---
title: "HvJ EU, 10/65, arrest van 8 juli 1965"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 juli 1965, 10/65."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-10-65-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-10-65-arret"
---

# Arrest van het Hof van 8 juli 1965, 10/65

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

10/65

**ECLI**

ECLI:EU:C:1965:75

**Datum**

8 juli 1965

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Verwaltungsgericht Frankfurt am Main (Duitsland) beslissing van 3 februari 1965 III/1 - 597/64

**Zaak ingediend op**

16 februari 1965

**Advocaat-generaal**

Gand

**Nationale beslissing na het arrest**

Verwaltungsgericht Frankfurt am Main beslissing van 20 april 1966 III/1 - 597/64

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Donner

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Fiscale bepalingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10%2C578-4.10) [Binnenlandse belastingen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01%2C578-4.10.01) [Begrip binnenlandse belasting](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-10.01.01) 21 beslissingen
  - [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Douanerechten en heffingen van gelijke werking · verbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.01) Invoerrechten / Douanerechten

## Tekst

56 paragrafen

### ARREST

### TEN AANZIEN VAN DE FEITEN

#### I — Overzicht van de feiten

Overwegende, dat de Aussenhandelsstelle für Erzeugnisse der Ernährung und Landwirtschaft aan verzoekster in het geding in de hoofdzaak op haar verzoek in de jaren 1962, 1963 en 1964 vergunningen heeft verstrekt voor de invoer van levensmiddelen en landbouwprodukten, afkomstig uit andere Lid-Staten der E.E.G.; dat genoemde overheidsdienst daarbij van verzoekster tot een totaalbedrag van DM 1.943,19 de betaling van retributies heeft gevorderd krachtens het Gesetz über die Erhebung von Gebühren durch die Aussenhandelsstelle des Bundesministeriums für Ernährung, Landwirtschaft und Forsten van 17 december 1951, juncto de Gebührenordnung van 19 december 1956, gelijk die op 20 januari 1958 luidde;

dat verzoekster, stellende, dat de heffing van bedoelde retributies een schending inhield van de artikelen 9, 12, 30 en 95 van het E.E.G.-Verdrag, bij het Verwaltungsgericht Frankfort/Main een beroep heeft ingesteld tot nietigverklaring van bedoelde heffing, met veroordeling van verweerster tot restitutie der betaalde retributiebedragen;

dat de 3e Kamer van bedoeld Verwaltungsgericht op 3 februari 1965 besloot de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen voor te leggen :

moet artikel 95, eerste lid, van het E.E.G.-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat bij het verstrekken van vergunningen voor de invoer van levensmiddelen en landbouwprodukten uit andere Staten van de Europese Economische Gemeenschap geen retributie mag worden gevorderd krachtens de Wet über die Erhebung von Gebühren durch die Aussenhandelsstelle des Bundesministeriums für Ernährung, Landwirtschaft und Forsten van 17 december 1951?

In de verwijzingsbeslissing overweegt de Kamer onder meer :

Het vorderen van een retributie bij het verstrekken van vergunningen voor de invoer van levensmiddelen en landbouwprodukten uit andere Staten van de Europese Economische Gemeenschap vertoont het beeld van een krachtens artikel 95, eerste lid, van het E.E.G.-Verdrag verboden indirect opgelegde belasting, daar soortgelijke binnenlandse produkten niet door zulk een belasting worden getroffen. De retributie wordt weliswaar bij het verstrekken van invoervergunningen ingevorderd, doch daar de produkten niet zonder de aldus gegeven vergunning kunnen worden ingevoerd, betekent de voor het verstrekken van zodanige vergunningen verschuldigde retributie een indirect op die waren geheven belasting;

#### II — De procedure

Overwegende, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing, door de President van de 3e Kamer van het Verwaltungsgericht tot het Hof gericht, op 16 februari 1965 ter griffie werd ontvangen;

dat bedoeld verzoek door de Griffier op 22 februari daaropvolgende werd betekend aan de partijen in het hoofdgeding, de Lid-Staten, alsmede aan de Commissie van de E.E.G.;

dat de in artikel 20 van het Statuut van het Hof bedoelde schriftelijke opmerkingen werden ingezonden;

door de Commissie van de E.E.G. op 21 april 1965,

door verzoekster in het hoofdgeding op 22 april 1965,

door de Bondsrepubliek Duitsland op 3 mei 1965;

dat verzoekster in het hoofdgeding, de Regering van de Duitse Bondsrepubliek, alsmede de Commissie van de E.E.G. ter terechtzitting van 18 mei 1965 haar mondelinge opmerkingen hebben voorgedragen;

dat de Advocaat-Generaal ter zitting van 3 juni 1965 heeft geconcludeerd;

#### III — De krachtens artikel 20 van het Statuut van het Hof ingediende memoriën

Overwegende dat bedoelde memoriën als volgt kunnen worden samengevat:

De Commissie van de E.E.G. verklaart het volgende:

1\. De ter verkrijging van invoervergunningen verschuldigde retributie vormt een belasting van gelijke werking als de douanerechten. In zijn arrest in de gevoegde zaken 2 en 3-62 omschreef het Hof bedoelde heffingen als volgt: „De heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9 en 12 kan, ongeacht benaming en structuur, worden beschouwd als een recht dat hetzij op het tijdstip van invoer, hetzij later eenzijdig wordt geheven op een bepaald, uit een andere Lid-Staat ingevoerd produkt met uitsluiting van het gelijksoortige nationale produkt, met als gevolg dat het, daar de prijs erdoor veranderd wordt, op het vrije goederenverkeer dezelfde uitwerking heeft als een douanerecht.” De voor de afgifte der invoervergunningen verschuldigde retributies, waarom het in de onderhavige zaak gaat, beantwoorden aan deze definitie.

2\. Artikel 95 van het Verdrag is niet van toepassing op heffingen met gelijke werking als invoerrechten. Artikel 13, tweede lid, en artikel 95, lid 1 en 3, kunnen niet tegelijkertijd worden toegepast, daar een en hetzelfde recht niet geleidelijk gedurende de overgangsperiode en uiterlijk aan het begin van de tweede etappe kan worden afgeschaft. Bovendien kan de verplichting tot afschaffing van een bepaalde heffing niet zowel op een richtlijn van de Commissie, als rechtstreeks op het Verdrag berusten. De beide genoemde artikelen sluiten elkander derhalve bij hun toepassing uit. Bijgevolg vallen in het toepassingsgebied van artikel 95 slechts de rechten, welke, behalve de ingevoerde produkten, tevens de nationale produkten treffen, zij het dan ook de laatste in mindere mate. Deze interpretatie is niet alleen in overeenstemming met de ratio legis, doch het is bovendien onmogelijk uit het Verdrag een ander criterium af te leiden voor de omgrenzing van het toepassingsgebied, respektievelijk van artikel 13 en artikel 95.

Verzoekster in de hoofdzaak

wijst erop, dat het Duitse recht drie categorieën van heffingen kent: de belastingen in eigenlijke zin (Steuern), waartoe ook de invoerrechten behoren, de retributies (Gebühren) en de bijdragen (Beiträge). In de Duitse rechtspraak wordt tussen retributie en belasting geen duidelijk onderscheid gemaakt. Verzoekster stelt, dat de heffingen waarom het in casu gaat onder het verbod van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag moeten vallen, daar zij een belasting in eigenlijke zin vormen.

Ten aanzien van artikel 95 stelt verzoekster het volgende :

1\. Dit artikel is rechtstreeks toepasselijk, daar het een duidelijk en onvoorwaardelijk verbod bevat, geldend met ingang van de tweede etappe (1 januari 1962).

2\. Het spreekt niet van „Steuern” (belastingen) gelijk men op grond van het (Duitse) opschrift boven het bewuste hoofdstuk zou kunnen menen, maar van „belastingen” van welke aard ook (Abgaben gleich welcher Art). Bovendien duidt de Franse tekst van het opschrift (Dispositions fiscales) niet uitsluitend op de belastingen („Steuern”). Artikel 95 moet in systematisch verband met artikel 9 van het E.E.G.-Verdrag worden geïnterpreteerd, daar beide artikelen een volledige bescherming moeten bieden tegen iedere fiscale' discriminatie in de handel tussen de Lid-Staten. Bij de interpretatie van artikel 95 gaat het slechts om de objectieve uitwerking op de handel tussen de Lid-Staten. Wat heffingen als de door de Aussenhandelsstelle gevorderde retributie betreft, deze vormen in werkelijkheid een belasting (Steuer) welke op bedoelde handel van invloed kan zijn. Uit de tekst, de opzet en het doel van artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag blijkt ten duidelijkste, dat de heffingen van de Aussenhandelsstelle als nationale heffingen onder het begrip „belastingen van welke aard ook” vallen, waarvan genoemd artikel spreekt.

3\. De door de Aussenhandelsstelle gevorderde retributies vormen een indirecte belasting.

4\. Zij vormen bovendien een discriminerende belasting in de zin van artikel 95.

In zijn arrest, gewezen in de zaak 2 en 3-62 omschrijft het Hof de wezenlijke strekking van artikel 95 als volgt:

„Waar artikel 95, eerste lid, impliciet „belastingen” op een geïmporteerd produkt toelaat, geldt dit enkel en alleen voorzover dezelfde belastingen gelijkelijk worden geheven op soortgelijke nationale produkten.”

Er bestaan evenwel geen identieke of soortgelijke belastingen voor de nationale produkten, de heffingen treffen derhalve de nationale produkten niet op analoge wijze.

Uit al deze overwegingen volgt, dat artikel 95 van het E.E.G.-Verdrag op de retributies van de Aussenhandelsstelle van toepassing is.

De Regering van de Duitse Bondsrepubliek verklaart met name,

dat naar haar mening, de administratieve retributies („Verwaltungsgebühren”) niet vallen onder het begrip „belastingen”, van artikel 95, eerste lid, van het E.E.G.-Verdrag.

1\. Artikel 95 maakt deel uit van het Hoofdstuk „Bepalingen betreffende de belastingen”. In alle vier talen duiden de gebezigde termen erop dat in genoemd artikel uitsluitend op de belastingen in engere zin wordt gedoeld. Hetzelfde geldt voor artikel 98: administratieve retributies kunnen niet als belastingen worden beschouwd.

2\. Deze interpretatie vindt eveneens bevestiging in de wordingsgeschiedenis van artikel 95 en in zijn samenhang van artikel III G.A.T.T.

3\. De bepalingen van artikel 95 en die van artikel 12 E.E.G.-Verdrag kunnen niet gelijktijdig van toepassing zijn. „In- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking” (artikel 12) zijn niet hetzelfde als de „belastingen van welke aard ook” (artikel 95); uit het arrest in de zaken 2 en 3-62 blijkt, dat tussen beide begrippen moet worden onderscheiden in dier voege, dat artikel 95 slechts dan in aanmerking komt, wanneer op bepaalde waren, ongeacht hun herkomst, een heffing wordt gelegd, of op waren uit andere Lid-Staten afkomstig — zulks ter compensatie van belastingen op binnenlandse produkten — dan wel om, bij gebreke van gelijksoortige produkten, de binnenlandse produktie te beschermen. Een retributie als de onderhavige, kan slechts vallen onder het begrip : „heffingen met gelijke werking als in- en uitvoerrechten”.

4\. Alleen deze uitlegging der verdragsbepalingen is met haar zin en onderling verband in overeenstemming.

5\. Bovenstaande overwegingen leiden tot de slotsom dat administratieve retributies voor de afgifte van invoervergunningen verschuldigd, geen belastingen in de zin van artikel 95 vormen. Artikel 95 is een uitvloeisel van het algemene beginsel, dat in de Gemeenschap geen discriminatie ten aanzien van de produkten wordt toegelaten.

Daar de retributie door de Aussenhandelsstelle slechts bij invoer wordt geheven, is er geen plaats meer voor toepassing van artikel 95, want de „gelijksoortige” waren, welke tegenover de invoerprodukten gesteld moeten worden, bevinden zich in een andere situatie, zodat zij geen deugdelijke maatstaf kunnen opleveren voor de beoordeling van de hoogte der invoerbelasting.

De Bondsregering wijst er overigens bij voorbaat op, dat naar haar mening administratieve retributies, welke bij de invoer geheven worden, evenmin heffingen van gelijke werking als in- en uitvoerrechten in de zin van de artikelen 12 e.v. zijn;

### TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende, dat het Verwaltungsgericht te Frankfort/Main een verzoek om interpretatie van artikel 95, eerste lid, E.E.G.-Verdrag heeft gedaan, ter beantwoording van de vraag of bij de afgifte van invoervergunningen voor landbouwprodukten uit de andere Lid-Staten krachtens de Duitse Wet van 17 december 1951, retributies geheven mogen worden;

Overwegende dat het Hof tot behandeling van dit verzoek bevoegd is, voorzover daarbij uitlegging van het Verdrag, en in het bijzonder van deszelfs artikel 95, verlangd wordt;

dat het evenwel niet tot 's Hofs competentie behoort voornoemde Duitse Wet te interpreteren, noch ook om uitspraak te doen over het rechtskarakter van de bij die Wet ingevoerde retributies;

Overwegende, dat het ter afgrenzing van het toepassingsgebied van voormeld artikel 95 nodig is deze bepaling te bezien in verband met de overige voorschriften, welke de afschaffing van beperkingen van het vrije goederenverkeer ten doel hebben en wel met name de artikelen 13 en 17 van het Verdrag;

dat de regels voor de afschaffing — gedurende de overgangsperiode — der heffingen van gelijke werking als invoerrechten, rechtstreeks in artikel 13 zijn gegeven;

dat artikel 17 bepaalt, dat deze regels mede van toepassing zijn op douanerechten van fiscale aard;

dat mitsdien artikel 95 — hetwelk een ander ritme voor de geleidelijke afschaffing van de in die bepaling bedoelde beperkingen voorziet — niet van toepassing kan zijn op heffingen, welke bij, of op grond van de invoer worden opgelegd en uitsluitend de uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten, niet echter soortgelijke binnenlandse produkten treffen en de prijs van laatstgenoemde waren niet wijzigen in dier voege, dat zij op het vrije goederenverkeer dezelfde invloed uitoefenen als een douanerecht;

Overwegende, dat het Verwaltungsgericht de litigieuze retributie kwalificeert als een indirect opgelegde, de binnenlandse produkten niet treffende belasting, welke „bij het verstrekken van de invoervergunning wordt ingevorderd” en die de buitenlandse goederen rechtstreeks treft, nu de invoer daarvan zonder vergunning niet mogelijk is;

dat de voorgelegde vraag, blijkens de bewoordingen waarin zij is vervat, retributies betreft welke terzake van het verstrekken van invoervergunningen, en derhalve bij de invoer, worden opgelegd, terwijl voor gelijksoortige binnenlandse produkten zodanige vergunning — uiteraard — niet vereist is;

dat bedoelde heffingen dus uitsluitend de ingevoerde produkten treffen;

dat uit het boven overwogene blijkt, dat artikel 95 op die heffingen niet van toepassing is;

dat de door het Verwaltungsgericht te Frankfort/Main voorgelegde vraag derhalve in negatieve zin moet worden beantwoord;

#### Ten aanzien van de kosten

Overwegende dat de kosten van de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap en van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, die hun opmerkingen aan het Hof hebben ingezonden, niet voor vergoeding in aanmerking komen;

dat de onderhavige procedure ten aanzien van de betrokken partijen het karakter draagt van een incident in het tussen hen aanhangige geding voor het Verwaltungsgericht te Frankfort/Main;

### Dictum

beslist

HET HOF VAN JUSTITIE :

Een heffing, opgelegd bij de afgifte van een invoervergunning zonder welke vergunning de invoer niet mogelijk zou zijn, valt niet onder artikel 95 van het Verdrag van de Europese Economische Gemeenschap;

De beslissing over de kosten van de onderhavige instantie blijft aan het Verwaltungsgericht te Frankfort/Main voorbehouden.

### Voetnoten

- 1 Noot van de vertaler: bij voorbeeld voor verplicht lidmaatschap van publiekrechtelijke groeperingen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Rechtspraak

2

### Europese Unie

2

Hof van Justitie C-347/95 17.09.1997

#### [Nationale heffing bij verkoop van zuivelproducten](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-347-95-arrest)

Hof van Justitie C-28/96 17.09.1997

#### [Nationale heffing bij verkoop van vlees](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-28-96-arrest)

## Rechtsleer

2

Ehle, Dietrich: EWG-Vertrag und Gebührenerhebung. Zum Anwendungsbereich der Artikel 12 und 95 EWGV, Außenwirtschaftsdienst des Betriebs-Beraters / Recht der Internationalen Wirtschaft 1965 p .281-284 (DE)

Kovar, Robert: Chronique de la jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes, Journal du droit international 1966 p.713-717 (FR)
