---
title: "HvJ EU, 104/77, arrest van 16 maart 1978 · EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 maart 1978, 104/77: EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-104-77-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-104-77-arret"
---

# Arrest van het Hof van 16 maart 1978, 104/77 · EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Eerste kamer

**Zaak**

104/77

**ECLI**

ECLI:EU:C:1978:69

**Datum**

16 maart 1978

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Bundesfinanzhof (Duitsland) beslissing van 27 juli 1977 VII R 116/74

**Zaak ingediend op**

22 augustus 1977

**Advocaat-generaal**

Mayras

**Nationale beslissing na het arrest**

Bundesfinanzhof beslissing van 10 januari 1979 VII R 116/74

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1978, blz. 791

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Bosco

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Procedures voor het Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19) [Prejudiciële verwijzing](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04) [Bevoegdheid van Hof](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-19.04.02) 167 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04) [Gemeenschappelijk douanetarief](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.02) [Behandelde tariefposten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.02.02) 15 beslissingen

## Tekst

36 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het procesverloop en de schriftelijke opmerkingen, gemaakt krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG, kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en schriftelijke procedure

1.

In augustus 1970 voerde de firma Oehlschläger in de Bondsrepubliek Duitsland twee partijen in van een waar die zij in haar aangifte omschreef als „aluminium vijlsel en -slijpsel” en die zij wenste te zien ingeklaard en in het vrije verkeer gebracht. In de facturen werd de waar „aluminiumpellets” genaamd.

Blijkens de verwijzingsbeschikking zag de waar er uit als lichtgrijze, glanzende metaalkorrels. Met behulp van een shredder-installatie uit kabels van verschillende dikte vervaardigd, bestond het produkt in overwegende mate uit aluminium en kwamen andere metalen er slechts in zeer geringe mate in voor. Het basismateriaal was eerst met mechanische scharen stukgehakt en vervolgens langs magnetische weg goeddeels van ijzerdelen ontdaan, waarna het overgebleven materiaal met roterende scharen tot onregelmatige korrels was verbrijzeld, en tegelijkertijd was het isolatiemateriaal verwijderd en in kleine stukken gehakt. Met gebruikmaking van een procédé, dat op het verschillend soortelijk gewicht van de bestanddelen van het aldus verkregen mengsel berust, heeft men — via luchttoevoer — de verschillende bestanddelen gescheiden, waarna de aldus geïsoleerde materialen (aluminium, koper, isolatiemateriaal) in verschillende opslagplaatsen zijn ondergebracht.

Het Hoofddouanekantoor te Emmerich heeft in een voorlopige aanslag, die na een expertise van de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt te Köln definitief is geworden, de waar als „ruw aluminium” gebracht onder de onderverdeling 76.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief. In 1970 gold voor ruw aluminium een zelfstandig recht van 10 % of een conventioneel recht van 9 %.

De importfirma wenste de waar evenwel te zien gebracht onder de onderverdeling 76.01 B II van het gemeenschappelijk douanetarief, en wel als „afvallen van aluminium”. De in die onderverdeling genoemde produkten zijn van rechten vrijgesteld.

Toen een door de vennootschap aangespannen verzetprocedure niet tot succes leidde, maakte zij de zaak aanhangig bij het Finanzgericht te Düsseldorf, dat bij arrest van 3 september 1974 het beroep verwierp, waarna betrokkene de zaak in revisie aanhangig maakte bij de Bundesfinanzhof waar de zaak thans nog dient.

Het Hoofddouanekantoor meent dat de „stelselmatige en doelgerichte” verwerking van het basismateriaal — dat onbetwist als restanten in de zin van het tarief is te beschouwen — een nieuwe, naar hoedanigheden te classificeren, waar heeft doen ontstaan. Omdat de betrokken waar in zijn huidige vorm niet langer als door breken, versnijding of slijtage onbruikbaar geworden „oude werken” is te beschouwen, kan zij onmogelijk nog worden ingedeeld als aluminiumafval in de zin van onderverdeling 76.01 B II. De waar dient als grofkorrelige ruwe aluminium te worden ingedeeld.

Volgens de importfirma heeft de waar evenwel zijn hoedanigheid van afvalprodukt niet verloren als gevolg van de behandeling welke zij in de shredder-installatie heeft ondergaan, terwijl de kabels tijdens die bewerking ook niet geheel worden afgebroken. De uiteindelijke sortering vindt ook pas na invoer plaats. De waar heeft steeds de aard en de eigenschappen van gebruikte kabels vertoond en is niet in een nieuwe waar getransformeerd. Zij kan ook onmogelijk als ruwe aluminium worden beschouwd. Enerzijds wordt ruwe aluminium slechts door smelting verkregen; anderzijds komen in de ingevoerde waar behalve aluminium ook andere metalen voor.

De Bundesfinanzhof heeft gemeend dat de waar, gezien de opzet van hoofdstuk 76 (aluminium) van het gemeenschappelijk douanetarief — waarin wordt onderscheiden tussen ruw aluminium (76.01), halffabrikaten (76.02-76.05) en eindprodukten van aluminium (76.06-76.16), slechts onder post 76.01 kan worden gebracht.

Het gaat er ten deze derhalve alleen om onder welke van de beide onderverdelingen van post 76.01 de betrokken waar moet worden gebracht: onder 76.01 A („ruw aluminium”) dan wel onder 76.01 B (resten en afvallen van aluminium).

Op grond van zijn twijfel inzake de uitlegging van de in casu toepasselijke bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief heeft de Bundesfinanzhof bij beschikking van 27 juli 1977 het geding geschorst en verstaan dat krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag aan het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vragen zouden worden gesteld:

> 1.„ Moet post 76.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief aldus worden uitgelegd, dat daaronder ook een produkt valt dat uit stukgehakte, lichtgrijze, glanzende aluminiumdraad bestaat en in zogenaamde shredder-installaties door het verbrijzelen van gebruikte aluminiumkabels en het grotendeels verwijderen van de isolatie is vervaardigd?
>
> 2.Zo neen, behoort een dergelijk produkt, dan tot post 76.01 A?”

2.

Een expeditie van de verwijzingsbeschikking is op 22 augustus 1977 ter griffie van het Hof ingekomen.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur M. Beschel, als gemachtigde, heeft krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG schriftelijke opmerkingen ingediend.

Op rapport van de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij beschikking van 30 november 1977 heeft het Hof de zaak, overeenkomstig artikel 95 van het reglement voor de procesvoering, naar de Eerste Kamer verwezen.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, gemaakt krachtens artikel 20 van het protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG

De Commissie van de EG merkt op dat de term „afvallen” in onderverdeling 76.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief normaliter betrekking heeft op praktisch waardeloos (geworden) metaalresten, en wel op stukgeraakte, gebruikte of onherstelbare zaken, waarvan de gebruiksbestemming nog wel kan worden onderkend, doch die voor zodanig gebruik niet meer geschikt zijn.

##### Zulke afvallen omvatten

gebruikte metalen waren die op enigerlei wijze onbruikbaar zijn geworden;

metalen waren, welker onbruikbaarheid niet opzettelijk is veroorzaakt;

metalen waren die nog slechts ter „recuperatie” van metaal kunnen worden gebruikt, zodat er nog slechts materiaalwaarde aan toekomt.

Juist om dit laatste aspect van „afvallen” gaat het in aantekening 6 van hoofdstuk XV van het gemeenschappelijk douanetarief, volgens welke als „resten en afvallen van metaal of van werken van metaal” worden aangemerkt „resten en afval, welke uitsluitend geschikt zijn voor het recupereren van het metaal, dan wel om daaruit chemicaliën te vervaardigen”.

Het ware onjuist deze definitie van „afvallen” in die zin uit te leggen dat zij uitsluitend op de bestemming van het produkt berust — zodat iedere zaak die alleen voor de recuperatie van metaal kan worden gebruikt, ongeacht haar aard, als „afval” zou moeten worden beschouwd —. Zulk een uitlegging ware onverenigbaar met het hoofdbeginsel van het gemeenschappelijk douanetarief, volgens hetwelk er bij de tarifering bij voorkeur en in het algemeen dient te worden gestreefd naar indelingen die op de kenmerken en objectieve eigenschappen van het produkt berusten. Bovendien zou men in strijd komen met de tekst van bedoelde aantekening, waarin juist besloten ligt dat de term „afvallen” slechts zaken betreft die „uitsluitend geschikt zijn voor het recupereren van het metaal”.

Ook uit de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel betreffende post73.03 van de naamlijst van de Internationale Douaneraad blijkt dat het daarentegen logisch is vorengenoemde aantekening in die zin uit te leggen dat als „afvallen” zijn te beschouwen „versleten of gebroken werken van gietijzer, van ijzer of van staal, welke onbruikbaar zijn geworden voor hun oorspronkelijk doel, alsmede afvallen daarvan …”.

Zulk een uitlegging is ook in economisch opzicht overtuigend, immers voor zover afvallen geheel of gedeeltelijk kunnen worden afgescheiden en anders dan voor het recupereren van het metaal kunnen worden gebruikt, zijn zij niet langer gebruikte en onbruikbaar geworden waren. Voor zulke waren sluit aantekening 6 — evenals de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel op post 23.03 van de naamlijst van de Internationale Douaneraad — de mogelijkheid tot indeling als afvallen ten enenmale uit.

Een en ander wil zeggen dat, wanneer oude aluminiumkabels als afvallen kunnen worden ingedeeld, zulk een indeling voor de litigieuze waar — in de staat waarin zij wordt ingevoerd — niet kan opgaan. Het basismateriaal heeft dan namelijk een ingewikkeld, op recuperatie van het metaal gericht procédé ondergaan. Zulk een behandeling levert niet alleen maar „stukgesneden aluminiumdraad” op, doch aluminiumkorrels van hoge zuiverheidsgraad. Er is dan van een nieuwe waar sprake die naar aard en hoedanigheden onmogelijk als „afval” kan worden gekwalificeerd — en dus ook niet onder de onderverdeling 76.01 B II kan worden gebracht —.

Wat betreft de mogelijkheid de waar in te delen bij onderverdeling 76.01 A: men dient te bedenken dat de aldaar gebezigde term „ruw aluminium” niet voor een bijzondere technische soort van dat metaal wordt gebruikt, doch voor het metaal als zodanig — in de schei- en natuurkundige samenstelling van vóór de behandeling —. En al wordt de materiele samenstelling van „ruw aluminium” in het gemeenschappelijk douanetarief niet omschreven, in technische en wetenschappelijke zin worden er, naar zuiverheidsgraad, vier soorten „zuivere” aluminium onderscheiden: Al 99, Al 99,6, Al 99,8 en Al 99,99; voor gietaluminium wordt een H toegevoegd.

Vertonen aluminiumkorrels, met behulp van een shredder-installatie uit aluminiumkabels vervaardigd, de materiële samenstelling van een der vier vorenbedoelde soorten „ruw aluminium”, dan dienen zij als ruw aluminium te worden gebracht onder de onderverdeling 76.01 A, dat anderzijds ook minder „zuivere” produkten kan bestrijken, immers volgens algemene bepaling 2 b voor de toepassing van de nomenclatuur van het tarief wordt:

„onder een in een post vermelde stof … niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden, met andere stoffen …”

Daaruit volgt dat, voorzover aluminium in een waar als in casu bedoeld als het kenmerkend bestanddeel van de menging is te beschouwen, de waar — bij gebreke van specifieke bepalingen voor de uitlegging van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief — als „ruw aluminium” onder de onderverdeling 76.01 Amoet worden gebracht. Het doet daarbij weinig ter zake met behulp van welk procédé de mengstof de in het tarief genoemde kenmerken heeft verkregen.

Tot staving van dit standpunt verwijst de Commissie nog naar de toelichtingen van de Internationale Douaneraad op post 76.01 van de naamlijst van de Internationale Douaneraad en naar een indelingsadvies van het Comité voor de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, gedagtekend 18 mei 1972.

Zij stelt voor de gestelde vragen als volgt te beantwoorden:

„Stukgehakte, lichtgrijze, glanzende aluminiumdraad, verkregen door verbrijzeling — in shredder-installaties — van gebruikte aluminiumkabels en het grotendeels verwijderen van de isolatie, valt onder de onderverdeling 76.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief.”

#### III — Mondelinge behandeling

Overwegende dat de firma Wolfgang Oehlschlager, vertegenwoordigd door de advocaat K. Gründler, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 2 februari 1978 zijn gehoord;

dat de firma Oehlschlager ten verhore heeft betoogd dat de litigieuze waar door de verwijzende rechter feitelijk onjuist is omschreven;

dat de Commissie daartegen heeft ingebracht dat het niet aan het Hof van Justitie staat om, in het raam van de onderhavige procedure, de door de nationale rechterlijke instantie verstrekte feitelijke gegevens betreffende de omstreden waar op hun juistheid te toetsen;

Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 februari 1978 zijn conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de Bundesfinanzhof bij beschikking van 27 juli 1977, ingekomen op 22 augustus 1977, het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van bepaalde posten van het gemeenschappelijk douanetarief, ruw aluminium en afvallen en resten van aluminium betreffende;

2.

dat die vragen zijn gerezen in een geding inzake de tariefindeling van een waar die door de importeur als „aluminiumvijlsel en -slijpsel” was omschreven;

dat bedoelde waar volgens de inlichtingen, door de nationale rechterlijke instantie in de verwijzingsbeschikking verstrekt, zou bestaan uit lichtgrijze, glanzende aluminiumkorrels verkregen uit gebruikte aluminiumkabels en afvallen van kabels, stukgehakt in een daartoe bestemde installatie en vervolgens door roterende scharen tot onregelmatige korrels verbrijzeld, waarna de bestanddelen der aldus verkregen mengstof zouden zijn gescheiden en ten opzichte van elkander geïsoleerd;

dat de Duitse douane, nadat door de Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt te Keulen een deskundigenbericht was uitgebracht, de waar heeft gebracht onder de onderverdeling 76.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief („ruw aluminium”), waarvoor een zelfstandig recht van 10 % is voorzien;

dat de importeur tegen zulk een indeling bezwaar heeft gemaakt, stellende dat de ingevoerde waar zou vallen onder de onderverdeling 76.01 B („afvallen van aluminium”) en mitsdien van rechten zou zijn vrijgesteld;

3. Overwegende dat verzoekster in het hoofdgeding in haar mondelinge opmerkingen nader heeft gesteld dat de omschrijving van de waar, zoals de nationale rechterlijke instantie die in de verwijzingsbeschikking heeft gegeven, niet juist zou zijn;

4.

Overwegende dat het Hof krachtens artikel 177 van het Verdrag, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof van Justitie berust, uitsluitend bevoegd is zich, op de grondslag der feiten door de nationale rechterlijke instantie omschreven, over de uitlegging of rechtsgeldigheid van een communautair rechtsvoorschrift uit te spreken;

dat het niet aan het Hof staat — en op de weg van de nationale rechter ligt — de feiten op hun juistheid te toetsen;

5.

Overwegende Bundesfinanzhof het Hof in de eerste plaats vraagt of onderverdeling 76.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief in die zin is te verstaan dat zij ook geldt voor een waar die de hiervoor omschreven kenmerken vertoont;

dat, voor het geval dat die vraag ontkennend mocht worden beantwoord, voorts wordt gevraagd of vermelde waar dan onder de onderverdeling 76.01 A moet worden gebracht;

dat beide vragen de tariefindeling van dezelfde waar betreffen, zodat zij gezamenlijk dienen te worden besproken;

6.

Overwegende dat onderverdeling 76.01 B, hoofdstuk 76, afdeling XV, van het gemeenschappelijk douanetarief „resten en afvallen” van aluminium betreft;

dat volgens aantekening 6 van afdeling XV van het gemeenschappelijk douanetarief, waarin de term „resten en afvallen van metaal of van werken van metaal” wordt omschreven, onder zulke resten en afvallen mede zijn te verstaan „resten en afval, welke uitsluitend geschikt zijn voor het recupereren van het metaal, dan wel om daaruit chemicaliën te vervaardigen”;

dat de Nomenclatuur van Brussel in de toelichting op post 76.01 voor de omschrijving van „resten en afvallen, van aluminium” verwijst naar de toelichting op post 73.03, betreffende resten en afvallen van ferrometalen;

dat in deze laatste toelichting ter omschrijving van het begrip „resten en afvallen” wordt gerefereerd aan „resten verkregen bij de bewerking van ijzer of van staal” c.q. naar „versleten of gebroken werken van gietijzer, van ijzer of van staal, welke onbruikbaar zijn geworden voor hun oorspronkelijk doel, alsmede afvallen daarvan verkregen door stukslaan of stuksnijden”;

dat in dezelfde toelichting voorts te lezen valt dat de resten en afvallen „dikwijls onderling vermengd \[zijn\] en dooreengestrengeld of door persen tot pakken (briketten) verwerkt”;

dat volgens deze bepaling de term „resten en afvallen” zoals gebezigd in onderverdeling 76.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief, produkten omvat welke, wat hun objectieve kenmerken betreft, te beschouwen zijn als restprodukten van een mechanische bewerking van aluminiumvoorwerpen of „oude werken” in aluminium, die stukgeraakt of verbruikt zijn of niet kunnen worden gerecupereerd en waaraan uit een oogpunt van gebruiksmogelijkheden geen andere restwaarde toekomt dan die welke in hun geschiktheid voor de recuperatie van het metaal is gelegen;

dat de door de nationale rechterlijke instantie omschreven waar dan ook, gezien haar vorm en de behandeling welke zij heeft ondergaan, blijkt niet te kunnen worden beschouwd als resten of afvallen in de zin van onderverdeling 76.01 B van het gemeenschappelijk douanetarief;

7. dat nu de waar niet onder die onderverdeling kan worden gebracht, volgens de tweede vraag van de nationale rechterlijke instantie dient te worden nagegaan of zij kan worden gebracht onder onderverdeling 76.01 A, betreffende „ruw aluminium”;

8.

Overwegende dat blijkens de opzet van hoofdstuk 76 — waarin de posten 76.02-76.05 halffabrikaten betreffen en de posten 76.06-76.16 eindprodukten en andere werken van aluminium — onder „ruw aluminium” in de zin van onderverdeling 76.01 A het — nog niet bewerkte — metaal als zodanig is te verstaan;

dat ofschoon in het gemeenschappelijk douanetarief niet te lezen valt welk metaalgehalte in de produkten van die onderverdeling moet voorkomen, volgens algemene aantekening 2 b voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief „onder een in een post vermelde stof … niet alleen verstaan \[wordt\] die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen”;

dat de Nomenclatuur van Brussel in de toelichting op post 76.01 voorts zegt dat onder „ruw aluminium” ook vallen „aluminiumkorreltjes welke vooral in de metallurgie worden gebruikt”;

dat de omschreven waar blijkens de gegevens door de nationale rechterlijke instantie verstrekt, bestaat uit metaalkorrels die in overwegende mate aluminium en in zeer geringe mate andere metalen bevatten;

9. Overwegende dat op grond van een en ander op de gestelde vragen dient te worden geantwoord dat een uit stukgehakte, lichtgrijze, glanzende aluminiumdraad bestaand produkt, verkregen door het verbrijzelen — in zogenaamde shredder-installaties — van gebruikte aluminiumkabels en het grotendeels verwijderen van de isolatiestoffen, onder de onderverdeling 76.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief valt, voorzover zij in overwegende mate uit aluminium en in zeer geringe hoeveelheden uit andere metalen bestaat;

#### Ten aanzien van de kosten

10.

Overwegende dat de kosten, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking komen;

dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een voor de nationale rechter gerezen incident is te beschouwen, zodat deze laatste over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste Kamer),

uitspraak doende inzake de vraag door de Bundesfinanzhof bij beschikking van 27 juli 1977, verklaart voor recht:

Een uit stukgehakte, lichtgrijze, glanzende aluminiumdraad bestaand produkt, verkregen door het verbrijzelen — in zogenaamde shredder-installaties — van gebruikte aluminiumkabels en het grotendeels verwijderen van de isolatiestoffen, valt onder de onderverdeling 76.01 A van het gemeenschappelijk douanetarief, voorzover zij in overwegende mate uit aluminium en in zeer geringe hoeveelheden uit andere metalen bestaat;

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

1

EEG-Verdrag art. 177 3 voorkomens

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-121/24 11.12.2025

#### [Insolventie van de hoofdschuldenaar](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-121-24-arrest)

Hof van Justitie C-621/10 26.04.2012

#### [Verkoop van onroerende goederen tussen verbonden ondernemingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-621-10-arrest)
