---
title: "HvJ EU, 104/81, arrest van 26 oktober 1982 · EEG-Verdrag art. 95 en art. 37"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 1982, 104/81: EEG-Verdrag art. 95 en art. 37."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-104-81-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-104-81-arret"
---

# Arrest van het Hof van 26 oktober 1982, 104/81 · EEG-Verdrag art. 95 en art. 37

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

104/81

**ECLI**

ECLI:EU:C:1982:362

**Datum**

26 oktober 1982

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Bundesfinanzhof (Duitsland) beslissing van 24 maart 1981 VII R 59/78

**Zaak ingediend op**

29 april 1981

**Advocaat-generaal**

Rozès

**Opmerkingen**

Deense, Duitse, Franse, Britse regering Commissie

**Nationale beslissing na het arrest**

Bundesfinanzhof beslissing van 18 januari 1983 VII R 59/78

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1982, blz. 3641

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Due

**Repertorium van het Hof**

- [Communautaire rechtsorde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A) [Gemeenschapsrecht en nationaal recht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03) [Rechtstreekse werking, voorrang en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-A-03.01) 38 beslissingen
- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Internationale overeenkomsten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-25%2C578-6.07)

  - [De verschillende door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-25.05) 23 beslissingen
  - [Gevolgen. Draagwijdte en grenzen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-25.04) 8 beslissingen

## Tekst

91 paragrafen

### ARREST

### De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en het procesverloop

1.

De firma Kupferberg bracht op 26 augustus 1976 uit Portugal afkomstige portwijn in het vrije verkeer in de Bondsrepubliek Duitsland.

Het Hauptzollamt Mainz hief over het boven 14 % vol liggende ethylalcoholgehalte van deze port tegen een tarief van DM 1650/hl ethylalcohol, in totaal DM 18103,80 aan Monopolausgleich.

2.

De betaling van de Monopolausgleich berust op § 151, Absatz 1, Branntweinmonopolgesetz (wet inzake het alcoholmonopolie) van 8 april 1922.

In deze wet wordt bepaald dat *binnenlands* gedistilleerd in beginsel tegen een van overheidswege vastgestelde prijs (Branntweinübernahmepreis) aan de Bundesmonopolverwaltung (monopolieadministratie) moet worden geleverd. Over dit gedistilleerd, dat door de Bundesmonopolverwaltung wordt verkocht, is belasting (Branntweinsteuer) verschuldigd. Gedurende het voor het hoofdgeding relevante tijdvak bedroeg deze belasting DM 1650/hl ethylalcohol.

Bepaalde gedistilleerde dranken, onder meer die welke van wijn worden vervaardigd, zijn vrijgesteld van de verplichte levering aan de overheid. Daarover wordt krachtens §78 Branntweinmonopolgesetz een Branntweinaufschlag geheven, waarvan het bedrag overeenkomt met de Branntweinsteuer.

§ 79, Absatz 2, Branntweinmonopolgesetz, bepaalde in de voor het hoofdgeding relevante periode, dat de Branntweinaufschlag met 21 % wordt verlaagd, wanneer het gedistilleerd is vervaardigd in een Abfindungsbrennerei (aan een forfaitaire belasting onderworpen distilleerderij) of door een Stoffbesitzer (bezitter van grondstoffen), binnen de grenzen van het door het monopolie begunstigde produktiestelsel of in een Verschlußkleinbrennerei (onder verzegeling staande distilleerderij) met een jaarlijkse produktie van ten hoogste 4 hl ethylalcohol, dan wel in een coöperatieve vruchtendistilleerderij binnen de grenzen van haar distillatierecht, dat wil zeggen wanneer uit de vruchtenoogst van een lid jaarlijks niet meer dan 3 hl ethylalcohol wordt geproduceerd.

*Ingevoerd* gedistilleerd is ingevolge § 151, Absatz 1, Branntweinmonopolgesetz onderworpen aan de Monopolausgleich, waarvan het bedrag eveneens overeenkomt met de Branntweinsteuer.

Volgens § 151, Absatz 2, Branntweinmonopolgesetz moeten likeurwijnen worden beschouwd als produkten die gedistilleerd bevatten.

Volgens § 152, Absatz 2, Branntweinmonopolgesetz wordt de Monopolausgleich voor likeurwijnen berekend over de hoeveelheid alcohol die boven een alcoholgehalte van 14 % vol ligt.

3.

Naar aanleiding van een door Kupferberg ingesteld beroep, wijzigde het Finanzgericht Rheinland-Pfalz de belastingaanslag en bracht het Monopolausgleich van DM 18103,80 terug tot DM 16303,80.

Het Finanzgericht baseerde zich op de bepalingen van het Branntweinmonopolgesetz en op de artikelen 37 en 95 EEG-Verdrag, juncto artikel 21 van de overeenkomst tussen de EEG en de Republiek Portugal van 22 juli 1972 (hierna: „overeenkomst EEG—Portugal”) (PB L 301 van 1972, blz. 165). Het constateerde dat laatstgenoemde bepaling zakelijk gelijkluidend is met de artikelen 37 en 95 EEG-Verdrag en rechtstreekse werking heeft. Vervolgens maakte het een vergelijking tussen de belastingdruk op portwijn en op gelijksoortige binnenlandse produkten. Volgens het Finanzgericht is de ingevoerde portwijn als dessertwijn te vergelijken met nationale likeurwijnen. De Monopolausgleich op de belastbare ethylalcohol van de geïmporteerde portwijnen, dient de monopolieheffing op binnenlands gedistilleerd uit coöperatieve vruchtendistilleerderijen te volgen.

Volgens het Finanzgericht moet de Monopolausgleich derhalve met 21 % worden verminderd, dat wil zeggen van DM 1650 op DM 1303,50/hl ethylalcohol (DM 1650 — DM 346,50 = DM 1303,50/hl) worden gebracht.

De vraag of de in bedrijf zijnde binnenlandse coöperatieve vruchtendistilleerderijen op het tijdstip van de invoer inderdaad alcohol uit wijn vervaardigden, zou irrelevant zijn, aangezien voor een schending van artikel 37 EEG-Verdrag, dat volgens het Finanzgericht in casu van toepassing is, de enkele kans op discriminatie reeds volstaat.

4.

Artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal luidt als volgt:

> „De partijen bij de overeenkomst onthouden zich van iedere maatregel of gedraging van intern fiscale aard, die al dan niet rechtstreeks leidt tot discriminatie tussen de produkten van een partij bij de overeenkomst en de gelijksoortige produkten van oorsprong uit de andere partij.”

De overeenkomst EEG—Portugal is in bijlage opgenomen bij verordening nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 301 van 1972, blz. 164).

5.

Het Hauptzollamt Mainz heeft cassatieberoep (Revision) ingesteld bij het Bundesfinanzhof.

Het Bundesfinanzhof was van oordeel dat de zaak vragen van gemeenschapsrecht deed rijzen en besloot krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de procedure te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen :

> 1\. \[a\]„ Is artikel 21, eerste alinea, van de bij verordening nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 goedgekeurde en gepubliceerde overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal van 22 juli 1972 rechtstreeks toepasselijk en doet het rechten ontstaan voor de individuele marktdeelnemer?
>
> \[b\] Zo ja: behelst het een discriminatieverbod overeenkomstig artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, en
>
> \[c\] geldt het ook voor de invoer van portwijn?
>
> 2.Indien de onder 1 gestelde vragen bevestigend worden beantwoord :
>
> a.Is er reeds sprake van discriminatie in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, wanneer de nationale belastingbepalingen zuiver juridisch en abstract gezien een bevoordeling van gelijksoortige binnenlandse produkten mogelijk maken (potentiële discriminatie), of is er alleen dan sprake van discriminatie in de zin van voornoemde bepalingen, wanneer concrete vergelijking van de belastingdruk een fiscale bevoordeling van gelijksoortige binnenlandse produkten in de praktijk uitwijst?
>
> b.Dient krachtens artikel 95 EEG-Verdrag of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal op een uit een andere Lid-Staat of uit Portugal afkomstig produkt, dat bij invoer in dezelfde mate wordt belast als een direct gelijksoortig binnenlands produkt, het gereduceerde belastingtarief te worden toegepast dat volgens het nationale recht voor een ander produkt geldt, dat ook nog als gelijksoortig aan het ingevoerde produkt in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag kan worden beschouwd?”

6.

Blijkens de verwijzingsbeschikking is het Bundesfinanzhof van mening dat het antwoord op vraag 1 a niet kan worden afgeleid uit de arresten waarin het Hof bepalingen van associatieovereenkomsten rechtstreeks toepasselijk heeft verklaard, namelijk de arresten van 12 december 1972 (gevoegde zaken 21-24/72, International Fruit Company, Jurispr. 1972, blz. 1219), 30 april 1974 (zaak 181/73, Haegeman, Jurispr. 1974, blz. 449), 5 februari 1976 (zaak 85/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129) en 13 maart 1979 (zaak 91/78, Hansen, Jurispr. 1979, blz. 935).

Associatieovereenkomsten zijn volgens het Bundesfinanzhof namelijk qua intensiteit van de relatie tussen de verdragspartners niet te vergelijken met vrijhandelsovereenkomsten als de overeenkomst EEG—Portugal.

Het Bundesfinanzhof merkt naar aanleiding van vraag 1 c op, dat de overeenkomst EEG—Portugal volgens artikel 2 alleen van toepassing is op produkten die onder de hoofdstukken 25-99 van de naamlijst van Brussel (IDR-Nomenclatuur) vallen, waartoe portwijn niet behoort, alsmede op produkten „die zijn genoemd in de protocollen nrs. 2 en 8, met inachtneming van de daarin vastgestelde bijzondere regels”. In protocol nr. 8 wordt onder meer ook portwijn uitdrukkelijk genoemd, zij het in het kader van een regeling volgens welke „de in de Gemeenschap geldende invoerrechten met de voor elk produkt afzonderlijk aangegeven percentages worden verlaagd, en wel onder de in artikel 6 bepaalde voorwaarden”. Hieruit zou men volgens het Bundesfinanzhof kunnen opmaken dat portwijn alleen onder de bijzondere regeling van protocol nr. 8 valt en dat bij invoer van portwijn de regeling van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal niet van toepassing is.

Ter toelichting van vraag 2 a zegt het Bundesfinanzhof :

> „Het is de vraag, of in het kader van de lastenvergelijking reeds sprake is van discriminatie in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, indien discriminatie zuiver juridisch gezien wel, doch feitelijk niet mogelijk is, omdat het te vergelijken binnenlandse produkt zonder uitzondering, in concreto en in de praktijk, onderhevig is aan de belastingdruk waaraan ook het ingevoerde produkt onderworpen dient te worden.”

Het Bundesfinanzhof meent dat op vraag 2 a moet worden geantwoord dat wanneer belastingfaciliteiten in de praktijk volkomen uitgesloten zijn, de alleen in theorie bestaande juridische mogelijkheid dat het anders zou kunnen zijn, geen discriminatie kan opleveren. Dan is er in feite immers geen sprake van een objectief niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling.

Het Hof heeft zich hierover onder meer in rechtsoverweging 10 van het arrest van 30 oktober 1980 (zaak 26/80, Schneider Import, Jurispr. 1980, blz. 3469) duidelijk uitgesproken.

Het Bundesfinanzhof merkt met betrekking tot vraag 2 b op :

> „De nationale wetgever maakt onderscheid tussen de belasting op wijn waaraan alcohol is toegevoegd (waartoe likeurwijn en portwijn behoren) en de belasting op (of het niet-belasten van) wijnen die weliswaar een relatief hoog alcoholgehalte hebben, maar dit door natuurlijke gisting hebben verkregen. Het is de vraag of, bijvoorbeeld omdat portwijn niet alleen gelijksoortig is aan nationale likeurwijn, doch wellicht ook valt te vergelijken met bijzondere soorten nationale wijn die een door natuurlijke gisting verkregen hoog alcoholgehalte hebben, voor de ingevolge artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag te maken lastenvergelijking ook de belastingdruk op laatstgenoemde wijn in aanmerking moet worden genomen. De kennisnemende Senat acht zulks ontoelaatbaar.
>
> De vraag omtrent de gelijksoortigheid in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag is onlosmakelijk verbonden met de vraag of en in welke omvang de nationale wetgever bevoegd is tot gedifferentieerde belastingheffing op gelijksoortige, doch niettemin verschillen vertonende produkten. Een klakkeloze en extensieve interpretatie van het begrip gelijksoortig zou ten gevolge hebben dat het de nationale wetgever onmogelijk wordt gemaakt legitieme fiscale differentiaties aan te brengen bij produkten met gelijke gebruiksdoeleinden. Want met behulp van een dergelijke ruime interpretatie van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag kunnen produkten uit de andere Lid-Staten (respectievelijk uit bepaalde derde landen, wanneer zij daarvoor overeenkomsten met de EEG hebben gesloten) steeds in het genot komen van het laagste belastingtarief dat is voorzien in het kader van de scala van nog juist als gelijksoortig te beschouwen binnenlandse produkten, die door de nationale wetgever terecht gedifferentieerd worden behandeld.”

7.

De verwijzingsbeschikking van het Bundesfinanzhof is op 29 april 1981 ter griffie van het Hof ingeschreven.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de firma Kupferberg, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel als gemachtigde, de Franse regering, vertegenwoordigd door F. Bersani, adjunct-secretarisgeneraal van het Comité interministériel pour les questions de coopération économique européenne, de Deense regering, vertegenwoordigd door L. Mikaelsen, juridisch adviseur bij het ministerie van Buitenlandse zaken, en de Commissie, vertegenwoordigd door haar juridische adviseurs P. Gilsdorf en R. Wägenbaur als gemachtigden.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Wel heeft het de regering van de Bondsrepubliek Duitsland verzocht zich ter terechtzitting te doen bijstaan door een deskundige inzake de belasting op gedistilleerd.

#### II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

##### A — Vraag 1, sub a en b (Rechtstreekse toepasselijkheid en uitlegging van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG — Portugal)

###### 1. Opmerkingen van de firma Kupferberg

a) De firma Kupferberg betoogt met betrekking tot prejudiciële vraag la — en de andere partijen bij de prejudiciële procedure delen haar mening — dat de keuze van een verordening als belichaming van de sluiting van de overeenkomst EEG—Portugal irrelevant is voor de vraag, of de bepalingen van deze overeenkomst rechtstreeks toepasselijk zijn. Bovendien is het Hof bij de beoordeling van de vraag, of de bepalingen van genoemde overeenkomst rechtstreeks van toepassing zijn, noch aan de rechtspraak in de Lid-Staten, noch aan die van de EVA-landen gebonden. Mocht het Hof beslissen dat deze bepalingen rechtstreeks toepasselijk zijn, terwijl bijvoorbeeld het Zwitserse bondsrecht zulks zou ontkennen, dan zou deze verschillende beoordeling zonodig door de politieke organen moeten worden geharmoniseerd. Het Hof heeft in zijn arrest van 30 april 1974 (zaak 181/73, Haegeman, Jurispr. 1974, blz. 449, r.o. 5) overwogen dat de associatieovereenkomst EEG—Griekenland „een integrerend bestanddeel der communautaire rechtsorde vormt.” Kupferberg legt er de nadruk op dat de intensiteit van de band tussen de overeenkomstsluitende partijen bij deze beoordeling een rol speelt. Zo verwees het Hof in zijn arrest van 5 februari 1976 (zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129, r.o. 17) naar de „bijzondere economische en politieke banden” met bepaalde landen en gebieden overzee. Tussen de Gemeenschap en Portugal nu zijn de banden even intens als tussen de Gemeenschap en Griekenland, of tussen de Gemeenschap en de landen en gebieden overzee. Bij de beoordeling van de vraag of bepaalde voorschriften van een overeenkomst rechtstreeks toepasselijk zijn, gaat het Hof uit van „de geest, de opzet en de bewoordingen” van de bepalingen (genoemd arrest in zaak 87/75, r.o. 16). Past men deze uitleggingsmethode op het onderhavige geval toe, dan moet men volgens Kupferberg concluderen dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal rechtstreeks toepasselijk is. Uit het doel van de overeenkomst blijkt namelijk, dat althans de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen, zoals artikel 21, eerste alinea, en de bepalingen die billijke mededingingsvoorwaarden moeten waarborgen, rechtstreeks toepasselijk zijn. Genoemde bepaling is op zichzelf duidelijk en bevat geen enkel voorbehoud. Zij is rechtstreeks uitvoerbaar.

b) Met betrekking tot prejudiciële vraag 1 b merkt Kupferberg op dat artikel 21 van de overeenkomst EEG—Portugal qua inhoud overeenkomt met artikel 95 EEG-Verdrag. Dit vloeit indirect voort uit 's Hofs arrest van 13 maart 1979 (zaak 91/78, Hansen, Jurispr. blz. 1979, blz. 935, r.o. 22). Deze beide bepalingen vinden overigens hun oorsprong in artikel III, lid 2, van de GATT.

###### 2. Opmerkingen van de Franse en de Deense regering

a) De Franse en Deense regering delen de mening van Kupferberg, dat bij de beoordeling of een bepaling van een overeenkomst met een derde land rechtstreeks toepasselijk is, moet worden gelet op de geest, de opzet en de bewoordingen van de overeenkomst. Zij merken met betrekking tot prejudiciële vraag 1 a oc dat het Hof in genoemd arrest in zaak 87/75 een bepaling van de overeenkomst van Jaoende rechtstreeks toepasselijk heeft verklaard, doch een beslissende betekenis heeft toegekend aan het feit dit bedoelde overeenkomst de Gemeenschap niet dezelfde verplichtingen oplegt als de geassocieerde staten. De overeenkomst EEG— Portugal berust daarentegen op het wederkerigheidsbeginsel. Dit blijkt zowel uit de preambule als uit de bepalingen, onder meer artikel 1, waarin de doelstellingen zijn neergelegd. Dit beginsel zou worden geschonden wanneer alleen de rechterlijke instanties van één partij bij de overeenkomst een bepaling van de overeenkomst rechtstreeks toepasselijk zouden achten. Volgens de Deense regering kan op grond van de door het Bundesfinanzhof geciteerde rechterlijke uitspraken uit EVA-landen worden aangenomen, dat de bepalingen van de overeenkomsten tussen de EEG en de EVA in de EVA-landen niet als rechtstreeks toepasselijke bepalingen worden beschouwd. De Deense en Franse regering wijzen er voorts op dat het Hof in verschillende arresten, bijvoorbeeld in het arrest van 12 december 1972 (zaken 21-24/72), International Fruit Company, Jurispr. 1972, blz. 1219), aan een aantal bepalingen van de GATT geen rechtstreekse werking heeft toegekend en de elasticiteit van die overeenkomst heeft onderstreept. De overeenkomst EEG—Portugal vertoont dezelfde elasticiteit. Zij bevat namelijk geen rechtsregels die een uniforme uitlegging en toepassing van haar bepalingen kunnen waarborgen zoals dat in het kader van de Gemeenschap het geval is. Daarentegen bevat zij in de artikelen 30 en 32-34 een meer conventionele geschillenregeling, volgens welke een „gemengd comité” toeziet op de juiste uitvoering van de overeenkomst. Deze regeling kan slechts naar behoren functioneren, wanneer het aan de rechter wordt overgelaten om de inhoud van de verplichtingen uit een overeenkomst te bepalen. Andere bepalingen van de overeenkomst, zoals artikel 25, lid 2, en de artikelen 27-29 staan de overeenkomstsluitende partijen voorts toe om bij moeilijkheden „passende maatregelen” te nemen en dus tijdelijk de toepasselijkheid van de andere bepalingen op te schorten; de beoordeling van deze moeilijkheden wordt overgelaten aan de partij, die zich daarop beroept. De Franse regering, voegt hieraan toe dat het nimmer de bedoeling is geweest, de overeenkomst EEG—Portugal te gebruiken als middel om de regelingen die typerend zijn voor het stelsel van de Gemeenschap tot Portugal uit te breiden. Geen der overeenkomsten tussen de EEG en de EVA gaat verder dan de instelling van een vrijhandelszone. Verschillende delegaties hebben de Gemeenschap verzocht de draagwijdte van deze overeenkomsten niet te beperken tot handelsvraagstukken. De Gemeenschap was echter van mening dat vrijhandel op de uiterste grens lag van de verplichtingen die zij kon aangaan. Deze wil wordt weerspiegeld in de bepalingen van de overeenkomst en in het beperkte karakter van de regeling ter uitvoering daarvan. De Deense regering wijst er tenslotte op dat het niet doorslaggevend is, dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal zakelijk overeenkomt met artikel 95 EEG-Verdrag, dat rechtstreeks van toepassing is. Afgezien van het feit dat artikel 95 absoluter geformuleerd is, is beslissend dat het EEG-Verdrag, in vergelijking met de vrijhandelsovereenkomst, veel verdergaande doelstellingen op het gebied van de economische integratie heeft. De Deense en Franse regering komen tot de conclusie, dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal geen rechtstreekse werking heeft.

b) Met betrekking tot vraag ! b merken de Franse en Deense regering op dat het feit dat bovengenoemde bepalingen ongeveer gelijkluidend zijn, niet kan worden aangevoerd als argument voor een identieke uitlegging. Daar de overeenkomsten tussen de EEG en de EVA niet dezelfde doelstellingen hebben als het EEG-Verdrag, dienen zij niet op dezelfde wijze als het EEG-Verdrag, doch in het licht van hun minder vergaande doelstellingen te worden uitgelegd.

###### 3. Opmerkingen van de regering van de Bondsrepubliek Duitsland

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland verwijst naar haar opmerkingen in zaak 270/80, Polydor (arrest van het Hof van 9 februari 1982), waarin zij stelde dat de toepassing van de criteria die het Hof in het arrest van 5 februari 1963 (zaak 26/62, Van Gend & Loos, Jurispr. 1963, biz. 1) en in de (reeds geciteerde) arresten Haegeman, Bresciani en International Fruit Company heeft ontwikkeld, op artikel 14, tweede alinea, en artikel 23 van de overeenkomst EEG— Portugal, zou meebrengen dat artikel 23 van deze overeenkomst niet rechtstreeks toepasselijk is.

###### 4. Opmerkingen van de Commissie

a) Ten aanzien van vraag 1 b merkt de Commissie op dat het feit dat de overeenkomst EEG—Portugal geen met artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag overeenkomende bepaling bevat, erop duidt dat vergeleken met het Verdrag een minder vergaande oplossing is gezocht. De bedoeling om afstand te nemen van artikel 95 EEG-Verdrag komt ook tot uitdrukking in de specifieke woordkeuze van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—-Portugal. Op het eerste gezicht is in deze bepaling niet eenvoudig sprake van „belastingen”, doch van maatregelen of gedragingen van intern fiscale aard; bij nader inzien gaat zij volgens de Commissie echter niet verder dan artikel 95, eerste alinea, althans in de uitlegging die het Hof aan deze bepaling heeft gegeven. De uitdrukkelijke vermelding in artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, dat de fiscale maatregel niet tot discriminatie mag leiden, schijnt erop te duiden dat de overeenkomstsluitende partijen meer dan bij artikel 95, eerste alinea, wilden uitgaan van de werkelijke discriminatie en niet alleen van het verschil in belasting. De Commissie wijst erop dat de oorsprong van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal te vinden is in de overeenkomsten van Jaoende en dat de partijen bij laatstgenoemde overeenkomsten een soepeler, van de uitlegging van het EEG-Verdrag losstaande bepaling wilden scheppen, die de essentie van artikel 95, eerste alinea, moest bevatten, doch niet per se alle gevolgen van een „dynamische” uitlegging in het kader van het EEG-Verdrag. Men mag aannemen dat dezelfde overwegingen de partijen bij de overeenkomsten tussen de EEG en de EVA hebben bewogen, de soepele formulering uit de voorgaande overeenkomsten over te nemen. Voorts mag volgens de Commissie worden aangenomen dat de partijen bij de EVA-overeenkorosten bij de omschrijving van hun betrekkingen in het kader van de vrijhandelszone niet wilden achterblijven bij artikel III, lid 2, van de GATT. In dit verband constateert de Commissie, na een onderzoek van de praktijk bij de GATT, dat artikel III, lid 2, in werkelijkheid minder ver gaat dan artikel 95. De Commissie wijst er voorts op dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal identiek is met overeenkomstige bepalingen van talrijke — door de Gemeenschap met derde landen gesloten — overeenkomsten, die verlaging van douane- en handelsbelemmeringen tussen de overeenkomstsluitende partijen ten doel hebben. De Commissie leidt daaruit af dat, indien het mogelijk is artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal anders uit te leggen dan artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, dit noodzakelijkerwijze betekent dat artikel 21 enger dan artikel 95 kan worden uitgelegd, juist gezien de meer beperkte doelstelling van de vrijhandelsovereenkomst vergeleken met het EEG-Verdrag. Artikel 95 moet in nauw verband met de in de artikelen 2 en 3 EEG-Verdrag neergelegde doelstellingen worden uitgelegd, met name de totstandbrenging van gelijke mededingingsvoorwaarden binnen de gemeenschappelijke markt, waarop het Hof in talrijke arresten heeft gewezen. De overeenkomst EEG—Portugal beoogt noch de instelling van een gemeenschappelijke markt, noch de versterking van de eenheid tussen de economieën der overeenkomstsluitende partijen, doch beperkt zich in wezen tot de instelling van een vrijhandelszone en bijgevolg — volgens de preambule — tot de opheffing van de belemmeringen „voor het voornaamste gedeelte van hun handelsverkeer”. Weliswaar bevat zij volgens de preambule ook bepalingen inzake „inachtneming van billijke mededingingsvoorwaarden”, doch dit is geen zelfstandig doel van de overeenkomst, zoals in het EEG-Verdrag. De mededingingsvoorschriften van artikel 26 van de overeenkomst gaan trouwens qua strekking en werking minder ver dan de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag. Het verbod van belastingdiscriminatie in de overeenkomst EEG—Portugal moet in het licht van deze tegenover het EEG-Verdrag meer beperkte doelstelling worden uitgelegd: het moet slechts iedere fiscale maatregel of gedraging verhinderen, die het doel, namelijk de opheffing van handelsbelemmeringen kan omzeilen. De Commissie herinnert er te dezen aan, dat ook artikel III, lid 2, van de GATT wil verhinderen dat fundamentele bepalingen van de GATT, zoals de meestbegunstigingsclausule en de tariefconcessies, kunnen worden omzeild door discriminerende toepassing van interne belastingen; het beslissend criterium in de inleidende alinea van artikel III van de GATT is of de belastingmaatregel een protectionistische werking heeft op de invoer van waren. De praktijk bij de GATT wordt gekenmerkt door deze beperkte doelstelling van de bepaling. In het licht van bovenstaande opmerkingen somt de Commissie vervolgens drie groepen gevallen op, waarin strijd met artikel 95 is aangenomen, doch waarbij het zeer twijfelachtig is, of zij ook onder het discriminatieverbod van de vrijhandelsovereenkomsten vallen: de gevallen waarin de vaststelling van de invoer van een gelijksoortig produkt in de praktijk ernstige moeilijkheden biedt met het oog op de door het Hof toegepaste materiële onderscheidingscriteria; de gevallen waarin een inbreuk op artikel 95, eerste alinea, is aangenomen, omdat de nationale belastingregeling in bepaalde gevallen binnenlandse produkten voordelen toekent die voor het ingevoerde produkt niet gelden; en het geval dat zich heeft voorgedaan in het arrest van 29 juni 1978 (zaak 142/77, Statens Kontrol, Jurispr. 1978, blz. 1543), waarin het Hof artikel 95 bij analogie heeft toegepast op belastingdiscriminatie met betrekking tot produkten bestemd voor uitvoer naar andere Lid-Staten. De Commissie komt met betrekking tot prejudiciële vraag 1 b tot de volgende conclusie: „Bij de uitlegging van het discriminatieverbod van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal moet rekening worden gehouden met de beperkte doelstelling van deze overeenkomst in vergelijking met het EEG-Verdrag; het verbod valt dus niet samen met het in artikel 95, eerste alinea, neergelegde verbod. Het gaat minder ver dan dat van artikel 95, eerste alinea, en verbiedt slechts elk verschil in fiscale behandeling, dat tot feitelijke en duidelijk vaststelbare benadeling van ingevoerde produkten leidt en daardoor de doelstelling van de overeenkomst, namelijk de opheffing van handelsbelemmeringen in gevaar brengt.”

b) De Commissie merkt met betrekking tot vraag 1 a op dat zij in genoemde zaak 270/80, Polydor, heeft aangevoerd dat de overeenkomst EEG—Portugal geen met rechterlijke bevoegdheden beklede geschilleninstanties voorziet, een reeks afwijkende clausules bevat en tenslotte met een termijn van een jaar kan worden opgezegd. De Commissie meent echter dat de zwakkere structuur van de overeenkomst op zichzelf niet voldoende reden is om haar bepalingen a priori rechtstreekse werking te ontzeggen. Deze opvatting zou ertoe leiden dat rechtstreekse werking praktisch alleen zou worden toegekend aan die internationale overeenkomsten, die eenzelfde institutionele structuur hebben als de gemeenschapsverdragen, of die bindende arbitrageprocedures bevatten ter beslechting van geschillen. Deze opvatting acht de Commissie met het oog op de ontwikkeling van het moderne volkenrecht echter niet houdbaar. Het valt immers niet te loochenen dat de rechtstreekse werking, ook al is zij nog lang niet erkend als algemeen rechtsbeginsel wat de afzonderlijke bepalingen van internationale overeenkomsten betreft, door de rechterlijke instanties in tal van nationale rechtsordes is erkend. De toekenning van rechtstreekse werking aan internationale overeenkomsten kan, evenals op het gebied van het gemeenschapsrecht, aan deze overeenkomsten meer gezag toekennen en dus in het algemeen de werking van de internationale rechtsorde versterken. Daar de Gemeenschap als volkenrechtelijk subject bijzonder afhankelijk is van de goede werking van de internationale rechtsorde, heeft zij er geen belang bij dit proces te belemmeren door a priori een restrictieve houding aan te nemen. De parallellen met 's Hofs rechtspraak inzake de GATT behoeven niet per se tot ontkenning van de rechtstreekse werking van bepalingen van de EVA-overeenkomsten te leiden. Deze bepalingen vallen namelijk binnen een kader dat wordt gekenmerkt door de instelling van een vrijhandelszone en bijgevolg verder gaat dan de doelstellingen van de GATT, waarin een verlaging van douanerechten slechts kan worden bereikt door middel van meestbegunstigingsclausules en bilateraal overeengekomen tariefconcessies. De Commissie is ook niet van oordeel dat aan de meer beperkte doelstelling van de vrijhandelsovereenkomsten op zichzelf dwingende argumenten tegen de rechtstreekse werking van bedoelde bepalingen kunnen worden ontleend; een vrijhandelszone kan immers alleen functioneren wanneer de deelnemers zich aan de aangegane verplichtingen houden. De toekenning van rechtstreekse werking aan fundamentele bepalingen van EVA-overeenkomsten zou daartoe kunnen bijdragen. Bovendien zou de mogelijkheid voor particulieren, zich voor de rechter op bepalingen van de overeenkomst te beroepen, de betekenis van deze overeenkomst sterker verankeren in het rechtsbewustzijn van de burgers der betrokken staten, en daardoor mede bijdragen tot verwezenlijking van het doel van de overeenkomst. De Commissie erkent dat tegen het aanvaarden van de rechtstreekse werking ook zekere bezwaren kunnen worden gemaakt. Op de besluiten van het gemengd comité kan worden vooruitgelopen door rechterlijke uitspraken; door uiteenlopende beslissingen van nationale rechterlijke instanties kan een verstoring van het evenwicht bij de uitvoering van de overeenkomst ontstaan. Deze bezwaren zijn echter op zichzelf niet voldoende om van meet af aan alle bepalingen van de overeenkomst, en met name artikel 21, eerste alinea, rechtstreekse werking te ontzeggen. Het gevaar voor tegenstrijdige rechterlijke uitspraken bestaat stellig in de randzone van de toepassing van ingewikkelde bepalingen van de overeenkomst, doch minder bij de harde kern van de bepalingen die de vrijhandelszone gestalte geven. Mochten niettemin in concrete gevallen uiteenlopende beslissingen worden gegeven, dan blijft altijd nog de mogelijkheid om in het kader van de bij de overeenkomst ingestelde politieke organen een oplossing te vinden. Gezien de ervaringen met de internationale rechtspraktijk valt dan in het algemeen te verwachten dat de nationale rechters zich zoveel mogelijk zullen richten naar de rechtspraak van de rechterlijke instanties der overige overeenkomstsluitende staten. Het gevaar voor werkelijke verstoringen van het evenwicht in het handelsverkeer zal uiteindelijk echter betrekkelijk gering zijn, wanneer de onzekerheidsfactor bij de uitlegging van voorschriften door de rechter maar klein blijft. In dat geval lijkt het risico dat het besluitvormingsproces van de politieke organen naar de rechterlijke instanties wordt verlegd, ook beperkt; dit ligt echter anders met betrekking tot bepalingen, die werkelijk ruimte voor interpretatie bieden. Ook moeten aan het beginsel van wederkerigheid geen overdreven eisen worden gesteld. Niet iedere afwijkende rechterlijke beslissing moet aanleiding zijn om van aan aantasting van dit beginsel te spreken en daaruit juridische consequenties te trekken. Ook hier zou de situatie anders liggen wanneer zich in de nationale rechtspraak der overeenkomstsluitende partijen diepgaande en duurzame verschillen zouden voordoen; deze mogelijkheid acht de Commissie echter veeleer theoretisch, althans wanneer de beoordelingsvrijheid van de rechters bij de uitlegging van bedoelde bepalingen beperkt blijft. Met betrekking tot de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal volstaan de in 's Hofs rechtspraak opgestelde criteria ter beoordeling van bepalingen van het autonome gemeenschapsrecht wellicht niet voor de beantwoording van de vraag, of een bepaling in een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst rechtstreekse werking heeft. Daarnaast is noodzakelijk dat de bepaling geen elementen of onduidelijke rechtsbegrippen bevat, die een grote mate van beoordelingsvrijheid laten, waardoor overwegingen van economische of andere aard een rol gaan spelen. Volgens de Commissie laat artikel 95 EEG-Verdrag — in de daaraan door het Hof gegeven uitleg — een ruime beoordelingsvrijheid toe, waarin plaats is voor economische en fiscale overwegingen. Wanneer artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal qua inhoud overeenstemt met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, dan moet men volgens de Commissie tot de conclusie komen dat deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft. De Commissie vraag zich af of niet althans rechtstreekse werking kan worden toegekend aan het onderdeel van de bepaling, dat het beperkte discriminatieverbod bevat, als bedoeld in de conclusie van de Commissie ten aanzien van de inhoud van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal. Daar het hier gaat om een bepaling die niet uit verschillende, duidelijk te onderscheiden gedeelten bestaat, kan een dergelijke opsplitsing met volkomen verschillende rechtsgevolgen — namelijk de „kern” van het verbod, waaraan rechtstreekse werking wordt toegekend, en een randgebied, waarvan de omschrijving en de verwezenlijking moet worden overgelaten aan de verantwoordelijke politieke organen — in de praktijk tot ernstige moeilijkheden leiden. De Commissie wil deze vraag onbeantwoord laten. De Commissie komt met betrekking tot vraag 1 a tot de conclusie dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal een minder vergaande en concretere draagwijdte heeft dan artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag. Hieruit volgt dat eerstgenoemde bepaling geen ruime beoordelingsvrijheid laat. Wanneer de uitlegging van het verbod van fiscale discriminatie in de overeenkomst EEG—Portugal aldus wordt beperkt tot de kern, zou de toekenning van rechtstreekse werking nauwelijks de bovenomschreven gevaren en risico's meebrengen, zodat daartegen geen principiële bezwaren bestaan.

##### B — Prejudiciële vraag 1 c (Toepassing van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG — Portugal op portwijnen)

1.

Opmerkingen van de firma Kupferberg en de Commissie

Volgens de firma Kupferberg en de Commissie lijdt het geen twijfel, dat het verbod van fiscale discriminatie in artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal ook van toepassing is op de invoer van portwijnen uit Portugal. Volgens artikel 2 is de overeenkomst van toepassing op produkten van oorsprong uit Portugal:

i) die onder de hoofdstukken 25 tot en met 99 van de naamlijst van Brussel vallen, met uitzondering van de in bijlage I genoemde produkten;

ii) die zijn genoemd in de protocollen nrs. 2 en 8, met inachtneming van de daarin vastgestelde bijzondere regels.

Door deze laatste alinea wordt artikel 21, eerste alinea, van toepassing verklaard op portwijnen. Het zinsdeel „met inachtneming van de daarin vastgestelde bijzondere regels”, laat geen andere beoordeling toe. Deze bijzondere regels betreffen alleen de rechten bij invoer en bevatten zodoende een afwijking van artikel 3 van de overeenkomst. De werkingssfeer van het verbod van fiscale discriminatie wordt door protocol nr. 8 niet beperkt. Uit artikel 2 van de overeenkomst kan met name niet worden afgeleid dat portwijn alleen aan deze bijzondere regeling van protocol nr. 8 is onderworpen.

##### C — Prejudiciële vraag 2 a (Potentiële/feitelijke discriminatie)

###### 1. Opmerkingen van de firma Kupferberg

De firma Kupferberg is van mening dat ingevoerde likeurwijn ook de belastingvoordelen van het Branntweinmonopolgesetz moet genieten, wanneer de op Duits grondgebied werkende coöperatieve of onder verzegeling staande vruchtendistilleerderijen geen gedistilleerd uit wijn hebben geproduceerd. Beslissend is dat distilleerderijen met een vergelijkbare produktiecapaciteit in de litigieuze periode gedistilleerd uit wijn hadden kunnen produceren en dat dit gedistilleerd volgens de geldende wettelijke regeling fiscale voordelen zou hebben genoten. Hierbij kan van belang zijn, dat op grond van de marktordening voor wijn in bedoelde periode ook in Duitsland likeurwijn had kunnen worden geproduceerd.

Een van deze uitlegging van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag afwijkende opvatting zou ertoe leiden, dat degene die zich beroept op het fiscaal discriminatieverbod steeds moet bewijzen dat het gelijksoortige produkt in de relevante periode inderdaad op nationaal grondgebied is geproduceerd, hetgeen in vele gevallen uiterst moeilijk is.

In de principiële arresten van het Hof inzake het voor de mededinging neutrale karakter van de belasting op gedistilleerd, wordt steeds gelet op de potentiële bevoordeling.

Volgens de firma Kupferberg moeten artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag en artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal dus worden uitgelegd in die zin, dat ook sprake is van discriminatie van ingevoerde produkten in vergelijking met gelijksoortige binnenlandse produkten, wanneer de bestaande regeling discriminatie mogelijk maakt.

###### 2. Opmerkingen van de Deense regering

De Deense regering stemt in hoofdzaak in met de beoordeling van de tweede prejudiciële vraag door het Bundesfinanzhof.

###### 3. Opmerkingen van de Commissie

De Commissie is van mening dat vraag 2 a, voor zover betrekking hebbend op de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag, moet worden geherformuleerd als volgt:

„Is er sprake van discriminatie in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, wanneer een verschil in belasting op ingevoerde produkten theroretisch voortvloeit uit het feit dat de vervaardiging van een soortgelijk produkt in eigen land een belastingvoordeel geniet, maar wanneer van dit voordeel in de praktijk geen gebruik wordt gemaakt?”

De Commissie stelt vervolgens voor deze vraag als volgt te beantwoorden.

„Wanneer ingevolge het nationale belastingrecht de vervaardiging van bepaalde produkten door bepaalde groepen producenten door middel van belastingontheffing wordt bevoordeeld, moet de belastingontheffing krachtens artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag ook tot gelijksoortige ingevoerde produkten worden uitgebreid, wanneer in het betrokken land van de ontheffing in feite geen gebruik wordt gemaakt.”

In verband met artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal merkt de Commissie over vraag 2 a van het Bundesfinanzhof op, dat moet worden nagegaan of de toegekende voordelen de invoer van gelijksoortige produkten uit het andere overeenkomstsluitende land daadwerkelijk benadelen; dit moet worden vastgesteld aan de hand van de reële omvang van de bevoordeelde nationale produktie en de invloed van de toegekende voordelen op de mededinging.

In een situatie als de onderhavige is aan deze voorwaarden niet voldaan. De mogelijkheid dat in de Gemeenschap geproduceerde likeurwijn wordt bevoordeeld boven portwijn, omdat niet geheel is uitgesloten dat deze likeurwijnen kunnen worden geproduceerd met door het monopolie bevoordeeld gedistilleerd, is vrijwel theroretisch. Zou het niettemin tot een dergelijke bevoordeling komen, dan kan het hoogstens gaan om uitzonderlijke gevallen die de concurrentiepositie van ingevoerde portwijn in de Gemeenschap niet aantasten. Bovendien acht de Commissie het in het kader van de in de overeenkomst EEG—Portugal ingestelde vrijhandelszone legitiem, aan bepaalde groepen producenten, bijvoorbeeld kleine distilleerderijen, belastingvoordelen toe te kennen wanneer deze in verhouding tot de ingevoerde produkten kwantitatief gering zijn en de in de overeenkomst voorziene belastingvoordelen voor ingevoerde produkten niet tenietdoen.

De Commissie werpt voorts de vraag op of portwijn en de daarmee vergeleken likeurwijnen gelijksoortige produkten zijn in de zin van artikel 21 van de overeenkomst EEG—Portugal. Ook al valt portwijn onder het begrip likeurwijn, toch hangt het antwoord op de vraag of zij vergelijkbaar zijn af van moeilijk te constateren feiten, met name wat de verbruikersgewoonten betreft. Aangezien aan het begrip gelijksoortigheid strengere eisen moeten worden gesteld dan bij artikel 95, eerste alinea, komt de Commissie veeleer tot de conclusie dat portwijn niet zonder meer met nationale likeurwijnen vergelijkbaar is in de zin van genoemd artikel 21.

De Commissie stelt daarom voor, vraag 2 a van het Bundesfinanzhof in verband met artikel 21 van de overeenkomst EEG—Portugal te beantwoorden als volgt:

„Wanneer ingevolge het nationaal belastingrecht de vervaardiging van bepaalde produkten door bepaalde groepen producenten door middel van belastingontheffing wordt bevoordeeld, is dit verenigbaar met artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, wanneer deze bevoordeling door de feitelijke situatie in de praktijk geen ongunstige gevolgen heeft voor de import van soortgelijke produkten uit de andere overeenkomstsluitende staat.”

##### D — Prejudiciële vraag 2 b (Het begrip gelijksoortigheid)

###### 1. Opmerkingen van de firma Kupferberg

De firma Kupferberg merkt op dat het begrip gelijksoortigheid, zoals het Hof dit heeft gedefinieerd in het arrest van 27 februari 1980 (zaak 168/78, Commissie t. Franse Republiek, Jurispr. 1980, blz. 347), niet opnieuw kan worden gesplitst in directe en indirecte gelijksoortigheid. De belasting op gelijksoortige produkten dient in het algemeen zonder discriminatie te geschieden. Voor het onderhavige geval betekent dit, dat de belasting op ingevoerde portwijn zowel met de belasting op binnenlandse likeurwijn als met die op vruchtenbrandewijn moet worden vergeleken.

###### 2. Opmerkingen van de Commissie

Volgens de Commissie komt bij ingevoerde portwijn alleen likeurwijn als soortgelijk binnenlands produkt in aanmerking.

Dit is ook de mening van het Bundesfinanzhof, dat voor de mogelijkheid om „ook” wijn „waarvan de alcohol voortkomt uit natuurlijke gisting” gelijksoortig te achten, geen aanknopingspunten, laat staan voorbeelden noemt.

In ieder geval bestaat in de Bondsrepubliek Duitsland geen wijn met een natuurlijk alcoholgehalte, dat dicht bij dat van portwijn ligt.

Dat portwijn en Duitse „Spätlesen” etc. met een hoog natuurlijk alcoholgehalte gelijksoortig zijn in de zin van artikel 21 van de overeenkomst EEG—Portugal moet volgens de Commissie zonder meer van de hand worden gewezen.

#### III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 3 maart 1982 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de firma Kupferberg, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel als gemachtigde, bijgestaan door E. Scherping als deskundige, de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Carnelutti als gemachtigde, de Britse regering, vertegenwoordigd door F. Jacobs, barrister, de Deense regering, vertegenwoordigd door L. Mikaelsen als gemachtigde, en de Commissie, vertegenwoordigd door R. Wägenbaur en P. Gilsdorf als gemachtigden.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 5 mei 1982 conclusie genomen.

### In rechte

1. Bij beschikking van 24 maart 1981, ingekomen ten Hove op 29 april daaropvolgende, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag en artikel 21, eerste alinea, van de op 22 juli 1972 te Brussel ondertekende overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal, namens de Gemeenschap gesloten en goedgekeurd bij verordening nr. 2844/72 van de Raad van 29 december 1977 (PB L 301 van 1972, blz. 164).

2. Partijen in het hoofdgeding zijn een Duitse importeur en het Hauptzollamt Mainz. Het geschil betreft het tarief van een belasting, genaamd „Monopolausgleich”, dat werd toegepast bij de inklaring van een partij portwijn uit Portugal op 26 augustus 1976.

3. De Monopolausgleich wordt krachtens § 151, Absatz 1, van het Branntweinmonopolgesetz geheven over ingevoerd gedistilleerd en produkten waaraan gedistilleerd is toegevoegd.

4. Volgens § 151, Absatz 3, (ten tijde van de inklaring nog § 151, Absatz 2) gelden als produkten waaraan gedistilleerd is toegevoegd, onder meer likeurwijnen met een alcoholgehalte van meer dan 14 volumepercenten. Bij deze wijn wordt de Monopolausgleich volgens artikel 152, sub 2, van die wet berekend over de hoeveelheid alcohol, die boven het evengenoemde alcoholgehalte ligt.

5. De hoogte van de Monopolausgleich komt overeen met die van de Branntweinaufschlag, die volgens § 78 van de wet wordt geheven over binnenlands gedistilleerd dat is vrijgesteld van de verplichte levering aan het monopolie. Volgens § 79, Absatz 2 (in de toenmalige versie), lag de Branntweinaufschlag echter 21 % lager voor gedistilleerd dat in beperkte hoeveelheden door bepaalde distilleerderijen werd geproduceerd. Hiertoe behoorden destijds de coöperatieve vruchtendistilleerderijen, die uit de door hun leden geoogste vruchten jaarlijks niet meer dan 3 hectoliter per lid produceerden.

6.

Op grond van voornoemde §§151 en 152 hief het Hauptzollamt Mainz bij de onderhavige invoer tegen het destijds geldende tarief van DM 1650/hl ethylalcohol een bedrag van DM 18103,80 aan Monopolausgleich. De importeur kwam tegen deze aanslag in beroep bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, dat de aanslag wijzigde door de Monopolausgleich te verlagen op grond van § 79, Absatz 2, Branntweinmonopolgesetz en artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal, luidende als volgt:

> „De partijen bij de overeenkomst onthouden zich van iedere maatregel of gedraging van intern fiscale aard die al dan niet rechtstreeks leidt tot discriminatie tussen de produkten van een partij bij de overeenkomst en de gelijksoortige produkten van oorsprong uit de andere partij.”

Daarmee stelde het Finanzgericht de ingevoerde portwijn gelijk met binnenlandse likeurwijn waaraan alcohol is toegevoegd die door coöperatieve vruchtendistilleerderijen binnen de voornoemde grenzen is vervaardigd.

7.

Het Hauptzollamt Mainz stelde cassatieberoep (Revision) in bij het Bundesfinanzhof, dat het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen :

> 1.„ Is artikel 21, eerste alinea, van de bij verordening nr. 2844/72 van de Raad van 19 december 1972 goedgekeurde en gepubliceerde overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Portugal van 22 juli 1972 rechtstreeks toepasselijk en doet het rechten ontstaan voor de individuele marktdeelnemer?
>
> Zo ja: behelst het een discriminatieverbod overeenkomstig artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag en geldt het ook voor de invoer van portwijn?
>
> 2.Indien de onder 1 gestelde vragen bevestigend worden beantwoord:
>
> a) Is er reeds sprake van discriminatie in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal, wanneer de nationale belastingbepalingen zuiver juridisch en abstract gezien een bevoordeling van gelijksoortige binnenlandse produkten mogelijk maken (potentiële discriminatie), of is er alleen dan sprake van discriminatie in de zin van voornoemde bepalingen, wanneer concrete vergelijking van de belastingdruk een fiscale bevoordeling van gelijksoortige binnenlandse produkten in de praktijk uitwijst?
>
> b) Dient krachtens artikel 95 EEG-Verdrag of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst EEG—Portugal op een uit een andere Lid-Staat of uit Portugal afkomstig produkt, dat bij invoer in dezelfde mate wordt belast als een direct gelijksoortig binnenlands produkt, het gereduceerde belastingtarief te worden toegepast dat volgens het nationale recht voor een ander produkt geldt, dat ook nog als gelijksoortig aan het ingevoerde produkt in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag kan worden beschouwd?”

#### De eerste vraag

8. Deze vraag valt uiteen in drie gedeelten. Het eerste betreft de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst. In geval van een bevestigend antwoord, wordt in het tweede gedeelte gevraagd of deze bepaling een analoge strekking heeft als artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, terwijl het derde deel de vraag betreft of de bepaling ook voor de invoer van portwijn geldt.

##### Het eerste gedeelte van de vraag

9. Het Bundesfinanzhof wenst in de eerste plaats te vernemen of de Duitse importeur zich in de procedure die hij tegen de beschikking van de belastingautoriteiten bij de Duitse rechter aanhangig heeft gemaakt; kan beroepen op genoemd artikel 21.

10. De regering van het Koninkrijk Denemarken, van de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk hebben in hun opmerkingen voor het Hof vooral de nadruk gelegd op de vraag, of een in een vrijhandelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de EVA-landen opgenomen bepaling in de Lid-Staten van de Gemeenschap in principe rechtstreeks toepasselijk kan zijn.

11. In het Verdrag tot oprichting van de EEG is de instellingen de bevoegdheid verleend niet slechts om binnen de Gemeenschap toepasselijke handelingen te verrichten, doch ook om overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag akkoorden met derde landen en met de internationale organisaties te sluiten. Volgens artikel 228, lid 2, EEG-Verdrag zijn deze akkoorden evenzeer verbindend voor de Lid-Staten als voor deze instellingen. Bijgevolg dienen zowel de gemeenschapsinstellingen als de Lid-Staten te waarborgen dat de uit dergelijke akkoorden voortvloeiende verplichtingen worden nageleefd.

12. De maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van een door de Gemeenschap gesloten overeenkomst moeten, naar gelang van de huidige stand van het gemeenschapsrecht op de onder de overeenkomst vallende gebieden, hetzij door de gemeenschapsinstellingen hetzij door de Lid-Staten worden getroffen. Dat geldt in het bijzonder voor overeenkomsten als vrijhandelsakkoorden, waarbij de aangegane verplichtingen betrekking hebben op tal van gebieden van zeer uiteenlopende aard.

13. Door ervoor te zorgen dat de verplichtingen uit een door de gemeenschapsinstellingen gesloten overeenkomst worden nagekomen, vervullen de Lid-Staten een verplichting die niet slechts bestaat jegens het betrokken derde land, doch ook en vooral jegens de Gemeenschap, die de verantwoordelijkheid voor de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen. In zoverre vormen de bepalingen van een dergelijke overeenkomst, zoals het Hof reeds in zijn arrest van 30 april 1974 (zaak 181/73, Haegeman, Jurispr. 1974, blz. 449) heeft uitgemaakt, een integrerend bestanddeel der communautaire rechtsorde.

14. Wegens hun communautair karakter kunnen bepalingen van dergelijke overeenkomsten binnen de Gemeenschap geen verschillende'werking hebben, al naar gelang zij in de praktijk door de gemeenschapsinstellingen of door de Lid-Staten moeten worden toegepast, en in laatstgenoemd geval, naar gelang van de vraag welke werking in de nationale rechtsorde het recht van de betrokken Lid-Staat toekent aan de door die staat gesloten internationale overeenkomsten. Het Hof van Justitie dient daarom in het kader van zijn bevoegdheid tot uitlegging van de bepalingen van overeenkomsten, de uniforme toepassing daarvan in de gehele Gemeenschap te verzekeren.

15. De regeringen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, betwisten het communautaire karakter van de bepalingen van door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten niet. Zij menen echter dat de algemeen erkende criteria voor de vaststelling van de werking van bepalingen van zuiver communautaire oorsprong niet kunnen worden toegepast op een vrijhandelsakkoord tussen de Gemeenschap en een derde land.

16. Hiertoe beroepen de regeringen zich onder meer op de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van de buitenlandse betrekkingen van de Gemeenschap, op het wederkerigheidsbeginsel dat de toepassing van vrijhandelsakkoorden beheerst, op het institutionele kader dat in deze akkoorden is ingesteld ter beslechting van meningsverschillen tussen de overeenkomstsluitende partijen en op de vrijwaringsclausules krachtens welke partijen van de akkoorden kunnen afwijken.

17. Het is juist dat bij de vraag, welke werking de bepalingen van een overeenkomst tussen de Gemeenschap en een derde land in de Gemeenschap hebben, de volkenrechtelijke oorsprong van bedoelde bepalingen niet buiten beschouwing mag worden gelaten. Volgens de beginselen van het volkenrecht mogen de gemeenschapsinstellingen, die bevoegd zijn, met een derde land over een overeenkomst te onderhandelen en deze af te sluiten, met dit land overeenkomen welke werking de bepalingen van de overeenkomst in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen zullen hebben. Alleen wanneer deze vraag in de overeenkomst niet geregeld is, dienen de bevoegde rechters — en met name het Hof van Justitie in het kader van zijn bevoegdheid krachtens het EEG-Verdrag — deze vraag evenals alle andere uitleggingsvragen in verband met de toepassing van de overeenkomst in de Gemeenschap te beslechten.

18. Volgens de algemene regels van het volkenrecht, moet iedere overeenkomst door partijen te goeder trouw worden uitgevoerd. Hoewel elk van beide partijen verantwoordelijk is voor de volledige uitvoering van de door haar aangegane verplichtingen, mag zij toch bepalen welke maatregelen rechtens geschikt zijn om dit doel in haar rechtsorde te bereiken, tenzij bij uitlegging van inhoud en doel van de overeenkomst blijkt, dat deze maatregelen in de overeenkomst zelf zijn vastgelegd. Onder dit voorbehoud kan in het feit dat de rechters van de ene partij wellicht een aantal bepalingen van de overeenkomst rechtstreekse werking toekennen, terwijl de rechters van de andere partij deze rechtstreekse werking wellicht niet aanvaarden, op zichzelf nog geen ontbreken van wederkerigheid bij de uitvoering van de overeenkomst worden gezien.

19. Zoals de regeringen hebben opgemerkt, worden in het kader van de vrijhandelsakkoorden gemengde comités ingesteld, die volgens de akkoorden zijn belast met het beheer ervan en toezien op de juiste uitvoering. Hiertoe kunnen zij aanbevelingen doen en in uitdrukkelijk in de betrokken overeenkomst voorziene gevallen, besluiten nemen.

20. Het enkele feit dat de overeenkomstsluitende partijen een bijzonder institutioneel kader voor onderlinge beraadslagingen en onderhandelingen over de uitvoering van de overeenkomst hebben voorzien, is niet voldoende om iedere toepassing van de overeenkomst door de rechter uit te sluiten. Wanneer een rechterlijke instantie van een der partijen in een concreet, voor haar aanhangig geschil een bepaling van de overeenkomst toepast die een onvoorwaardelijke en nauwkeurige verplichting bevat en dus geen voorafgaand optreden van het gemengd comité noodzakelijk maakt, dan wordt daardoor geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheid die dit comité ingevolge de overeenkomst toekomt.

21. Met betrekking tot de vrijwaringsclausules, die partijen toestaan af te wijken van bepaalde voorschriften van de overeenkomst, moet worden opgemerkt dat deze slechts van toepassing zijn onder bepaalde omstandigheden en, in het algemeen, na een onderzoek binnen het gemengd comité, waaraan beide partijen deelnemen. Afgezien van de bijzondere situaties die tot de toepassing ervan kunnen leiden, kan het enkele bestaan van deze clausules, die overigens niet van invloe zijn op de bepalingen waarin belastingdiscriminatie wordt verboden, op zichzelf niet de rechtstreekse toepasselijkheid van een aantal bepalingen van de overeenkomst aantasten.

22. Uit al deze overwegingen volgt dat noch de aard, noch de opzet van de overeenkomst met Portugal zich ertegen verzet dat een marktdeelnemer zich voor een rechterlijke instantie in de Gemeenschap op een bepaling van deze overeenkomst beroept.

23. Niettemin moet de vraag, of een dergelijke bepaling onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk is om rechtstreekse werking te hebben, worden onderzocht in het kader van de overeenkomst waarvan de bepaling deel uitmaakt. Om de prejudiciële vraag betreffende de rechtstreekse werking van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal te kunnen beantwoorden, moet deze bepaling dus eerst worden onderzocht in het licht van de inhoud en het doel van de overeenkomst en van haar context.

24. Genoemde overeenkomst beoogt de invoering van een stelsel van vrijhandel, in het kader waarvan de handelsbeperkende regelingen voor vrijwel het gehele handelsverkeer in produkten van oorsprong uit de overeenkomstsluitende partijen worden opgeheven, met name door de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking, alsmede van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking.

25. In dit verband moet artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst voorkomen dat de liberalisering van het goederenverkeer die is bereikt door de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking en de kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking, teniet wordt gedaan door fiscale praktijken van de overeenkomstsluitende partijen. Dat zou namelijk het geval zijn, wanneer het van de ene partij afkomstige, ingevoerde produkt hoger wordt belast dan gelijksoortige binnenlandse produkten, die het op de markt van de andere partij ontmoet.

26. Hieruit volgt dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst voor de partijen een onvoorwaardelijk verbod van belastingdiscriminatie bevat, dat geldt zodra wordt vastgesteld dat onder een bepaalde belastingregeling vallende produkten gelijksoortig zijn, en waarvan de grenzen rechtstreeks uit het doel van de overeenkomst voortvloeien. Deze bepaling kan als zodanig door een rechter worden toegepast en kan dus rechtstreekse werking hebben in de gehele Gemeenschap.

27. Op het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal rechtstreeks toepasselijk is en de verschillende deelnemers aan het economisch verkeer rechten kan verlenen die de rechterlijke instanties moeten handhaven.

##### Het tweede gedeelte van de vraag

28. Voor het geval dat de vraag inzake de rechtstreekse toepasselijkheid van de litigieuze bepaling bevestigend wordt beantwoord, vraagt het Bundesfinanzhof voorts of deze bepaling een analoog discriminatieverbod bevat als artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag.

29. Artikel 21 van de overeenkomst en artikel 95 EEG-Verdrag hebben weliswaar hetzelfde doel, namelijk de afschaffing van belastingdiscriminatie, doch elk van beide bepalingen, die overigens verschillend luiden, moet in haar eigen context worden gezien en uitgelegd.

30. Zoals het Hof reeds in het arrest van 9 februari 1982 (zaak 270/80, Polydor, Jurispr. 1982, blz. 329) heeft overwogen, hebben het EEG-Verdrag en de vrijhandelsovereenkomst verschillende doelstellingen. Daarom kan de uitlegging die reeds aan artikel 95 EEG-Verdrag is gegeven, niet zo maar bij wege van analogie op de vrijhandelsovereenkomst worden getransponeerd.

31. Op het tweede onderdeel van de vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 21, eerste alinea, overeenkomstig de bewoordingen en gelet op het ermee beoogde doel in het kader van het door de overeenkomst ingestelde vrijhandelsstelsel moet worden uitgelegd.

##### Het derde deel van de eerste vraag

32. Tenslotte vraagt het Bundesfinanzhof, of het verbod van belastingdiscriminatie in artikel 21 van de overeenkomst ook geldt voor de invoer van portwijn.

33.

Volgens artikel 2 is de overeenkomst van toepassing op produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en uit Portugal:

> i)„ die onder de hoofdstukken 25 tot en met 99 van de Naamlijst van Brussel vallen, met uitzondering van de in bijlage I genoemde produkten;
>
> ii) die zijn genoemd in de Protocollen nrs. 2 en 8, met inachtneming van de daarin vastgestelde bijzondere regels.”

34. Portwijn wordt genoemd in artikel 4 van Protocol nr. 8 betreffende de regeling voor bepaalde landbouwprodukten. Volgens dit artikel worden de in de Gemeenschap geldende invoerrechten voor de daarin genoemde produkten van oorsprong uit Portugal binnen de voor elk van deze produkten aangegeven tariefcontingenten verlaagd.

35. Uit deze bepalingen blijkt, dat de overeenkomst, met uitzondering van bepaalde beperkingen in verband met de afschaffing van douanerechten, van toepassing is op portwijn. Daarentegen laten de in het protocol voorziene bijzondere regels het in artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst voorziene verbod van belastingdiscriminatie onverlet.

36. Het antwoord op het laatste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag moet derhalve luiden, dat artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal ook van toepassing is op de invoer van portwijn.

#### De tweede vraag

37. Deze vraag van het Bundesfinanzhof heeft ten doel de nodige uitleggingscriteria te verkrijgen, om te kunnen uitmaken of de fiscale behandeling van de ingevoerde portwijn door de nationale autoriteiten in strijd is met artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet deze bepaling, zoals zij hierboven is uitgelegd, worden bezien in verband met de uit de verwijzingsbeschikking bekende gegevens.

38. Vraag 2, sub a, komt er in wezen op neer, of de Bondsrepubliek Duitsland op grond van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst de heffing op gedistilleerd in volle omvang op de aan portwijn toegevoegde alcohol kan toepassen, dan wel of deze bepaling de Bondsrepubliek verplicht het verlaagde belastingtarief toe te passen, dat krachtens de destijds geldende § 79, Absatz 2, Branntweinmonopolgesetz gold voor het door coöperatieve vruchtendistilleerderijen binnen de grenzen van hun distillatierecht geproduceerd gedistilleerd.

39. Uit de in de prejudiciële beschikking verstrekte gegevens kan niet worden afgeleid, of de aan ingevoerde portwijn toegevoegde alcohol is geproduceerd onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die waarvan de voor coöperatieve vruchtendistilleerderijen voorziene verlaging van de Branntweinaufschlag afhing. Uit die gegevens blijkt echter wel dat de in de nationale wet genoemde coöperatieve vruchtendistilleerderijen geen alcohol produceren die geschikt is om aan likeurwijn te worden toegevoegd.

40. Op de markt in de Bondsrepubliek Duitsland bestond dus geen alcohol die kon worden toegevoegd aan wijn, ter verkrijging van een met portwijn vergelijkbare likeurwijn, die voor de voor coöperatieve vruchtendistilleerderijen voorziene belastingverlaging in aanmerking kwam.

41. Onder deze omstandigheden wordt geen afbreuk gedaan aan de door de overeenkomst beoogde liberalisering van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Portugal, wanneer genoemde belastingverlaging niet op portwijn wordt toegepast. De zuiver theoretische mogelijkheid dat dit produkt voor belastingverlaging in aanmerking had kunnen komen, wanneer het onder bijzondere voorwaarden in de Bondsrepubliek Duitsland was geproduceerd, brengt, gezien het doel van de overeenkomst, nog niet de verplichting mee, deze verlaging ook op het ingevoerde produkt toe te passen.

42. Vraag 2, sub a, moet derhalve worden beantwoord in die zin dat, wanneer een Lid-Staat een belastingverlaging die voor bepaalde groepen producenten of soorten produkten is voorzien, niet toepast op produkten van oorsprong uit Portugal, zulks geen discriminatie vormt in de zin van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal, indien er op de markt van de betrokken Lid-Staat geen enkel gelijksoortig produkt bestaat -waarop die verlaging daadwerkelijk wordt toegepast.

43. Vraag 2, sub b, luidt, of artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal aldus moet worden uitgelegd, dat onder gelijksoortige produkten niet alleen „direct” gelijksoortige, doch ook andere, „nog als gelijksoortig” te beschouwen produkten moeten worden verstaan.

44. Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat het Bundesfinanzhof bij deze vraag ervan is uitgegaan, dat niet alleen portwijnen en andere likeurwijnen gelijksoortig kunnen zijn, doch ook portwijnen en bijzondere soorten wijnen met een door natuurlijke gisting ontstaan hoog alcoholgehalte, waarover in de Bondsrepubliek Duitsland geen belasting wordt geheven.

45. Hierover zij opgemerkt dat het begrip gelijksoortigheid in artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal, ten aanzien van de toepassing ervan in de Gemeenschap een communautair begrip is, dat uniform moet worden uitgelegd, hetgeen door het Hof van Justitie moet worden gewaarborgd.

46. Gelet op het hiervoor omschreven doel van deze bepaling, kunnen produkten die zowel door hun vervaardigingswijze als door hun kenmerken onderling verschillen, niet als gelijksoortig in de zin van deze bepaling worden beschouwd. Derhalve zijn likeurwijnen, waaraan alcohol is toegevoegd, en door natuurlijke gisting verkregen wijnen niet te beschouwen als gelijksoortig in de zin van de betrokken bepaling.

47. Het antwoord op vraag 2, sub b, moet derhalve luiden dat produkten die zowel door hun vervaardigingswijze als door hun kenmerken onderling verschillen, niet zijn te beschouwen als'gelijksoortig in de zin van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal.

#### Kosten

48. De kosten door de regering van het Koninkrijk Denemarken, van de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de bij beschikking van 24 maart 1981 door het Bundesfinanzhof gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tussen de EEG en Portugal is rechtstreeks toepasselijk en kan de verschillende deelnemers aan het economisch verkeer rechten verlenen die de rechterlijke instanties moeten handhaven.

2\. De bepaling moet worden uitgelegd overeenkomstig haar bewoordingen en gelet op het ermee beoogde doel in het kader van het door de overeenkomst ingevoerde vrijhandelsstelsel.

3\. Zij is eveneens van toepassing op de invoer van portwijnen.

4\. Zij moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een Lid-Staat een belastingverlaging die voor bepaalde groepen producenten of soorten produkten is voorzien, niet toepast op produkten van oorsprong uit Portugal, zulks geen discriminatie vormt in de zin van artikel 21, eerste alinea, van de overeenkomst tuss de EEG en Portugal, indien er op de markt van de betrokken Lid-Staat geen enkel gelijksoortig produkt bestaat waarop die verlaging daadwerkelijk wordt toegepast; produkten die zowel door hun vervaardigingswijze als door hun kenmerken onderling verschillen, niet als gelijksoortig zijn te beschouwen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

8

EEG-Verdrag art. 95 32 voorkomens

EEG-Verdrag art. 37 3 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 2 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 228 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 3 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 85 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 86 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-312/91 01.07.1993

#### [EEG-Verdrag art. 95 en art. 113](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-312-91-arrest)

## Rechtsleer

13

Van Houtte, H.: S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1983 p.431-436 (NL)

Aschenbrenner, Gerhard: Interprétation des accords de libre-echange: arrêts de la Cour des CE dans les affaires Polydor et Kupferberg, EFTA-Bulletin 1983 nº 2 p.14-18 (FR)

Aschenbrenner, Gerhard: After Kupferberg - The Direct Effect of the Provisions of the Free Trade Agreements between the EFTA Countries and the EC, Revue suisse de droit international de la concurrence 1984 nº 20 p.26-33 (EN)

Tagaras, H.: L'effet direct des accords internationaux de la Communauté, Cahiers de droit européen 1984 p. 15-53 (FR)

Caeiros, Antonio: L'effet direct des accords internationaux conclus par la CEE, Revue du Marché Commun 1984 p.526-533 (FR)

**Bekijk de 8 andere verwijzingen**

Marchisello, Antonio: L'efficacia diretta degli accordi internazionali della Comunità europea dopo la sentenza Kupferberg, Rivista di diritto internazionale 1984 p.259-278 (IT)

Llavero, María Victoria: The Possible Direct Effect of the Provisions on Competition in the EEC-EFTA Free Trade Agreements in the Light of the Kupferberg Decision, Legal Issues of European Integration 1984/2 p.83-101 (EN)

Van Thiel, Servaas: Free Trade Agreements - Interpretation and Direct Effect of Tax Discrimination Clauses (Kupferberg Case), European Taxation 1984 p.118-123 (EN)

Bellis, Jean-François: The Interpretation of the Free Trade Agreements between the EFTA Countries and the European Community, Swiss Review of International Competition Law 1985 nº 23 p.21-30 (EN)

Johannes, Hartmut: Der Bundesgerichtshof, ein Vauban der Festung Europa ?, Betriebs-Berater 1989 p.1627-1633 (DE)

Van Houtte, H.: Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.608-612 (NL)

Svobodová, Magdaléna: Přímý účinek vnějších smluv v konfrontaci s přímým účinkem směrnic EU z pohledu jednotlivce, Právník: teoreticky casopis pro otázky státu a práva 2018 nº 2 p.115-130 (CS)

Andriantsimbazovina, Joël: 50. Accord international - Intégration à l'ordre juridique de l'Union - Caractère obligatoire - Interprétation et exécution. CJCE, 30 avr. 1974, n° 181/73, R. & V. Haegeman c/ État belge et CJCE, 26 oct. 1982, n° 104/81, Hauptzollamt Mainz c/ C.A. Kupferberg & Cie KG a.A., Les grands arrêts de la Cour de justice de l'Union européenne. Droit constitutionnel et institutionnel de l'Union européenne (Dalloz, 2e édition) 2023, p. 819-824 (FR)
