenkomsten vastgestede vrijwaringsclausules elke betekenis verliezen. Er kan derhalve geen beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen bestaan dat erop zou neerkomen dat contracten die bij de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen reeds zijn gesloten, door die maatregelen niet kunnen worden geraakt.

De betrokken handel heeft zo'n vergaande bescherming ook niet nodig. Iedere koopman dient er zich immers van bewust te zijn, dat vrijwaringsmaatregelen kunnen worden vastgesteld; hij kan zich dan daartegen beschermen door in zijn contracten een opzeggingsclausule voor dergelijke gevallen op te nemen. Vaak kan hij zich zonder meer op overmacht beroepen om zich aan de overeenkomst te onttrekken.

Daarom dient enkel nog te worden onderzocht of, gezien de omstandigheden van het concrete geval, Dürbecks positie een bijzondere bescherming verdiende, waarmee de Commissie bij het vaststellen van haar maatregelen inzonderheid rekening had moeten houden. Dit is echter niet het geval.

Juist de in juli 1979 voorgenomen invoer per vliegtuig van twee dozen appelen behoefde geen bijzondere bescherming. Het ging daarbij immers om een kleine hoeveelheid, terwijl de invoer plaatsvond langs volstrekt ongebruikelijke weg en op een tijdstip waarop de vastgestelde maatregelen al lang van kracht waren.

Volgens de Commissie dient het Hof in het kader van een prejudiciële procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag enkel de omstandigheden van het concrete geval in zijn beoordeling te betrekken, ook wanneer een van de betrokkenen, zoals Dürbeck bij deze gelegenheid wellicht zal doen, tracht van het Hof een uitspraak uit te lokken over de uitwerking van vrijwaringsmaatregelen in heel andere gevallen.

Zuiver uit voorzorg maakt de Commissie „enige opmerkingen van algemene aard over het probleem van de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de betrokken importeurs van Chileense appelen.” Volgens de Commissie moet een importeur van landbouwprodukten in beginsel de beschermingsclausule van een marktorganisatie zeer goed kennen en derhalve bij het sluiten van overeenkomsten bijzonder voorzichtig zijn, indien hij op dat moment nog niet over voldoende gegevens met betrekking tot de eventuele toepassing van die clausules beschikt. Indien hij zich niet tegen een dergelijk cas verzekert, neemt hij een zakelijk risico en kan hij zich niet op het beginsel inzake bescherming van het gewettigd vertrouwen beroepen.

Hij mag er alleen op vertrouwen dat invoerbeperkingen slechts zullen worden ingesteld wanneer alle voorwaarden, feitelijk en rechtens, die deze vaststelling rechtvaardigen, zijn vervuld. In het onderhavige geval was volledig aan die voorwaarden voldaan.

Wat de schending van het discriminatieverbod betreft, stelt de Commissie in de eerste plaats dat Chileense produkten, gelet op de met andere landen op basis van vrijwilligheid aangegane beperkingsafspraken, niet slechter zijn behandeld dan de produkten van die landen, aangezien dezelfde kortingen zijn toegepast als ten aanzien van andere exporterende landen. Er kan ook niet van discriminatie worden gesproken wanneer bepaalde importen worden toegelaten, terwijl andere, die na uitputting van het aanvaardbare importvolume zouden plaatsvinden, worden geweigerd. Dit is een noodzakelijke consequentie van het evenredigheidsbeginsel.

Bovendien heeft de Commissie zich in dit verband strikt gehouden aan artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72, volgens hetwelk rekening moet worden gehouden met de bijzondere situatie van produkten die reeds op weg zijn naar de Gemeenschap. Dat geen rekening is gehouden met invoer per vliegtuig, vormt tenslotte evenmin discriminatie, aangezien dit soort vervoer voor appelen heel ongebruikelijk is.

Tenslotte meent de Commissie dat Artikel 110 EEG-Verdrag niet meer is dan een intentieverklaring, die geen concrete rechten of plichten doet ontstaan waarop particulieren zich voor de rechter kunnen beroepen. Ook aan de bepalingen van het GATT kan een handelaar volgens de rechtspraak van het Hof geen rechten ontlenen waarop hij zich voor de nationale rechter kan beroepen.

Voor het overige bestrijdt de Commissie dat de vastgestelde vrijwaringsmaatregelen inbreuk maken op artikel 110 EEG-Verdrag. Het gaat hier veeleer om internationaal algemeen gebruikelijke, naar tijd en onderwerp beperkte vrijwaringsmaatregelen voor bepaalde landbouwprodukten. De Commissie heeft bij de vaststelling van deze maatregelen volledig aan haar verplichtingen krachtens het GATT voldaan.

Op grond van bovenstaande opmerkingen geeft de Commissie het Hof in overweging de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

„Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79 van de Commissie kunnen aantasten.”

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 22 januari 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door partij Dürbeck, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack, lid van de juridische dienst, als gemachtigde. De Commissie heeft het Hof medegedeeld dat de speciale groep van het GATT die, op verzoek van Chili en krachtens besluit van de GATT-raad is nagegaan of de handelingen van de Gemeenschap met de GATT-bepalingen in overeenstemming waren, één enkele schending dier bepalingen, van marginaal belang, heeft vastgesteld, waarbij het ging om de keuze der referentiejaren welke ter vaststelling der zelfbeperkingsquota in aanmerking moesten worden genomen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 24 februari 1981 zijn conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 24 maart 1980, ingekomen op 18 april 1980, heeft het Hessische Finanzgericht het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld, betreffende de rechtsgeldigheid van verordening nr. 687/79 van de Commissie van 5 april 1979 (PB L 86 1979 blz. 18), alsook van wijzigingsverordeningen nrs. 797/79 van 23 april 1979 (PB L 101 van 1979, blz. 7) en 1152/79 van 12 juni 1979 (PB L 144 van 1979, blz. 13), waarbij het in het vrije verkeer brengen van uit Chili afkomstige tafelappelen in de Gemeenschap werd geschorst.

2. De vraag is gerezen in een geding tussen een Duitse importeur van fruit uit derde landen en de Duitse douane, en heeft tot inzet de weigering der douane bepaalde partijen tafelappelen van oorsprong uit Chili, in de Bondsrepubliek Duitsland tot het vrije verkeer toe te laten, hetgeen volgens de douane op grond van voormelde verordeningen verboden zou zijn.

#### I — Preliminaire overwegingen

3. Blijkens de verwijzingsbeschikking is het omstreden verbod opgelegd in het kader van de communautaire regeling betreffende de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, zoals die in 's Raads verordening nr. 1035/72 van 18 mei 1972 (PB L 118 van 1972, blz. 1) is voorzien.

4.

Artikel 29, lid 1, eerste alinea, van die verordening, zoals gewijzigd bij 's Raads verordening nr. 2454/72 van 21 november 1972 (PB L 266 van 1972, blz. 1), luidt als volgt:

> „1. In het handelsverkeer met derde landen kunnen passende maatregelen worden toegepast:
>
> —indien in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de in artikel 1 bedoelde produkten (onder meer tafelappelen als bedoeld in tariefnummer 08. 06. A II) als gevolg van invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, welke de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen brengen,
>
> —of indien voor de in bijlage III bis vermelde produkten, de in het kader van de artikelen 18 en 19 verrichte transacties in verband met het uit de markt nemen of het aankopen van een gegeven produkt betrekking hebben op aanzienlijke hoeveelheden.”

Voorts is in lid 2 van het artikel bepaald dat, indien de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, de Commissie, op verzoek van een Lid-Staat of op eigen initiatief, beslist „terzake van de noodzakelijke maatregelen, die aan de Lid-Staten worden medegedeeld en die onmiddellijk van toepassing zijn.”

5.

Ter uitvoering van genoemde bepalingen heeft de Raad op 19 december 1972 verordening nr. 2707/72 „houdende omschrijving van de wijze van toepassing van vrijwaringsmaatregelen in de sector groenten en fruit” (PB L 291 van 1972, blz. 3) vastgesteld. Artikel 1 van die verordening luidt als volgt:

> „Bij de beoordeling of de in artikel 29, lid 1, eerste streepje, van verordening (EEG) nr. 1035/72 bedoelde situatie zich voordoet, wordt inzonderheid rekening gehouden:
>
> a) met de omvang van de werkelijke of de te verwachten uitvoer of invoer,
>
> b) met de beschikbare hoeveelheden op de markt van de Gemeenschap,
>
> c) met de prijzen voor de inheemse produkten, geconstateerd op de markt van de Gemeenschap, of met de te verwachten ontwikkeling van deze prijzen, met name met een tendens tot buitensporige daling of stijging ten opzichte van de basisprijzen, of voor produkten waarvoor geen basisprijs geldt, ten opzichte van de prijzen van de laatste jaren.
>
> d) indien de in de aanhef bedoelde situatie zich voordoet ten gevolge van de invoer:
>
> —met de op de markt van de Gemeenschap geconstateerde prijzen der produkten uit derde landen, met name met een tendens tot buitensporige daling,
>
> —met de hoeveelheden welke uit de markt worden genomen of zouden kunnen worden genomen.”

In artikel 3 der verordening is onder meer het volgende bepaald:

> „1. De maatregelen die krachtens artikel 29, lid 2 en lid 3, van verordening (EEG) nr. 1035/72 kunnen worden genomen, zijn:
>
> —wanneer de toestand, bedoeld in lid 1, eerste streepje, van genoemd artikel zich voordoet, de schorsing van de invoer of de uitvoer, dan wel de inning van heffingen van uitvoer,
>
> ...
>
> 2\. Deze maatregelen mogen slechts worden getroffen voor zover en zolang dit strikt noodzakelijk is.
>
> 3\. Bij de in lid 1 bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de bijzondere situatie van de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap. ... Zij kunnen worden beperkt tot bepaalde herkomsten, ... kwaliteiten, grootteklassen of groepen van variëteiten.
>
> ...”

6. In het voorjaar van 1979 stelde de Commissie vast dat de markt voor tafelappelen in de Gemeenschap zich in een bijzonder precaire situatie bevond, welke toestand nog kon worden verergerd door de te verwachten invoer van tafelappelen uit derde landen, met name van het zuidelijk halfrond, welke importen op 380000 ton werden geschat. In die situatie de voorwaarden van artikel 29, lid 1, eerste streepje, van 's Raads verordening nr. 1035/72 en van artikel 1 van 's Raads verordening nr. 2707/72 vervuld achtende, meende zij van voormelde bepalingen gebruik te moeten maken en, krachtens artikel 29, lid 2, van verordening nr. 1035/72 en artikel 3 van verordening nr. 2707/72, de in die verordeningen bedoelde vrijwaringsmaatregelen te moeten treffen.

7. Alvorens die maatregelen, met inbegrip van de schorsing van de invoer uit derde landen, te nemen, heeft de Commissie evenwel begin maart 1979 vooreerst geprobeerd de voornaamste exporteurenlanden van het zuidelijk halfrond te bewegen tot een vrijwillige beperking van hun eigen exporten naaide Gemeenschap, waardoor de te verwachten exporten in hun geheel van 380000 ton tot 310000 ton konden worden teruggebracht, hetgeen, ten opzichte van de importen waaraan voor het lopende verkoopseizoen werd gedacht, neerkwam op een vermindering van ten naaste bij 18 % en ten opzichte van het gemiddelde van de importen de laatste drie jaren, op een vermindering van ongeveer 5 %. Een beperking tot het gemiddelde van de laatste drie jaren zou voor Chili, dat zich voorstelde ten naaste bij 75000 naar de Gemeenschap te exporteren, hebben betekend dat er slechts 42000 ton kon worden geëxporteerd.

8. Met Zuid-Afrika, Argentinië, Australië en Nieuw-Zeeland werd een akkoord bereikt. Chili betoogde evenwel dat er voor zeer veel grotere hoeveelheden appelen reeds exportcontracten waren afgesloten en stond erop om, in plaats van de voorgestelde 42000 ton, 55000 ton naar de Gemeenschap te exporteren.

9. Op grond van haar vaststelling dat er met Chili geen akkoord kon worden bereikt en gelet op de inlichtingen waarover zij beschikte met betrekking tot de waren welke uit dat land reeds onderweg waren, heeft de Commissie bij verordening nr. 687/79 van 5 april 1979 (PB L 86 van 1979, blz. 18) „vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van tafelappelen van oorsprong uit Chili” vastgesteld, waardoor die importen tot 42000 ton beperkt konden blijven.

10.

In artikel 1 dier verordening is bepaald :

> „Het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van appelen van post 08. 06. All van het gemeenschappelijk douanetarief en van oorsprong uit Chili is geschorst gedurende de periode van 25 april tot en met 15 augustus 1979.”

Op 6 april 1979 verklaarde de Commissie zich jegens de Chileense regering bereid bedoelde maatregelen opnieuw in overweging te nemen, indien mocht blijken dat het aan Chili toegekende quotum van 42000 ton per 25 april niet zou zijn bereikt.

11. Tenslotte heeft de vertegenwoordiging van Chili de Commissie op 17 april 1979 medegedeeld, dat drie schepen met een lading van 6400 ton, die bij vroegere schattingen in aanmerking waren genomen, niet voor 25 april 1979 een communautaire haven konden hebben bereikt, hetgeen de Commissie aanleiding gaf om op 25 april 1979 verordening (EEG) nr. 797/79 vast te stellen, waarbij de in verordening nr. 687/79 voorziene vrijwaringsmaatregelen zijn gewijzigd en artikel 1 dier verordening is aangevuld met een tweede alinea, volgens welke het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van appelen, vervoerd met schepen die Chili uiterlijk op 12 april 1979, met bestemming een communautaire haven, hadden verlaten, pas vanaf 5 mei 1979 werd geschorst.

12. Op 5 mei 1979 stelde de Commissie vast dat bepaalde ladingen, vermeld op de lijst van de Chileense autoriteiten, niet voor de markt van de Gemeenschap bestemd waren en dat er van de aan Chili toegestane hoeveelheden slechts 38600 ton waren geïmporteerd. De Commissie wist bovendien dat twee schepen met een lading van ongeveer 3800 ton tussen 5 en 19 mei 1979 havens van de Gemeenschap hadden bereikt en dat de waar in het entrepot van de douane was opgeslagen, op grond van welk een en ander zij op 12 juni 1979 verordening nr. 1152/79 vaststelde, waarbij verordening nr. 687/79, houdende vrijwaringsmaatregelen voor de invoer van tafelappelen uit Chili, ten tweeden male werd gewijzigd en de tweede alinea van artikel 1 van verordening nr. 687/79 werd vervangen door een nieuwe bepaling, volgens welke voor appelen, vervoerd met schepen die vóór 19 mei 1979 een communautaire haven hadden bereikt, de datum met ingang waarvan het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap was geschorst, tot 17 juni 1979 werd opgeschort.

13. De als eiseres in het bodemgeschil optredende firma Anton Dürbeck, gespecialiseerd in de invoer van en de groothandel in groenten en fruit, had contracten voor de invoer van ongeveer 300000 kisten appelen uit Chili afgesloten, van welke hoeveelheid er bij vaststelling van verordening nr. 687/79 van de Commissie, dat wil zeggen op 5 april 1979, 180000 kisten waren geïmporteerd. Het schip met het resterend kwantum had Chili tussen 18 en 20 april 1979 moeten verlaten, maar op grond van de door de Commissie getroffen maatregelen, alsook omdat de Commissie geen gevolg had gegeven aan op 10 en 12 april 1979 per telex tot haar gerichte verzoeken, een hoeveelheid van 2000 ton betreffende, annuleerde eiseres in het bodemgeschil voor bedoeld kwantum koopcontract en charterpartij.

14. Op 25 juli 1979 bracht zij per vliegtuig twee dozen tafelappelen uit Chili, met een gewicht van 45 kg, de Bondsrepubliek Duitsland binnen en verzocht zij de Duitse autoriteiten om toelating van de waar in het vrije verkeer. De douane beschikte afwijzend op dit verzoek, met verwijzing naar de vrijwaringsmaatregelen, door de Gemeenschap in verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79 van de Commissie genomen ten aanzien van de invoer van tafelappelen uit Chili.

15.

Eiseres in het bodemgeschil bestreed deze beslissing bij het Hessische Finanzgericht, met name stellende dat de rechtsgrondslag der beslissing, die in voormelde verordeningen zou zijn te zoeken, ondeugdelijk was, omdat de verordeningen zouden zijn vastgesteld in strijd met verordeningen nrs. 1035/72 en 2707/72 van de Raad, met artikel 110 van het Verdrag en de GATT-bepalingen, alsook met het beginsel volgens hetwelk het gewettigd vertrouwen bescherming verdient, en met het discriminatieverbod. Juist teneinde hieromtrent een uitspraak uit te lokken, heeft het Finanzgericht het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:

> „Is verordening (EEG) nr. 687/79 van de Commissie van 5 april 1979 (PB L 86 van 1979, blz 18) juncto de wijzingsverordeningen nrs. 797/79 van 23 april 1979 (PB L 101 van 1979, blz. 7) en 1152/79 van 12 juni 1979 (PB L 144 van 1979, blz. 13) rechtsgeldig?”

16. Op 13 juli 1979 heeft de Chileense regering, in het kader van het GATT en overeenkomstig artikel 23 van het GATT, consultaties aangevraagd, aangaande welke aangelegenheid eiseres in het bodemgeschil en de Commissie tijdens de mondelinge behandeling voor het Hof hun standpunt hebben bepaald.

#### II — Bespreking van de gestelde vraag

17.

Uit de redengeving van de verwijzingsbeschikking en de tijdens de behandeling verschafte gegevens, blijkt dat het Hof zich in casu heeft uit te spreken over de vraag of verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79, als rechtsgeldig zijn te beschouwen, waartoe met name dient te worden nagegaan of zij:

—in strijd komen met artikel 190 van het Verdrag, omdat zij in de zin dier bepaling onvoldoende met redenen zijn omkleed;

—in strijd komen met artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1035/72 van de Raad, alsook met de artikelen 1-3 van verordening nr. 2707/72 van de Raad;

—in strijd komen met artikel 110 van het Verdrag en de GATT-bepalingen;

—een miskenning inhouden van het algemeen beginsel, volgens hetwelk het gewettigd vertrouwen bescherming verdient en van het non-discriminatie-beginsel.

##### a) De redengeving van verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79

18. Met betrekking tot de redengeving der hierbedoelde verordeningen is de vraag opgeworpen of het als een vormfout is te beschouwen dat in de considerans van verordening nr. 687/79 geen melding is gemaakt van verordening nr. 1035/72 en niet naar verordening nr. 2707/72 is verwezen, vormfout welke krachtens artikel 190 van het Verdrag, de verordening en, eo ipso, de wijzigingsverordeningen nrs. 797/79 en 1152/79, onrechtsgeldig zou maken.

19. Bij lezing van de considerans van verordening nr. 687/79, en wel met name van haar eerste overweging, blijkt de rechtsgrondslag der verordening, met verwijzing naar artikel 29 van verordening nr. 1035/72, te zijn omschreven, zijnde in lid 1, eerste alinea, van laatstgenoemde verordening vastgelegd in welke omstandigheden er van de Commissie een ingrijpen, eventueel in de vorm van vrijwaringsmaatregelen, mag worden verwacht, terwijl in de tweede alinea nader is bepaald dat de Raad, op voorstel van de Commissie, „nadere regelen voor de toepassing van dit lid” vaststelt.

20. Waar verordening nr. 2707/72 er bepaaldelijk op gericht is de voorwaarden vast te leggen waaronder verordening nr. 1035/72 tot toepassing kan komen, is in casu de in verordening nr. 687/79 van de Commissie voorkomende verwijzing naar artikel 29 van verordening nr. 1035/72, wat eerstbedoelde verordening betreft, als een voldoende redengeving te beschouwen, immers belanghebbenden worden in staat gesteld zich te vergewissen van de feiten en omstandigheden, door de Commissie bij het vaststellen der omstreden vrijwaringsmaatregelen in aanmerking genomen.

##### b) Schending van artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1035/72, en van de artikelen 1-3 van verordening nr. 2707/72

21. In casu staat vast dat de door de Commissie getroffen vrijwaringsmaatregelen zijn te rekenen tot de maatregelen welke, volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2707/72, met toepassing van artikel 29 van verordening nr. 1035/72, kunnen worden genomen, wanneer de in lid 1, eerste streepje, van dat artikel bedoelde situatie zich voordoet, hetgeen wil zeggen dat „in de Gemeenschap de markt voor één of meer van de in artikel 1 bedoelde produkten als gevolg van invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, welke de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen brengen.”

22.

Artikel 1 van verordening nr. 2707/72 noemt met zoveel woorden de feiten en omstandigheden welke de Commissie, ter beoordeling of zulk een situatie zich voordoet, in aanmerking heeft te nemen. Artikel 2 der verordening betreft een andere situatie dan de onderhavige, en kan derhalve buiten beschouwing blijven. Volgens genoemd artikel 1 had de Commissie, bij het nemen der omstreden vrijwaringsmaatregelen, de situatie op de betrokken markt te beoordelen, met in aanmerkingneming van

a) de omvang van de werkelijke of te verwachten importen of exporten,

b) de hoeveelheden produkten waarover de markten van de Gemeenschap konden beschikken,

c) de prijzen van de inheemse produkten c.q. de verwachten ontwikkeling van de prijzen, waarbij met name diende te worden gelet op een tendens tot buitensporige daling of stijging ten opzichte van de basisprijzen, alsook

d) de op de markt van de Gemeenschap geconstateerde prijzen der produkten uit derde landen, waarbij met name diende te worden gelet op een tendens tot buitensporige daling, en voorts de hoeveelheden welke uit de markt werden genomen of zouden kunnen worden genomen.

23. Met inaanmerkingneming van een en ander dient derhalve te worden onderzocht of verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79 zich verdragen met de verbodsbepalingen van artikel 29, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 1035/72 en de artikelen 1-3 van verordening nr. 2707/72.

24. Daartoe dient allereerst te worden nagegaan of de Commissie, toen tot voormelde maatregelen werd besloten, met inaanmerkingneming van de situatie welke zich, wat de beschikbare hoeveelheden der hierbedoelde produkten betreft, voordeed, een juist gebruik van haar discretionaire bevoegdheid heeft gemaakt.

25. Vaststaat dat de beschikbare hoeveelheden in het voorjaar van 1979 aanzienlijk waren. Hun omvang dient te worden bezien zowel in verband met de hoeveelheden afkomstig van de oogst 1978/1979, vergeleken met die uit eerdere oogsten, alsook in verband met de destijds opgeslagen hoeveelheden ten aanzien waarvan er interventiemaatregelen waren genomen. Uit de gegevens betreffende de oogst 1978/1979 blijkt allereerst dat de cijfers betreffende die oogst, geraamd op 6661000 ton, niet daalden, doch ten opzichte van de oogst 1977/1978 een stijging van ongeveer 30 % te zien gaven.

26. Weliswaar mag er, tot beoordeling van de marktsituatie, ontegenzeglijk alleen worden gelet op produkten die voldoen aan de kwaliteitsnormen van de gemeenschappelijke ordening der markten, omdat alleen zulke produkten kunnen worden verhandeld en ook die produkten alleen het voorwerp van interventiemaatregelen kunnen uitmaken, maar niet is gebleken dat de hoeveelheden appelen die niet aan bedoelde eisen voldeden, in het verkoopseizoen 1978/1979, erg afweken van de hoeveelheden waarmede dit in eerdere verkoopseizoenen het geval was, dan wel dat producenten of handelaren het grootste gedeelte van hun opslagcapaciteit benutten om produkten te bewaren die niet konden worden verhandeld en ook niet het voorwerp van interventiemaatregelen konden uitmaken, en evenmin dat er bij de uitvoering van de communautaire opslagmaatregelen misbruiken of wezenlijke fouten zijn begaan.

27. Oordelende over de omvang van de hoeveelheden tafelappelen die er op de markt van de Gemeenschap in het voorjaar van 1979 beschikbaar waren, moest de Commissie, behalve op de in bedoeld verkoopseizoen geoogste hoeveelheden, ook letten op de hoeveelheden die in koelhuizen waren opgeslagen, hetzij in het kader van interventiemaatregelen, hetzij door particulieren. Uit de ten processe overgelegde cijfers blijkt dat de opgeslagen tafelappelen per 1 maart 1979 een hoeveelheid van ongeveer 1500000 ton hadden bereikt, hetgeen ten opzichte van hetzelfde tijdstip van 1977 onderscheidenlijk 1978, een toename van omstreeks 18 % respectievelijk omstreeks 40 % inhield. Daargelaten of er in zulke cijfers alleen rekening is gehouden met de in koelhuizen opgeslagen produkten — en met produkten die aan de kwaliteitsnormen voldoen —, de cijfers betreffende de voorraden van voorjaar 1979 doen, wanneer men ze voorts in verband brengt met de ontwikkeling van de inheemse produktie, steeds ernstiger moeilijkheden bij de afzet van inheemse tafelappelen op de markt van de Gemeenschap aan den dag treden.

28. Zowel vanwege de tendens waarvan destijds met betrekking tot de inheemse prijzen mocht worden gesproken als vanwege de omvang waarin er in het voorjaar van 1979 partijen uit de markt werden genomen — en waarin dat voor de toekomst mocht worden verwacht —, konden die moeilijkheden er bovendien alleen maar erger op worden.

29. Wat het eerste punt betreft: uit de gegevens die het Hof tijdens de mondelinge behandeling werden verschaft, blijkt dat de marktprijzen, op de meeste nationale markten van de Gemeenschap, in februariapril 1979 waren gelegen onder de basisprijs, die op grond van de ontwikkeling van het gemiddelde van de prijzen, in de drie laatste jaren op de representatieve markten der Gemeenschap vastgesteld, overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 1035/72 was vastgesteld op 21,26 ERE. Voorts leert vergelijking van de prijzen der hierbedoelde drie verkoopseizoenen, dat zij in maart 1979 op de meeste nationale markten van de Gemeenschap niet het niveau van de voorafgaande verkoopseizoenen hadden bereikt, maar duidelijk in neerwaartse richting tendeerden, zodat de afzetmoeilijkheden voor de hierbedoelde produkten werden verzwaard, tot verder ernstig nadeel voor de toch al erg moeilijke opslagsituatie.

30. Wat het tweede punt betreft: uit voormelde gegevens blijkt ook, dat de uit de markt genomen hoeveelheden op 1 maart 1979 op 90000 ton waren komen te liggen en op 1 april 1979 boven de 143512 ton, waaruit van een snelle toeneming blijkt, terwijl er in 1978 nog geen 2450 ton en in 1977 niet meer dan 115000 ton uit de markt was genomen. Uitgaande van de cijfers betreffende de voorafgegane verkoopseizoenen, mocht dus redelijkerwijze worden verwacht dat er nog veel grotere hoeveelheden uit de markt zouden worden genomen, hetgeen de hachelijke situatie op de betrokken markt in zorgwekkende mate zou verergeren.

31. Ontegenzeglijk mocht de Commissie het er in die omstandigheden voor houden dat de situatie op de hierbedoelde markt als gevolg van de omvang der importen c.q. te verwachten importen van de betrokken produkten uit derde landen een ernstige verslechtering dreigden te ondergaan, welke verslechtering kon neerkomen op een verstoring die de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kon brengen.

32. Wat betreft het te verwachten importvolume: blijkens het dossier mocht er voor het tijdvak maartaugustus 1979 met importen van herkomst uit de voornaamste landen van het zuidelijk halfrond in een orde van grootte van 380000 ton worden gerekend, hetgeen zelfs ten opzichte van het voorafgaande jaar — met een bijzonder slechte oogst aan binnenlandse appelen — een stijging van de importen zou hebben betekend.

33. Ook al moet worden toegegeven dat de kwaliteit van de in bedoeld tijdvak ingevoerde appelen die van binnenlandse appelen te boven ging, het kwaliteitsverschil was niet van dien aard dat de beide categorieën van appelen elkander niet ruimschoots konden vervangen.

34. Ook het door eiseres in het hoofdgeding aangevoerde argument, dat het aanbod van ingevoerde appelen de verkoop van binnenlandse appelen had kunnen bevorderen, gaat niet op : aangenomen dat zulk effect zich voordoet, dan kan het slechts van voorlopige aard zijn; invoeren van herkomst uit derde landen trekken op den duur de vraag aan, die anders naar produkten uit het land zelf zou zijn uitgegaan.

35. Gelet op de hoeveelheden inheemse tafelappelen die er in de Gemeenschap aan de markt kwaren, zowel uit de oogst 1978/1979 als uit de koelhuizen van de communautaire entrepots en van pariculieren, gezien de te verwachten interventies en de ontwikkeling der prijzen in aanmerking genomen, heeft het er dan ook niet de schijn van dat de Commissie, aannemende dat een op 380000 ton geschat volume van de importen uit de landen van het zuidelijk halfrond, de moeilijkheden op die markt wezenlijk kon verzwaren en aldaar dreigde te leiden tot een ernstige verstoring, in de zin van artikel 29 van verordening nr. 1035/72, waardoor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag, en wel met name die van de doeleinden onder de letters a), b) en c) dier bepaling omschreven, in gevaar kon worden gebracht, de werkelijke situatie op de betrokken markt ernstig heeft miskend.

36. Dat de omstreden, bij verordening nr. 687/79 vastgestelde vrijwaringsmaatregelen tweemaal, te weten bij verordeningen nrs. 797/79 en 1152/79, zijn gewijzigd, is niet te beschouwen als een aanwijzing dat de Commissie de in het voorjaar van 1979 bestaande marktsituatie onvolledig of onjuist heeft beoordeeld. Blijkens de consideransen dier verordeningen, zijn de wijzigingen alleen toe te schrijven aan het feit dat men inmiddels nauwkeuriger op de hoogte was gekomen van de tot het voor Chili vastgestelde invoercontingent te rekenen, werkelijk verscheepte hoeveelheden, die ook inderdaad in de Gemeenschap in het vrije verkeer zouden worden gebracht.

37. Dat de Commissie, ondanks het feit dat de oogst nog groter was dan in 1978/1979, voor het verkoopseizoen 1979/1980 geen enkele vrijwaringsmaatregel heeft vastgesteld, kan ook niet de doorslag geven als het erom gaat of de Commissie de situatie met juistheid heeft beoordeeld; zulk een beoordeling houdt uitsluitend verband met de marktsituatie en de marktbehoeften, zoals die in het voorjaar van 1979 aan de dag traden, en kan niet geschieden aan de hand van gegevens, ontleend aan de marktsituatie die zich in een later verkoopseizoen voordeed.

38. Voor een situatie als hiervoor werd onderzocht, is in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2707/72, als een der maatregelen die met toepassing van artikel 29, leden 2 en 3, van verordening nr. 1035/72, kunnen worden genomen, met zoveel woorden voorzien een schorsing van invoer of uitvoer dan wel de inning van heffingen bij uitvoer.

39. De poging, door de Commissie vóór schorsing van de importen uit Chili ondernomen om de uitvoerlanden in een vrijwillige beperking van hun exporten naar de Gemeenschap te doen bewilligen, is, aan genoemd artikel getoetst, niet als gemeenschapsrechtelijk onaanvaardbaar te beschouwen, omdat er uit spreekt dat de Gemeenschap, ofschoon krachtens artikel 3 van verordening nr. 2707/72 bevoegd dwangmaatregelen als de onderhavige vast te stellen, zich inspanningen getroost om er pas in laatste instantie toe over te gaan.

40. Die poging is temeer gerechtvaardigd, waar aan verordening nr. 2707/72, volgens welks artikel 3, lid 2, de mogelijkerwijs door de Commissie genomen vrijwaringsmaatregelen „slechts \[mogen\] worden genomen voor zover en voor zolang dit strikt noodzakelijk is”, kan worden afgelezen dat de Commissie, de voorwaarden voor toepassing van zulke maatregelen vervuld achtende, zich moet laten leiden door het evenredigheidsbeginsel, dat aan de communautaire orde ten grondslag ligt.

41. Dat de Commissie bij vaststelling van verordeningen nrs. 797/79 en 1152/79, waarbij verordening nr. 687/79 werd gewijzigd, slechts acht heeft geslagen op waren die Chili hadden verlaten, doch niet op waren die nog werden ingeladen, houdt ten aanzien van laatstbedoelde waren geen schending van het evenredigheidsbeginsel in. In artikel 3, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2707/72 wordt gezegd dat er bij het nemen van vrijwaringsmaatregelen rekening moet worden gehouden met de bijzondere situatie van produkten die „onderweg” zijn. Dat de Commissie in verordeningen nrs. 797/79 en 1152/79 uitsluitend rekening heeft gehouden met waren die op het tijdstip waarop tot de omstreden vrijwaringsmaatregelen werd besloten, reeds werden verscheept, houdt een juiste toepassing in van verordening nr. 2707/72, waaraan de Commissie alleen een ruime uitlegging mocht geven wanneer er voor de doeltreffendheid der besloten vrijwaringsmaatregelen geen risico aan verbonden was.

##### c) De schending van artikel 110 van het Verdrag en de GATT-bepalingen

42. Anderzijds worden de omstreden vrijwaringsmaatregelen gewraakt omdat zij, voor zover schorsing van de invoer uit derde landen inhoudende, in strijd zouden komen met het in artikel 110 van het Verdrag omschreven hoofdbeginsel van het gemeenschappelijk handelsbeleid, waarnaar in artikel 37 van verordening nr. 1035/72 met zoveel woorden wordt verwezen.

43. Er zij in dit verband aan herinnerd dat verordening nr. 1035/72, naar luid van genoemd artikel 37, „zodanig \[moet\] worden toegepast dat gelijkelijk en op passende wijze rekening wordt gehouden met de in de artikelen 39 en 110 van het Verdrag gestelde doeleinden.” Uit deze tweeledige verwijzing blijkt dat de verordening bedoeld is om een redelijk evenwicht te handhaven tussen de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de belangen van de wereldhandel, waaraan in artikel 110 wordt gerefereerd.

44. De bepaling van artikel 110 van het Verdrag, volgens hetwelk de Lid-Staten „beogen ... een bijdrage, in overeenstemming met het gemeenschappelijk belang, te leveren tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, de gelijdelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer en de verlagingen van de tariefmuren”, is niet in die zin te verstaan dat het aan de Gemeenschap, wil zij het Verdrag niet schenden, verboden zou zijn maatregelen te treffen welke het handelsverkeer met derde landen kunnen raken, zelfs wanneer zulk een maatregel, als in casu, geboden is omdat de markt van de Gemeenschap het risico loopt van een ernstige verstoring waardoor de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kan komen, terwijl de maatregel ook rechtens een rechtvaardiging vindt in de bepalingen van het gemeenschapsrecht.

45. De rechtsgeldigheid van zulke vrijwaringsmaatregelen kan in casu al evenmin worden aangevochten met het door eiseres in het hoofdgeding aangedragen argument dat zij in strijd zouden komen met de verbintenissen, door de Gemeenschap aangegaan in het kader van het GATT.

46. Blijkens de onweersproken gebleven toelichtingen, door de Commissie tijdens de mondelinge behandeling verstrekt, heeft de in het kader van het GATT optredende werkgroep, die de overeenstemming van de de handelingen der Gemeenschap met die overeenkomst heeft na te gaan, vastgesteld dat de Gemeenschap noch artikel 1 noch artikel 2 van de overeenkomst heeft geschonden. De werkgroep heeft er de Gemeenschap alleen een verwijt van gemaakt dat zij, in het kader van genoemde maatregelen, het jaar 1976, en niet het jaar 1975, als derde referentiejaar heeft aangehouden. Dat aan de Gemeenschap een dergelijk verwijt wordt gemaakt, is niet te beschouwen als een omstandigheid welke ertoe kan leiden dat bedoelde maatregelen als niet rechtsgeldig zijn te beschouwen. Trouwens, uit de toelichting der Commissie blijkt dat het in aanmerking nemen van het jaar 1975 de grenzen, aan de Chileense importcontingenten gesteld, niet wezenlijk zou hebben gewijzigd: zij zou op 42600 ton zijn komen te liggen, in plaats van op de 42000 ton waarop zij, uitgaande van het jaar 1976, werden becijferd.

##### d) De schending van het beginsel dat het gewettigd vertrouwen bescherming verdient

47. Voorts had het Hof zich te buigen over de vraag of de Commissie in casu in strijd is gekomen met het beginsel volgens hetwelk het gewettigd vertrouwen bescherming verdient, en wel omdat zij de omstreden vrijwaringsmaatregel te laat zou hebben genomen, namelijk nadat de betrokken importeurs de leveringscontracten en bevrachtingsovereenkomsten hadden afgesloten, terwijl er al evenmin — ten behoeve van de importeurs — overgangsmaatregelen werden getroffen.

48. Behoort het beginsel, volgens hetwelk het gewettigd vertrouwen bescherming verdient, naar het Hof recentelijk heeft uitgesproken in het arrest, op 16 mei 1979 gewezen in de zaak 84/78 (Tomadini, Jurispr. 1979, blz. 1801), tot de grondbeginselen van de Gemeenschap, het is „niet mogelijk aan dit beginsel een dusdanige ruime draagwijdte te geven dat een nieuwe regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan en waarin geen verplichtingen jegens de overheid zijn aangegaan.” Met name is dit volgens het Hof „het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie in de verschillende landbouwsectoren.”

49. Juist uit de voorwaarden waaronder, in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2707/72, vrijwaringsmaatregelen gerechtvaardigd kunnen zijn, blijkt van de noodzaak van zulk een aanpassing, welke de gemeenschappelijke ordening in staat stelt het gevaar van een ernstige verstoring welke de verwezenlijking van de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kan brengen, af te wenden.

50. Voorts zouden, in aanmerking genomen de behoeften waarin de schorsing van de invoer voorzag, tijdelijke maatregelen welke reeds aangegane contracten zouden hebben ontzien, aan de vrijwaringsmaatregel in de praktijk ieder effect hebben ontnomen, immers de communautaire markt voor tafelappelen zou zijn geopend voor een importvolume dat die markt in gevaar kon brengen.

##### e) De schending van het discriminatieverbod

51. Ten processe is de vraag gesteld of verordeningen nrs. 797/79 en 1152/79 niet in strijd komen met het discriminatieverbod, zoals dat voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid is omschreven in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag, omdat zij niet gelden voor de importen waarop eiseres in het bodemgeschil, blijkens haar verzoek, bedoelde maatregelen bij wege van uitzondering niet had willen zien toegepast.

52. Naar hiervoor werd overwogen, zijn verordeningen nrs. 797/79 en 1152/79 er niet op gericht een uitzondering op de omstreden vrijwaringsmaatregelen mogelijk te maken voor de tot invoer in de Gemeenschap toegelaten hoeveelheden Chileense tafelappelen, doch bieden zij slechts de mogelijkheid de toepassing der maatregel aan te passen wanneer het gaat om waren welke, op het tijdstip waarop de maatregelen in werking traden, „onderweg” waren in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2707/72.

53. Het is dan ook met artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2707/72 in overeenstemming, dat de Commissie in de omstandigheden slechts acht heeft geslagen op waren welke op 12 april 1979 reeds werden verscheept, dat wil zeggen niet op waren die toen nog niet een Chileense haven hadden verlaten.

54. Waar de situatie waarin laatstgenoemde waren zich, voor wat artikel 3, lid 2, der verordening betreft, bevonden, niet kan worden vergeleken met die van waren welke, in de zin van genoemde bepaling, „onderweg” waren, kan geen met het Verdrag strijdige discriminatie gelegen worden geacht in het feit dat er niet voor werd zorg gedragen dat ook een situatie als hierbedoeld, door de omstreden verordeningen nrs. 797/79 en 1152/79 werd bestreken.

55. Integendeel, door de regeling ook te doen gelden voor importen, zelfs van beperkte omvang, van herkomst uit een land dat niet wilde weten van de door de Commissie voorgestelde clausule volgens welke het zijn exporten vrijwillig zou hebben beperkt, zou er discriminerend zijn gehandeld jegens de andere landen van het zuidelijk halfrond, die zulk een clausule aanvaardden, en zou ook de naleving der door die landen aangegane verbintenissen in gevaar zijn gebracht.

56. Om al deze redenen dient aan de nationale rechter te worden geantwoord, dat bij onderzoek naar de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden welke aan de rechtsgeldigheid van verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79 der Commissie afbreuk kunnen doen.

#### Kosten

De kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen aan het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Waar de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een voor de nationale rechter gerezen incident is te beschouwen, heeft deze laatste over de kosten te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende inzake de vraag, door het Hessische Finanzgericht bij beschikking van 24 maart 1980 gesteld, verklaart voor recht:

Bij onderzoek naar de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden welke aan de rechtsgeldigheid van verordeningen nrs. 687/79, 797/79 en 1152/79 van de Commissie afbreuk kunnen doen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

12

verordening 1035/72 art. 29 18 voorkomens

verordening 2707/72 art. 3 12 voorkomens

EEG-Verdrag art. 39 7 voorkomens

EEG-Verdrag art. 110 6 voorkomens

verordening 2707/72 art. 1 4 voorkomens

verordening 1035/72 art. 37 3 voorkomens

verordening 2707/72 art. 1-3 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 40 2 voorkomens

verordening 2707/72 art. 2 2 voorkomens

verordening 687/79 art. 1 2 voorkomens

verordening 1035/72 art. 16 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Jacobs C-312/91 22.04.1993

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 36](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-312-91-conclusie)

## Rechtsleer

2

Bronckers, M.C.E.J.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1982 p.185-190

Bronckers, M.C.E.J.: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.553-557
