---
title: "HvJ EU, 105/76, Interzuccheri S.p.A, arrest van 25 mei 1977 · EEG-Verdrag art. 13 en art. 40"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 mei 1977, 105/76, Interzuccheri S.p.A: EEG-Verdrag art. 13 en art. 40."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-105-76-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-105-76-arret"
---

# Arrest van het Hof van 25 mei 1977, 105/76, Interzuccheri S.p.A · EEG-Verdrag art. 13 en art. 40

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

105/76

**ECLI**

ECLI:EU:C:1977:92

**Datum**

25 mei 1977

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Pretura di Recco, Sezione civile (Italië) beslissing van 21 oktober 1976 196/76

**Zaak ingediend op**

28 oktober 1976

**Advocaat-generaal**

Reischl

**Nationale beslissing na het arrest**

Pretura di Recco beslissing van 18 oktober 1978 196/76

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Italiaans

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1977, blz. 1029

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Donner

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Landbouw](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03) [De gemeenschappelijke marktordeningen per product](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04) [Suiker](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11) [Intracommunautaire markt](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11.01) [Aanpassingssteun voor Italiaanse producenten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-03.04.11.01.04) 3 beslissingen
  - [Steunmaatregelen van de staten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-09%2C578-4.09) [Steunregeling in de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-09.06) 4 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Douanerechten en heffingen van gelijke werking · verbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01) [Heffingen van gelijke werking](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02) [Begrip](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01.02.01) 30 beslissingen

## Tekst

83 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten van het geding, het procesverloop en de opmerkingen, gemaakt krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en procesverloop

A — Op 18 december 1967 heeft de Raad zijn verordening 1009/67 vastgesteld, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker; die verordening is per 1 juli 1968 in werking getreden en geldt onder meer voor witte en ruwe beetwortel- en rietsuiker, suikerbieten en suikerriet. Volgens artikel 34 mocht de Italiaanse Republiek tot het seizoen 1974/1975 aan haar suikerbietenproducenten en aan haar „suikerbietenverwerkende industrie” (suikerindustrie) een aanpassingssteun toekennen. Die steun mocht niet meer bedragen dan een bepaald bedrag per ton suikerbieten of per 100 kilogram witte suiker en mocht slechts worden verleend voor een hoeveelheid witte suiker die niet groter was dan het basisquotum. In de veertiende overweging van de considerans wordt er ten deze op gewezen „dat de produktie van suikerbieten en suiker in Italië benadeeld wordt door klimatologische factoren en, wat de suikerbietenproduktie betreft, eveneens door de moeilijkheden welke het toepassen van moderne produktiemethoden met zich brengt; dat voor deze produktie de mogelijkheid dient te worden geschapen tijdelijke steun te verlenen”. In artikel 38 van 's Raads verordening 3330/74 van 19 december 1974 — waarbij verordening 1009/67 is ingetrokken — is de Italiaanse Republiek gemachtigd om gedurende de verkoopseizoenen 1975/1976 tot 1979/1980 een aanpassingssteun toe te kennen die in totaal niet meer mocht bedragen dan 5,9 rekeneenheden per ton tot suiker verwerkte suikerbieten met een suikergehalte van 16 %. Dit maximum van 5,9 rekeneenheden is voor het seizoen 1976/1977 gebracht op 9,9 rekeneenheden, waarvan een deel kan worden toegekend aan de veredelingsindustrie ('s Raads verordening (EEG) 1487/76 van 22 juni 1976, PB L 167, blz. 9). Op de Italiaanse markt is bij maatregel 1195 van 22 juni 1968 van het „Comitato interministeriale dei prezzi” (Interministerieel Comité voor de prijzen, hierna te noemen CIP (Gazzetta Ufficiale 162 van 27 juni 1968, blz. 4057)) de „Cassa conguaglio zucchero” (Vereveningskas voor suiker) in het leven geroepen; die kas wordt voornamelijk bekostigd uit de „sovrapprezzo” (prijstoeslag), berekend over binnenslands geproduceerde en ingevoerde suiker van alle soorten en kwaliteiten. Bij die maatregel is (sub 6) bepaald dat uit de inkomsten der kas moeten worden gefinancierd: de steun aan de suikerbietenproducenten en de suikerbietenverwerkende industrie toegekend „op grondslag van artikel 34 van verordening 1009/67”; de steun aan de verwerkende industrie verleend ten titel van vergoeding van de inkomstenbelasting, voldaan bij de aankoop en over het vervoer van suikerbieten; de steun wegens kosten van opslag van het overschot van de oogst 1967/1968 en „wegens verliezen geleden bij de uitvoer van dat overschot (namelijk aan in het verkoopseizoen 1967/1968 geproduceerde witte suiker) … die voor 1 juli 1969 moet geschieden (verordening 457/68 van 11 april 1968)”; de steun, aan suikerondernemingen verleend bij wege van compensatie van bedragen door de ondernemingen overeenkomstig een vroegere nationale maatregel ten behoeve van de suikerbietenproducenten betaald; de steun bestemd tot financiële sanering van vroegere transacties van de vereveningskas, de prijs van importsuiker betreffende; de steun aan de exporteurs tot een bedrag overeenkomende met voormelde prijsopslag; de debiteurrenten over wegens overschotten betaalde steunbedragen; de dekking van de kosten aan het beheer van de kas verbonden. De prijsopslag is voor het seizoen 1975/1976 gesteld op 56 lire per kilogram (CIP-maatregel 14/1975 van 1 juli 1975) en voor het seizoen 1976/1977 op 70 lire per kilogram (CIP-maatregel 20/1976 van 1 juli 1976). Voor het verkoopseizoen 1975/1976 is de volgende steun in uitzicht gesteld: steun aan de nationale suikerbietenproduktie ad 5056,30 lire per ton (CIP-maatregel 18/1975 van 11 augustus 1975, punt 3); aanvullende steun aan de nationale suikerbietenproduktie ad 3165,11 lire per ton (voormelde CIP-maatregel, punt 4); steun aan de nationale suikerproduktie ad 2156,30 lire per 100 kilogram (CIP-maatregel 19/1975 van 11 augustus 1975, punt 5 d).

B — De firma Interzuccheri SpA heeft aan de firma Rezzano e Cavassa 10000 kg suiker verkocht voor een bedrag van 5100000 lire, de prijstoeslag van 70 lire per kg inbegrepen. Bij afrekening wilde de koper het met bedoelde prijstoeslag overeenkomende bedrag van 721000 lire — als in strijd met het gemeenschapsrecht — niet voldoen. Verzoekster vorderde toen van de Pretore te Recco veroordeling van verweerster tot betaling van het omstreden bedrag. De firma Rezzano e Cavassa heeft zich partij gesteld en de vordering weersproken, er op wijzende dat de vraag of de prijstoeslag naar gemeenschapsrecht als onrechtmatig moet worden beschouwd, reeds door de Pretore te Abbiategrasso aan het Hof van Justitie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen was voorgelegd. In een memorie van 21 oktober 1976 heeft de Associazione Nazionale tra gli Industriali dello Zucchero, del Lievito e dell'Alcool („Assozucchero”) zich aan de zijde van verzoekster in het geding gesteld, concluderende tot verwerping van de door verweerster opgeworpen excepties. Bij beschikking van 21 oktober 1976 heeft de Pretore te Recco „Assozucchero” als interveniërende partij toegelaten en het geding geschorst, opdat overeenkomstig artikel 177 van het EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing zou worden verzocht met betrekking tot de navolgende vragen: Moeten artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag en artikel 21, lid 2, van verordening 3330/74 (houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker), alsmede artikel 20, lid 2, van verordening 1009/67 (vervangen door de eerdergenoemde verordening) aldus worden uitgelegd dat in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten van produkten als bedoeld in genoemde EEG-verordeningen, de toepassing is verboden van een heffing met de kenmerken van de „toeslag op de suikerprijs”, welke werd ingevoerd bij besluit CIP 22. 6. 1968, nr. 1195, zoals nadien gewijzigd (besluiten CIP 20. 6. 1969, nr. 1222, 30. 6. 1970, nr. 9, 30. 6. 1971, nr. 15, 3. 8. 1972, nr. 7, 26. 6. 1973, nr. 9, 28. 6. 1974, nr. 27, 7. 8. 1975, nr. 19, 1. 7. 1976, nr. 20, 1. 10. 1976, nr. 24): welke ingevolge besluit van de nationale instantie wordt toegepast op elke hoeveelheid binnenslands geproduceerde dan wel ingevoerde suiker; welke is bestemd deels voor de bietentelers gevestigd in de Staat waar de heffing wordt toegepast, deels voor de aldaar gevestigde suikerindustrie en deels ter dekking van diverse kosten (waaronder de beheerskosten van de Cassa Conguaglio Zucchero — vereveningsfonds voor suiker); Zo ja, moet dan het verbod tot toepassing van deze toeslag worden geacht te zijn gaan gelden vanaf de inwerkingtreding van verordening 1009/67 of vanaf een ander tijdstip? Is vanaf het tijdstip waarop het verbod is gaan gelden, voor de individuele handelaren die suiker (of de in genoemde EEG-verordeningen bedoelde produkten) uit andere Lid-Staten hebben ingevoerd, het subjectieve recht ontstaan de in vraag 1 bedoelde toeslag niet te betalen, respectievelijk na betaling hiervan restitutie te vorderen? Vormt in elk geval — gezien het feit dat de sector suiker sedert 1968 onder de communautaire landbouwregeling valt (verordening 1009/67 en thans verordening 3330/74) — de toepassing van een toeslag met de in vraag 1 bedoelde kenmerken een schending van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag, volgens welke bepaling de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten „elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap \[moet\] uitsluiten” ? Het verwijzingsvonnis is op 28 oktober 1976 ter griffie van het Hof ingeschreven. Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door G. Marchesini, advocaat in het Hof van Cassatie van de Italiaanse Republiek, door de gevoegde partij, ten deze vertegenwoordigd door A. Sorrentino, advocaat te Rome, en M. de André, advocaat te Genua, door de regering van de Italiaanse Republiek, ten deze vertegenwoordigd door de ambassadeur A. Maresca, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, „sostituto dell'avvocato generale dello Stato”, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur C. Maestripieri, — als gemachtigde. Op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instruktie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Samenvatting van de voor het Hof gemaakte schriftelijke opmerkingen

Verzoekster in het hoofdgeding haalt drie door het Hof gewezen arresten aan die voor een bespreking van de eerste prejudiciële vraag van belang zijn: het arrest van 25 juni 1970, gewezen in de zaak 47/69 Frankrijk t. Commissie (Jurispr. 1970, blz. 487), het arrest van 19 juni 1973, gewezen in de zaak 77/72 Capolongo t. Maya (Jurispr. 1973, blz. 711) en het arrest van 18 juni 1975, gewezen in de zaak 94/74 IGAV t. ENCC (Jurispr. 1975, blz. 699). In eerstgenoemd arrest heeft het Hof verband gelegd tussen de steunmaatregel en het bij de financiering van die maatregel gevolgde systeem; het tweede arrest betreft het geval dat de opbrengst van een belasting die zowel op het nationale als op het ingevoerde produkt rust, uitsluitend bestemd is ter financiering van alleen aan de nationale produktie toevloeiende bijzondere voordelen — in welk geval er van een heffing van gelijke werking als een douanerecht zou mogen worden gesproken; in het derde arrest zijn de strenge voorwaarden bevestigd waaraan een gelijkstelling van een binnenlandse belasting met een maatregel van gelijke werking als een douanerecht gebonden is.

In het arrest Capolongo zijn met name twee imperatieve voorwaarden gesteld:

a) de uitsluitende bestemming van de belasting voor de financiering van steunmaatregelen,

b) waardoor het nationale produkt een bijzonder voordeel wordt bezorgd.

Aan de eerste voorwaarde is voldaan als de opbrengst volledig — met uitsluiting van iedere andere bestemming — voor de financiering van het betrokken stelsel van steunmaatregelen bestemd is; de tweede voorwaarde is slechts vervuld wanneer het voordeel dat aan het nationale produkt is voorbehouden, de er op rustende belastingdruk volledig te niet doet. In ieder geval moet de steun bij precies hetzelfde nationale produkt terecht komen en niet in algemene zin aan de betrokken economische sector ten goede komen.

De prijstoeslag is, naar gemakkelijk kan worden vastgesteld, niet uitsluitend bestemd ter financiering van de steunmaatregel ten behoeve van de verwerkende industrie (men zie artikel 6 van CIPmaatregel 1195/68, waarin de verschillende bestemmingen der betalingen zijn opgesomd). Onder de bestemmingen van de prijstoeslag nemen de gezamenlijke uitkeringen aan de bietentelers nog steeds een belangrijke plaats in. Wanneer men bedenkt dat hetgeen er in het seizoen 1975/1976 aan prijstoeslag binnenkwam hoofdzakelijk aan de nationale bietenproduktie is toegevloeid, dan ligt daarin zonder meer besloten dat dit zelfde produkt niet „uitsluitend” kan zijn gebruikt ter financiering van aanvullende uitkeringen aan de verwerkende ondernemingen. Tussen suikerbieten en suiker dient wel te worden onderscheiden; suiker valt onder een andere tariefklassificatie en aan interventies ten behoeve van suikerbieten zijn voor de suikerprijs geen gevolgen verbonden.

De bietenprijs — die niet slechts door de Gemeenschap is gereglementeerd — wordt in Italië door het CIP autoritair vastgesteld en aangevuld door de steunbedragen waartoe de Raad heeft gemachtigd. De verwerkende industrieën profiteren dus ook indirect op geen enkele wijze van interventies ten behoeve van de bietentelers.

Kortom, de eerste voorwaarde waaraan volgens 's Hofs jurisprudentie moet zijn voldaan, is in casu niet vervuld:

a) de opbrengst van de prijstoeslag doet men ook ten goede komen aan andere doeleinden — en aan anderen — dan de verwerkende industrieën;

b) met name de bietenteelt ontving het leeuwedeel — en soms de volledige opbrengst — van de prijstoeslag;

c) suikerbieten is een ander produkt dan suiker, en — wat de concrete situatie op de Italiaanse markt betreft — een de steun welke aan de bietentelers is verleend zijn voor de suikerprijs geen gevolgen verbonden;

d) de steunverlening aan de bietentelers is in geen enkel opzicht te beschouwen als een steunverlening ten behoeve van „precies hetzelfde door de belasting getroffen nationale produkt”, zowel omdat suikerbieten niet hetzelfde is als suiker, alsook omdat suikerbieten niet een belast nationaal produkt is.

Ook de tweede voorwaarde is niet vervuld: de aanvullende uitkeringen aan de verwerkende industrie maken het effect van de prijstoeslag die de nationale suiker heeft op te brengen bij lange na niet ongedaan. Zo kan de prijstoeslag die op de nationale (suiker)produktie is toegepast, voor het seizoen 1975/1976 op plus minus 75 miljard lire worden geschat, terwijl aan diezelfde produktie 28 miljard lire aan steun is toegevloeid.

Uit de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak IGAV blijkt duidelijk dat zich alleen bij volledige compensatie een geval voordoet dat met heffing van een invoerrecht wesenlijke overeenkomst vertoont.

Verzoekster in het hoofdgeding meent dat de cijfers betreffende haar suiker-import-affaire een bevestiging inhouden van het standpunt dat het hierbedoelde regime niet in strijd komt met de communautaire regeling inzake het vrije goederenverkeer. Het economisch belang zou de omvang der importen niet kunnen verklaren indien de beweerde restricties zich werkelijk voordeden.

De vragen 2 en 3 — waarin van een bevestigende beantwoording van de eerste vraag wordt uitgegaan — zijn zonder voorwerp geraakt.

##### De vierde vraag

Deze vraag dient om drie redenen ontkennend te worden beantwoord:

a) de Italiaanse suikerproduktie wordt ten opzichte van die in de andere Lid-Staten gekenmerkt door een sterk afwijkende structuur en heel andere natuurlijke omstandigheden; de wetgever van de Gemeenschap heeft dan ook gemachtigd tot steunmaatregelen ten behoeve van de nationale produktie — met afwijking van de algemene voorschriften van de artikelen 92 en volgende —. Daarmede heeft hij kennelijk alle gevolgen van de steunverlening aanvaard en toegelaten;

b) door dit middel te kiezen heeft men er zijdelings naar gestreefd de dispariteiten die zich met betrekking tot de Italiaanse produktie voordoen, te verhelpen;

c) artikel 40 van het EEG-Verdrag betreft uitsluitend maatregelen, door de communautaire instellingen en door de Lid-Staten in het kader van een gemeenschappelijke marktordening getroffen.

Verzoekster in het hoofdgeding concludeert dat de prejudiciële vragen als volgt dienen te worden beantwoord:

1\. Artikel 13, lid 2, van het EEG-Verdrag dient niet in die zin te worden verstaan dat onder het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten ook zou valleen een geldelijke last die de trekken vertoont van de prijstoeslag op nationale en ingevoerde suiker, geregeld in CIP-maatregel 1195 van 22 juni 1968 en latere maatregelen.

2\. Artikel 40, lid 3, tweede alienea van het EEG-Verdrag is niet in die zin te verstaan dat het een Lid-Staat verboden is een geldelijke last op te leggen welke de trekken van voormelde prijstoeslag vertoont. Onder verwijzing naar de communautaire voorschriften inzake de aanpassingssteun en de desbetreffende CIP-maatregelen, legt interveniënte in het hoofdgeding cijfers over betreffende de opbrengst van de prijstoeslag en de uitkeringen van de Cassa Conguaglio Zucchero.

##### De eerste vraag

Reeds wanneer men de oorsprong en bedoeling van de prijstoeslag in aanmerking neemt, kan er van twijfel over de verenigbaarheid van die toeslag met artikel 13, lid 2, van het EEG-Verdrag geen sprake meer zijn. In voormeld arrest Capolongo heeft het Hof overwogen dat uitbreiding van de term „heffingen van gelijke werking als douanerechten” tot een binnenlandse belasting die nationale én ingevoerde produkten treft „wezenlijke wetsontduiking” vooronderstelt In casu is daarvan geen sprake. Aan de Italiaanse regering heeft bij invoering van de prijstoeslag op suiker een in economisch en fiscaal opzicht zo doelmatig mogelijke financiering voor ogen gestaan van de aanpassingsteun waartoe in de basisverordening met zoveel woorden machtiging was verleend. Gesteld voor de keuze tussen een algemene belasting van de gehele burgerij en een belasting van de verbruikers van het specifieke produkt, heeft de regering welbewust voor de tweede weg gekozen. Deze fiscale beleidskeuze — waarmede de sfeer die aan de nationale gezagsorganen is voorbehouden, stellig niet is overschreden — lijkt alleszins gerechtvaardigd: in de eerste plaats om redenen met een snelle inning en het beheer van de prijstoeslag verband houdende, doch bovenal vanwege het feit dat waar een algemene belasting in de bijzondere economischfinanciële situatie van het land moeilijk kon worden opgebracht, zulk een bezwaar niet kleefde aan een belasting op het suikerverbruik, zowel omdat de suikerverbruikers (vóór invoering van de gemeenschappelijke ordening) reeds de kostenstijgingen van de nationale produktie financierden, als omdat suiker van de algemene verbruiksartikelen tijdens de naoorlogse inflatie verreweg het minst in prijs gestegen is.

Wordt eenmaal tot zulk een maatregel overgegaan, dan kan de suikerbelasting alleen maar van alle in Italië verbruikte suiker, ongeacht herkomst, worden geheven: zou men de belasting tot het nationale produkt hebben beperkt, dan zou daarmee een hoger prijsniveau van het nationale produkt, vergeleken met het ingevoerde produkt, zijn geïnstitutionaliseerd — met alle ongerijmde gevolgen van dien.

Zou de Italiaanse overheid gedwongen zijn de prijstoeslag voor suiker te laten vallen, dan zou zij voor de financiering van de nog onmisbare aanpassingssteun de nodige middelen — ruim 100 miljard lire per jaar — elders hebben moeten zoeken, hetgeen wegens de tegenwoordige toestand der staatsfinanciën onmogelijk is. Ook zou van de prijstoeslag op de 'Italiaanse importen van suiker uit de andere Lid-Staten geen enkele beperkend effect zijn uitgegaan.

Die importen hebben zich juist geweldig ontwikkeld en dekken thans het deficit der produktie — ten opzichte van het nationale verbruik — volledig.

De analyse van 's Hofs jurisprudentie leert dat de prijstoeslag inderdaad niet valt onder het begrip „heffing van gelijke werking”, ook niet al vat men die term in ruime zin op.

Interveniënte in het hoofdgeding beroept zich op voormeld arrest Capolongo, waarin het Hof heeft overwogen dat „een belasting die deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, nochtans een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn wanneer zij uitsluitend bestemd is ter bekostiging van activiteiten die met name ten behoeve van het er door getroffen nationale produkt worden verricht”.

Dit beginsel vond bevestiging in het arrest IGAV, waarin er de nadruk op is gelegd dat een kwalificatie als voormeld medebrengt dat er een duidelijk verband moet bestaan tussen enerzijds een fiscale heffing die zonder onderscheid op de betrokken nationale of ingevoerde produkten wordt toegepast, en anderzijds het voordeel dat alleen de nationale produkten uit de opbrengst dier heffing toevalt.

In het geval van de prijstoeslag is het belaste nationale produkt (suiker) niet identiek met het van de steun profiterende nationale produkt (hetzij suiker hetzij — en vooral — suikerbieten). Bovendien wordt de belastingopbrengst niet uitsluitend aangewend ten behoeve van de suikerproducenten, doch ook — en vooral — ten behoeve van de bietentelers.

De voorwaarden inzake de exclusiviteit der bestemming en de specificiteit der bevoordeling zijn in casu dan ook niet vervuld.

Nu eenmaal is gebleken dat de prijstoeslag op suiker niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht is aan te merken, zijn de vragen 2 en 3 zonder voorwerp geraakt.

##### De vierde vraag

Met artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag kan in casu niet worden gewerkt: in de eerste plaats omdat dit non-discriminatiebeginsel betrekking heeft op maatregelen genomen in het raam van de gemeenschappelijke ordening der markten, en in de tweede plaats omdat de prijstoeslag, ingesteld ter financiering van aanpassingssteun waartoe machtiging is verleend, naar doelstelling en functie niet wezenlijk van steunmaatregelen verschilt. Steunmaatregelen worden nu juist getroffen om de tussen Italiaanse producenten en producenten uit de andere Lid-Staten „aan de basis” bestaande dispariteit te verkleinen.

De regering van de Italiaanse Republiek is van mening dat oorsprong, opzet en werking van de gewone prijstoeslag een geheel ontkennende beantwoording van de beide eerste prejudiciële vragen rechtvaardigen. Die prijstoeslag is te beschouwen als een fiscale maatregel, van staatswege opgelegd ten einde te komen tot een verevening van de kostenstijgingen van de nationale suikerproduktie, afgestemd op de erkende sectorsgewijze optredende structurele moeilijkheden en blijvende binnen de grenzen door de Gemeenschap gesteld. Deze toeslag treft op dezelfde wijze, in dezelfde mate en volgens dezelfde modaliteiten, zowel de in het land zelf geproduceerde suiker als ingevoerde suiker; hij komt ten laste van de verbruiker en maakt een bestanddeel van de prijs uit. Over ingevoerde suiker wordt de toeslag geheven omdat bedoelde suiker in Italië wordt verbruikt en niet omdat er grensoverschrijding plaatsvindt — hetgeen wil zeggen dat een gewone prijstoeslag niet als een heffing van gelijke werking als een douanerecht mag worden aangemerkt —.

Als een binnenlandse belasting die zowel het nationale als het ingevoerde produkt treft, kan de prijstoeslag alleen worden beoordeeld vanuit de gezichtshoek van het non-discriminatiebeginsel, omschreven in artikel 95 van het EEG-Verdrag.

De uitspraken in de zaken Capolongo en IGAV kunnen op een belasting als hierbedoeld slechts worden toegepast wanneer kan worden vastgesteld dat uit de belastingopbrengst over het ingevoerde produkt de financiering wordt bekostigd van het nationale produkt dat a) niet zelf is belast en b) van ongeoorloofde steunverlening profiteert. Ingeval van een gewone prijstoeslag over ingevoerde suiker is van een en ander evenwel geen sprake: in de eerste plaats is de opbrengst van de prijstoeslag over ingevoerde suiker op zichzelf onvoldoende om de steunmaatregelen ten behoeve van de bietentelers en de verwerkende industrie te financieren. Het lijkt er dus niet op dat de belasting eigenlijk alleen het ingevoerde produkt treft: Integendeel, de toeslag treft ook — en in sterkere mate — de in het land zelf geproduceerde suiker: het verbruik van „eigen” suiker is veel groter dan dat van geïmporteerde suiker. Wat het tweede punt betreft: de onderhavige steunmaatregelen zijn geoorloofd en door de Gemeenschap goedgekeurd.

De Italiaanse regering voegt hieraan het volgende toe: uit artikel 6 van CIP-maatregel 1195 blijkt dat bij invoering van de prijstoeslag op suiker de opbrengst ook bestemd was voor andere activiteiten dan de financiering van door de Gemeenschap goedgekeurde steunmaatregelen. Sommige van die activiteiten hielden blijkbaar verband met ogenblikkelijke noden die zich na de invoering van de gemeenschappelijke ordening der markten deden gevoelen. Het gaat niet aan die behoeften thans in aanmerking te nemen, van ongeoorloofde steunmaatregelen te spreken en daaruit af te leiden dat de prijstoeslag onrechtmatig is.

Zelfs al is de fundamentele doelstelling van de prijstoeslag in een financiering van goedgekeurde steunmaatregelen gelegen, de mogelijkheid van een andere bestemming zal zich eventueel nogmaals kunnen voordoen. Ook al zou men in casu de arresten Capolongo en IGAV toepasselijk willen achten, dan nog zou in casu aan de voorwaarden betreffende exclusieve bestemming en de specificiteit van de bevoordeling niet zijn voldaan.

Tens slotte is de prijstoeslag, ongeacht zijn bestemming, een fiscale maatregel, een binnenlandse belasting en niet een maatregel genomen met het oog op de reglementering en het beheer van de binnenlandse suikermarkt. Dat de bevoegdheid tot oplegging van de prijstoeslag aan de Gemeenschap toekomt, gaat dan ook niet op. De Gemeenschap heeft er zich toe beperkt Italië te machtigen tot toekenning van aanpassingssteun en geen uitvoeringsbepalingen betreffende de uitkering der steunbedragen en het financieringssysteem vastgesteld.

De beantwoording van de eerste prejudiciele vraag brengt mede dat de vragen 2 en 3 zonder voorwerp zijn geraakt.

Evenwel verwijst de Italiaanse regering ten aanzien van de restitutie van bedragen betaald wegens lasten die later als heffing van gelijke werking als een douanerecht zijn aangemerkt, naar haar schriftelijke opmerkingen in de zaak 33/76 Rewe t. Landwirtschaftskammer ('s Hofs arrest van 16 december 1976, Jurispr. 1976, blz. 1989).

##### De vierde vraag

Behalve dat hier niet naar artikel 40 moet worden verwezen (men zie de opmerkingen in de zaak 77/76) zij opgemerkt dat alleen aan discriminatie mag worden gedacht als in identieke situaties een verschillende behandeling wordt toegepast. Dat men in de Italiaanse suikerproduktie met heel andere natuurlijke en structurele voorwaarden te maken heeft, wordt zelfs door de instellingen der Gemeenschap erkend en met de prijstoeslag is wezenlijk beoogd de bestaande dispariteit tussen Italiaanse producenten en producenten in de andere Lid-Staten te verkleinen. Er zou inderdaad van een dispariteit mogen worden gesproken indien de Italiaanse producenten en de producenten in de andere Lid-Staten zich in dezelfde omstandigheden bevonden.

Van een ongelijke behandeling van nationale producenten en verbruikers kan al evenmin sprake zijn: de prijstoeslag is bedoeld als compensatie voor de hogere kosten welke de producenten hebben te dragen als gevolg van de in de desbetreffende sector onbewist optredende moeilijkheden.

Anderzijds is de noodzaak van waarborgen voor de Italiaanse suikerproduktie door de Gemeenschap erkend. Zou het ingevoerde produkt (bij gebreke van een prijstoeslag) in Italië tegen een lagere prijs dan de markt kunnen komen, dan zouden die noodzakelijke waarborgen niet kunnen worden geboden, als gevolg waarvan de discriminatie dan ten nadele van het nationale produkt en de eventuele afnemers van dat produkt zou werken.

De Commissie verwijst eveneens naar 's Hofs jurisprudentie in voormelde zaken 77/72 en 94/74.

Uit dit laatste arrest blijkt duidelijk dat er, wil een belasting die er op het eerste gezicht als een binnenlandse belasting uitziet, als een heffing van gelijke werking als een douanerecht worden aangemerkt, een duidelijke samenhang moet zijn vastgesteld tussen enerzijds een fiscale heffing die zonder onderscheid op alle betrokken produkten wordt toegepast en anderzijds het voordeel dat men uit de opbrengst van diezelfde belasting alleen aan de nationale produktie ten goede doet komen. In casu is aan de voorwaarden, door het Hof gesteld, niet voldaan:

er bestaat geen identiteit tussen het belaste en het begunstigde nationale produkt,

de opbrengst van de belasting is niet uitsluitend voor de suikerindustrie bestemd.

Wat betreft het eerste punt zij er slechts op gewezen dat de belasting wordt geheven van suiker (post 17.01 van het gemeenschappelijk douanetarief), terwijl de steun ten goede komt aan suiker en suikerbieten (post 12.04).

Voorts komt de belastingopbrengst niet uitsluitend aan de suikerondernemingen ten goede: zodra de beheerskosten zijn gedekt, zijn de verkregen middelen bestemd voor de producenten van suikerbieten en de suikerproducenten.

Weliswaar kan hiertegen worden ingebracht dat de steunverlening ten behoeve van suikerbieten noodzakelijkerwijze in de suikerprijs doorwerkt, maar wie de identiteit der produkten — als criterium — loslaat, opent de deur voor eindeloze meningsverschillen.

Om de heffing ten laste van — en de steun verleend aan — het nationale produkt te kunnen vergelijken, zal men de voordelen moeten becijferen die toevloeien aan alle produkten die een rol bij de vervaardiging van het betrokken produkt spelen. Om die voordelen te kunnen beoordelen, zal men ook rekening moeten houden met de mogelijkerwijze op die produkten drukkende lasten. Er bestaat volgens de Commissie geen aanleiding om de begrippen gebezigd in de artikelen 13 en 95 van het EEG-Verdrag geweld aan te doen en met betrekking tot de grenzen tussen de toepassingsgebieden van die beide — rechtstreeks toepasselijke — bepalingen onzekerheid te scheppen. Wat de duidelijkheid betreft, wil de Commissie verwijzen naar de opmerkingen, door de advocaat-generaal gemaakt in zijn conclusie in de zaak IGAV.

Voormelde jurisprudentie is niet van toepassing wanneer de belasting geen „exclusieve bestemming” heeft en de lasten op het nationale produkt slechts gedeeltelijk worden gecompenseerd, zodat de heffing zwaarder op het ingevoerde produkt drukt dan op het nationale produkt — zulks in strijd met artikel 95 van het Verdrag —.

In het onderhavige geval is volgens een benaderende schatting voor het seizoen 1975/1976 de last op de nationale produktie — 75 miljard lire — gedeeltelijk gecompenseerd door de 28 miljard steun, die aan de suikerfabrikanten is verleend.

##### Tweede, derde en vierde vraag

Deze vragen zijn op grond van vorenstaande overwegingen zonder voorwerp geraakt. De Commissie merkt nochtans het volgende op:

Artikel 40, lid 3, doet hier niet ter zake, omdat het „non-discriminatie” -beginsel geldt voor maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten door de Gemeenschap of door een Lid-Staat genomen.

Maatregelen door de Lid-Staten genomen buiten de gemeenschappelijke ordening om, dienen te worden getoetst aan de specifieke verdragsbepalingen (waarin discriminatie eveneens wordt verboden).

De Commissie stelt voor de vragen als volgt te beantwoorden:

Een belasting die deel uitmaakt van een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, kan een heffing van gelijke werking als een invoerrecht vormen, indien zij uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, indien er tussen het belaste produkt en het begunstigde nationale produkt identiteit bestaat en voorts de op het nationale produkt drukkende lasten volledig worden gecompenseerd.

#### III — Mondelinge behandeling

Verzoekster, interveniënte in het hoofdgeding de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn ter terechtzitting van 22 maart 1977 gehoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 3 mei 1977 zijn conclusie genomen.

### Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat de Pretore te Recco bij op 28 oktober 1976 ter griffie ingekomen beschikking van 21 oktober 1976 het Hof van Justitie vier vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 13, lid 2, van het Verdrag en 's Raads verordeningen 1009/67 van 18 december 1967 en 3330/74 van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 308 van 18. 12. 1967 en L 359 van 31. 12. 1974);

dat deze vragen worden gesteld in een tussen twee Italiaanse ondernemingen gevoerd geding;

2.

dat de firma Interzuccheri, verzoekster in het hoofdgeding, aan de firma Rezzano e Cavassa, verweerster in het hoofdgeding, 10000 kg suiker heeft verkocht, waarna verweerster betaling heeft geweigerd van het met de sovrapprezzo overeenkomend gedeelte van de koopprijs, zoals dat door verzoekster in het hoofdgeding over de waar was voldaan, stellende die heffing met het gemeenschapsrecht onverenigbaar te achten;

dat de firma Interzuccheri zich toen tot de Pretore heeft gewend en gevorderd dat verweerster tot betaling van bedoeld bedrag zou worden veroordeeld;

dat de Associazione Nazionale tra gli Industriali dello Zucchero, del Lievito e dell'Alcool („Assozucchero”) bij memorie van 21 oktober 1976 aan de zijde van verzoekster heeft geïntervenieerd en gevorderd dat de door verweerster opgeworpen excepties zullen worden verworpen;

3. dat de nationale rechter bij voormelde beschikking de interveniërende partij in het geding heeft toegelaten, heeft vastgesteld dat de door partijen opgeworpen vraag van gemeenschapsrecht dezelfde is waarmede de Pretore te Abbiategrasso zich in de prejudiciële zaak 77/76, Cucchi t. Avez, reeds tot het Hof van Justitie heeft gewend en heeft verstaan dat aan het Hof vier vragen zouden worden gesteld ter bekoming van opheldering nopens de verenigbaarheid van de omstreden sovrapprezzo met het gemeenschapsrecht;

#### I — Algemeen

4.

Overwegende dat een beantwoording der vragen blijkens de verwijzingsbeschikking de nationale rechter in staat moet stellen te oordelen over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een heffing, ingesteld bij besluit van het Comitato Interministeriale di Prezzi, waarvan de opbrengst bestemd is ter financiering van aanpassingssteun verleend aan de Italiaanse suikerbietenproducenten en suikerverwerkende industrie;

dat de regering van de Italiaanse Republiek in haar opmerkingen heeft betoogd dat voor de verkoopseizoenen 1975/1976 tot en met 1979/1980 tot die steunverlening in artikel 38 van verordening 3330/74 met zoveel woorden machtiging is verleend;

dat zij meent aan de machtiging de bevoegdheid te ontlenen de nodige financieringsmiddelen bijeen te brengen volgens de modaliteiten welke haar binnen de grenzen van het gemeenschapsrecht het meest passend en het billijkst voorkomen;

5.

Overwegende dat de in artikel 38 van verordening 3330/74 vervatte machtiging tot steunverlening niet in die zin is te verstaan dat, ongeacht aard en modaliteiten, iedere wijze van financiering dier steunverlening met het gemeenschapsrecht verenigbaar zou zijn;

dat de nationale gezagsorganen bij de financiering der verleende steun met name gehouden blijven tot nakoming van de verplichtingen die niet alleen uit het Verdrag, doch ook uit de overige bepalingen van verordening 3330/74 voortvloeien;

dat van een mogelijkheid tot financiering met afwijking van die overige bepalingen moet blijken uit een uitdrukkelijke bepaling, althans uit een voorschrift waarin zodanige bedoeling van de Raad duidelijk aan de dag treedt;

dat een voorschrift dat zulk een afwijking gedoogt niet bestaat en dat met die omstandigheid bij de beantwoording der gestelde vragen rekening dient te worden gehouden;

#### II — De vragen betreffende de prijstoeslag

6. Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of artikel 13, lid 2, van het Verdrag alsook artikel 21, lid 2, van verordening 3330/74 en artikel 20, lid 2, van verordening 1009/67 in de weg staan aan de toepassing — in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten — van een nationale belastingmaatregel die alle in het land zelf geproduceerde en ingevoerde suiker treft en waarvan de opbrengst uitsluitend aan de nationale suikerfabrieken en suikerbietenproducenten ten goede komt;

7.

Overwegende dat in artikel 9 van het Verdrag — dat voor de definitieve periode overeenkomt met het in de vraag bedoelde artikel 13 — de heffing van invoerrechten en alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de Lid-Staten wordt verboden;

dat zo ook in de artikelen 20, lid 2, van verordening 1009/67 en 21, lid 2, van verordening 3330/74, behoudens in die verordeningen voorkomende andersluidende bepalingen of afwijkingen waartoe de Raad mocht hebben besloten, de toepassing van enig douanerecht of van enige heffing van gelijke werking als een douanerecht wordt verboden;

8.

Overwegende dat, naar bij de arresten van 19 juni 1973 (zaak 77/72 Capolongo, Jurispr. blz. 611) en 18 juni 1975 (zaak 94/74, IGAV, Jurispr. blz. 699) is overwogen, het verbod van de artikelen 9 en 13 betrekking heeft op iedere bij of wegens invoer geheven belasting welke bepaaldelijk een ingevoerd produkt en niet een soortgelijk nationaal produkt treft en derhalve, door wijziging van de kostprijs, uiteindelijk op het vrije verkeer van goederen eenzelfde beperkende invloed heeft als een douanerecht;

dat daarentegen de omstandigheid dat een belasting zonder onderscheid op nationale produkten en op uit andere Lid-Staten afkomstige produkten wordt toegepast, de vraag doet rijzen of de betrokken belasting onder het verbod van de artikelen 9 en 13 valt, dan wel onder de in artikel 95 voor binnenlandse belastingen omschreven non-discriminatieregel;

9.

dat een zelfde belasting in het systeem van het Verdrag niet tegelijkertijd tot beide genoemde categorieën kan behoren, daar de in de artikelen 9 en 13 bedoelde heffingen zonder meer moeten worden afgeschaft, terwijl artikel 95 voor de toepassing van binnenlandse belastingen slechts de afschaffing van elke, al dan niet rechtstreekse, discriminatie bij de behandeling van nationale produkten van een Lid-Staat en produkten van herkomst uit andere Lid-Staten voorschrift;

dat derhalve niet als heffingen van gelijke werking zijn te beschouwen geldelijke lasten welke deel uitmaken van een algemeen systeem van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen;

10.

dat dit slechts anders zou zijn indien een dergelijke, tot bepaalde produkten beperkte, heffing uitsluitend was bestemd voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan de belaste nationale produkten ten goede komen, zodat de hierop drukkende fiscale last wordt geneutraliseerd;

dat zulk een fiscale regeling immers slechts in schijn een stelsel van binnenlandse belastingen is en derhalve wegens haar beschermend karakter kan worden aangemerkt als heffing van gelijke werking als een douanerecht, zodat de verboden in de artikelen 9 en 13 en in voormelde verordeningsvoorschriften vervat, toepasselijk zijn;

dat een dergelijke kwalificatie echter veronderstelt dat er een duidelijk verband bestaat tussen enerzijds een fiscale heffing die zonder onderscheid op de betrokken nationale of ingevoerde produkten wordt toegepast, en anderzijds het voordeel dat alleen de nationale produkten uit de opbrengst dier heffing toevalt;

11. Overwegende dat het derhalve aan de nationale rechter staat te beoordelen of zulk een verband aanwezig is en — in casu — in aanmerking te nemen dat de opbrengst bij heffing van de omstreden belasting verkregen blijkens het dossier zowel aan de bietenproducenten als aan de verwerkende industrie ten goede komt, zodat suiker — als van suikerbieten wel te onderscheiden produkt — slechts van minder dan de helft der verkregen geldmiddelen profiteert;

12. Overwegende dat de eerste vraag blijkens het hiervoor overwogene in die zin moet worden beantwoord dat een belasting die deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, slechts een heffing van gelijke werking als een invoerrecht kan zijn, indien de heffing uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, indien er identiteit bestaat tussen het belaste produkt en het begunstigde nationale produkt en de op het nationale produkt drukkende lasten volledig worden gecompenseerd;

13. Overwegende dat op grond van dit een en ander de tweede en de derde vraag, gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend mocht worden beantwoord, zonder voorwerp zijn geraakt;

14.

dat in de vierde plaats gevraagd wordt of de toepassing van een heffing als in de eerste vraag bedoeld schending inhoudt van het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag omschreven verbod van discriminatie tussen producenten of verbruikers;

dat te dien aanzien kan worden volstaan met de opmerking dat het in artikel 95 van het Verdrag omschreven verbod van discriminatie tussen produkten van andere Lid-Staten en gelijksoortige nationale produkten, de mogelijkheid biedt om op het door de nationale rechter bedoelde terrein meer gericht tegen een mogelijke schending van communautaire grondbeginselen op te treden;

dat deze vraag derhalve al evenmin behoeft te worden beantwoord;

#### Ten aanzien van de kosten

15.

Overwegende dat de kosten, door de regering van de Italiaanse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;

dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een voor de nationale rechter gerezen incident is te beschouwen, zodat deze laatste over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de vragen voor de Pretura te Recco bij beschikking van 21 oktober 1976 gesteld, verklaart voor recht:

Een belasting die deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse heffingen waardoor nationale produkten én ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria stelselmatig worden getroffen, kan slechts een heffing van gelijke werking als een invoerrecht zijn indien de heffing uitsluitend bestemd is voor de financiering van activiteiten die inzonderheid aan het belaste nationale produkt ten goede komen, indien er identiteit bestaat tussen het belaste produkt en het begunstigde nationale produkt en de op het nationale produkt drukkende lasten volledig worden gecompenseerd.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

EEG-Verdrag art. 13 uitgelegd 5 voorkomens

EEG-Verdrag art. 40 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 95 uitgelegd 3 voorkomens

verordening 1009/67 art. 20 3 voorkomens

verordening 3330/74 art. 21 2 voorkomens

verordening 3330/74 art. 38 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

verordening 1009/67 art. 34 1 voorkomen

## Rechtspraak

3

### Europese Unie

3

Hof van Justitie C-347/95 17.09.1997

#### [Nationale heffing bij verkoop van zuivelproducten](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-347-95-arrest)

Hof van Justitie C-28/96 17.09.1997

#### [Nationale heffing bij verkoop van vlees](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-28-96-arrest)

## Rechtsleer

3

Tinnion, John: Parafiscal Charges in the National Courts, European Law Review 1977 p.359-363 (EN)

Burki, E.-P.: Amélioration ou altération d'une formule de la Cour de justice ?, Cahiers de droit européen 1978 p. 101-110 (FR)

Kovar, Robert: Journal du droit international 1978 p.369-373 (FR)
