---
title: "HvJ EU, 110/78 en 111/78, arrest van 18 januari 1979 · EEG-Verdrag art. 59 en art. 52"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 januari 1979, 110/78 en 111/78: EEG-Verdrag art. 59 en art. 52."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-78-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-110-78-arret"
---

# Arrest van het Hof van 18 januari 1979, 110/78 en 111/78 · EEG-Verdrag art. 59 en art. 52

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaken**

110/78, 111/78

**ECLI**

ECLI:EU:C:1979:8

**Datum**

18 januari 1979

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

C-110/78, C-111/78 Tribunal de première instance de Tournai, 5e chambre (België) beslissing van 21 maart 1978 18 ; 17

**Zaak ingediend op**

8 mei 1978

**Advocaat-generaal**

Warner

**Opmerkingen**

Belgische regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

C-110/78, C-111/78 Tribunal de première instance de Tournai, 5e chambre beslissing van 19 juni 1979 37 ; 38

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Frans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1979, blz. 35

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Bosco

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen
  - [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04) [Vrij verrichten van diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.04%2C578-4.04.03) [Diverse diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.04.01%2C578-4.04.03.01) 90 beslissingen

## Tekst

71 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

Krachtens de bepalingen van het tweede deel, titel III, hoofdstukken 2 en 3 van het EEG-Verdrag, waarin de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten worden geregeld, stelde de Raad op 18 december 1961 een „Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen op het vrij verrichten van diensten” vast, alsmede een „Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging” (PB van 1962, blz. 32 en 36).

In het kader van deze programma's en krachtens de artikelen 54 en 63 van het Verdrag, stelde de Raad op 12 januari 1967 richtlijn nr. 67/43/EEG vast (PB van 1967, blz. 140), „betreffende de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor niet in loondienst verrichte werkzaamheden behorende tot … de sector bepaalde „diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld” (groep 839 CITI)”.

Volgens artikel 3, lid 1, zijn de bepalingen van deze richtlijn, behoudens zekere uitzonderingen, van toepassing

„op de niet in loondienst verrichte werkzaamheden, ressorterende onder de „diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld”, genoemd in bijlage I van het Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging (groep 839 CITI) …”

De „Classification internationale type, par industries, de toutes les branches d'activité économique” (of „CITI”), uitgegeven door het Bureau voor de Statistiek van de Verenigde Naties (Etudes statistiques, série M, no. 4, Rev. 1, New York, 1958) en gebruikt door de Gemeenschap voor het opstellen van de voormelde programma's, omschrijft groep 839 als volgt:

*Groep 839:*

> „Services fournis aux entreprises n.c.a.
>
> Agences de publicité, agences de rensei gnements financiers, agences spécialisées dans le recouvrement des créances; tirages au duplicateur, reproduction héliographique, photostats; entreprises d'adresses et d'expédition de circulaires; entreprises de sténodactylographie; compilation et vente des listes d'adresses classées méthodiquement; agences de placement; agences de presse; journalistes et hommes de lettres; modélistes en vêtements; conseils du commerce et de l'industrie non classés ailleurs”.

Voorts worden de groepen 841 en 842 als volgt omschreven:

*Groep 841:*

> „Production, distribution et projection de films cinématographiques
>
> Production et distribution de films cinématographiques et services auxiliaires, tels que le développement, le tirage et le montage des films, la location de films et la réparation du matériel cinématographique; exploitation de salles de projections cinématographiques; engagement et placement d'artistes et figurants”.

*Groep 842:*

> „Théatres et services connexes
>
> Théâtres, troupes d'opéra, entreprises de concerts et troupes de répertoire; services tels que les agences de placement du personnel de théâtre et de location des places; studios de radiodiffusion et de télévision; orchestres de dance, orchestres symphoniques et artistes engagés par contrat ou au cachet; enregistrement sur disques de phonographes”.

2.

In het Belgisch Koninklijk Besluit van 28 november 1975 (Belgisch Staatsblad, 22 januari 1976) „betreffende de exploitatie van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling”, waarvan de wijze van toepassing wordt vastgesteld in het Ministerieel Besluit van 1 december 1975 (Belgisch Staatsblad, 22 januari 1976) wordt voor de betrokken sector met name het volgende bepaald:

*Artikel 2:*

> „Exploitatie van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling is verboden.”

*Artikel 3:*

> „Exploitatie van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten is echter wel toegestaan bij vervulling van de bij dit besluit vastgestelde voorwaarden.”

*Artikel 6, lid 1:*

> „Het drijven van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten mag alleen dan, wanneer de minister tot wiens bevoegdheid de tewerkstelling behoort, een vergunning daartoe verleent.”

*Artikel 20:*

> „Tenzij er een overeenkomst van wederkerigheid bestaat tussen België en hun land, mogen de buitenlandse bureaus voor arbeidsbemiddeling voor schouwspelartiesten niet plaatsen in België, zonder toedoen van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling dat houder is van een vergunning. Ieder der twee bemiddelaars ontvangt de helft van het in het ministerieel besluit vastgesteld commissieloon.”

De artikelen 6 en 20 zijn in hoofdzaak gelijkluidend met de artikelen 5 en 15 van het oude Koninklijk Besluit van 10 april 1954.

Artikel 27, sub 3 en 5, vermeldt voorts de straffen waaraan diegene zich blootstelt die:

> —„een beroep doet op een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, waarvan de exploitant niet in het bezit is van een regelmatige vergunning” (sub 3);
>
> —„een buitenlands bureau voor arbeidsbemiddeling exploiteert, zijn aangestelden of lasthebbers die in België één of meer plaatsingen tegen betaling hebben verricht buiten de in artikel 20 van dit besluit bepaalde voorwaarden; ieder werknemer die een dergelijke plaatsing heeft genoten” (sub 5).

3.

Uit hoofde van dit artikel 27 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1975 en wegens schending van de voornoemde artikelen 6 en 20, werden in februari 1978 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Doornik twee strafzaken ingesteld, respectievelijk tegen:

a) Willy van Wesemael, café-arbeider, wonende te Ath (België), die ervan wordt verdacht, voor het engageren van een variété-artiest, een beroep te hebben gedaan op een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat geen houder is van een regelmatige vergunning in België (in casu het bureau van Jean Poupaert), en

Jean Poupaert (alias Jean-Pierre Panir), bemiddelaar voor artiesten, wonende te Rijsel (Frankrijk), die ervan wordt verdacht, bij overeenkomst van 29 maart 1976 voor Van Wesemael een variété-artiest te hebben geëngageerd zonder toedoen van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat houder is van een vergunning in België (zaak 110/78).

b) Romano Follachio, restaurateur, wonende te Peruwelz (België), die ervan wordt verdacht, voor het engageren van een variété-artiest, een beroep te hebben gedaan op een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat geen houder is van een regelmatige vergunning in België (in casu het bureau van Robert Leduc), en

Robert Leduc (alias Trébor), bemiddelaar voor artiesten, wonende te Valenciennes (Frankrijk), die ervan wordt verdacht, bij overeenkomst van 29 maart 1976, voor Follachio een variété-artiest te hebben geëngageerd zonder toedoen van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat houder is van een vergunning in België (zaak 111/78).

De verdachten beroepen zich op strijdigheid van de voornoemde nationale maatregelen met het EEG-Verdrag, met name met de artikelen 52, 55, 59 en 60.

4.

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Doornik stelde vast dat, volgens een uitlegging van de diensten van de Commissie, de arbeidsbemiddelingsbureaus voor schouwspelartiesten, bedoeld in het Koninklijk Besluit van 28 november 1975, niet vielen onder groep 839 van de internationale CITI-naamlijst, maar onder groep 842, die nog niet was geliberaliseerd. De Rechtbank merkte op dat men op grond van deze uitlegging zou kunnen concluderen dat het betrokken Koninklijk Besluit in overeenstemming is met het EEG-Verdrag, omdat:

—het geen enkele nieuwe discriminerende maatregel invoert, daar in de artikelen 6 en 20 enkel de artikelen 5 en 15 van het Koninklijk Besluit van 10 april 1954 dat vroeger van toepassing was, zijn overgenomen;

—de sector bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor artiesten tot op heden niet is geliberaliseerd.

Op 21 maart 1978 besloot zij evenwel de behandeling van beide zaken te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen aan het Hof van Justitie voor te leggen:

1.Vallen bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten onder groep 839 van de internationale CITI-naamlijst, en wel onder de benaming „arbeidsbemiddelingsbureaus”?

2.Zo ja, zijn dan de werkzaamheden van deze arbeidsbemiddelingsbureaus tegen betaling feitelijk en rechtens geliberaliseerd door artikel 3, lid 2, sub a: „particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus”, van 's Raads richtlijn van 12 januari 1967 betreffende „de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor de niet in loondienst verrichte werkzaamheden behorende tot:

1) De sector handel in onroerende goederen (uitgezonderd 6401) (groep ex 640 CITI)

2) de sector bepaalde diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld (groep 839 CITI)”?

3.Zo ja, staat artikel 62 EEG-Verdrag dan toe dat een Lid-Staat discriminerende bepalingen die voordien in zijn wetgeving bestonden, overneemt zonder deze te verzwaren?

4.Indien genoemde arbeidsbemiddelingsbureaus tegen betaling voor schouwspelartiesten niet vallen onder groep 839 van de internationale CITI-naamlijst, bevestigt het Hof dan de uitlegging, dat zij onder de nog niet geliberaliseerde groep 842 vallen?

5.

De verwijzingsbeschikkingen zijn op 8 mei 1978 ten Hove ingekomen.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Jean Poupaert (zaak 110/78), ten deze vertegenwoordigd door P. Hebey en T. Desurmont, advocaten te Parijs; de Belgische regering, ten deze vertegenwoordigd door J. Dufour, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-C. Séché als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Schriftelijke opmerkingen ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

A — Jean Poupaert herinnert aan 's Hofs arresten van 21 juni 1974 (zaak 2/74, Reyners, Jurispr. 1974, blz. 631) en 3 december 1974 (zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr. 1974, blz. 1299), waaruit zou volgen dat de door de artikelen 52 en 59 van het Verdrag geformuleerde beginselen, namelijk de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, sinds het verstrijken van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk zijn in de interne rechtsorde van elke Lid-Staat, los van de vraag of de Raad al dan niet richtlijnen tot toepassing van deze beginselen heeft vastgesteld. Bij gevolg gaat het in casu niet om de vraag of 's Raads richtlijn van 12 januari 1967 het recht van vestiging of de regeling voor het verrichten van diensten, voor wat de werkzaamheid van bemiddelaar Voor artiesten betreft, al dan niet heeft geliberaliseerd. Men zou eenvoudig moeten vaststellen dat, wat deze werkzaamheid betreft, de rechtstreekse toepasselijkheid van de artikelen 52 en 59 van het Verdrag sinds het verstrijken van de overgangsperiode de verplichting meebrengt, nationale bepalingen die op grond van nationaliteit of woonplaats discrimineren, af te schaffen. Voor zover nu het Belgisch Koninklijk Besluit van 28 november 1975 buitenlandse bemiddelaars voor artiesten onderwerpt aan een in verhouding tot de Belgische bemiddelaars discriminerende regeling, mag het niet worden toegepast, om de eenvoudige reden dat het in strijd is met de artikelen 52 en 59 van het Verdrag, die rechtstreeks toepasselijk zijn in de interne rechtsorde van elke Lid-Staat en voorrang hebben op ermee strijdige bepalingen van het nationale recht. Het in het Verdrag gestelde beginsel is de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten in de Gemeenschap, en daaruit vloeit noodzakelijk voort dat Poupaert, die in Frankrijk houder is van een vergunning van bemiddelaar voor artiesten, het recht heeft in België artiesten te plaatsen zonder een beroep te moeten doen op de tussenkomst van een Belgisch bemiddelaar. Poupaert merkt vervolgens op dat uit 's Hofs rechtspraak niet duidelijk blijkt welke juridische betekenis moet worden gehecht aan het feit dat de gewraakte bepalingen van het Belgisch Koninklijk Besluit van 28 november 1975 eenvoudig zijn overgenomen uit het oude Besluit van 10 april 1954. De artikelen 53 en 62 van het Verdrag, waarin wordt bepaald dat de Lid-Staten op het betrokken gebied geen „nieuwe beperkingen” invoeren, kunnen uiteraard niet ten gevolge hebben dat de Staten, ondanks het verstrijken van de overgangsperiode, het recht hebben de bij de inwerkingtreding van het Verdrag bestaande discriminaties te handhaven. Was dit het geval, dan zou 's Hofs vorenbedoelde rechtspraak zinloos, en de liberalisering der betrokken sectoren praktisch verlamd zijn. Zelfs zo men onderstelt dat, in strijd met de aangehaalde rechtspraak, de draagwijdte van de richtlijn van 12 januari 1967 moet worden nagegaan om te weten of de werkzaamheid van bemiddelaar voor artiesten al dan niet is geliberaliseerd, moet volgens Poupaert worden vastgesteld dat deze richtlijn, die verwijst naar „particuliere arbeidsbemiddelingsbureaus” (artikel 3, lid 2, sub a) en naar „werkzaamheden op letterkundig en kunstzinnig gebied” (artikel 3, lid 2, sub g), duidelijk de betrokken werkzaamheid betreft. Poupaert geeft het Hof in overweging de gestelde vragen te beantwoorden als volgt: Daargelaten de uitlegging welke moet worden gegeven aan 's Raads richtlijn van 12 januari 1967 over de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten met betrekking tot bepaalde werkzaamheden anders dan in loondienst, behorende tot 1. de sector „handel in onroerende goederen (uitgezonderd 6401)” (groep ex 640 CITI) 2) de sector „bepaalde diensten aan ondernemingen, niet elders ingedeeld” (groep 839 CITI), is de uitoefening van het beroep van bemiddelaar voor artiesten sinds het verstrijken van de overgangsperiode geliberaliseerd, daar de artikelen 52 en 59 EEG-Verdrag na het einde van die periode rechtstreeks toepasselijk zijn en voor de nationale rechterlijke instanties kunnen worden ingeroepen, in elk geval voor zover zij de opheffing beogen van discriminaties op grond van nationaliteit of van de omstandigheid dat men in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap woonplaats heeft. Subsidiair, de voornoemde richtlijn van 12 januari 1967 is van toepassing op de uitoefening van het beroep van bemiddelaar voor artiesten; wat deze werkzaamheid betreft, wordt daarin de opheffing voorgeschreven van alle beperkingen op de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.”

B — De Belgische regering wijst er eerst op, dat artikel 20 van het Belgisch Koninklijk Besluit van 28 november 1975, dat de gewraakte bepalingen bevat, zich beperkt tot het zuiver overnemen — zonder ze hoe dan ook te verzwaren — van reeds bestaande (zogenaamd) discriminerende nationale bepalingen, in het bijzonder artikel 14 van het Ministerieel Besluit van 23 april 1955 tot uitvoering van het Koninklijk Besluit van 10 april 1954. Daarmee is genoemd artikel 20 geenszins in botsing gekomen met of afgeweken van artikel 62 van het Verdrag, dat voorziet in een „standstill” van de beperkingen op de vrijheid tot het verrichten van diensten, zoals deze bij de inwerkingtreding van het Verdrag feitelijk was bereikt. De Belgische regering moet bovendien tot haar verbazing vaststellen dat het geschil de „liberalisering” in het kader van de Gemeenschap betreft van een werkzaamheid die in principe is verboden door het internationale Verdrag nr. 96, op 1 juli 1949 vastgesteld door de Algemene Conferentie van de „Internationale Arbeidsorganisatie”. Dit verdrag, in België goedgekeurd bij wet van 3 maart 1958, is stipt in acht genomen door het Koninklijk Besluit van 28 november 1975, dat als algemeen beginsel het drijven van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling verbiedt, en hierop slechts één „afwijking” toestaat, namelijk het drijven, onder wettelijk bepaalde voorwaarden, van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, die nog niet is uitgerust om die gespecialiseerde bemiddelingsopdrachten uit te voeren, heeft zich immers tot taak gesteld de algemene verbreiding van clandestiene particuliere bemiddelaars, die zowel de artiesten als de organisatoren zonder scrupules uitbuiten, tegen te gaan. Daarom moet worden onderstreept dat de gewraakte bepalingen strikt tijdelijk en voorlopig, ja praktisch uitzonderingsbepalingen zijn, die zullen ophouden van kracht te zijn zodra een openbare bemiddelingsdienst kan worden opgericht en georganiseerd. In artikel 10 wordt overigens aan de bevoegde minister de mogelijkheid geboden om op elk ogenblik de (jaarlijkse, stilzwijgend te verlengen) exploitatievergunningen niet meer te hernieuwen; juist door deze bepaling is de toekenning van nieuwe vergunningen overeen te brengen met de doelstellingen van verdrag nr. 96, namelijk de geleidelijke afschaffing van de nog bestaande bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling. Na te hebben herinnerd aan titel III van 's Raads Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten, van 1962, inzonderheid aan het bepaalde sub A van deze titel, waarin de beperkende bepalingen en praktijken worden opgesomd die een afwijkende behandeling vormen van buitenlanders tegenover eigen onderdanen, stelt de Belgische regering dat noch het Koninklijk Besluit van 28 november 1975, noch het uitvoerend Ministerieel Besluit van 1 december 1975 een door dit programma omschreven beperkende praktijk bevat. Niettegenstaande de bijzondere aard van de betrokken werkzaamheid, volgt juist uit deze teksten dat elke buitenlander die onderdaan is van een Lid-Staat, in België deze werkzaamheid kan verrichten met hetzelfde recht als de eigen onderdanen, zodra hij de aan deze laatsten gestelde wettelijke voorwaarden vervult. In deze context beschouwd, is artikel 20 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1975, volgens de Belgische regering, in casu volstrekt niet discriminerend tegenover buitenlanders (in dit geval onderdanen van een Lid-Staat van de Gemeenschap). Immers, ten eerste betreft dit voorschrift niet de vreemdelingen als zodanig, maar de „buitenlandse bureaus voor arbeidsbemiddeling voor schouwspelartiesten”. Zo kan, luidens deze bepaling, „een natuurlijke of rechtspersoon” die iemand wil plaatsen in België, indien er geen overeenkomst van wederkerigheid bestaat, deze werkzaamheid slechts verrichten door tussenkomst van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling (namelijk een andere natuurlijke of rechtspersoon), dat houder is van een vergunning; ten tweede wordt in artikel 20 geenszins voorgeschreven dat het bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat houder is van een vergunning, een Belgisch bureau moet zijn. Het is heel goed mogelijk dat het gaat om een „buitenlands” bureau dat voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor een vergunning, zonder daarbij als rechtspersoon of als natuurlijk persoon te moeten stuiten op enige beperking die op zijn hoedanigheid van buitenlander berust; de in artikel 20 bedoelde buitenlandse bureaus voor arbeidsbemiddeling voor schouwspelartiesten zijn dus enkel die buitenlandse natuurlijke of rechtspersonen die niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden, in tegenstelling tot andere, zowel buitenlandse als Belgische natuurlijke of rechtspersonen die wel aan die voorwaarden voldoen. De discriminatie die men in dit artikel meent te hebben opgemerkt, ligt dus niet in het vlak van de verhouding „buitenlander — eigen onderdaan”, maar uitsluitend in dat van de verhouding „houder — geen houder van een vergunning”.

C — De Commissie onderzoekt eerst de vragen 1, 2 en 4 en merkt op dat op de betrokken werkzaamheid blijkbaar geen richtlijn tot liberalisering van toepassing is. Maar zelfs zo dit wel het geval was, zou dat, gezien 's Hofs rechtspraak, in casu van geen belang zijn. Uit het arrest van 3 december 1974 (zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr. 1974, blz. 1299) vloeit immers voort dat „de bepalingen van artikel 59, waarvan de toepassing gedurende de overgangsperiode door middel van richtlijnen moest worden voorbereid, aan het einde daarvan onvoorwaardelijk zijn geworden.” Dit betekent echter niet dat nieuwe richtlijnen van de Raad tot invoering, in de wetgeving der Lid-Staten, van een geheel van bepalingen om de werkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten te vergemakkelijken voortaan overbodig zijn, en evenmin dat alle bepalingen van de vóór het verstrijken van de overgangsperiode vastgestelde richtlijnen ongeldig zijn geworden. Meer in het algemeen kunnen de tijdens de overgangsperiode ter zake genomen besluiten (algemene programma's, richtlijnen) nog goede diensten bewijzen om te kunnen bepalen welke gevallen de communautaire instanties in die tijd als discriminerend beschouwden. Ook al is de richtlijn 1967 niet van toepassing op bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten, toch kunnen de erin genoemde voorbeelden van discriminatie in voorkomend geval dus relevant zijn, aangezien de richtlijn betrekking heeft op particuliere bureaus voor arbeidsbemiddeling in het algemeen. Bij gevolg kunnen de door het Belgische rechtscollege gestelde vragen worden herleid tot de vraag of de gewraakte bepalingen van de Belgische regeling strijdig zijn met artikel 59 van het Verdrag. Welnu, als men het uit 's Hofs voornoemde arrest voortvloeiende begrip „dienstverrichting” in aanmerking neemt, beantwoorden drie groepen van diensten aan de in de verdragsartikelen 59 tot 61 vermelde criteria, namelijk de diensten die de verplaatsing met zich meebrengen van de dienstverrichter naar het land waar degene voor wie de dienst is bestemd, is gevestigd, de verplaatsing met zich meebrengen van degene voor wie de dienst is bestemd, naar het land waar de dienstverrichter is gevestigd, geen van beide verplaatsingen met zich meebrengen. De betrokken werkzaamheid, namelijk het plaatsen door een impresario (dienstverrichter) van een artiest in het land waar degene voor wie de dienst is bestemd, is gevestigd, is een dienstverrichting die meestal tot de derde bovenomschreven groep behoort. Daar het een werkzaamheid betreft die geen enkele verplaatsing met zich meebrengt, is het de vraag, in hoeverre de dienstverrichter de regelingen moet eerbiedigen die eventueel inzake de toegang tot, en de uitoefening van zijn werkzaamheid gelden in de staat waar de dienst wordt verricht: dit is een aspect van het algemene probleem van de vaststelling van de op een bepaalde dienstverrichting toepasselijke wetgeving. De bepalingen van het Verdrag geven hierop antwoord, behalve in het door artikel 60, lid 3, bedoelde geval. In het arrest-Van Binsbergen heeft het Hof met betrekking tot het beroep van advocaat nochtans erkend dat de Lid-Staat waar de dienst wordt verricht, de dienstverrichter bepaalde „objectief noodzakelijke” specifieke eisen kan stellen, ter waarborging van de naleving van de beroepsregels. Bovendien volgt uit de rechtstreekse toepasselijkeid van artikel 59 van het Verdrag, dat elke discriminatie op grond van nationaliteit of woonplaats van de dienstverrichter is verboden. In het licht van deze overwegingen onderzoekt de Commissie vervolgens de betrokken Belgische regeling, zowel voor het afgeven van een vergunning (voor één jaar geldig), vereist voor het drijven van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten, als inzake de werkwijze van een dergelijk bureau en het aan de bevoegde overheid toegekende recht van toezicht. De vereiste tussenkomst van een in België gevestigd bemiddelingsbureau belemmert de dienstverrichting, zulks temeer omdat de dienstverrichter verplicht is het commissieloon met dit bureau te delen, waardoor de dienstverrichting duurder wordt. Een dergelijk vereiste kan evenwel slechts gerechtvaardigd zijn indien het overeenkomstig 's Hofs rechtspraak „objectief noodzakelijk” is om het door de Belgische regeling nagestreefde doel te bereiken. Om dit te beoordelen moet men eerst en vooral een onderscheid maken tussen twee verschillende situaties: In het geval dat in het land waar de dienstverrichter is gevestigd, op de betrokken werkzaamheid geen toezicht wordt gehouden en de instellingen van de Gemeenschap geen richtlijnen hebben vastgesteld krachtens artikel 57 van het Verdrag om de toegang tot de werkzaamheden anders dan in loondienst, en de uitoefening daarvan te vergemakkelijken, of, bij gebreke van dergelijke richtlijnen, het evenmin wenselijk hebben geacht de verwezenlijking van het vrij verrichten van diensten met name door het treffen van overgangsmaatregelen te vergemakkelijken, is moeilijk voorstelbaar hoe de dienstverrichter aan de toepassing van de Belgische bepalingen inzake het bezit van een vergunning zou kunnen ontkomen. In het geval daarentegen, dat op de betrokken werkzaamheid ook toezicht wordt gehouden in de Lid-Staat waar de dienstverrichter is gevestigd, is het niet vanzelfsprekend dat de vereiste medewerking van een Belgische vergunninghouder „objectief noodzakelijk” is. De Belgische overheid zou natuurlijk daartegen kunnen inbrengen dat dit toezicht minder streng is dan in haar wetgeving wordt voorgeschreven, maar deze bewering zou ongegrond zijn indien zou blijken: dat de Raad een minimale overeenkomst tussen deze regelingen als voldoende heeft beschouwd; dat de regeling van de staat van vestiging vergelijkbaar is met de Belgische wetgeving. Een antwoord op dit laatste punt wordt in casu gegeven door de Belgische wetgeving zelf. Daarin wordt namelijk verwezen naar verdrag nr. 96 van de Internationale Arbeidsorganisatie, waarvan de bepalingen ook in de Franse regeling inzake arbeidsbemiddeling voor artiesten zijn overgenomen; aan deze regeling ligt kennelijk hetzelfde streven ten grondslag als aan de Belgische wetgeving, want zij voorziet met name in de plaatsing van schouwspelartiesten door bemiddelaars die houder zijn van een jaarlijks te vernieuwen vergunning. Ten tweede kan de objectief noodzakelijke aard van de samenwerking met de houder van een vergunning in het land waar de dienst wordt verricht worden beoordeeld door vergelijking met eventueel vergelijkbare precedenten in het gemeenschapsrecht. Nu heeft de Raad in zijn richtlijn van 22 maart 1977 (PB L 78 van 1977, blz. 17) weliswaar bepaald dat elke Lid-Staat voor het uitoefenen van de werkzaamheden van advocaat inzake vertegenwoordiging en verdediging in rechte aan de dienstverrichter de verplichting kan opleggen, samen te werken met een confrater die bij het betrokken gerecht praktijk uitoefent, maar deze bepaling betreft een situatie die wegens de specifieke bijzonderheden van de werkzaamheid van advocaat, totaal van de onderhavige verschilt. Vervolgens spreekt de Commissie zich uit over vraag 3 en merkt op dat deze enkel van belang is wanneer de gewraakte nationale bepalingen discriminerend zouden zijn. De omstandigheid dat deze bepalingen uit andere teksten van nationaal recht zijn overgenomen, is niet relevant. Aangezien de nationale rechter de vraag naar de discriminerende aard van die bepalingen meende te moeten stellen, is het passend het volgende op te merken: Tijdens de overgangsperiode was artikel 62 wegens zijn strekking en inhoud in elk geval in casu niet-toepasselijk, daar het, zoals is vastgesteld, bij de gewraakte regeling immers niet om een „nieuwe” maatregel ging. Na het einde van de overgangsperiode is de vraag of een — eventueel discriminerende — maatregel nieuw is, in elk geval minder belangrijk geworden, want ingevolge 's Hofs rechtspraak zijn alle met artikel 59 strijdige maatregelen verboden, ook die welke bij de inwerkingtreding van het Verdrag bestonden en die uit dien hoofde door artikel 62 waren toegelaten. Hoogstens zou de vaststelling dat een maatregel nieuw is, een maatstaf kunnen zijn bij het beoordelen van de uitvoering van gemeenschapsrechtelijke verplichtingen. Aangenomen dat de gewraakte Belgische maatregel eerst na de inwerkingtreding van het Verdrag zou zijn ingevoerd, dan zou dit erop kunnen wijzen dat hij geen objectief noodzakelijk karakter heeft, daar hij door België niet altijd als onmisbaar is beschouwd in de zin van het voornoemde arrest 33/74. Op grond van deze overwegingen geeft de Commissie het Hof in overweging de gestelde vragen te beantwoorden als volgt: Bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten vallen niet onder groep 839 van de internationale CITI-naamlijst zoals die is overgenomen in het Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten, maar onder de groepen 841 en 842 van die naamlijst. Zij vallen niet onder 's Raads richtlijn van 12 januari 1967 noch onder een andere communautaire richtlijn. Beperkingen op het vrij verrichten van diensten door die bureaus binnen de Gemeenschap zijn niettemin verboden wegens de rechtstreeks toepasselijkheid van artikel 59 na het einde van de overgangsperiode. De door een Lid-Staat aan een dergelijk bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling gestelde specifieke eis voor het verrichten van diensten de tussenkomst in te roepen van een in die staat gevestigd bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten, is niet objectief noodzakelijk en bij gevolg onverenigbaar met artikel 59, in elk geval wanneer de dienstverrichter in de staat waar hij is gevestigd, onderworpen is aan regels inzake inrichting, vakbekwaamheid, toezicht en aansprakelijkheid, die gelijkwaardig zijn met die van de staat waar hij zijn dienst verricht. Zulk een gelijkwaardigheid moet met name worden vastgesteld wanneer op de dienstverrichter in de staat waar hij is gevestigd, een regeling van toepassing is die rechtstreeks is geïnspireerd door de bepalingen van een international verdrag waarop ook de regeling berust van de staat waar de dienst wordt verricht. Dit is met name het geval wanneer de dienstverrichter houder is van een vergunning die in de staat waar hij is gevestigd, overeenkomstig deze regeling is afgegeven. Gedurende de overgangsperiode was het een Lid-Staat krachtens artikel 62 toegestaan, de vóór de inwerkingtreding van het Verdrag in zijn wetgeving bestaande discriminerende bepalingen over te nemen zonder ze te verzwaren. Na het einde van de overgangsperiode is het toepassen van om het even welke discriminerende bepaling in de zin van artikel 59 verboden.”

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 16 november 1978 hebben de Chambre Syndicale des Agents artistiques et Impresarii de Belgique, ten deze vertegenwoordigd door de advocaten P. E. Evrard en L. Schlogel, de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen mondelinge opmerkingen gemaakt.

De alsnog door de Chambre Syndicale des Agents artistiques et Impresarii de Belgique (hierna: Chambre Syndicale) voorgedragen gegevens kunnen worden samengevat als volgt:

Aangezien de dienst, dat wil zeggen de arbeidsbemiddeling, ten behoeve van de werknemer (schouwspelartiest) wordt verricht, is de in casu bedoelde verrichting te beschouwen als het plaatsen van een Frans onderdaan (schouwspelartiest ten behoeve van wie de dienst wordt verricht) door een ander Frans onderdaan (impresario). Of dit gebeurt op Frans grondgebied of in het buitenland, is niet van belang, daar de plaats van uitvoering van de overeenkomst slechts een bijkomstige aanknopingsfactor is. Daaruit volgt dus dat, in het kader van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak, het gemeenschapsrecht niet van toepassing is.

De Chambre Syndicale gaat vervolgens in op de gestelde vragen en merkt op dat artikel 20 van het Koninklijk Besluit geenszins de verplichting oplegt een beroep te doen op een Belgisch bureau, maar enkel op een bureau dat houder is van een Belgische vergunning. De Belgische regeling bevat dus geen discriminaties op grond van nationaliteit.

Anderzijds onderwerpt de Belgische regeling het beroep van exploitant van bemiddelingsbureaus tegen betaling aan een zeker aantal voorwaarden, enkele ingegeven door de zorg om mogelijke misbruiken vanwege clandestiene particuliere bemiddelaars ten nadele van de schouwspelartiesten te voorkomen.

Deze voorwaarden blijven natuurlijk dode letter zo zij aan de buitenlandse bemiddelaar niet worden opgelegd via de verplichting een Belgische vergunning te verwerven.

Alleen op deze wijze kan de Belgische overheid de naleving van de in België uitgevaardigde voorschriften controleren.

Het gemeenschapsrecht verzet zich trouwens nergens tegen de toepassing van bedoelde voorwaarden. Wanneer, zoals in België, een normaal door een openbare dienst vervulde taak tijdelijk en tot nader order wordt waargenomen door bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, kunnen met het oog op daaraan te stellen vereisten van sociale aard, absolute uitvoeringsgaranties zoals voorzien in de Belgische regeling, niet worden gemist. Deze garanties kunnen slechts effectief zijn wanneer men verplicht is een tussenpersoon in te schakelen die houder is van een Belgische vergunning, of wanneer men zelf een dergelijke vergunning dient te bezitten.

Zouden buitenlanders zijn vrijgesteld van de verplichting deze bepalingen na te leven, dan zou dat neerkomen op een miskenning van de doelstellingen van het Koninklijk Besluit van 28 november 1975.

Ten slotte kan een buitenlandse, in casu Franse regeling, zelfs indien zij dezelfde grondregels zou bevatten als de Belgische wetgeving, de Belgische staat, die de dienst voor de werkgelegenheid organiseert, niet de garantie bieden dat bemiddelaars die geen houder zijn van een Belgische vergunning, deze wetgeving naleven.

Ten slotte nodigt de Chambre Syndicale het Hof uit,

„te verstaan dat het geding dat bij haar aanhangig is in het kader van de prejudiciële vragen gesteld door de Rechtbank van Eerste Aanleg van het arrondissement Doornik in een correctioneel vonnis, niet onder het gemeenschapsrecht valt en, subsidiair, te verklaren voor recht dat de Belgische regeling inzake bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, opgenomen in het Koninklijk Besluit van 28 november 1975 en in het Ministerieel Besluit van 1 december 1975, niet strijdig is met de bepalingen van het EEG-Verdrag.”

Bij dezelfde gelegenheid stelde de Belgische regering dat elke buitenlander, onderdaan van een Lid-Staat of niet, volgens de Belgische wetgeving een vergunning kan krijgen tot exploitatie van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten, wanneer hij, zoals de eigen onderdanen, voldoet aan de in het Koninklijk Besluit van 28 november 1975 en het Ministerieel Besluit van 1 december 1975 vastgestelde toekenningsvoorwaarden.

Dat de buitenlandse aanvrager zijn woon- of verblijfplaats in België heeft of er een inrichting bezit, is geenszins vereist. Met het oog op de mogelijkheid van toezicht, verlangt artikel 8, lid 8, van het Koninklijk Besluit enkel dat een plaats in België wordt aangewezen waar de voorgeschreven bescheiden worden bijgehouden en bewaard.

Op de vraag van de rechter-rapporteur of de in artikel 8, lid 3, van het Koninklijk Besluit gestelde voorwaarde, dat de betrokkene in het genot dient te zijn van de „burger- en politieke rechten”, niet met zich meebrengt dat enkel Belgische onderdanen aanspraak kunnen maken op afgifte van een vergunning, antwoordt de Belgische regering dat deze voorwaarde aldus moet worden opgevat, dat zij doelt op de Belgische burger- en politieke rechten, maar ook op die van andere staten.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 28 november 1978 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij twee vonnissen van 21 maart 1978, ingekomen ten Hove op 8 mei 1978, heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Doornik krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verscheidene vragen gesteld inzake de uitlegging van 's Raads richtlijn van 12 januari 1967 (PB van 1967, blz. 140) en van zekere bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten.

2. Deze vragen zijn opgeworpen in twee strafzaken ingesteld tegen twee in België wonende personen en twee in Frankrijk wonende bemiddelaars voor artiesten, die ervan worden verdacht inbreuk te hebben gepleegd op de bepalingen van de artikelen 6 van 20 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1975, betreffende bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor

3. schouwspelartiesten. Genoemde artikelen luiden als volgt: „Het drijven van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten mag alleen dan, wanneer de minister tot wiens bevoegdheid de tewerkstelling behoort, een vergunning daartoe verleent.” En: „Tenzij er een overeenkomst van wederkerigheid bestaat tussen België en hun land, mogen de buitenlandse bureaus voor arbeidsbemiddeling voor schouwspelartiesten niet plaatsen in België, zonder toedoen van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling dat houder is van een vergunning.”

4. In elk van beide zaken wordt aan de eerste verdachte ten laste gelegd, voor het engageren van schouwspelartiesten een beroep te hebben gedaan op een in Frankrijk gevestigd bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, waarvan de exploitant niet in het bezit is van een Belgische vergunning, en aan de tweede, in deze staat plaatsingen te hebben verricht zonder toedoen van een Belgisch bureau dat houder is van een vergunning.

5. De verdachten verweren zich met te stellen dat voornoemde nationale bepalingen in strijd zijn met het Verdrag, doordat zij het in de artikelen 52, 55, 59 en 60 bedoelde vrij verrichten van diensten zouden belemmeren.

6. De zaken zijn voor de mondelinge behandeling gevoegd en er bestaat grond om ze ter fine van de uitspraak gevoegd te laten.

7. Aangezien de in casu bedoelde werkzaamheid als een dienstverrichting is te beschouwen, zal de beantwoording van de door de nationale rechter gestelde vragen in de eerste plaats moeten berusten op een onderzoek van de verdragsbepalingen betreffende de „diensten”.

8. Allereerst wordt gevraagd of de werkzaamheden van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten vallen onder groep 839 van de internationale CITI-naamlijst, en wel onder de benaming „arbeidsbemiddehngsbureaus”.

9. Voor het geval de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord, vraagt de nationale rechter in de tweede plaats, of de werkzaamheden van deze arbeidsbemiddelingsbureaus door 's Raads richtlijn nr. 67/43/EEG van 12 januari 1967 feitelijk en rechtens zijn geliberaliseerd, en,

10. voor het geval van een ontkennend antwoord, vraagt hij in de derde plaats of artikel 62 van het Verdrag toestaat dat een Lid-Staat discriminerende bepalingen die tevoren al in zijn wetgeving bestonden, overneemt zonder ze te verzwaren.

11. Ten slotte, indien zou blijken dat bedoelde arbeidsbemiddelingsbureaus niet vallen onder groep 839, vraagt de nationale rechter in de vierde plaats, of het Hof de uitlegging bevestigt, dat zij tot de „nog niet geliberaliseerde” groep 842 behoren.

12. De richtlijn van 12 januari 1967, door de Raad vastgesteld krachtens de artikelen 54 en 63 EEG-Verdrag en het „Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen op het vrij verrichten van diensten” — door de Raad vastgesteld op 18 december 1961 (PB van 1962, blz. 32) — betreft de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor niet in loondienst verrichte werkzaamheden behorende tot bepaalde groepen van de „Classification internationale type, par industrie, de toutes les branches d'activité économique” (of „CITF”), uitgegeven door het Bureau voor de Statistiek van de Verenigde Naties.

13. In dat Algemeen programma is bij de opsomming in de bijlagen I tot IV van de werkzaamheden die in de loop van de overgangsperiode volgens het in titel V beschreven tijdschema geleidelijk moesten worden geliberaliseerd, voor elke werkzaamheid of groep van werkzaamheden de genoemde „Classification internationale” overgenomen, zodat deze een integrerend deel uitmaakt van de betrokken gemeenschapshandelingen.

14. De eerste vraag strekt ertoe de indeling te doen bepalen van de onderhavig werkzaamheden ten aanzien van groep 839 van de CITI-naamhjst.

15. In deze naamlijst wordt afdeling 8 („Services”), hoofdgroep 83, groep 839, omschreven als een restgroep die de „services fournis aux entreprises n.c.a.” (non compris ailleurs) omvat.

16. In de in 1964 uitgegeven gedetailleerde versie wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat deze groep weliswaar de „agences de placement” omvat, doch niet het „placement pour le personnel du théâtre et de la radio”.

17. In genoemde versie omvat groep 841 „l'engagement d'artistes et figurants” in de sector film en daarbij betrokken diensten, en groep 842 diensten „tels que les agences de placement du personnel de théâtre” op het gebied van het toneel en aanverwante diensten.

18. Bij gevolg vallen bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten niet onder de aanduiding „agences de placement” in groep 839 van de internationale CITI-naamlijst.

19. Blijkens de tweede en de vierde vraag heeft de nationale rechter de vraag naar de indeling van 'de onderhavige werkzaamheden in het kader van de CITI slechts gesteld om te bepalen of deze werkzaamheden zijn geliberaliseerd in de zin van artikel 59 van het Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten.

20. De woorden „nog niet geliberaliseerd” aan het einde van de vierde vraag laten vermoeden dat de nationale rechter bij het stellen van deze vraag is uitgegaan van de premisse dat ook na het einde van de overgangsperiode deze werkzaamheden slechts als geliberaliseerd zijn te beschouwen voor zover dit in een gemeenschapshandeling zoals 's Raads voornoemde richtlijn nr. 67/43/EEG is bepaald.

21. In het kader van de door artikel 177 ingestelde gerechtelijke samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof van Justitie; die tot taak hebben rechtstreeks en wederzijds bij te dragen tot de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht in alle Lid-Staten, kan het Hof uit de bewoordingen van de door de nationale rechter gestelde vragen — gelet op de door deze uiteengezette feiten en met name op zijn algemene vraag naar de „verenigbaarheid van het gewraakte Koninklijk Besluit met het Verdrag van Rome” — de elementen van gemeenschapsrecht afleiden die deze rechter nodig heeft om de voor hem opgeworpen rechtsvraag in overeenstemming met het gemeenschapsrecht te kunnen oplossen.

22. In casu moet dus worden onderzocht of, en in hoeverre, de betrokken werkzaamheden, ook bij gebreke van een door de Raad vastgestelde gemeenschapshandeling zoals de voornoemde richtlijn zijn geliberaliseerd in de zin van de artikelen 59 tot 66 van het Verdrag.

23. Deze vraag moet worden beantwoord in het kader van het gehele hoofdstuk betreffende de diensten; bovendien moet rekening worden gehouden met de bepalingen betreffende het recht van vestiging, waarnaar artikel 66 verwijst.

24. Volgens artikel 59, lid 1, van het Verdrag „worden de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap in de loop van de overgangsperiode geleidelijk opgeheven ten aanzien van de onderdanen der Lid-Staten …”

25. Door de verwezenlijking van het vrij verrichten van diensten te doen samenvallen met het einde van de overgangsperiode legt deze bepaling, uitgelegd in het licht van artikel 8, lid 7, van het Verdrag, een nauwkeurige resultaatsverbintenis op, waarvan de nakoming moest worden vergemakkelijkt door de uitvoering van een programma van geleidelijke maatregelen, doch die daarvan niet afhankelijk was.

26. Hieruit volgt dat de dwingende bepalingen van artikel 59 van het Verdrag, die in de loop van de overgangsperiode geleidelijk moesten worden uitgevoerd door middel van de in artikel 63 bedoelde richtlijnen, bij het einde van de overgangsperiode rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepasselijk zijn geworden.

27. Deze bepalingen, die de vrijmaking van het dienstenverkeer voorschrijven, brengen de opheffing mee van alle discriminaties jegens degene die de diensten verricht, welke zijn gebaseerd op zijn nationaliteit of op de omstandigheid dat hij is gevestigd in een andere Lid-Staat dan die waar de dienst moet worden verricht.

28. Houdt men rekening met de bijzondere aard van bepaalde diensten, zoals arbeidsbemiddeling voor schouwspelartiesten, dan kunnen bepaalde specifieke eisen, aan de dienstverrichters gesteld met als beweegreden de toepassing van beroepsregels, gerechtvaardigd door het algemeen belang of door de noodzaak de artiest te beschermen, en die aan elke in die staat wonende persoon worden opgelegd, niet als strijdig met het Verdrag worden beschouwd, voor zover de dienstverrichter in de staat waar hij is gevestigd, niet aan gelijkaardige regels is onderworpen.

29. Is de betrokken vorm van arbeidsbemiddeling in de staat waar de dienst wordt verricht, onderworpen aan de afgifte van een vergunning en aan het toezicht van de bevoegde overheid, dan miskent die staat nochtans de dwingende bepalingen van artikel 59 van het Verdrag, zo hij dienstverrichters die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd, ertoe verplicht aan dergelijke voorwaarden te voldoen dan wel een beroep te doen op de tussenkomst van een vergunninghouder, tenzij een dergelijke eis objectief noodzakelijk blijft te zijn om de naleving van de beroepsregels te waarborgen en de bescherming

30. van algemene en privé belangen e verzekeren. Dit vereiste blijkt niet objectief noodzakelijk te zijn wanneer de werkzaamheid wordt verricht door een officieel bureau voor arbeidsbemiddeling in een Lid-Staat of de in een andere Lid-Staat gevestigde dienstverrichter aldaar houder is van een vergunning afgegeven onder voorwaarden welke vergelijkbaar zijn met die gesteld door de staat waar de dienst wordt verricht, en in de eerste staat op elke vorm van arbeidsbemiddeling gepast toezicht wordt gehouden, ongeacht voor welke Lid-Staat de dienstverrichting is bestemd.

31. De Belgische regering doet gelden dat de betrokken vorm van arbeidsbemiddeling valt onder de bepalingen van Verdrag nr. 96 van de Internationale Arbeidsorganisatie, betreffende arbeidsbureaus die voor hun bemiddeling betaling vragen, herzien te Genève op 1 juli 1949, krachtens welk Verdrag de bevoegde autoriteiten controlemaatregelen ten aanzien van die bureaus kunnen vaststellen.

32. Volgens de Belgische regering wordt dit Verdrag, in België goedgekeurd bij de wet van 3 maart 1958, „stipt in acht genomen door het Koninklijk Besluit van 28 november 1975 dat als algemeen beginsel het drijven van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling verbiedt (artikel 2) en op dit algemene beginsel slechts één, afwijking' toestaat die uitsluitend betrekking heeft op bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten, onder uitdrukkelijke voorwaarde dat zij worden geëxploiteerd overeenkomstig de bestaande strenge wettelijke vereisten”.

33. Genoemd Verdrag stelt als algemeen beginsel de afschaffing van bureaus voor arbeidsbemiddeling, welke voor hun bemiddeling betaling vragen en gedreven worden met winstoogmerk. Daartoe wordt in artikel 3, lid 1, bepaald dat deze bureaus „moeten worden afgeschaft binnen een beperkte tijd, vast te stellen door de bevoegde autoriteit”.

34. Anderzijds kunnen krachtens artikel 5, lid 1, van het Verdrag „uitzonderingen op de bepalingen van artikel 3 van dit Verdrag (…) in buitengewone gevallen worden toegestaan door de bevoegde autoriteit ten aanzien van categorieën van personen welke nauwkeurig zijn aangegeven bij nationale wettelijke maatregelen, voor wier plaatsing geschikte regelingen niet gemakkelijk kunnen worden gemaakt binnen het kader van de openbare dienst voor de werkgelegenheid …”

35. De instandhouding van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling beantwoordt dus niet aan een uit Verdrag nr. 96 voortvloeiende verplichting, zodat de Belgische regering zich niet daarop kan beroepen om de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende het vrij verrichten van diensten terzijde te stellen.

36. De uit Verdrag nr. 96 voortvloeiende verplichtingen kunnen derhalve niet aan de toepassing van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen in de betrokken sector worden tegengeworpen.

37. Bovendien bevat dit Verdrag geen enkele bepaling die een Lid-Staat welke van de uitzondering van artikel 5 gebruik maakt, zou beletten deze clausule toe te passen pp een in een andere Lid-Staat gevestigde dienstverrichter, onder voorwaarden die aan de bovenvermelde vereisten van artikel 59 EEG-Verdrag beantwoorden.

38. Overigens blijkt ook uit artikel 20 van het Belgisch Koninklijk Besluit van 28 november 1975, dat buitenlandse bureaus voor arbeidsbemiddeling voor schouwspelartiesten, ingeval er een overeenkomst van wederkerigheid bestaat tussen België en hun land, in België mogen plaatsen zonder tussenkomst van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat houder is van een Belgische vergunning.

39. Om al deze redenen dient te worden geantwoord dat wanneer de werkzaamheid van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten, in de staat waar de dienst wordt verricht, afhankelijk is gesteld van de afgifte van een vergunning, deze staat dienstverrichters die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd, niet kan verplichten aan die voorwaarde te voldoen dan wel een beroep te doen op de tussenkomst van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat houder is van een dergelijke vergunning, indien de dienst wordt verricht door een officiel bureau voor arbeidsbemiddeling in een Lid-Staat of de dienstverrichter in de Lid-Staat waar hij is gevestigd, houder is van een vergunning, afgegeven onder voorwaarden welke vergelijkbaar zijn met die gesteld door de staat waar de dienst wordt verricht, en in de eerste staat op zijn werkzaamheden met betrekking tot elke bemiddeling gepast toezicht wordt uitgeoefend, ongeacht voor welke Lid-Staat de dienstverrichting is bestemd.

#### Kosten

40. De kosten door de Commissie en door de Belgische regering wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

41. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

Uitspraak doende op de door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Doornik bij haar vonnissen van 21 maart 1978 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten vallen niet onder de aanduiding „agences de placement” in groep 839 van de internationale CITI-naamlijst.

2\. De dwingende bepalingen van artikel 59 van het Verdrag, die in de loop van de overgangsperiode geleidelijk moesten worden uitgevoerd door middel van de in artikel 63 bedoelde richtlijnen, zijn bij het einde van de overgangsperiode rechtstreeks en onvoorwaardelijk toepasselijk geworden.

3\. Wanneer de werkzaamheid van bureaus voor arbeidsbemiddeling tegen betaling voor schouwspelartiesten, in de staat waar de dienst wordt verricht, afhankelijk is gesteld van de afgifte van een vergunning, kan deze staat dienstverrichters die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd, niet verplichten aan die voorwaarde te voldoen dan wel een beroep te doen op de tussenkomst van een bureau voor arbeidsbemiddeling tegen betaling, dat houder is van een dergelijke vergunning, indien de dienst wordt verricht door een officieel bureau voor arbeidsbemiddeling in een Lid-Staat of de dienstverrichter in de Lid-Staat waar hij is gevestigd, houder is van een vergunning afgegeven onder voorwaarden welke vergelijkbaar zijn met die gesteld door de staat waar de dienst wordt verricht, en in de eerste staat op zijn werkzaamheden met betrekking tot elke bemiddeling gepast toezicht wordt uitgeoefend, ongeacht voor welke Lid-Staat de dienstverrichting is bestemd.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

10

EEG-Verdrag art. 59 uitgelegd 10 voorkomens

EEG-Verdrag art. 52 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 62 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 54 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 63 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 53 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 66 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 8 1 voorkomen

richtlijn 67/43 art. 63 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Cosmas C-231/94 01.02.1996

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 9 en art. 6](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-231-94-conclusie)

## Rechtsleer

6

Huisman, Franklin: Journal des tribunaux du travail 1979 p.139-142 (FR)

Morse, Geoffrey: Provision of Services: The Professional Supervision Exception, European Law Review 1979 p.375-377 (EN)

Streil, Jochen: Dienstleistungsfreiheit nach dem EWG-Vertrag und Recht der internationalen Arbeitsorganisation, Europäische Grundrechte-Zeitschrift 1979 p.617-623 (DE)

Vermeulen, W.H.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1980 p.343-344 (NL)

Simon, Denys: Note sous l'arrêt de la Cour du 18.1.1979, Af. j. 110 et 111/78, Journal du droit international 1981 p.154-157 (FR)

**Bekijk de andere verwijzing**

Banu, Mihai: Jurisprudenţǎ Europeanǎ. CJCE, hotărârea din 18 ianuarie 1979, cauzele conexate 110 şi 111/78, Ministère Public şi Chambre syndicale des agents artistiques et impresarii de Belgique ASBL/Willy van Wesemael şi alţii, Revista română de drept al afacerilor 2011 nº 6 p.138-142 (RO)
