Arrest van het Hof van 30 september 1982, 110/81, SA Roquette Frères · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Tweede kamer 110/81 ECLI:EU:C:1982:323 30 september 1982

Zoeken

Arrest van het Hof van 30 september 1982, 110/81, SA Roquette FrèresEEG-Verdrag art. 201, verordening 1111/77 art. 9

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-81-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Tweede kamer
Zaak
110/81
ECLI
ECLI:EU:C:1982:323
Datum
30 september 1982

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep tot nietigverklaring ongegrond
Zaak ingediend op
7 mei 1981
Advocaat-generaal
Reischl

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Frans
Jurisprudentie
Jurispr. 1982, blz. 3159
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Grévisse
Repertorium van het Hof

Tekst

80 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de conclusiën, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:

I — Feiten en procesverloop

A — Voorgeschiedenis
1.

Bij wege van prejudiciële beslissing heeft het Hof van Justitie in het arrest, op 25 oktober 1978 gewezen in de gevoegde zaken 103/77 en 145/77 (Royal Scholten-Honig (Holdings) Ltd. t. Intervention Board for Agricultural Produce; Tunnel Refineries Ltd. t. Intervention Board for Agricultural Produce (Jurispr. 1978, biz. 2037), uitgesproken dat 's Raads verordening nr. 1111/77 van 17 mei 1977 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose, niet rechtsgeldig is, voor zover in de artikelen 8 en 9 dier verordening voor het tijdvak overeenkomende met het suikerverkoopseizoen 1977/1978 een produktieheffing voor isoglucose van vijf rekeneenheden per 100 kg droge stof was opgelegd. Het Hof heeft het bij genoemde artikelen ingevoerde stelsel strijdig verklaard met het algemeen gelijkheidsbeginsel (zoals dat in casu tussen suiker- en isoglucoseproducenten tot gelding moest komen), met dien verstande evenwel dat de Raad bevoegd bleef alle nuttige, met het gemeenschapsrecht verenigbare maatregelen te nemen, ter verzekering van de goede werking van de zoetmiddelenmarkt.

2.

In dat arrest vond de Raad op 25 juli 1979 aanleiding om, op grondslag van een desbetreffende - ontwerp der Commissie, zijn wijzigingsverordening nr. 1293/79 (PB L 162, biz. 10, gerectificeerd in PB L 176, biz. 37, bijlage) vast te stellen, die krachtens haar artikel 5 op 1 juli 1979 in werking is getreden.

3.

Bij verordening nr. 1293/79 is verordening nr. 1111/77 met inaanmerkingneming van 's Hofs arrest van 25 oktober 1978 gewijzigd. Op grond van de overweging „dat de meest geschikte methode ter voorkoming van de ongelijke behandeling is dat de produktie voor isoglucose wordt onderworpen aan voorschriften die soortgelijke verplichtingen inhouden als die voor de produktie van suiker tot 30 juni 1980 golden”, is bij verordening nr. 1293/79, bij wege van tijdelijke maatregel, tot aan die datum een quotaregeling voor de isoglucoseproduktie ingevoerd (vgl. zesde overweging van de considerans). De toewijzingsmodaliteiten en de wijze van vaststelling der quota zijn in de zevende overweging besproken. In de achtste overweging komt de noodzaak ter sprake van vaststelling van een bijzonder produktieheffingsbedrag voor isoglucose.

Deze verschillende overwegingen vonden hun neerslag in artikel 3 der verordening waarbij, na artikel 7 van verordening nr. 1111/77, een titel II, „Quotaregeling”, is opgenomen.

Bij artikel 4 der verordening is aan verordening nr. 1111/77 een bijlage II toegevoegd, luidende als volgt:

„BIJLAGE II”

OndernemingPlaats van vestigingBasisquota in tonnen (droge stof)Maizena GmbH

D-2000 Hamburg 1,

Postfach 1000

28000Amylum NV

Opzichterstraat,

B-1020 Brussel

56667SA Roquette Frères

17, boulevard Vauban,

F-59000 Lille

15887SPAD

15063 Cassano Spinola,

I-Alessandria,

Casella postale 1

5863Fabbriche riunite Amido glucosio destrina, SpA

Piazza Erculea 9,

I-Milano

10706Tunnel Refineries Ltd.

Thames Bank House,

Greenwich,

UK-London SEIO OPA

21696

4.

Bij arresten, op 29 oktober 1980 onderscheidenlijk gewezen in de zaken 138/79, Roquette t. Raad (Jurispr. 1980, blz. 3333) en 139/79, Maizena t. Raad (Jurispr. 1980, blz. 3393) heeft het Hof verordening nr. 1293/79 wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften nietig verklaard: de verordening was op 25 juni 1979 vastgesteld zonder dat het Parlement zich, in voege als in artikel 43 vąn dat Verdrag bedoeld, over het hem op 19 maart 1979 voorgelegde voorstel had kunnen uitspreken. Evenwel heeft het Hof alle middelen, ten principale tegen de bij die verordening ingevoerde produktiequotaregeling aangevoerd, en wel in het bijzonder de middelen die in beide zaken tegen de vaststelling der basisquota waren gericht, verworpen.

5.

Tijdens de behandeling van de zaken 138/79 en 139/79 stelde de Raad zijn verordening nr. 1592/80 van 24 juni 1980 (PB L 160, biz. 12) vast, waarbij de regeling inzake de produktiequota voor isoglucose, besloten liggende in artikel 9 van verordening nr. 1111/77 (zoals bij verordening nr. 1293/79 gewijzigd), op de periode 1 juli 1980 tot en met 30 juni 1981 van toepassing werd verklaard.

6.

Bij op 21 augustus 1980 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift heeft de vennootschap naar Frans recht Roquette Frères, die in haar fabriek te Lestrem (Pas de Calais) onder meer isoglucose vervaardigt, het Hof verzocht te haren aanzien artikel 2 en bijlage II van 's Raads verordening nr. 1592/80 van 24 juni 1980, houdende toepassing van de regelingen inzake de produktiequota in de sectoren suiker en isoglucose voor de periode van 1 juli 1980 tot en met 30 juni 1981, niet rechtsgeldig te verklaren.

7.

Die bepalingen vormden ook de inzet van het beroep dat op 5 augustus 1980 door de vennootschap naar Duits recht Maizena werd ingesteld.

8.

De zaken zijn onder nrs. 179/80 (Roquette t. Raad) en 176/80 (Maizena t. Raad) op 's Hofs rol gebracht.

9.

Op 10 januari 1981, tijdens de behandeling van de zaken 176 en 179/80, heeft de Raad, gezien het advies van het Europees Parlement d.d. 9 februari 1981, de beide navolgende verordeningen vastgesteld:

a)Verordening nr. 387/81 (PB L 44, biz. 1) houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 111/77 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose — waarbij, met verwijzing naar de bepalingen van verordening nr. 1111/77, met name de regeling inzake de produktiequota met terugwerkende kracht tot 1 juli 1979 wederom is ingevoerd;

b)Verordening nr. 388/81 (PB L 44, biz. 4) tot wijziging van Verordening nr. 1592/80, welke verordening blijkens de tweede overweging van haar considerans is vastgesteld teneinde alle onzekerheid omtrent de wettigheid van verordening nr. 1592/80 weg te nemen. Artikel 1 van verordening nr. 388/81 brengt wijziging in artikel 2 van verordening nr. 1592/80, waarin naar artikel 9 van verordening nr. 1111/77 is verwezen. Deze nieuwe redactie is bedoeld om de regeling inzake de produktiequota voor isoglucose ook voor het verkoopseizoen 1980/1981 te doen gelden; volgens haar artikel 2 is verordening nr. 388/81 vanaf 1 juli 1980 van toepassing.

10.

Bij beschikking van 2 april 1981 heeft het Hof akte genomen van de in zaak 176/80 door de vennootschap Maizena gedane verklaring dat zij haar vordering laat varen, en de zaak op de rol doen doorhalen.

11.

Zaak 179/80 is nog aanhangig.

B — Procesverloop
1.

Bij op 7 mei 1981 ter griffie ingeschreven verzoekschrift heeft de vennootschap, Roquette Frères het Hof verzocht 's Raads verordeningen nr. 387/81 en 388/81 nietig te verklaren.

2.

Bij op 30 juni 1981 ingediend verweerschrift heeft de Raad verklaard het beroep ongegrond te achten.

3.

Verzoekster heeft op 30 juli 1981 zijn conclusie van repliek ter griffie gedeponeerd.

4.

Bij op 29 juli 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven verzoekschrift heeft de Commissie het Hof verzocht aan de zijde van de Raad tot interventie te worden toegelaten.

Bij beschikking d.d. 30 september 1981 heeft het Hof, de advocaatgeneraal gehoord, de Commissie tot interventie toegelaten.

Bij op 17 november 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven memorie in interventie heeft de Commissie verklaard het standpunt van de Raad gegrond te achten.

5.

De Raad van de Europese Gemeenschappen heeft zijn conclusie van dupliek op 1 oktober 1981 ter griffie gedeponeerd.

6.

Op rapport van de rechterrapporteur en de advocaatgeneraal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over ţe gaan.

7.

Bij beschikking van 24 maart 1982 heeft het Hof, de advocaatgeneraal gehoord, overeenkomstig artikel 95, lid 1 en lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de zaak naar de Tweede kamer verwezen.

II — Conclusies van partijen

1.

Bij introductief rekest heeft de vennootschap haar Frans recht Roquette Frères geconcludeerd dat het dėn Hove behage:

—het verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren;

—'s Raads verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 d.d. 10 februari 1981 en de daarin besloten liggende individuele besluiten, althans voorzover verzoekster betreffende, nietig te verklaren;

—de Raad in de kosten te verwijzen.

2.

In zijn verweerschrift heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen:

—het Hof verzocht verzoeksters beroep tot nietigverklaring ongegrond te verklaren met verwijzing van verzoekster in de kosten.

3.

Bij memorie in interventie heeft de Commissie de conclusies van de Raad, strekkende tot:

—verwerping van het beroep tot nietigverklaring;

—verwijzing van verzoekster in de kosten,

ondersteund.

4.

In haar conclusie van repliek heeft verzoekster bij haar vordering gepersisteerd, met dien verstande dat zij zich tot de gevorderde nietigverklaring tevens van een nieuw middel heeft bediend en in hoofdzaak heeft gevorderd dat het Hof de instelling van de heffing op de produktie van isoglucose onrechtmatig zal verklaren wegens onbevoegdheid van de Raad en schending van artikel 201 van het EEG-Verdrag.

5.

In zijn conclusie van dupliek heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen bij de conclusiën van zijn verweerschrift volhard, met vordering voorts dat het Hof verzoeksters nieuwe middel niet-ontvankelijk, althans ongegrond zal ver^ klaren.

III — Middelen en argumenten van partijen

Eerste middel: schending van het algemeen beginsel volgens hetwelk wetten niet mogen terugwerken
1.

De vennootschap Roquette Frères meent dat het beginsel volgens hetwelk wetten niet mogen terugwerken, in het gemeenschapsrecht tot uitdrukking is gebracht in artikel 191, tweede alinea, van het EEG-Verdrag: „... de richtlijnen en de beschikkingen... worden door... kennisgeving van kracht”, hetgeen wil zeggen dat zulke gemeenschapsrechtelijke handelingen vóór bekendmaking niet kunnen werken.

Volgens verzoekster doet het weinig ter zake dat de bestreden verordeningen nr. 387/81 en 388/81 geen „beschikkingen” in de zin van genoemde bepaling zijn: door aanvechting van de hierbedoelde verordeningen bestrijdt verzoekster in feite het in deze voorschriften van algemene strekking, besloten liggende individuele besluit, waarbij zij aan een quote-rings- en bijdrageregeling onderworpen wordt.

a)Meer in het algemeen is verzoekster van mening dat „echte” terugwerking, i.e. de toepassing van de reglementering voor de isoglucoseproduktie op in allen dele reeds bestaande situaties, in 's Hofs jurisprudentie wordt afgewezen: in de arresten, gewezen in de zaken 7/76 (Jurispr. 1976, blz. 1213), 96/77 (Jurispr. 1978, blz. 383) en 98/78 (Jurispr. 1979, blz. 69) staat te lezen dat er van terugwerkende kracht slechts bij wijze van uitzondering sprake kan zijn wanneer dit voor het te bereiken doel noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen (arrest 98/78, r.o. 20).

Verzoekster beroept zicht te dezen op de overwegingen van de considerans van verordening nr. 1293/79 en op de redenering van de Raad in de zaak 138/79 — waarin het Hof bij arrest van 20 oktober 1979 verordening nr. 1293/79 nietig verklaarde, ten betoge dat de Raad tot aan de vaststelling der bestreden verordeningen overtuigd schijnt te zijn geweest dat zij het beginsel volgens hetwelk wetten niet mogen terugwerken, had te eerbiedigen. Verzoekster neemt dus aan dat de Raad heeft gemeend zijn opvatting te moeten herzien en stelt zich op het standpunt dat aan verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 terugwerkende kracht werd toegekend onder andere voorwaarden dan door het Hof in zijn arrest 98/78 werden gesteld.

Verzoekster acht het volkomen „inefficiënt en onnuttig” de quotaregeling te doen terugwerken. Tot aan haar nietigverklaring door het Hof heeft de toepasselijkheid van verordening 1293/79 de isoglucoseproducenten in ieder geval gedwongen zich te houden aan de produktiehoeveelheden die door de communautaire wetgever werden opgelegd. Het enig praktisch belang dat met het doen terugwerken der bestreden verordeningen is gediend, is daarin gelegen dat verzoekster over perioden vóór het verkoopseizoen 1981, produktieheffingen had te betalen. Maar door maatregelen van fiscale of parafiscale aard aldus te doen terugwerken, komt men volkomen in strijd met alle algemene rechtsbeginselen.

b)Verzoekster betoogt voorts dat de Raad, door aan de aangevochten verordeningen terugwerkende kracht toe te kennen, in strijd heeft gehandeld met de hem in artikel 176, eerste alinea, van het EEG-Verdrag opgelegde verplichting „de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie”. Verzoekster leest hierin dat het gezagsorgaan waarvan de door het Hof nietigverklaarde handeling is uitgegaan, enerzijds de oude toestand heeft te herstellen — hetgeen in casu wil zeggen dat het de bevoegde nationale gezagsorganen in overweging heeft te geven om alle titels krachtens welke de produktieheffingen hadden kunnen worden geïnd, maar waaraan sinds 's Hofs arrest de rechtsgrondslag komt te ontvallen, te laten vervallen — en anderzijds de nietigverklaarde bepalingen niet wederom met terugwerkende kracht mag invoeren, nu het Hof niet, in de zin van artikel 174, tweede alinea, van het EEG-Verdrag de gevolgen welke, ratione temporis, aan de nietigverklaring verbonden zijn, heeft afgebakend.

2.

De Raad van De Europese Gemeenschappen, verweerder, is van oordeel dat uit 's Hofs Jurisprudentie, en wel met name uit rechtsoverweging nr. 20 van het arrest 98/78 (Jurispr. 1979, blz. 69), ten duidelijkste blijkt dat de terugwerkende kracht van communautaire handelingen in beginsel geenszins is uitgesloten. Het Hof heeft evenwel gemeend, wat de terugwerkende kracht van communautaire handelingen betreft, rechtscontrole te moeten uitoefenen en wel zulks:

—enerzijds ter verzekering dat het gewettigd vertrouwen van betrokkenen, indien bestaande, niet wordt beschaamd;

—anderzijds te kunnen nagaan of de verwezenlijking van het doel der betrokken wettelijke regeling of een dwingend algemeen belang om retroactiviteit vraagt.

De Raad meent dat die voorwaarden in casu zijn nageleefd.

a)Er kan, wat de voorwaarden voor nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 en de constante gedragslijn der communautaire instellingen betreft, niet van een gewettigd vertrouwen van betrokkenen worden gesproken.

Sedert 17 mei 1977 (dag van inwerkingtreding van verordening nr. 1111/77) waren de isoglucoseproducenten op de hoogte van het bij de Gemeenschap levende voornemen om ten aanzien van isoglucose restrictieve maatregelen te nemen. Dit voornemen heeft nadien ten duidelijkste bevestiging gevonden in de legislatieve activiteiten (verordeningen nrs. 1111/77, 1293/79, 1592/80, 387 en 388/81) en in de gedragslijn van de instellingen der Gemeenschap. Van een gewettigd vertrouwen der isoglucoseproducenten dat de isoglucoseregeling van de baan zou zijn, kon dus alleen maar sprake zijn wanneer het Hof het te dezen gevoerde beleid principieel had veroordeeld. In het arrest waarbij verordening nr. 1111/77 niet rechtsgeldig werd verklaard, is echter alleen de wijze van berekening der produktieheffing, doch niet het principe dier heffing veroordeeld. In dit redeverband was het dus juridisch denkbaar dat de Raad met terugwerkende kracht tot wijziging van verordening nr. 1111/77 zou overgaan. Kennelijk hebben beleidsoverwegingen de Raad aanleiding gegeven van zulk een oplossing af te zien en verordening nr. 1293/79 vast te stellen, die in het arrest, door het Hof gewezen in de gevoegde zaken 138 en 139/80, ten principale duidelijk met het gemeenschapsrecht in overeenstemming is bevonden. Weliswaar heeft het Hof verordening nr. 1293/79 wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften vernietigd, doch tevens alle middelen door verzoeksters ten principale aangevoerd tegen het beginsel van een heffing over de produktie van isoglucose, verworpen. Waar het beleid van de Raad aldus, in zijn opzet en uitwerking, telkens weer rechtsgeldig werd bevonden, mocht de Raad voor het verkoopseizoen 1979/1980 met terugwerkende kracht tot wederinvoering van de omstreden heffing overgaan.

De Raad meent dat de omstreden handelingen van „gemengde” aard zijn in die zin dat er zowel regelen van algemene strekking (omschrijving van de abstracte criteria voor de ordening der produktie en de toewijzing der quota) als individuele bepalingen in voorkomen, die kunnen worden aangemerkt als beschikkingen (bepalingen waarbij aan de onderscheiden ondernemers van de Gemeenschap produktiequota worden toegekend).

De stelling van verzoekster dat het toekennen van terugwerkende kracht aan individuele besluiten in artikel 191 van het EEG-Verdrag wordt verboden, kan dan ook niet worden aanvaard. De Raad betwist niet slechts dat artikel 191 in die zin kan worden opgevat, maar heeft er bovendien op gewezen dat reeds de normatieve aard van de bestreden handelingen medebrengt dat er geen sprake kan zijn van een verbod om aan de individuele besluiten welke in de omstreden verordeningen besloten liggen, terugwerkende kracht toe te kennen.

In de „gemengde” aard van de omstreden verordeningen is de verklaring te vinden voor het feit dat het Hof de gevolgen, ratione temporis, van de nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften niet heeft willen beperken. Naar luid van artikel 174 van het EEG-Verdrag is dat alleen maar bij puur normatieve handelingen mogelijk. De bepaling bood het Hof dus niet de mogelijkheid zijn instemming met de handhaving van verordening nr. 1293/79 tot uitdrukking te brengen. Maar het enkele feit dat het Hof alle grieven, door verzoeksters in de zaken 138 en 139/80 ten gronde aangevoerd heeft verworpen, rechtvaardigt de bij de Raad levende overtuiging dat zijn beleid als zodanig niet verwerpelijk was en dat er in beginsel sedert het verkoopseizoen 1979/1980 heffingen mochten worden toegepast. Er zij in dit verband aan herinnerd dat het Hof in zijn arrest 101/78 (Jurispr. 1971, blz. 623) het beginsel heeft ontwikkeld dat verordeningen dienen te worden toegepast zolang het Hof zich niet heeft uitgesproken over hun rechtmatigheid (artikel 173 van dat Verdrag) of rechtsgeldigheid (artikel 177). Daaruit blijkt wel dat verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 tot aan de uitspraak van 's Hofs arrest in oktober 1980, de er aan toegedachte rechtsgevolgen, ook wat de heffing betreft, behoorden te sorteren.

De Raad is dan ook van mening dat er feitelijk noch rechtens van een voor bescherming in aanmerking komend gewettigd vertrouwen kon worden gesproken. In zijn arrest in de zaken 138 en 139/80 heeft het Hof niet slechts alle ten principale tegen de maatregelen van de Raad ingebrachte grieven verworpen, doch ook overwogen dat die maatregelen voor het verkoopseizoen 1979/1980 ten volle gerechtvaardigd waren en de Raad uitgenodigd voor de isoglucosesector passende maatregelen te treffen. Volgens de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat hij zijn verplichting tot uitvoering van 's Hofs arrest — in de zin van artikel 176 van het EEG-Verdrag — niet is nagekomen.

De Raad is van mening dat men bij uitlegging van de verplichtingen die uit een tot nietigverklaring strekkend arrest voortvloeien, verband dient te leggen met de reden waarom tot nietigverklaring werd overgegaan. In casu was de Raad, naar luid van het arrest tot nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, gehouden het recht van het Parlement om te dezen te worden gehoord, te eerbiedigen. Het Parlement heeft in zijn resolutie van 9 februari 1981 naar aanleiding van het voorstel van de Commissie van 20 december 1980 gunstig geadviseerd. Dat dit advies de dag voor vaststelling, door de Raad, van verordeningen nrs. 387 en 388/81 (10 februari 1981) werd uitgebracht, is geen reden om de rechtsgeldigheid van de consultatie in twijfel te trekken, zoals verzoekster wil. Gezien de snelheid van de berichtgeving tussen de instellirigen der Gemeen- schap, mocht de Raad met het advies van het Parlement ten volle rekening houden, vooral omdat het niet tot wijzigingen van het bestaande voorstel leidde.

De Raad heeft zijn iņ artikel 176 van het EEG-Verdrag omschreven plicht dus wel degelijk nageleefd en het gaat niet aan de Raad schending te verwijten van een „gewettigd” vertrouwen, waarvan te minder kon worden gesproken nu betrokkenen als verstandige ondernemers die van het communautaire beleid in de isoglucosesector ten volle op de hoogte waren, in juridische en in feitelijke zin kennis droegen van de ondubbelzinnige bedoeling van de instellingen hun op reglementering van de betrokken sector gerichte beleid voort te zetten. Het standpunt van de wetgever zou met name ten duidelijkste bevestiging hebben gevonden in de bekendmaking d.d. 20 december 1980 (PB C 334, biz. 2) van het voorstel, waarin de Commissie aan het arrest tot nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 de nodige consequenties heeft verbonden en zich heeft uitgesproken vóór vaststelling — met terugwerkende kracht — van de voorschriften welke de Raad in verordeningen nrs. 387 en 388/81 heeft neergelegd.

Al met al is de Raad van mening noch de rechtsmacht van het Hof noch de bevoegdheden van het Parlement te hebben aangetast. De Raad wil in dit verband wijzen op de uitzonderlijke aard van de omstandigheden waaronder verordening nr. 1293/79 werd vastgesteld. Zowel omdat het arrest waarin het Hof verordening nr. 1111/71 niet rechtsgeldig had verklaard ten uitvoer moest worden gelegd als vanwege de aldus geschapen feitelijke situatie — die de suikerfabrikanten aan de heffingsregeling onderwierp, terwijl de isoglucoseproducenten er van werden vrijgesteld — was de zaak spoedeisend, zodat de Raad, mede in aanmerking genomen de al evenzeer uitzonderlijke vertraging waarmede het Parlement zich heeft uitgesproken, gedwongen was verordening nr. 1293/79 vast te stellen zonder het advies van die instelling af te wachten. De Raad wijst er evenwel op dat zijn waardigheid als communautaire wetgever, zijn bedoeling de verdragen te eerbiedigen en de aan de Commissie, als hoedster der verdragen, toekomende bevoegdheid de eerbiediging van het recht af te dwingen, wat de communautaire wetgevingsmachinerie betreft, voor een reguliere gang van zaken garant staat. Trouwens, uit de omstandigheden waaronder verordeningen 387 en 388/81 zijn vastgesteld alsook uit de behandeling van de voorstellen welke voor die teksten in de plaats zijn gekomen, blijkt wel dat de Raad het recht van het Parlement om te worden gehoord, respecteert.

b)In de tweede plaats wenst de Raad aan te tonen dat een retroactieve invordering der heffingen volgens verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 om dringende redenen van algemeen belang — die ten opzichte van de geldelijke belangen der verzoekers als prioritair zijn te beschouwen — geboden is.

Mocht de terugwerkende kracht die aan de verordeningen werd toegekend, onrechtmatig worden bevonden, dan zou volgens de Raad niet slechts aan de rechtmatigheid der reeds geïnde heffingen de grondslag komen te ontvallen, doch ook het gehele systeem van de regelingen betreffende de isoglucoseprodūktie onrechtmatig worden. De Gemeenschap zou dan tot terugbetaling der geïnde heffingen moeten overgaan, waarmede aan de isoglucoseproducenten een onverwacht, hun niet toekomend voordeel in de schoot zou worden geworpen, dat ten opzichte van hun concurrenten, de suikerproducenten, als discriminerend moet worden beschouwd, terwijl de isoglucoseproducenten in staat zouden worden gesteld hun concurrentiepositie „eenzijdig” te versterken. Het aldus verkregen resultaat zou ingaan tegen hetgeen het gemeenschappelijk beleid vraagt, en wel met name tegen artikel 39 van het Verdrag waarin, naar het Hof heeft overwogen, grenzen worden gesteld aan het beleid, door de instellingen ten aanzien van de beperking der suikerproduktie gevoerd.

c)Tenslotte wenst de Raad het argument te weerleggen dat de bestreden verordeningen niet zouden mogen terugwerken omdat de op de produktie van isoglucose toegepaste heffing van fiscale of quasi-fiscale aard zou zijn. Ook al kan de hierbedoelde heffing met fiscale heffing worden vergeleken, bij die heffing zit geen fiscale bedoeling voor, immers zij werd niet ingesteld om de Gemeenschap een bron van inkomsten te verschaffen, maar om, in het algemeen belang, de ontwikkeling der isoglucose-produktie aan banden te leggen. De Raad wijst er in dit verband op dat de uit de heffing verkregen opbrengst geen regelmatig karakter draagt, doch van de verhouding tussen de suikerkoersen op de wereldmarkt en in de Gemeenschap afhankelijk is. Waar het in de bedoeling lag de verliezen bij export Van suiker geleden wanneer er in de Gemeenschap teveel suiker wordt geproduceerd dan wel bij overproduktie van isoglucose te beperken, wordt de heffing slechts toegepast wanneer de produktiequota door toedoen van de ondernemers worden overschreden. Het doet dan niet ter zake dat er in de verkoopseizoenen 1979 en 1980, tot oktober 1980, door toepassing van verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 de facto beperkingen waren gesteld. Terugbetaling van de heffing zou niet alleen de mededingingspositie van de isoglucoseproducenten eenzijdig wijzigen, maar ook het systeem van beperking der isoglucoseproduktie in de verkoopseizoenen 1979-1980 te niet doen.

3.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen, interveniente aan de zijde van de Raad, betoogt dat:

—er enerzijds in 's Hofs Jurisprudentie en in het recht der Lid-Staten echte uitzonderingen op het beginsel van de non-retroactiviteit der wetten worden erkend;

—anderzijds in casu aan de voorwaarden waaraan volgens 's Hofs Jurisprudentie moet zijn voldaan, wil er aan de verordeningen der Gemeenschap terugwerkende kracht toekomen, is voldaan.

a)In 's Hofs Jurisprudentie (en wel met name in het arrest, gewezen in de zaken 42-49/59, Jurispr. 1961, blz. 103) wordt het verlenen van terugwerkende kracht aan communautaire bepalingen waarin aan particulieren lasten worden opgelegd, geenszins uitgesloten. De mogelijkheid ertoe is trouwens onontbeerlijk in een rechtsstelsel dat het algemeen belang met het particulier belang moet verzoenen, wanneer het komt tot de toepassing van verordeningen die voornamelijk de economische betrekkingen reguleren.

Het mag er volgens de Commissie niet voor worden gehouden dat het Hof in zijn uitspraken slechts aan „materiële” en niet aan „werkelijke” retroactiviteit heeft gedacht. Met name in de conclusie, door de advocaatgeneraal Reischl genomen in de zaak-Racke (98/78, Jurispr. 1979, blz. 88) is gereleveerd dat het Hof zich in die zaak over een geval van echte retroactiviteit had uit te spreken en in rechtsoverweging 20 heeft het Hof ondubbelzinnig uitgesproken dat die retroactiviteit zich — binnen de door het Hof aangegeven grenzen — met het gemeenschapsrecht verdraagt.

b)De Commissie meent dat de voorwaarden, door het Hof aan de retroactiviteit van communautaire handelingen gesteld, door het onderhavig legislatief optreden van de Raad niet zijn geschonden.

—In de eerste plaats is het rechtmatig vertrouwen van betrokkenen niet geschonden: dat zij aanspraak mocht maken dan wel mochten rekenen op terugbetaling van de heffing dan wel dat de met terugwerkende kracht genomen maatregel onvoorzienbaar was, is door hen niet overtuigend aangetoond.

Met betrekking tot het beweerdelijk verworven recht op terugbetaling van de omstreden heffing na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, heeft de Commissie erop gewezen dat aan 's Hofs arresten van 20 oktober 1980 zulk een aanspraak niet kan worden ontleend, nu de nietigverklaring niet op materiële gronden, maar op een gebleken vormfout berustte.

Verzoekster verwart twee rechtmatigheidsaspecten : externe en interne rechtmatigheid. De uitkomsten waartoe het Hof ten aanzien van de interne rechtmatigheid kwam, liggen besloten in 's Hofs bespreking van de materiële grieven die in de zaken 138 en 139/79 waren voorgedragen.

's Hofs verklaring dat verordening 1293/79 rechtens als nietig is te beschouwen, kan dus niet worden gelijkgesteld met de verklaring dat de bestreden handeling niet bestaat, welke handeling volgens 's Hofs vaste Jurisprudentie (men zie het arrest 101/78, Jurispr. 1979, blz. 623) tot de uitspraak rechtsgevolg sorteerde. Van het bedrogen uitkomen in rechtmatig gekoesterd vertrouwen kan bij de ondernemers dus geen sprake zijn. Een verkregen recht op restitutie had door de isoglucosefabrikanten dus slechts kunnen worden ingeroepen, indien het Hof in zijn arrest aan de handeling „interne” rechtmatigheid mocht hebben ontzegd. Om dezelfde reden mochten de ondernemers na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 niet verwachten dat hun de heffing zou worden gerestitueerd. En mochten er al zulke verwachtingen hebben bestaan, dan nog zou de constante gedragslijn van de instellingen der Gemeenschap hun dié hoop hebben ontnomen — en rechtens irrelevant hebben gemaakt.

Handhaving van de omstreden heffing met terugwerkende kracht tot 1 juli 1979, lag trouwens voor alerte ondernemers als verzoekers, geheel in de lijn der verwachtingen; men zie de rechtsoverwegingen van het arrest door het Hof in de zaken 138 en 139/79 gewezen. In zijn arresten heeft het Hof alle materiële grieven ten duidelijkste verworpen en er, op een wijze welke de Commissie niet zeer gebruikelijk acht, op gezinspeeld dat de Raad alle „passende maatregelen” kon nemen teneinde de isoglucosepro-duktie te reglementeren.

De Commissie betoogt nu dat aan de arresten van 29 oktober 1980, naar de aard van de daarbij uitgesproken nietigverklaring, hoogstens alleen kon worden afgelezen dat de Raad, alvorens maatregelen te nemen die zich overigens met het gemeenschapsrecht verdroegen, in formele zin het Parlement had te consulteren.

Daarentegen was het volgens de Commissie een door de Raad — onder controle van het Hof — te beoordelen vraag van algemeen belang of er aan de isoglucoseregeling terugwerkende kracht moest worden toegekend. En toen het Hof, anders dan in zijn eerste uitspraak over verordening nr. 1111/77, de heffing noch in beginsel noch qua uitvoering onrechtmatig oordeelde, kon het Hof geacht worden met zijn verwijzing naar de aan de Raad gelaten mogelijkheid „alle passende maatregelen te nemen”, te hebben gedoeld op de mogelijkheid om maatregelen besloten liggende in een „extern” onrechtmatig bevonden verordening, alsnog met terugwerkende kracht te nemen.

—De Commissie is voorts van mening dat aan verordening nr. 387/81 om dwingende redenen van algemeen belang terugwerkende kracht moest worden verleend.

Blijkens rechtsoverweging nr. 30 van de arresten 138 en 139/79 dragen maatregelen tot beperking van de isoglucosepro-duktie ontegenzeglijk bij tot stabilisatie van de communautaire zoetmiddelenmarkt, in die zin dat, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, aan de producenten een redelijke levensstandaard wordt geboden. Het lijdt al evenmin twijfel dat deze doelstelling van algemeen belang, gezien de duidelijke substitutierelatie tussen vloeibare suiker en isoglucose, slechts kan worden verwezenlijk door gecombineerde, voor suiker èn voor isoglucose geldende voorschriften. Wie het voor regularisering van de communautaire suikermarkt bedoelde mechanisme niet wil ontwrichten, kan dus niet doen alsof de isoglucosebepalingen „ab initio” niet hebben bestaan.

Voorts zou terugbetaling van de onder vigeur van verordening nr. 1293/79 geïnde heffingen op een ongelijke behandeling van isoglucose- en suikerproducenten en ontwrichting van de markt uitlopen.

Enerzijds zou aldus aan de isoglucose-producenten een geldelijk voordeel worden toegekend dat voor de suikerproducenten niet is weggelegd. Dit zou te onredelijker zijn waar de isoglucoseproducenten na de prejudiciële arresten van 25 oktober 1978 reeds zeer werden bevoordeeld omdat de eerste heffing van verordening nr. 1111/77 niet voor hen gold. Daardoor zou de produktiecapaciteit van deze fabrikanten reeds ten nadele van het marktevenwicht zijn versterkt. Die situatie zou worden gecontinueerd indien de isoglucoseproducenten zich, na de arresten van 29 oktober 1980, bovendien de reeds betaalde heffingen zouden zien gerestitueerd. Zulk een terugbetaling zou betekenen dat de financiering van de interventievoorzieningen voor de export van zoetmiddelen (restitutie; indirecte prijsgarantie...) alleen door de suikerproducenten wordt gedragen, ofschoon beide categorieën van ondernemers (suiker- en isoglucosefabrikanten) ervan profiteerden.

Anderzijds wijst de Commissie erop dat intrekking van de heffing „ab initio” niet slechts voor een categorie van producenten een ongerechtvaardigde verrijking zou betekenen, die hen in staat stelt hun produktiecapaciteit te vergroten, maar diezelfde producenten bovendien bevrijdt van alle financiële aansprakelijkheid voor de afzet van het overschot waartoe de vergroting van hun produktiecapaciteit leidt, waardoor de goede werking van de suikermarkten ernstig wordt bedreigd.

De Raad heeft dan ook, volgens de Commissie, terecht gemeend dat alleen reeds dwingende redenen van openbaar belang het toekennen van terugwerkende kracht aan de hier bedoelde bepalingen genoegzaam rechtvaardigden.

Het mag er niet voor worden gehouden dat bedoelde retroactiviteit aan de parlementaire consultatieprocedure zijn bestaansrecht heeft ontnomen. Het Parlement is in casu wel degelijk gehoord, en toen het zich uitsprak was het van de terugwerkende kracht die de Raad aan de beoogde maatregel toedacht, helemaal op de hoogte. De resolutie van 9 februari 1980 (PB 50, blz. 14) laat dienaangaande geen twijfel bestaan. Het Parlement heeft dus ten volle van zijn bevoegdheden gebruik gemaakt, immers van de inhoud der aan zijn oordeel onderworpen bepalingen ten volle kennisgedragen en zijn instemming met de desbetreffende maatregelen betuigd. Wil de Raad evenwel met schending van zijn consultatieverplichting per se een bepaalde tekst vaststellen en heeft de Commissie — „zowel haar taak als hoedster der verdragen als het risico ván parlementaire kritiek vergetend” — de Raad bij zijn handelwijze laten volharden, dan kunnen verzoekers zich, tot bewaring van recht, altijd nog met een nieuw beroepschrift tot het Hof van Justitie wenden.

Tweede middel: schending van de motiveringsplicht
1.

De vennootschap Roquette Frères meent dat zowel verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 zelf als de individuele besluiten in het geheel niet voorzien zijn van een redengeving welke licht verschaft over de redenen waarom de Raad gemeend heeft retroactieve maatregelen te moeten nemen.

Zij betoogt dat zulk een volkomen ontbreken van iedere redengeving volgens het Verdrag en 's Hofs Jurisprudentie op zich zelf reeds tot nietigverklaring van zulke handelingen leidt.

2.

De Raad van de Europese Gemeenschappen, verweerder, acht deze grieven ongegrond.

Het is vaste rechtspraak dat de redengeving van een verordening die deel uitmaakt van een complexe wettelijke regeling, in de considerans van eerdere verordeningen mag worden gezocht. De Raad acht in casu haar beleidsredenen ten duidelijkste uiteengezet in de considerans van verordening nr. 1111/77 — en nader uitgewerkt in die van verordening nr. 1293/79.

Wat betreft het ontbreken van een redengeving met betrekking tot de noodzaak om aan verordening nr. 387/81 terugwerkende kracht toe te kennen: de Raad meent dat die noodzaak ten duidelijkste ter sprake is gekomen in de laatste volzin van de tweede overweging van de considerans, „dat derhalve [i. e. omdat het Hof de regeling ten gronde met het gemeenschapsrecht in overeenstemming heeft bevonden] —... de desbetreffende quotaregeling opnieuw met terugwerkende kracht moet worden ingesteld”.

Een „redelijk oplettende lezer”, en verzoekster is „veel meer dan een redelijk oplettende lezer”, immers zij „heeft aan eerdere isoglucosegevechten deelgenomen”, kon volgens de Raad zijn beweegredenen en zijn besluit aan de verordening terugwerkende kracht te verlenen, zeer wel begrijpen.

3.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen is van mening dat het aan schending van de motiveringsplicht ontleende middel „reeds bij lezing van de overwegingen van de considerans van verordening nr. 387/81 geen stand houdt” en verklaart het geheel met de Raad eens te zijn dat het middel moet worden verworpen.

Derde middel: schending van artikel 201 van het EEG-Verdrag en van artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen
1.

In haar conclusie van repliek bedient de vennootschap Amyliim zich van een nieuw middel, inhoudende dat de Raad niet bevoegd is nieuwe eigen middelen te creëren.

a)Met betrekking tot de ontvankelijkheid van dit middel wijst verzoekster erop dat het Hof in zijn Jurisprudentie (arresten, gewezen in de zaken 1/54, Jurispr. 1954, blz. 7, 2/54, Jurispr. 1954, blz. 73, 6/54, Jurispr. 1954, blz. 201, 18/57, Jurispr. 1958, blz. 114 en 19/58, Jurispr. 1960, blz. 473) heeft uitgesproken dat middelen van openbare orde te allen tijde in rechte kunnen worden ingeroepen. En het onderhavige middel, waarin onbevoegdheid en schending van het Verdrag wordt ingeroepen, dient haars inziens als zulk een middel van openbare orde te worden beschouwd, zodat zij erin moet worden ontvangen.

b)Ten principale betoogt verzoekster dat de bedragen die de isoglucoseproduktieheffing oplevert, wat de communautaire begroting betreft, als inkomsten zijn te beschouwen, maar'als zodanig in het besluit van 21 april 1970 niet zijn voorzien, terwijl de Raad ze niet mag introduceren.

In artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 wordt onderscheiden tussen:

—enerzijds: „de heffingen, premies... alsmede de bijdragen en andere heffingen, die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld, hierna te noemen „landbouwhef fingen”;

—anderzijds „de ontvangsten uit andere belastingen welke in het kader van een gemeenschappelijk beleid... worden ingesteld, voor zover de procedure van artikel 201 van het Verdrag,... is voltooid”.

Verzoekster wijst erop dat de isoglucose-produktieheffing pas in 1977, bij verordening nr. 1111/77, is ingesteld. Zij kan dus niet worden geacht te zijn „voorzien in het kader van een gemeenschappelijke ordening der markten in de suikersector” in de zin van artikel 2 van het besluit van 21 april 1970, die, naar verzoekster meent, slechts betrekking kon hebben op de rechten en heffingen die bij 's Raads verordening nr. 1009/67 van 18 december 1967 (PB L 308, blz. 1) waren ingesteld zonder dat de Raad enigerlei bevoegdheid werd verleend naderhand nieuwe bronen van inkomsten te creëren.

Bovendien heeft de Raad blijkens rechtsoverweging nr. 54 van het arrest, door het gewezen in de zaken 103 en 145/77 (Jurispr. 1978, blz. 2037) „isoglucose van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vloeibare suiker... uitgesloten”.

Verzoekster is dan ook van mening dat de omstreden heffing, in de negende overweging van de considerans van verordening nr. 1111/77, ten onrechte met eigen middelen in de zin van artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 is gelijkgesteld. Volgens de laatste alinea van artikel 2 had de omstreden heffing moeten zijn geïntroduceerd met inachtneming van de voorwaarden van artikel 201 van het Verdrag, waarin is bepaald dat de Raad de Lid-Ştaten alleen maar kan aanbevelen, om „overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen” nieuwe eigen middelen te creëren.

Met zijn glucoseheffing heeft de Raad dan ook, volgens verzoekster, artikel 201 van het Verdrag geschonden en artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 miskend.

2.

De Raad van de Europese Gemeenschappen heeft doen zeggen voor dupliek dat hij het door verzoekster opgeworpen middel niet-ontvankelijk en ongegrond acht.

a)Het nieuwe middel is volgens de Raad niet-ontvankelijk omdat er volgens artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in de loop van het geding, behalve in een thans niet ter zake doend uitzonderingsgeval, geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen. Het door verzoekster tot staving van de ontvankelijkheid van haar vordering ingeroepen verschil tussen middelen van openbare orde en andere middelen, kan aan artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet worden afgelezen en het Hof heeft het nimmer tot gelding doen komen of erkend. Met name in de zaken 2/54 (Jurispr. 1954, blz. 73) en 19/58 (Jurispr. 1960, blz. 471) heeft het Hof nieuwe argumenten, voor repliek voorgedragen tot staving van middelen waarvan betrokkene zich in zijn rekest bediende, aanvaard; in zijn arrest in de gevoegde zaken 19 en 21/60 en 2 en 3/61 (Jurispr. 1961, blz. 561) heeft het evenwel van niet in het rekest voorgedragen, tijdens de procedure opgeworpen nieuwe middelen niet willen weten.

De Raad erkent dat het Hof krachtens artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering te allen tijde middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling mag nemen.

De Raad is evenwel van mening dat deze uitzonderingsbepaling niet als een specifieke verwoording van een impliciete algemene regel is te beschouwen, en evenmin bij wege van uitbreiding ook kan worden toegepast op middelen ten principale, om het even of zij van openbare orde zijn of niet.

Een andere uitlegging zou een verbodsbepaling van artikel 42, paragraaf 2, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering, bedoeld om de voortgang der procedure te verzekeren, uithollen. Deze consequentie zou in casu te ernstiger zijn, immers bijna alle middelen in een op artikel 173 van het EEG-Verdrag berustend beroep tot nietigverklaring zijn als van openbare orde aan te merken, voor zover daarin met termen als onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften of van het Verdrag, détournement de pouvoir wordt gewerkt... Zou men op die grondslag nieuwe middelen toelaten, dan zou het aantal fasen der procedure worden verveelvoudigd, terwijl de debatten in voor het Hof aanhangige zaken zich eindeloos zouden voortslepen.

De Raad acht dit nieuwe middel dan ook niet-ontvankelijk.

b)Subsidiair verklaart de Raad het ongegrond te achten:

—In een aantal uitspraken over de vraag naar de geoorloofdheid van de reglementering der isoglucoseproduktie, heeft het Hof aan de Raad de bevoegdheid ingeruimd maatregelen tot beperking van de produktie te nemen. In verzoeksters vraag gaat het er dus alleen om of de opbrengst der heffing aan de begroting van de Gemeenschap dan wel aan de nationale begrotingen toevloeit, hetgeen verzoekster niet behoeft te interesseren, omdat zij de heffing in ieder geval heeft te betalen.

—de Raad wijst er voorts op dat het opgeworpen middel de onderhavige casuspositie niet raakt: wat er met de omstreden heffing als „eigen middel” moet gebeuren, staat in artikel 4 van 's Raads verordening nr. 1110/77 van 17 mei 1977 (PB L 134, biz. 1) tot wijziging van artikel 27, lid 2, derde alinea, van 's Raads verordening nr. 3330/74 van 19 december 1977 (PB L 359, biz. 1) (i. e. de vroegere verordening houdende een gemeenschappelijke ordening der suikermarkten). In de lijn van een communautaire bestemming ligt ook de vaststelling van de communautaire begroting. Verzoekster heeft die rechtshandelingen als zodanig ook niet aangevochten, terwijl het beroep alleen gericht is tegen verordening nr. 387/81, voor zover verordening nr. 1111/77 daarbij is gewijzigd.

—Tenslotte weerspreekt de Raad dat de omstreden heffing als een niet onder artikel 2, lid 1, van het besluit van 21 april 1970 vallende nieuwe heffing is te beschouwen: behalve suikerheffingen kunnen ook op andere produkten gelegde heffingen die als een noodzakelijke voorziening voor de ordening der suikermarkt zijn te beschouwen, worden begrepen onder de term „heffing voorzien in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker”. Voor de onderhavige heffing geldt dit ontegenzeglijk: in zijn conclusie in de zaak 125177 (Jurispr. 1978, blz. 2023, b) huldigde ook de advocaatgeneraal Reischl deze opvatting, en wel omdat isoglucose suiker geheel en al kan vervangen.

Aan de isoglucoseregeling van verordeningen nrs. 1110/77 e. a. dient ook geen „werkelijke zelfstandige betekenis” te worden toegekend; zij is slechts in samenhang met de gemeenschappelijke ordening der suikermarkten te verklaren, welke samenhang weer op de gelijksoortigheid van beide produkten en op de daaruit rechtstreeks resulterende concurrentieverhouding berust. De isoglucose-heffing is volgens de Raad dan ook wel degelijk te beschouwen als een heffing „in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de suikersector” als bedoeld in artikel 2, lid 1, van het besluit van 21 april 1970.

De Raad is voorts van mening dat verzoeksters aan artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 een onjuiste uitlegging geven, wanneer zij aan een bepaling aflezen dat de nationale parlementen wel akkoord zijn gegaan met de overdracht van de heffingen in de suikersector die op 21 april 1970 bestonden, doch niet met die van in de toekomst te creëren heffingen. De bepaling houdt volgens de Raad juist de aanvaarding in van het beginsel dat de opbrengst van voor suikerprodukten geldende heffingen naar de begroting van de Gemeenschap wordt getransponeerd. Het feit dat er als gevolg van de technische ontwikkeling sedert 1970 een nieuwe tot dezelfde sector te rekenen produkt aan de markt kon komen, kanniet worden geacht wijziging te hebben gebracht in het beginsel dat de opbrengst van op suikerprodukten toegepaste heffingen aan de communautaire begroting ten goede komt. Een andere lezing van het artikel holt volgens de Raad het begrip „eigen middelen van de Gemeenschap” uit en leidt er toe dat er aan de Gemeenschap minder eigen middelen toevloeien zodra er, in de plaats dan wel als concurrent van de in april 1970 bestaande produktie, een nieuw produkt aan de markt komt, met als gevolg dat de aldus gecreërde inkomsten aan de nationale begrotingen ten goede moeten komen, c.q. de Lid-Staten het besluit van 21 april 1970 volgens de procedure van artikel 201 van het EEG-Verdrag hebben te wijzigen.

Op grond van één en ander is de Raad van mening dat het nieuwe middel van verzoeksters in ieder geval ongegrond is.

3.

Ook de Commissie acht dit nieuwe, middel noch ontvankelijk noch gegrond.

a)De Commissie maakt de door de Raad aan artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering ontleende conclusie volgens welke het middel niet-ontvankelijk is, tot de hare.

Het begrip „middel van openbare orde” veronderstelt haars inziens een zodanig ernstige onrechtmatigheid dat de gewone procedureregelen geen toepassing kunnen vinden. Teneinde de eerbieding van het recht te verzekeren, kan de rechter zulk een middel dan ambtshalve opwerpen. Reeds in zijn conclusie in de zaak 125/77 (Jurispr. 1978, blz. 2023, b) stond de advocaatgeneraal Reischl stil bij een middel als in casu door verzoeksters werd opgeworpen, terwijl het hof destijds heeft gemeend er niet op te moeten ingaan..

Of het ingeroepen middel werkelijks van openbare orde is, mag dus volgens de Commissie worden betwijfeld, hetgeen een reden te meer oplevert om het niet-ontvankelijk te achten.

b)Ten principale heeft de Commissie betoogd dat de „strikt letterlijke” uitlegging welke verzoekster aan artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 geeft, een miskenning inhoudt van de dynamische aard van de gezamenlijke bepalingen betreffende de overdracht van eigen middelen aan de Gemeenschap. Bij lezing van die bepalingen blijkt duidelijk dat de Raad de eigen middelen der Gemeenschap niet heeft willen invriezen in de toestand waarop zij zich op 21 April 1970 bevonden. Uit de bewoordingen van artikel 2, a, van het besluit „ingevoerde of in te voeren [rechten]”, „bijdragen en andere heffingen, die... zijn vastgesteld” en „vastgesteld” in plaats van „ingevoerd”blijkt de bedoeling het scheppen van nieuwe middelen, vergelijkbaar met reeds bestaande middelen, mogelijk te maken, wanneer zulke nieuwe lasten werkelijk zijn te beschouwen als voor de verwezenlijking van het betrokken economisch beleid noodzakelijke middelen.

Met de isoglucoseheffing, die met de maatregelen voor de suikersector rechtstreeks verband houdt, is dat ontegenzeglijk het geval. Van die samenhang blijkt in de eerste plaats uit de bewoordingen van verordening nr. 1111/77, waarin met zoveel woorden wordt verwezen naar verordening nr. 3330/74, houdende een ordening der markten in de sector suiker. Van die samenhang blijkt evenwel met name uit de tussen vloeibare suiker en isoglucose bestaande substitutiemogelijkheid en uit de besteding van de heffingopbrengst voor de financiering van restituties, betaald bij de uitvoer van de overtollige suikerproduktie van de Gemeenschap.

Op grond van één en ander komt de Commissie tot de slotsom dat de heffing tot de rechtmatig ingevoerde eigen middelen behoort, zodat de Raad te dezen artikel 201 van het bedrag niet heeft geschonden. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de vraag naar de begroting waaraan de opbrengst van de heffing moet toevloeien, in dit geding geen bespreking behoeft, omdat verzoekster er geen belang bij heeft.

IV — Mondelinge behandeling

Ter openbare terechtzitting van 1 juli 1982 is de zaak bepleit — en zijn opmerkingen gemaakt — door de vennootschap Roquette Frères, vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Lille, de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Vignes, directeur van de juridische dienst, bijgestaan door A. Bräutigam, administrateur van die dienst, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright, juridisch adviseur, bijgestaan door F. Lamoureux, lid van de juridische dienst.

De advocaatgeneraal heeft ter zitting van 23 september 1982 zijn conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij op 7 mei 1981 ter griffie ingediend rekest heeft de naamloze vennootschap naar Frans recht Roquette Frères krachtens artikel 173, tweede alinea, van het EEG-Verdrag bij het Hof van Justitie beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van:

1)'s Raads verordening nr. 387/81 van 10 februari 1981 (PB L 44, biz. 1) houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 1111/77 van 17 mei 1977 (PB L 134, biz. 4) tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose;

2)'s Raads verordening (EEG) nr. 388/81 van 10 februari 1981 (PB L 44, biz. 4) houdende toepassing van de regelingen inzake de produktiequota in de sectoren suiker en isoglucose voor de periode van 1 juli 1980 tot en met 30 juni 1981.

2.

In artikel 1, lid 3 en lid 4, van verordening nr. 387/81 is vóór diezelfde periode, i.e. met terugwerkende kracht, de bij verordening nr. 1293/79 voor het tijdvak 1 juli 1979/30 juni 1980 vastgestelde quotaregeling wederom ingevoerd, behoudens dat het aan Maizena GmbH toegekende quotum enigszins is verhoogd, 's Raads voornoemde verordening nr. 1293/79 van 25 juni 1979, waarbij voormelde verordening nr. 1111/77 met name door aanvulling met een artikel 9 werd gewijzigd, is door het Hof bij arresten van 29 oktober 1980 (gewezen in de zaken SA Roquette Frères, 138/79, Jurispr. biz. 3333, en Maizena GmbH, 139/79, Jurispr. blz. 3393) nietigverklaard omdat zij was vastgesteld zonder dat het Parlement, zoals in artikel 43 van het Verdrag is voorgeschreven, was geraadpleegd.

3.

In artikel 2 van 's Raads verordening nr. 1592/80 van 24 juni 1980 is de isoglucoseregeling welke met name in het bij verordening nr. 1293/79 aan verordening nr. 1111/77 toegevoegde artikel 9 besloten lag, ook van toepassing verklaard op het tijdvak 1 juli 1980- 30 juni 1981. Nadat verordening nr. 1293/79 door het Hof was nietigverklaard, heeft de Raad, naar in de tweede overweging van de considerans der verordening wordt overwogen, iedere onzekerheid met betrekking tot de rechtmatigheid van artikel 2 van verordening nr. 1592/80 willen wegnemen en — met verwijzing naar verordening nr. 387/81 — bedoeld artikel 2 in verordening nr. 388/81 overgenomen.

4.

Tot staving van haar beroep betoogt verzoekster enerzijds dat in de bestreden verordening het beginsel is geschonden volgens hetwelk er aan handelingen van de Gemeenschap geen terugwerkende kracht mag worden verleend, anderzijds dat de verordening onvoldoende met redenen is omkleed. Voorts heeft zij zich in haar conclusie van repliek bediend van een nieuw middel: de Raad zou tot invoering van een isoglucoseproduktieheffing niet bevoegd zijn.

I — Het eerste middel: schending van het beginsel volgens hetwelk handelingen van de Gemeenschap niet mogen terugwerken

5.

Meermalen, onder meer in zijn arresten van 25 januari 1979 (Racke, 98/78, Jurispr. blz. 69; Decker 99/78, Jurispr. blz. 101) heeft het Hof overwogen dat het principe van de zekerheid der rechtsposities zich er, zoals ook verzoekster betoogt, in den regel tegen verzet dat een communautaire handeling op een vóór publikatie gelegen datum aanvangt, effect kan sorteren; het kan evenwel in uitzonderingsgevallen anders zijn, wanneer het te verwezenlijken doel zulks vordert en het gewettigd vertrouwen der betrokkenen is geëerbiedigd.

6.

Wat betreft de eerste van deze twee voorwaarden, zij herinnerd aan enkele gegevens van feitelijke of juridische aard, waarmee de partijen overigens zeer wel bekend zijn. In het tijdvak waarin de bestreden verordening van toepassing was, golden er voor de suikerfabrikanten quota en produktieheffingen. Isoglucose is een rechtstreeks met suiker concurrerend substitutieprodukt. Elk met betrekking tot een dezer produkten genomen communautair besluit leidt voor het andere noodzakelijkerwijze tot gevolgen. Die situatie in aanmerking genomen, heeft het Hof, toen het bij arresten van 29 oktober 1980 verordening nr. 1293/79 wegens schending van een wezenlijk vormvoorschrift — dat raadpleging van het Parlement verlangt — nietig verklaarde, niettemin geoordeeld dat het, waar de produktie van isoglucose tot het toenemen der suikeroverschotten bijdroeg en de Raad ten aanzien van die produktie restrictieve maatregelen mocht nemen, ook op de weg van de Raad lag om, in het kader van het landbouwbeleid, de door hem nuttig geachte maatregelen te nemen, met inaanmerkingneming van de overeenkomst tussen beide markten, hun onderlinge afhankelijkheid en de specifieke aard van de isoglucosemarkt.

7.

Ofschoon de Raad, na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, ten aanzien van de isoglucoseproduktie niet was overgegaan tot beperkende maatregelen, zoals in casu herstel van de toegestane quota en van de aan de fabrikanten opgelegde heffingen per 1 juli 1979 zouden zijn geweest, had het door de Raad nagestreefde doel, te weten stabilisatie van de suikermarkt in het algemeen belang, in het geheel niet kunnen worden verwezenlijkt ofwel slechts ten detrimente van de suikerfabrikanten die de last van de communautaire overschotten alleen hadden moeten financieren, of ook ten detrimente van de gehele Gemeenschap, terwijl aan de isoglucosefabrikanten, die de.suikerbedrijven beconcurreerden, niets in de weg gelegd werd.

8.

De Raad mocht het er dus voor houden dat het in het algemeen belang te verwezenlijken doel, namelijk de stabiliteit van de communautaire zoetmiddelenmarkt, zonder willekeurige discriminatie tussen de ondernemers, medebracht dat de bestreden bepalingen dienden terug te werken, alsook dat de eerste voorwaarde waarvan het Hof de toepasselijkheid, ratione temporis, van een communautaire handeling op een vóór publikatie gelegen datum afhankelijk stelt, geacht mocht worden te zijn vervuld.

9.

Met het oog op de vaststelling of ook de tweede voormelde voorwaarde vervuld is, dient te worden nagegaan of 's Raads beleid gewettigd vertrouwen heeft beschaamd — in die zin dat betrokkenen bedrogen zijn uitgekomen in hun verwachting dat de isoglucoseproduktie niet zou worden gereglementeerd in het tijdvak van 1 juli 1979, toen verordening nr. 387/81 met terugwerkende kracht in werking trad, tot 17 februari 1981, toen laatstgenoemde verordening en verordening nr. 388/81 werden gepubliceerd.

10.

Allereerst zij eraan herinnerd dat er in de bestreden verordeningen geen nieuwe maatregel besloten ligt; zij herhalen slechts hetgeen er in 's Raads verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 was bepaald.

11.

Waar 's Raads verordening nr. 1293/79 van 25 juni 1979 tot aan haar nietigverklaring in de communautaire rechtsorde volledig rechtsgevolg heeft gesorteerd, zodat de met haar uitvoering belaste nationale overheden verplicht waren de isoglucoseproduktie aan de restrictieve regeling dier verordening te onderwerpen, was een dergelijk vertrouwen slechts gewettigd wanneer herhaling, met terugwerkende kracht, van de maatregelen welke in de door het Hof nietig verklaarde verordening nr. 1293/79 besloten lagen, als onvoorzienbaar was te beschouwen.

12.

Verzoekster kan zich evenwel niet op een voor bescherming in aanmerking komend vertrouwen beroepen.

13.

In de eerste plaats raakt de regeling een kleine groep van ondernemers, die redelijkerwijs geacht mogen worden op de hoogte te zijn van de interdependentie van de markten voor vloeibare suiker en isoglucose, van de situatie op de zoetmiddelenmarkt der Gemeenschap en — eo ipso — van de gevolgen welke, na nietigverklaring van verordening nr. 1293/79, voor het tijdvak 1 juli 1979/30 juni 1980 aan het onderwerpen van de suikerproduktie aan stabiliserende maatregelen — waaraan de isoglucoseproduktie ten enenmale was ontkomen — verbonden konden zijn.

14.

In de tweede plaats heeft de Raad, toen hij achtereenvolgens verordeningen nrs. 1111/77, 1293/79 en 1592/80 vaststelde, duidelijk doen blijken van zijn bedoeling de communautaire zoetmiddelenproduktie in haar geheel te reglementeren — en daartoe de isoglucoseproduktie te onderwerpen aan een op quotering en produktieheffingen berustende restrictieve regeling.

15.

In de derde plaats kan het aan verzoekster niet zijn ontgaan dat het Hof in de verschillende op 29 oktober 1980 gewezen arresten waarbij verordening nr. 1293/79 — met haar produktiequota — werd nietigverklaard, de door verzoeksters Roquette en Maizena tegen de verordening opgeworpen materiële middelen heeft verworpen en, de verordening nietigverklarend omdat de raadpleging van het Parlement niet had plaatsgehad, bepaaldelijk heeft overwogen dat die nietigverklaring „de bevoegdheid van de Raad om naar aanleiding van dit arrest, overeenkomstig artikel 176, eerste alinea, van het Verdrag, alle passende maatregelen te nemen”, onverlet laat.

16.

Tenslotte heeft verzoekster uit de bekendmaking in het Publikatieblad van 20 december 1980 (PB C 334, biz. 2) kunnen vernemen dat de Commissie op 3 december 1980 bij de Raad een voorstel had ingediend tot wijziging van, onder meer, verordening nr. 1111/77, in die zin dat voor het tijdvak 1 juli 1979 - 30 juni 1980 het stelsel van quota en heffingen, zoals dat in verordening nr. 1293/79 was vastgelegd, en in de bestreden bepalingen van verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 was overgenomen, zou herleven.

17.

De retroactiviteit der bestreden verordeningen wordt door verzoekster voorts op verschillende gronden bestreden.

18.

Verzoekster merkt in de eerste plaats op dat een door het Hof nietigverklaarde handeling volgens artikel 174 van nul en gener waarde is en dat het Hof, de verordening nietigverklarende, geen gebruik gemaakt heeft van de in artikel 174, tweede alinea, geboden mogelijkheid de „gevolgen van de vernietigde verordening aan [te wijzen], welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd”. Haar conclusie is dat de in artikel 176, eerste alinea, aan de Raad opgelegde verplichtingen ter uitvoering van 's Hofs arrest de nodige maatregelen te nemen, de Raad verplichtte de nationale gezagsorganen in overweging te geven de voor de inning der isoglucoseheffing uitgegeven titels vervallen te verklaren.

19.

Deze uitlegging faalt. Vooral omdat het Hof in zijn arresten van 29 oktober 1980 de achterwege gebleven raadpleging van het Parlement heeft gewraakt, maar de door de naamloze vennootschap Roquette Frères en Maizena GmbH tegen die verordening gerichte materiële grieven heeft verworpen, bracht 's Hofs nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 niet mede dat de Raad gedwongen was gedurende de omstreden periode rechtens een leemte te laten voortbestaan welke de positie zou hebben ontwricht die door de onderscheiden ondernemers, suiker- en isoglucosefabrikanten, op de zoetmiddelenmarkt werd ingenomen. Integendeel, de Raad heeft volgens het Hof „alle passende maatregelen” te nemen om het hoofd te bieden aan de gevolgen waartoe de nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 zou leiden. Of de door de Raad met verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 genomen maatregelen regulier zijn, is immers juist de inzet van het onderhavige geding.

20.

Voorts leest verzoekster aan artikel 191 van het Verdrag, volgens hetwelk verordeningen worden „bekendgemaakt” en van beschikkingen wordt „kennisgegeven”, af dat verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80, die zich als individueel aandienden voorzover daarbij de quota werden vastgesteld die aan isoglucose fabricerende ondernemingen waren toegekend, niet met terugwerkende kracht konden worden vervangen, zelfs niet door nagenoeg identieke maatregelen.

21.

Wat betreft de mogelijkheid om na nietigverklaring door het Hof met terugwerkende kracht maatregelen te nemen, kan er in casu niet tussen een verordening en een individuele beschikking worden onderscheiden: om het even of er aan verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 vervolgens in de vorm van individuele maatregelen uitvoering werd gegeven, zoals normaliter geschiedt wanneer de door de onderscheiden produktieondernemingen op te brengen heffingen moeten worden vastgesteld, dan wel of de quota der ondernemingen rechtstreeks en individueel zijn vastgesteld, in elk van beide gevallen zou moeten worden uitgemaakt of het beginsel der aan betrokkenen te bieden rechtszekerheid aan een wederinvoering van de bepalingen der verordeningen in de weg stond en onder welke voorwaarden zulk een retroactiviteit als regulier kon worden beschouwd.

22.

Aangezien de voorwaarden waren vervuld waaraan moest zijn voldaan, wilde men in de bestreden verordeningen de bepalingeri van verordeningen nrs. 1293/79 en 1592/80 doen herleven, moet het middel, volgens hetwelk er aan verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 ten onrechte terugwerkende kracht werd toegekend, worden verworpen.

II — Het tweede middel: schending van de motiveringsplicht

23.

Verzoekster beklaagt zich erover dat de Raad in de considerans van verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 niet met redenen heeft omkleed, waarom er aan die verordeningen terugwerkende kracht werd toegekend, waarmede de Raad artikel 190 van het Verdrag zou hebben geschonden.

24.

Volgens 's Hofs Jurisprudentie behoort de in artikel 190 van het Verdrag verlangde redengeving op de aard van de betrokken handeling te zijn afgestemd. De redenering van het communautaire gezagsorgaan waarvan de gewraakte handeling is uitgegaan, moet er duidelijk en ondubbelzinnig aan kunnen worden afgelezen, zodat betrokkenen zich kunnen vergewissen van de redenen welke tot het nemen van de maatregel hebben geleid, en het Hof zijn controle kan uitoefenen.

25.

Aan de overwegingen van 's Raads verordening nr. 387/81 kan enerzijds worden ontleend „dat verordening... nr. 1111/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot vaststelling van de gemeenschappelijke bepalingen voor isoglucose in haar versie van verordening... nr. 1293/79, voorzag in regeling van de produktie door middel van quota gedurende de periode van 1 juli 1979 tot en met 30 juni 1980”, anderzijds dat „het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken 138/79 en 139/79 op 29 oktober 1980 verordening... nr. 1293/79 tot wijziging van verordening nr. 1111/77 nietig heeft verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften; dat het Hof overigens heeft geconstateerd dat verordening nr. 1293/79 wat de grond van de zaak betreft in overeenstemming is met het communautaire recht doordat het alle tegen de bij laatstgenoemde verordening ingevoerde quotaregeling voor de produktie aangevoerde grieven inzake schending van de beginselen van het mededingingsrecht, van het evenredigheidsbeginsel en van het non-discriminatiebeginsel heeft afgewezen; dat derhalve onder meer de desbetreffende quotaregeling opnieuw met terugwerkende kracht moet worden ingesteld.”

26.

In zijn verordening nr. 388/81 heeft de Raad terzake van de nietigverklaring van verordening nr. 1293/79 bij het door het Hof in de gevoegde zaken 138 en 139/79 gewezen arrest, met name overwogen „dat het, teneinde alle onzekerheid omtrent de wettigheid van artikel 2 van verordening nr. 1592/80 weg te nemen, dienstig is te bepalen dat genoemd artikel voortaan voor die periode verwijst naar artikel 9 van verordening nr. 1111/77 in de versie die is vastgesteld bij verordening nr. 387/81”.

27.

Met deze redengeving, hoe laconiek ook, is voldaan aan de in artikel 190 van het Verdrag gestelde eis : uit de in de considerans der bestreden verordening voorkomende verwijzing naar het aan betrokkenen welbekende stelsel van produktiequota en de uit de redengeving sprekende zorg voor de rechtszekerheid blijkt dat men, wat verordening nr. 388/81 betreft, met betrekking tot de voortaan toepasselijke versie van artikel 9 van verordening nr. 1111/77 iedere onzekerheid heeft willen wegnemen; uit de considerans der omstreden verordeningen blijkt dat bij de instellingen waarvan de bestreden handelingen zijn uitgegaan, de bedoeling heeft voorgezeten om met betrekking tot een regeling ter beperking van de isoglucoseproduktie voor de nodige continuïteit te zorgen, zodat de gelijke verdeling van lasten over de isoglucoseproduktie en de produktie van vloeibare suiker — die elkander op de zoetmiddelenmarkt rechtstreeks beconcurreren — zou worden gehandhaafd.

28.

Het middel volgens hetwelk de motiveringsplicht zou zijn geschonden, moet dan ook ongegrond worden verklaard.

III — Het derde middel: schending van artikel 201 van het Verdrag en van artikel 2 van het besluit van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen

29.

In haar conclusie van repliek heeft verzoekster zich bediend van een nieuw middel, volgens hetwelk de Raad niet bevoegd zou zijn om — bij verordening nr. 387/81 — een heffing wegens de produktie van isoglucose in te stellen en de toepassingsduur ervan bij verordening nr. 388/81 te verlengen. Verzoekster meent dat de door die heffing verkregen bedragen zijn te beschouwen als op de communautaire begroting op te voeren inkomsten waaraan niet zou zijn gedacht bij vaststelling van 's Raads besluit nr. 70/243 van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 94, biz. 19). De Raad zou dan ook niet bevoegd geweest zijn tot instelling van de omstreden heffing, waarvan hij, krachtens artikel 201 van het Verdrag, slechts de vaststelling door de Lid-Staten, „overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen”, had kunnen aanbevelen.

30.

Verweerder en interveniente achten het middel niet-ontvankelijk omdat er krachtens artikel 42, paragraaf 2, van 's Hofs Reglement voor de procesvoering in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop der schriftelijke behandeling is gebleken.

31.

Verzoeksters nieuwe middel kan evenwel noch worden geacht te „steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de schriftelijke behandeling is gebleken”, immers het berust op een onrechtmatigheid welke, toen verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 er kwamen, aanstonds had kunnen worden onderkend en ingeroepen, noch ook als een uitwerking van een eerder opgeworpen middel, immers voor het eerst bij repliek heeft verzoekster de beweerdelijk geschonden rechtsregel ingeroepen, terwijl die nietigheidsgrond noch rechtstreeks noch stilzwijgend in het introduktief rekest ter sprake is gebracht.

32.

Dit geheel nieuwe middel moet derhalve als tardief, in de zin van artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, worden aangemerkt, zodat verzoekster er niet in kan worden ontvangen.

33.

Weliswaar heeft verzoekster ook een beroep gedaan op artikel 92, § 2, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk het Hof in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, in behandeling mag nemen, maar die bepalingen, waarin alleen van middelen van niet-ontvankelijkheid wordt gesproken, staan partijen niet toe om, in strijd met artikel 42, paragraaf 2, van dat reglement, tardief een nieuw middel voor te dragen.

34.

Omdat in het middel evenwel de bevoegdheid van de auteur der bestreden handeling in geding is, meent het Hof zich te moeten uitspreken over de redenen waarom de Raad bevoegd was voor de produktie van isoglucose een heffing in te stellen.

35.

In de procedurevoorwaarden van artikel 43 van het Verdrag wordt de Raad met de totstandkoming van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten — en met de vaststelling der marktregelen — belast. Volgens artikel 40, lid 3, kan de gemeenschappelijke ordening — in een der in lid 2 vermelde vormen, waartoe met name een gemeenschappelijke marktorganisatie behoort —, alle maatregelen medebrengen welke noodzakelijk zijn om de in artikel 39 omschreven doelstellingen te bereiken, met name prijsregelingen, subsidies, zowel voor de produktie als voor het in de handel brengen der verschillende produkten, systemen van voorraadvorming en opslag en gemeenschappelijke organisatorische voorzieningen voor de stabilisatie van de in- of uitvoer.

36.

Volgens artikel 9, lid 8, eerste alinea, van 's Raads verordening nr. 1111/77, zoals aangevuld bij de bestreden bepalingen van verordening nr. 387/81, wordt aan de betrokken isoglucosefabrikant voor de geproduceerde hoeveelheid isoglucose welke ligt tussen het basisquotum en het maximumquotum een produktieheffing opgelegd. Volgens lid 8, tweede alinea, van het artikel is de isoglucoseproduktieheffing gelijk aan het deel van de overeenkomstig artikel 28 van verordening nr. 3330/74 voor het suikerverkoopseizoen 1979/1980 vastgestelde produktieheffing voor suiker dat ten laste van de suikerfabrikanten blijft. Bedoeld deel kan worden vastgesteld volgens dein artikel 27 van laatstgenoemde verordening omschreven ingewikkelde berekeningen, welke ertoe leiden dat de suikerfabrikanten, door hun bijdragen, delen in de verliezen door de Gemeenschap geleden bij de afzet van de produktie welke de menselijke consumptie binnen de Gemeenschap te boven gaat. De isoglucoseproduktieheffing werd ingesteld om de stabilisatie van de communautaire zoetstoffenmarkt te bevorderen en is, blijkens de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1111/77, met name bedoeld om isoglucose in de exportlasten te doen bijdragen.

37.

Blijkens het hiervoor overwogene wordt de isoglucoseproduktieheffing bestreken door de artikelen 39 en 40 van het Verdrag en was de Raad bevoegd tot instelling van die heffingen en tot vaststelling van de heffingsmodaliteiten krachtens het ook in de bestreden verordeningen nrs. 387/81 en 388/81 ter sprake gebrachte artikel 43 over te gaan.

38.

Met betrekking tot 's Raads besluit van 21 april 1970 houdende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen, vastgesteld krachtens artikel 201 van het Verdrag, en door de Lid-Staten overeenkomstig de bepalingen van het artikel aangenomen, zij er allereerst op gewezen dat het een omschrijving wil geven van de op de begroting der Gemeenschap op te voeren eigen middelen, doch niet van de communautaire instellingen die bevoegd zijn rechten, belastingen, heffingen, bijdragen en andere inkomsten te creëren. Als begrotingsrechtelijke maatregel staat de bepaling aan de invoering door de Raad van een heffing als op dè isoglucoseprduktie toegepast, niet in de weg, terwijl 's Raads bevoegdheid om die heffing in het leven te roepen, als gezegd, op de verdragsbepalingen betreffende het gemeenschappelijke landbouwbeleid berust.

39.

Voorts worden in artikel 2, a, van het besluit van 21 april 1970 tot de eigen middelen van de Gemeenschap gerekend „bijdragen en andere heffingen, die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld”. Gezien de onvermijdelijke ontwikkelingen van de suikerproduktie en de suikermarkt van de Gemeenschap, anders gezegd: in aanmerking genomen de noodzaak om de bijdragen, heffingen, restituties en tot ondersteuning van de prijzen genomen maatregelen, aan die ontwikkeling der behoeften op de communautaire suikermarkt aan te passen, kan het niet in de bedoeling hebben gelegen dat het besluit van 21 april 1970 alleen zou gelden voor heffingen die reeds waren voorzien toen het besluit werd genomen, dat wil zeggen voor heffingen welke op dat ogenblik waren vastgesteld bij 's Raads verordening nr. 1069/67 van 18 december 1967, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB nr. 308, blz. 1). Er moge pas jaren na vaststelling van het besluit van 21 april 1970 in de Gemeenschap in noemenswaardige omvang isoglucose zijn geproduceerd, de rechtstreekse concurrentie tussen isoglucose en vloeibare suiker op de zoetstoffenmarkt brengt mede dat isoglucose moet worden gerekend tot de produkten welke in de zin van het besluit van 21 april 1970 op de markten in de sector suiker worden verhandeld.

40.

De Raad was dan ook bevoegd de bestreden bepalingen van verordening nr. 387/81 vast te stellen, terwijl aan die bevoegdheid door begrotingsrechtelijke bepalingen geen afbreuk werd gedaan.

IV — Kosten

41.

Ingevolge artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten verwezen. Verzoekster is geheel in het ongelijk gesteld, zodat zij in de kosten, die van interveniente daaronder begrepen, moet worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

rechtdoende:

1. Verklaart het beroep tot nietigverklaring ongegrond;

2. Verwijst verzoekster in de kosten, die van interveniente daaronder begrepen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

13
EEG-Verdrag art. 2016 voorkomens
verordening 1111/77 art. 94 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1733 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1763 voorkomens
verordening 1592/80 art. 23 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1742 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1912 voorkomens
EEG-Verdrag art. 391 voorkomen
EEG-Verdrag art. 431 voorkomen
verordening 3330/74 art. 281 voorkomen
verordening 1111/77 art. 71 voorkomen
verordening 387/81 art. 11 voorkomen
verordening 388/81 art. 11 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat70/8313.12.1983

EEG-Verdrag art. 191, Zesde richtlijn 77/388 art. 1

Bekijk het document

Rechtsleer

1
Maiwald, Beate: Rückwirkung im europäischen Gemeinschaftsrecht, Neue juristische Wochenschrift 1983 p.1951-1952