Arrest van het Hof van 18 mei 1977, 111/76 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 111/76 ECLI:EU:C:1977:83 18 mei 1977

Zoeken

Arrest van het Hof van 18 mei 1977, 111/76EEG-Verdrag art. 30-37, verordening 123/67 art. 2

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-111-76-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
111/76
ECLI
ECLI:EU:C:1977:83
Datum
18 mei 1977

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Gerechtshof te Amsterdam, economische kamer (Nederland) beslissing van 28 oktober 1976 7/76
Zaak ingediend op
24 november 1976
Advocaat-generaal
Mayras
Nationale beslissing na het arrest
Gerechtshof Amsterdam, economische kamer beslissing van 23 juni 1977 539/77 - EC 5/76

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Nederlands
Jurisprudentie
Jurispr. 1977, blz. 901
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Mertens de Wilmars
Repertorium van het Hof

Tekst

64 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat het verwijzingsarrest en de krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en het procesverloop

Verdachte in het hoofdgeding, die een pluimveeslachterij exploiteert, is strafrechtelijk vervolgd en in eerste instantie door de economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Haarlem veroordeeld wegens overtreding van artikel 2, lid 1, van de verordening Produktie slachtpluimveesector 1974. Om een oplossing te vinden voor de sterke daling van de prijzen van slachtpluimvee, veroorzaakt door overproduktie in 1974, was het ingevolge genoemde bepaling de exploitant van een pluimveeslachterij verboden in de periode van 1 juli 1974 tot 1 januari 1975 meer slachtkuikens te slachten dan overeenkwam met het aantal kilogrammen levend gewicht, welke het Produktschap voor Pluimvee en Eieren aan het betrokken bedrijf had toegewezen. De Officier van Justitie is van het vonnis van de economische politierechter in beroep gekomen, omdat hij na 's Hofs arrest van 30 oktober 1974 (zaak 190/73, Van Haaster, Jurispr. 1974, blz. 1123) twijfel had opgevat aan de verenigbaarheid van de verordening van het Produktschap met het communautaire recht. De gemeenschapsbepalingen waarop mogelijkerwijs inbreuk is gemaakt, zijn enerzijds verordening 123/67/EEG van 13 juni 1967 (PB 1967, blz. 2301) houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, en anderzijds de artikelen 30-37 EEG-Verdrag betreffende de afschaffing van kwantitatieve beperkingen tussen de Lid staten. Verordening 123/67 voorziet in een stelsel van invoerheffingen en uitvoerrestituties, doch niet in interventiemaatregelen. Ingevolge artikel 2 evenwel kan de Raad maatregelen vaststellen „ten einde de initiatieven van het betrokken bedrijfsleven aan te moedigen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, uitgezonderd de initiatieven tot het uit de markt nemen van produkten.”

In hoger beroep heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 28 oktober 1976, ingeschreven ter griffie van het Hof op 24 november 1976, het Hof verzocht uitspraak te doen omtrent de navolgende vraag:

„Moet de regeling vervat in de verordening Produktie slachtpluimveesector 1974 van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren, worden beschouwd als strijdig met verordening 123/67/EEG van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 13 juni 1967, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, of met de artikelen 30-37 EEG-Verdrag?”

De Commissie en de Nederlandse Regering hebben krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) schriftelijke opmerkingen ingediend.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG)

A — Opmerkingen van de Commissie

Alvorens in te gaan op de gestelde vraag, bespreekt de Commissie de gemeenschapsregeling voor de sector slachtpluimvee, de marktsituatie in 1974 en de toepasselijke Nederlandse bepalingen.

— De gemeenschapsregeling

Kenmerkend voor verordening 123/67/ EEG van de Raad van 13 juni 1967, houdende een gemeenschappelijke ordening van de markten in de sector slachtpluimvee, is het ontbreken van interventiemaatregelen. Zowel de Raad zelf als de Commissie (zie haar voorstel van 23 januari 1967) was van mening dat de instelling van een interventiemechanisme in eigenlijke zin niet gewenst was: a) omdat het een produktie betrof die niet gepaard gaat met bodemgebruik; b) omdat de produktie- en commercialisatie-structuur en -techniek in de betrokken sector, met name ten gevolge van concentratie van de ondernemingen, steeds meer „industriële” trekken gingen vertonen; en c) vanwege de bijzondere opbouw van de produktiekosten. De variabele kosten bedragen immers 74-80 % van de totale kosten, zodat een produktievermindering wegens het teruglopen van de vraag automatisch tot een vermindering van de variabele kosten leidt.

Artikel 2, lid 1, van verordening 123/67 biedt de Raad evenwel de mogelijkheid gemeenschapsmaatregelen vast te stellen „ten einde de initiatieven van het betrokken bedrijfsleven aan te moedigen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, uitgezonderd de initiatieven tot het uit de markt nemen van produkten”. Dergelijke gemeenschapsmaatregelen zijn tot nu toe echter uitgebleven.

— De marktsituatie in 1974

De vergroting van de produktie leidde in 1974 tot een daling van de prijzen, waardoor in de slachtpluimveehouderij verliezen werden geleden.

Ter verbetering van deze situatie heeft de Commissie in 1974 hogere uitvoerrestituties vastgesteld, maar er terzelfder tijd bij het betrokken bedrijfsleven op aangedrongen zelf pogingen in het werk te stellen om tot een beter marktevenwicht te komen. Het bedrijfsleven heeft daarop overeenstemming bereikt over de noodzaak de jaarproduktie in 1974 met 10 % te verminderen; om dit resultaat te bereiken zou in de tweede helft van 1974 de produktie met 20 % worden teruggebracht.

— De Nederlandse bepalingen

Terwijl in de andere betrokken Lid-Staten de bedrijven, die de produktie van diepvrieskuikens geheel of nagenoeg geheel voor hun rekening nemen, vrijwillig tot deze produktievermindering besloten, al dan niet met financiële steun van de overheid, werd in Nederland door de overheid rechtstreeks ingegrepen, met name door het Produktschap, dat de „verordening Produktie slachtpluimveesector 1974” vaststelde. Hierbij werd aan elke slachterij voor elke maand van het tijdvak 1 juli 1974 tot 1 januari 1975 een slachtquotum toegewezen, gelijk aan 80 % van het levend gewicht aan slachtkuikens dat in een bepaalde referentieperiode was geslacht. Overschrijding van het quotum werd strafbaar gesteld.

De Commissie merkt op dat de nationale rechter de Nederlandse regeling getoetst wil zien aan het gemeenschapsrecht. Zo gezien is de gestelde vraag in het kader van een prejudiciële procedure eigenlijk niet ontvankelijk; in wezen kan zij echter worden omschreven als volgt: verzetten verordening 123/67 en/of de artikelen 30-37 van het Verdrag zich tegen nationale regelingen waarbij de produktie van slachtpluimvee kwantitatief wordt beperkt?

— Verordening 123/67

De bij verordening 123/67 ingestelde marktordening regelt niet slechts de handel van de betrokken produkten, maar bevat ook bepalingen die een weerslag hebben op de produktie en op dit stadium van toepassing zijn, dan wel voor de Gemeenschap de mogelijkheid scheppen om op dit stuk regelend op te treden (artikel 2). Het feit dat voor het produktiestadium communautaire interventiemaatregelen ontbreken, betekent niet dat men de nationale instanties enige bevoegdheid op dit gebied heeft willen geven, maar is het gevolg van een bewuste keuze voor een communautair beleid dat steunt op het spel van vraag en aanbod en het initiatief van de betrokken ondernemingen.

Het besluit van de Raad om in het kader van verordening 123/67 geen interventieregeling voor de sector slachtpluimvee in te stellen, houdt uiteraard in dat ook de Lid-Staten geen nationale interventievoorzieningen mogen treffen die tot distorsies van de mededinging zouden leiden en in strijd zouden zijn met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag.

Naar het de Commissie voorkomt, geldt, mutatis mutandis, dezelfde redenering voor in deze sector opgelegde produktiebeperkingen. Een zo rechtstreeks ingrijpen van de nationale overheid staat in duidelijke tegenstelling tot de uit verordening 123/67 blijkende bedoeling om de verantwoordelijkheid voor aanpassing van de produktie aan de afzetmogelijkheden geheel over te laten aan het betrokken bedrijfsleven. De redenen waarom men heeft willen afzien van communautaire, en dus ook van nationale interventiemaatregelen, gelden ook voor produktiebe perkingen.

Bij de vaststelling van de betrokken marktordening hebben de Commissie en de Raad gekozen voor een beleid waarbij het initiatief tot normalisering van het prijspeil wordt overgelaten aan de krachten die inherent zijn aan het produktieproces zelf. Daarom is de produktiebeperking waartoe de producenten zelf in onderling overleg hebben besloten, minder verwerpelijk dan een overheidsingrijpen, omdat zo n zelfbeperking, zo al niet een verschijningsvorm van krachten in het produktieproces zelf, dan toch een actie is die er dicht bij aansluit.

Het uitblijven van maatregelen ter aanmoediging van initiatieven van het bedrijfsleven om vraag en aanbod met elkaar in overeenstemming te brengen (artikel 2 van verordening 123/67), kan geen rechtvaardiging opleveren voor eenzijdige produktiebeperkende maatregelen van de Lid-Staten. Hoogstens zou een Lid-Staat maatregelen kunnen nemen die in de lijn liggen van hogergenoemd artikel 2, lid 1, door bijvoorbeeld met inachtneming van de artikelen 92-94 van het Verdrag financiële steun te verlenen.

— Het verbod van kwantitatieve beperkingen (artikelen 30-37 EEG-Verdrag)

Ofschoon de verdragsbepalingen betreffende kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werkinen met betrekking tot de handel, kan terecht de vraag worden gesteld of zij ook van toepassing kunnen zijn op beperkingen van de produktie. Een produktiebeperking voor slachtkuikens kan immers evenzeer weerslag hebben op de uitvoer van geslacht pluimvee als op de handel en met name de invoer van eendagskuikens en broedeieren.

Wat betreft de onverenigbaarheid van produktiebeperkingen met de marktordening in de betrokken sector, volgt volgens de Commissie uit 's Hofs rechtspraak dat het in het Verdrag verankerde verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking geen zelfstandige betekenis meer toekomt wanneer is vastgesteld dat een nationale produktiebeperkende maatregel in strijd is met de voorschriften van de gemeenschappelijke marktordening.

Het Hof heeft er immers op gewezen dat bij de vraag of een nationale regeling verenigbaar is met de artikelen 30-34, rekening moet worden gehouden met de concrete context, feitelijk en rechtens, waarin die nationale regeling moet worden bezien.

De Commissie wijst onder meer op het arrest van 30 oktober 1974 (zaak 190/73, Van Haaster, Jurispr. 1974, blz. 1123). Blijkens dit arrest moeten produktiebeperkingen veeleer worden getoetst aan het geheel der bepalingen houdende totstandkoming van een gemeenschappelijke marktordening dan aan de artikelen 30-34 van het Verdrag, zelfs wanneer deze artikelen door een specifieke bepaling van een landbouwverordening op de betrokken marktordening van toepassing zijn verklaard. Weliswaar heeft het Hof in enkele zaken betreffende nationale maximumprijzen (arresten van 26. 2. 1976, zaak 65/75, Tasca, en gevoegde zaken 88-90/75, Sadam, Jurispr. 1976, blz. 291 en 323) onderscheid gemaakt tussen verenigbaarheid met de marktordening enerzijds en met artikel 30 anderzijds, maar daarin ging het om een ander geval, namelijk het geval waarin een maximum prijs niet per se onverenigbaar is met de marktordening. De Lid-Staten kunnen dan in het kader van hun algemeen economisch beleid regelend blijven optreden ten aanzien van bepaalde aspecten van de voortbrenging en commercialisatie van de produkten.

De Commissie concludeert dat het verbod van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking in de sector slachtpluimvee geen zelfstandige betekenis heeft met betrekking tot nationale produktiebeperkende maatregelen. Deze nationale maatregelen zijn verboden vanwege hun onverenigbaarheid met de marktordening. Zou het Hof evenwel menen dat deze maatregelen niet door de marktordening zijn verboden, maar binnen de bevoegdheid liggen die het gemeenschapsrecht expliciet of impliciet aan de Lid -Staten heeft gelaten, dan dient te worden nagegaan of zij op het vrije goederenverkeer een beperkende invloed hebben die het raam van de aan dergelijke regelingen eigen gevolgen te buiten gaat. Dit zou het geval zijn, wanneer die beperkende invloed onevenredig groot is in verhouding tot het nagestreefde doel of wanneer dit doel met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Van te sterke beperking zou slechts sprake zijn in het geval van nevenmaatregelen op het vlak van de commercialisatie; zulke maatregelen zijn in casu evenwel niet getroffen.

De Commissie stelt voor de vraag van de nationale rechter te beantwoorden als volgt:

„De marktordening in de sector slachtpluimvee, en meer bepaald verordening 123/67/EEG, verzet zich tegen nationale regelingen waarbij de produktie van slachtpluimvee kwantitatief wordt beperkt.”

B — Opmerkingen van de Nederlandse regering

Volgens de Nederlandse regering vindt de onderhavige zaak zijn oorsprong in 's Hofs arrest van 30 oktober 1974 (zaak 190/73, Van Haaster, reeds aangehaald), dat voor de Officier van Justitie aanleiding is geweest beroep in te stellen van het in eerste instantie tegen de verdachte gewezen vonnis. Genoemd arrest immers heeft de vraag doen rijzen of ook de slachtbeperkingsregeling van 1974, vastgesteld vóór de uitspraak in de zaak-Van Haaster, niet met de gemeenschappelijke marktordening in strijd is.

Na een overzicht van de moeilijkheden die zich in 1974 in de sector slachtpluimvee voordeden, zet de Nederlandse regering uiteen dat het in Nederland normaal is dat een produktiebeperking waarover het bedrijfsleven overeenstemming heeft bereikt, vervolgens langs publiekrechtelijke weg ten uitvoer wordt gelegd. Het is immers het Produktschap voor Pluimvee en Eieren dat, namens de betrokken sector van het Nederlandse bedrijfsleven, aan het internationale overleg heeft medegewerkt. De omstandigheid dat het Produktschap bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik heeft gemaakt van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden, doet niet af aan het feit dat de slachtbeperking een initiatief is van het betrokken Europese bedrijfsleven.

De Nederlandse regering wijst op het belang dat in 's Raads verordening 123/67 wordt toegekend aan de noodzaak om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken (vierde overweging). Uit artikel 2, lid 1, van de verordening blijkt voorts dat deze aanpassing van het aanbod aan het initiatief van het betrokken bedrijfsleven moet worden overgelaten. Anders dan de nationale regeling die in zaak 190/73 (Van Haaster) in het geding was, bevat de onderhavige regeling geen kwaliteitsnormen, waaraan het Hof bij de beoordeling van de beperkende invloed van het betrokken stelsel destijds zo veel belang heeft toegekend.

Andere verschillen met de hyacintenteeltregeling van zaak 190/73 zijn dat de on derhavige regeling is ontstaan uit multilateraal en op Europees niveau gevoerd overleg van het betrokken bedrijfsleven, en strikt in de tijd is beperkt.

Overwegende dat ter terechtzitting van 30 maart 1977 de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door J. H. J. Bourgeois als gemachtigde, mondelinge opmerkingen heeft gemaakt;

Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 april 1977 conclusie heeft genomen;

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 28 oktober 1976, ingeschreven ter griffie van het Hof op 24 november 1976, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag of „de regeling vervat in de verordening, Produktie slachtpluimveesector 1974' van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren moet worden beschouwd als strijdig met verordening 123/67/EEG van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 13 juni 1967, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, of met de artikelen 30-37 EEG-Verdrag”;

2.

dat de in de vraag bedoelde nationale regeling de produktie van slachtpluimvee voor het tweede halfjaar van 1974 beperkte door middel van een stelsel van quota die werden vastgesteld door vergelijking met de produktie gedurende een bepaald referentietijdvak;

3.

dat in een strafzaak tegen de exploitant van een pluimveeslachterij, die wordt vervolgd wegens het slachten van een groter aantal slachtkuikens dan hem door het Produktschap voor Pluimvee en Eieren — het publiekrechtelijke orgaan dat de marktordening in deze sector beheert — was toegewezen, de vraag is gerezen of de door verdachte overtreden regeling niet onverenigbaar is met verordening 123/67 van de Raad of met de artikelen 30-37 van het Verdrag;

4.

Overwegende dat het Hof van Justitie in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag geen uitspraak vermag te doen over de uitlegging en de geldigheid van nationale wettelijke bepalingen, doch de nationale rechter wel de gemeenschapsrechtelijke uitleggingselementen kan verschaffen die deze in staat moeten stellen het hem voorgelegde rechtsprobleem op te lossen;

5.

dat de gestelde vraag aldus begrepen erop neerkomt of verordening 123/67 van de Raad en eventueel de artikelen 30-37 van het Verdrag in die zin moeten worden uitgelegd, dat in de sector slachtpluimvee maatregelen tot beperking van de produktie of de commercialisatie, zoals bij de betrokken nationale regeling zijn ingevoerd, zijn verboden;

6.

Overwegende dat de bij 's Raads verordening 123/67 tot stand gebrachte marktordening in de sector slachtpluimvee, voor wat de intracommunautaire handel betreft, het verbod omvat van steunmaatregelen van staten, van douanerechten of heffingen van gelijke werking en van kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking, alsmede de vaststelling van normen voor de commercialisatie, maar geen interventiestelsel onder welke vorm ook invoert;

7.

dat evenwel ingevolge artikel 2 door de Raad zekere communautaire maatregelen kunnen worden genomen „ten einde de initiatieven van het betrokken bedrijfsleven aan te moedigen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, uitgezonderd de initiatieven tot het uit de markt nemen van produkten”;

8.

dat de Raad op het tijdstip waarop de feiten van de zaak zich hebben voorgedaan, en ook thans nog van de hem ten deze verleende bevoegdheden geen gebruik heeft gemaakt;

9.

Overwegende dat toen in 1974 op de markt van slachtpluimvee een overproduktie en een aanmerkelijke prijsdaling waren geconstateerd, de Raad ter verbetering van deze situatie financiële steun heeft verleend voor reclamecampagnes om het verbruik van deze produkten te stimuleren, terwijl de Commissie enerzijds de uitvoer door verhoging van de restituties heeft bevorderd en anderzijds de producenten in de verschillende Lid-Staten heeft voorgesteld maatregelen te nemen om tot een vrijwillige produktiebeperking te komen;

10.

dat naar de Commissie ter mondelige behandeling heeft verklaard, de door het bedrijfsleven in onderling overleg en in sommige gevallen met overheidssteun getroffen maatregelen volgens van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillende methoden hebben geresulteerd in een produktievermindering van omstreeks 10 % vergeleken met 1973, welke vermindering volgens het verslag van de Commissie over de landbouwsituatie in 1974 overeenkwam met het beoogde doel;

11.

dat toen de producenten in Nederland er schijnbaar niet in slaagden vrijwillig tot een gezamenlijke gedragslijn te komen, de betrokken bedrijfsorganisatie, het Produktschap voor Pluimvee en Eieren, met toestemming van de Nederlandse minister van Landbouw een slachtbeperking voor pluimvee heeft ingevoerd waarbij de quota voor het tweede halfjaar van 1974 werden berekend door vergelijking met de in een bepaalde referentieperiode geslachte hoeveelheden;

12.

dat de gestelde vraag een beslissing mogelijk moet maken ten aanzien van het punt of, mede gelet op de aansporing van de communautaire instanties om de prijsdaling door produktiebeperking tegen te gaan, de litigieuze nationale maatregel moet worden geacht in strijd te zijn met de door de nationale rechter aangehaalde bepalingen van gemeenschapsrecht;

13.

Overwegende dat wanneer de Gemeenschap krachtens artikel 40 van het Verdrag een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in een bepaalde sector heeft vastgesteld, de Lid-Staten zich dienen te onthouden van elke maatregel met de strekking daarvan af te wijken of er inbreuk op te maken;

14.

dat de Commissie in haar mededeling aan de Raad van 23 januari 1967 (Doc/EEG/SEC [67] 115 def.) het ontbreken van interventiemaatregelen in haar ontwerp van een verordening betreffende de marktordening voor slachtpluimvee rechtvaardigt met de overweging dat „interventie op de markt van eieren en slachtpluimvee niet gewenst is” vanwege het karakter van de produktie in deze sector, de produktie- en commercialisatiestructuur alsmede het belangrijke aandeel van de variabele factoren in de produktiekosten;

15.

dat zij in hetzelfde stuk voorts opmerkt dat de snelle aanpassing van de produktieomvang aan de vraag — haars inziens kenmerkend voor de markt van slachtpluimvee — betekent dat „nog voordat een interventiemaatregel waarbij een zekere hoeveelheid produkten uit de markt genomen wordt, tot positieve resultaten heeft kunnen leiden, er reeds krachten die inherent zijn aan het produktieproces zelf, aan het werk zijn om de prijzen tot een normaler peil op te trekken”;

16.

Overwegende dat blijkens deze opmerkingen het ontbreken van maatregelen om eventueel produkten uit de markt te nemen, niet is terug te voeren op een omissie of op de bedoeling om dergelijke maatregelen aan de beoordeling van de Lid-Staten over te laten, maar voortkomt uit een bewuste keuze van economisch beleid, waarbij men zich ter verzekering van het gewenste evenwicht voornamelijk op de krachten van de markt heeft verlaten;

17.

Overwegende dat deze conclusie niet slechts bevestiging vindt in artikel 13 van de verordening, dat elke kwantitatieve beperking of maatregel van gelijke werking in het intracommunautaire handelsverkeer verbiedt, maar ook in artikel 2 der zelfder verordening, volgens hetwelk maatregelen kunnen worden genomen ten einde de initiatieven van het betrokken bedrijfsleven aan te moedigen om de aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt te vergemakkelijken, met uitsluiting van „initiatieven tot het uit de markt nemen van produkten”;

18.

dat aldus, blijkens zowel de algemene opzet als de bewoordingen van de verordening, voor wat het handelsverkeer binnen de Gemeenschap betreft, de marktordening voor het betrokken produkt is gegrondvest op de vrijheid van handelstransacties onder behoorlijke mededingingsvoorwaarden;

19.

dat de nationale slachtbeperkingsregeling — ofschoon betrekking hebbend op de produktie en niet op de commercialisatie — verboden is, enerzijds ingevolge artikel 2 van verordening 123/67 omdat zij dezelfde werking heeft als het uit de markt nemen van produkten, en anderzijds omdat zij een kwantitatieve beperking oplevert die, zij het slechts potentieel, een ongunstige invloed kan hebben op het handelsverkeer zoals dit door de bij genoemde verordening ingestelde maktordening is geregeld;

20.

Overwegende dat evenwel moet worden onderzocht of de omstandigheid dat de Commissie de organisaties van het bedrijfsleven heeft voorgesteld hun leden tot een vrijwillige produktiebeperking te brengen, een uitlegging van artikel 2 kan rechtvaardigen volgens welke een besluit van een nationale publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, waarbij zodanige maatregel aan alle betrokken ondernemingen wordt opgelegd, met genoemde bepaling in overeenstemming en mitsdien geoorloofd is;

21.

Overwegende dat weliswaar ingevolge artikel 2 van verordening 123/67 ter aanpassing van het aanbod aan de eisen van de markt beroep kan worden gedaan op initiatieven van het bedrijfsleven, doch op de uitdrukkelijke voorwaarde dat het daarbij om communautaire maatregelen gaat, en met uitsluiting van maatregelen tot het uit de markt nemen van produkten;

22.

dat ook al behoeft de vaststelling van communautaire maatregelen niet te betekenen dat zij in de gehele Gemeenschap op identieke wijze moeten worden toegepast, niettemin maatregelen die door bedrijfsorganisaties eigener beweging en in een specifiek nationaal kader worden vastgesteld, ontoelaatbaar zijn, aangezien een verspreid optreden kan leiden tot discriminaties tussen producenten en consumenten en tot distorsies in het handelsverkeer tussen Lid-Staten;

23.

Overwegende bovendien dat zelfs indien zodanig overleg tussen producenten of verenigingen van producenten geacht kan worden verenigbaar te zijn met verordening 26/62 van 4 april 1962, inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten (PB 1962, blz. 993), zulke overeenkomsten evenwel niet de strekking mogen hebben inbreuk te maken op het uitdrukkelijke verbod van artikel 2 van verordening 123/67 betreffende maatregelen tot het uit de markt nemen van produkten;

24.

dat mitsdien ernstig kan worden betwijfeld of de desbetreffende aansporingen of voorstellen van de Commissie aan de bedrijfsorganisaties in overeenstemming waren met artikel 2 van verordening 123/67;

25.

Overwegende dat de omstandigheid dat de communautaire instanties niet met het gemeenschapsrecht te rijmen praktijken hebben bevorderd, geen grond kan zijn om maatregelen die met hetzelfde doel door een openbare instelling van een Lid-Staat zijn uitgevaardigd, verenigbaar te achten met verordening 123/67;

26.

dat overigens moet worden opgemerkt dat er een alleszins duidelijk verschil bestaat tussen een vrijwillige beperking en dwingende maatregelen van een publiekrechtelijk orgaan van een Lid-Staat;

27.

dat derhalve op de vraag moet worden geantwoord, dat verordening 123/67 en inzonderheid de artikelen 2 en 13 aldus dienen te worden uitgelegd, dat maatregelen van de nationale autoriteiten ter beperking van de produktie van slachtpluimvee onverenigbaar zijn met genoemde bepalingen;

28.

Overwegende dat dit antwoord de uitlegging van de artikelen 30-37 van het Verdrag overbodig maakt;

Ten aanzien van de kosten

29.

Overwegende dat de kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

30.

dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 28 oktober 1976 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Verordening nr. 123/67 en inzonderheid de artikelen 2 en 13 moeten aldus worden uitgelegd, dat maatregelen van de nationale autoriteiten ter beperking van de produktie van slachtpluimvee onverenigbaar zijn met genoemde bepalingen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

6
EEG-Verdrag art. 30-378 voorkomens
verordening 123/67 art. 2uitgelegd6 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1772 voorkomens
EEG-Verdrag art. 402 voorkomens
EEG-Verdrag art. 30-341 voorkomen
EEG-Verdrag art. 92-941 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat134/8326.09.1984

EEG-Verdrag art. 34 en art. 8

Bekijk het document

Rechtsleer

3
Wyatt, Derrick: Application of Prohibition to Quantitative Restrictions on Agricultural Products, European Law Review 1977 p.281-284 (EN)
Barents, René: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1978 p.66-69 (NL)
Barents, René: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.336-339 (NL)