---
title: "HvJ EU, 10/87, arrest van 21 juni 1988 · Zesde richtlijn 77/388 art. 28, EEG-Verdrag art. 177"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 juni 1988, 10/87: zesde richtlijn 77/388 art. 28, EEG-Verdrag art. 177."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-10-87-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-10-87-arret"
---

# Arrest van het Hof van 21 juni 1988, 10/87 · Zesde richtlijn 77/388 art. 28, EEG-Verdrag art. 177

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

10/87

**ECLI**

ECLI:EU:C:1988:326

**Datum**

21 juni 1988

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

High Court of Justice (Queen's Bench Division), Queen's Bench Division (Verenigd Koninkrijk) beslissing van 18 december 1986 CO/1419/86

**Zaak ingediend op**

5 februari 1987

**Advocaat-generaal**

[Cruz Vilaça conclusie van 24 maart 1988](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-10-87-conclusie)

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1988, blz. 3281

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Bosco

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Harmonisatie van de belastingwetgevingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02%2C578-4.10.02) [Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01%2C578-4.10.02.01) [Vrijstellingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.07%2C578-4.10.02.01.07) [Vrijstellingen bij invoer en bij uitvoer](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.02.01.07.04%2C578-4.10.02.01.07.04) 23 beslissingen

## Tekst

17 paragrafen

### Arrest

1. Bij beschikking van 18 december 1986, ingekomen bij het Hof op 5 februari 1987, heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division, het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Zeventiende richtlijn van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting — Vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde bij de tijdelijke invoer van andere goederen dan vervoermiddelen (85/362/EEG) (PB 1985, L 192, blz. 20) (hierna: de Zeventiende richtlijn).

2. Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Tattersalls Ltd, een veilinghuis voor volbloedpaarden, met hoofdkantoor in Suffolk, en de Commissioners of Customs and Excise over de BTW-vri j stelling bij tijdelijke invoer van renpaarden die verkregen zijn in Ierland — waar de levering van renpaarden is vrijgesteld van BTW — en vervolgens tijdelijk naar het Verenigd Koninkrijk worden uitgevoerd.

3. Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft verzoekster in het hoofdgeding, Tattersalls Ltd, een procedure aangespannen voor de High Court of Justice, waar zij een verklaring voor recht vordert, dat voor de tijdelijke invoer van de betrokken goederen in het Verenigd Koninkrijk ten onrechte vrijstelling van BTW is verleend. Verzoekster in het hoofdgeding stelt, dat een renpaard dat is verkregen door middel van een in de staat van uitvoer van BTW vrijgestelde handeling, niet is verkregen „overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW in de Lid-Staat van uitvoer” (artikelen 10, sub c, en 11, sub b, van de Zeventiende richtlijn) en bijgevolg in de Lid-Staat van invoer niet van BTW mag worden vrijgesteld. De Commissioners of Customs and Excise, verweerders in het hoofdgeding, menen daarentegen, dat een paard is verkregen overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW in de Lid-Staat van uitvoer, wanneer die regels bepalen, dat de levering van het paard in die staat is vrijgesteld van BTW.

4.

Van oordeel dat het geding vragen opriep over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

> 1)„ Moet de zinsnede ‚\[goederen die\] zijn verkregen overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW in de Lid-Staat van uitvoer, en uit hoofde van hun uitvoer geen vrijstelling van de BTW hebben genoten’ in artikel 10, sub c, van richtlijn 85/362/EEG van de Raad aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking kan hebben op goederen waarvan de verkrijging in de Lid-Staat van uitvoer is vrijgesteld van BTW?
>
> 2) Moet de zinsnede ‚goederen \[die\] niet zijn verkregen overeenkomstig de regels die in de Lid-Staat van uitvoer gelden voor de toepassing van de BTW, of, ingevolge de uitvoer ervan, vrijstelling van BTW hebben genoten’ in artikel 11, tweede alinea, sub b, van richtlijn 85/362/EEG van de Raad aldus worden uitgelegd, dat zij betrekking kan hebben op goederen waarvan de verkrijging in de Lid-Staat van uitvoer is vrijgesteld van BTW?”

5. Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

6. Te oordelen naar de feiten die door de nationale rechter zijn vastgesteld, gaat het in deze zaak in wezen om de vraag, of goederen die in een Lid-Staat met vrijstelling van BTW zijn gekocht en vervolgens tijdelijk in een andere Lid-Staat zijn ingevoerd, in deze laatste staat in aanmerking komen voor de tijdelijke vrijstelling overeenkomstig de artikelen 10 en 11 van de Zeventiende richtlijn.

7. Ingevolge [artikel 28, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG; PB 1977, L 145, biz. 1) (hierna: de Zesde richtlijn), verleent Ierland voor de levering van volbloedpaarden nog steeds vrijstelling van BTW.

8. Voor de beantwoording van de vraag van de nationale rechter moet worden nagegaan, of de uitdrukking „verkregen overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW in de Lid-Staat van uitvoer” in de artikelen 10 en 11 van de Zeventiende richtlijn enkel slaat op gevallen waarin bij de transactie in de staat van uitvoer BTW is betaald en de goederen niet uit hoofde van hun uitvoer vrijstelling van BTW hebben genoten, of ook op gevallen waarin de transactie zelf van BTW is vrijgesteld.

9. Tattersalls is van oordeel, dat goederen alleen dan overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW in de Lid-Staat van uitvoer zijn verkregen, indien bij de aankoop BTW over de betrokken transactie is geheven. Is dit om wat voor reden ook niet gebeurd, dan zouden de goederen niet overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW zijn verkregen.

10. Daarentegen menen verweerders in het hoofdgeding, in deze gesteund door de Britse en de Ierse regering en door de Commissie, dat de Britse douane de artikelen 10 en 11 van de Zeventiende richtlijn juist toepast. In het bijzonder zijn zij van oordeel, dat een paard is verkregen overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW in de Lid-Staat van uitvoer, indien die regels bepalen dat de levering van het paard in die Lid-Staat is vrijgesteld van BTW.

11. Uit de tekst van deze bepalingen blijkt duidelijk dat de voorwaarde die zij stellen, erin bestaat, dat de goederen zijn verkregen „overeenkomstig de regels voor de toepassing van de BTW”. Die bepalingen verlangen dus niet, dat over de transactie met betrekking tot het goed BTW is geheven. In het huidige stadium van de harmonisatie van de BTW zijn de Lid-Staten met name op grond van [artikel 28, lid 3, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28) bevoegd, bij wege van overgangsmaatregel bepaalde handelingen vrij te stellen die normalerwijze belast zouden moeten zijn. In de Lid-Staten die van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt, maakt de hieruit voortvloeiende BTW-vrijstelling bijgevolg deel uit van de regels voor de toepassing van de BTW.

12. Deze uitlegging vindt steun in het doel van de Zeventiende richtlijn. Immers, in de eerste twee overwegingen wordt gepreciseerd, dat „het van belang is de fiscale belemmeringen voor het goederenverkeer binnen de Gemeenschap te verminderen ten einde het verrichten van diensten te vergemakkelijken en aldus de interne markt te ontwikkelen en te versterken”, en dat „een zo ruim mogelijke vrijstelling van BTW bij de tijdelijke invoer van goederen in een Lid-Staat uit een andere Lid-Staat kan bijdragen tot de verwezenlijking van deze doelstelling”.

13. Gelet op het voorgaande, moet op de vragen van de nationale rechter worden geantwoord, dat de artikelen 10, sub c, en 11, sub b, van de Zeventiende richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat vrijstelling bij tijdelijke invoer moet worden verleend voor goederen waarvan de verkrijging in de Lid-Staat van uitvoer wettelijk is vrijgesteld van BTW, mits deze laatste vrijstelling niet uit hoofde van de uitvoer van de betrokken goederen is verleend.

### Kosten

14. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Ierse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division, bij beschikking van 18 december 1986 gestelde vragen, verklaart voor recht:

De artikelen 10, sub c, en 11, sub b, van de Zeventiende richtlijn moeten aldus worden uitgelegd, dat vrijstelling bij tijdelijke invoer moet worden verleend voor goederen waarvan de verkrijging in de Lid-Staat van uitvoer wettelijk is vrijgesteld van BTW, mits deze laatste vrijstelling niet uit hoofde van de uitvoer van de betrokken goederen is verleend.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

4

[Zesde richtlijn 77/388 art. 28](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28) 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

richtlijn 85/362 art. 10 uitgelegd 1 voorkomen

richtlijn 85/362 art. 11 uitgelegd 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-320/02 01.04.2004

#### [Zesde richtlijn 77/388 art. 26bis en art. 5](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-320-02-arrest)

## Rechtsleer

1

Berr, Claude J.: Droit douanier, La Semaine juridique - édition entreprise 1989 II 15556
