---
title: "HvJ EU, 1/78, arrest van 28 juni 1978 · EEG-Verdrag art. 7, verordening 1408/71 art. 3"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 juni 1978, 1/78: EEG-Verdrag art. 7, verordening 1408/71 art. 3."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-1-78-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-1-78-arret"
---

# Arrest van het Hof van 28 juni 1978, 1/78 · EEG-Verdrag art. 7, verordening 1408/71 art. 3

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Voltallige zitting

**Zaak**

1/78

**ECLI**

ECLI:EU:C:1978:140

**Datum**

28 juni 1978

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

National Insurance Commissioner, London (Verenigd Koninkrijk) beslissing van 29 december 1977 FILE No. CS/539/1976, CASE No. 53/1

**Zaak ingediend op**

3 januari 1978

**Advocaat-generaal**

Mayras

**Nationale beslissing na het arrest**

National Insurance Commissioner beslissing van 14 december 1978 FILE No. CS/539/1976, CASE No. 53/1 ; High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division, Divisional Court beslissing van 23 juli 1980 ; Social Security Commissioner, London beslissing van 3 februari 1981 FILE No. CS/539/1976, CASE No. 53/1

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Engels

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1978, blz. 1489

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Mertens de Wilmars

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B)

  - [Beginselen en burgerschap van de Unie](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-01) [Discriminatie op grond van nationaliteit · verbod](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-01.05) 26 beslissingen
  - [Vrij verkeer van personen en diensten](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04%2C578-4.04)

    - [Sociale Zekerheid van werknemers](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06)

      - [Bepalingen die gelijkelijk gelden voor de verschillende categorieën uitkeringen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.01) [Gelijke behandeling](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.01.03) 3 beslissingen
      - [Ziekte en moederschap](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.06.02) 7 beslissingen
    - [Werknemers](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-04.02%2C578-4.04.01) 40 beslissingen

## Tekst

58 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de verwijzingsbeschikking en de krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — De feiten en de schriftelijke behandeling

De heer Kenny, verzoeker in het hoofdgeding, onderdaan van de Ierse Republiek doch woonachtig in Groot-Brittannië, was in laatstgenoemd land onderworpen aan de bepalingen van de National Insurance Act en kon daar aanspraak maken op onder meer een geldelijke uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. In juni 1973 ging hij naar Ierland en werd daar gevangen genomen wegens overtreding van een voorwaarde die bij een vroegere veroordeling door een Ierse rechter was verbonden aan een voorwaardelijke straf. Tijdens dit verblijf in de gevangenis werd hij ziek en is toen overgebracht naar een ziekenhuis buiten het gevangeniscomplex. Na terugkeer in Groot-Brittannië vorderde hij op grond van de National Insurance Act van 1965 een ziekte-uitkering over de tijd dat hij in het ziekenhuis was opgenomen. De Insurance Officer, verweerder in het hoofdgeding, wees deze vordering af, zich dartoe beroepend op artikel 49, lid 1, sub b, van de National Insurance Act van 1965 dat in de toen geldende versie luidde:

„Behoudens andersluidende bepalingen, kan een verzekerde geen aanspraak maken op uitkeringen . . . over enig tijdvak waarin

a) …

b) hij zich in gevangenschap of hechtenis bevindt”.

Kenny ging van deze beslissing in beroep bij de National Insurance Commissioner die, van mening dat zich in het geschil vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht voordeden, het Hof van Justitie verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:

Is, binnen de werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71, artikel 7 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk in de Lid-Staten?

2\. Is het bevoegde orgaan van een Lid-Staat, dat ingevolge artikel 19, lid 1, sub b, dan wel artikel 22, lid 1, sub a, ii, van verordening (EEG) nr. 1408/71 uitkeringen in geld volgens de wettelijke regeling van die staat moet verlenen aan een werknemer die geen onderdaan van die Lid-Staat is, gerechtigd feiten op het grondgebied van een andere Lid-Staat gelijk te stellen met overeenkomstige feiten op het eigen grondgebied, wanneer die feiten, zich voordoende op het eigen grondgebied, het recht van de betrokken werknemer op uitkeringen geheel of gedeeltelijk doen vervallen, en de werknemer die uitkeringen derhalve te weigeren?

3\. Zou het antwoord op de vorige vraag anders luiden, indien de betrokken werknemer onderdaan is van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan?”

De verwijzingsbeschikking is op 3 januari 1978 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verweerder in het hoofdgeding en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

#### II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs EEG-Statuut

##### Opmerkingen van verweerder in het hoofdgeding (Insurance Officer)

Volgens de Insurance Officer omvat het begrip „gevangenschap” in het nationale recht en inzonderheid in artikel 49, lid 1, sub b, van de National Insurance Act van 1965, tevens gevangenschap buiten het grondgebied van Groot-Brittannië. Uitkeringen kunnen derhalve ook worden ontzegd wegens een gevangenschap in een andere Lid-Staat. Daar bij deze bewering stilzwijgend wordt aangenomen dat geen enkel communautairrechtelijk verbod zich verzet tegen de toepassing van bovengenoemde nationale bepaling, gaat verweerder in het hoofdgeding na of verordening nr. 1408/71 een dergelijk verbod inhoudt.

De Insurance Officer betoogt dat wanneer een werknemer die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woont, alleen op grond van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 recht heeft op een uitkering, deze verordening niet aldus mag worden uitgelegd dat deze werknemer, door het enkele feit dat hij zich buiten de bevoegde staat bevindt, kan ontsnappen aan een uitsluiting voortvloeiend uit de in die staat geldende wettelijke rege ling die wel op hem van toepassing was geweest, als hij zich op het grondgebied van deze staat had bevonden. Bij gevolg moeten de bepalingen van de artikelen 19, lid 1, sub b), en 22, lid 1, krachtens welke een werknemer recht heeft op „uitkeringen welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling”, aldus worden uitgelegd dat de uitkeringen overeenkomstig deze wettelijke regeling zijn verschuldigd alsof alle gebeurtenissen die op het geval van de werknemer betrekking hebben, zich op het grondgebied van de bevoegde Lid-Staat hadden voorgedaan.

Tot staving van zijn standpunt beroept verweerder in het hoofdgeding zich op een passage uit de conclusie van advocaat-generaal Trabucchi in de zaak 20/75 van 9 juli 1975, D'Amico/Landesversicherungsanstalt Rheinland-Pfalz (Jurispr. 1975, blz. 891), luidende:

„De gemeenschapsregeling die de sociale wetgevingen van de Lid-Staten coördineert met het oog op afschaffing van elke discriminatie tussen werknemers uit hoofde van nationaliteit om aldus het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap te waarborgen, heeft stellig mede ten doel het in de nationale regelingen verankerde territorialiteitsbeginsel te doorbreken .. .”.

„Uit 's Hofs rechtspraak blijkt dat feiten die zich buiten het grondgebied van een bepaalde Lid-Staat hebben voorgedaan, ook bij gebreke van specifieke bepalingen ter zake, moeten worden gelijkgesteld met overeenkomstige feiten die naar nationaal recht alleen rechtsgevolg hebben indien zij zich op het eigen grondgebied voordoen”. (Jurispr. blz. 902).

Ofschoon het Hof de advocaat-generaal in de zaak d'Amico niet heeft gevolgd, zou toch naar de mening van de Insurance Officer het beginsel dat door de advocaat-generaal werd gesteld met een beroep op onder meer het arrest van 15 oktober 1969 in de zaak 15/69, Württembergische Milchverwertung-Süd-milch AG/Ugliola (Jurispr. 1969, blz. 363), in het onderhavige geval van toepassing kunnen zijn.

Concluderend meent verweerder in het hoofdgeding dat noch artikel 7 EEG- Verdrag, noch enige andere bepaling van het Verdrag of van verordening nr. 1408/71 zich verzet tegen de toepassing van de regels inzake de uitsluiting van het recht op uitkeringen over de tijd van gevangenschap. Ook zou de door de Insurance Officer voorgestelde uitleg gelijkelijk gelden voor onderdanen en niet-onderdanen van de bevoegde staat. Op grond van het bovenstaande ware op de door de National Insurance Commissioner gestelde vragen als volgt te antwoorden:

„Het bevoegde orgaan van een Lid-Staat dat ingevolge artikel 19, lid 1, sub b, dan wel artikel 22, lid 1, sub a, ii, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aan een werknemer, al dan niet onderdaan van deze Lid-Staat, uitkeringen moet verlenen overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving, is gerechtigd om feiten op het grondgebied van een andere Lid-Staat, gelijk te stellen met overeenkomstige feiten op het eigen grondgebied, wanneer die feiten, zich voordoende op het eigen grondgebied het recht van de betrokken werknemer op uitkeringen doen vervallen, en om deze uitkeringen dienovereenkomstig te weigeren”.

##### Opmerkingen van de Commissie

De Commissie is van mening dat het zwaartepunt van de verwijzingsbeschikking is gelegen in de tweede vraag, te weten of volgens het gemeenschapsrecht een Lid-Staat bij de beslissing of aan de door de nationale wet gestelde voorwaarden is voldaan, rekening mag houden met bepaalde feiten die zich in een andere Lid-Staat hebben voorgedaan. De Commissie begint derhalve met bespreking van de tweede vraag.

###### Ten aanzien van de tweede vraag

Volgens de Commissie zijn de Lid-Staten — buiten hun in artikel 51, sub a, EEG-Verdrag vervatte verplichting om met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, tijdvakken in aanmerking te nemen die buiten het nationaal grondgebied zijn vervuld — op grond van het Verdrag, en met name artikel 51, tevens gerechtigd feiten die zich buiten het nationale grondgebied hebben voorgedaan, in aanmerking te nemen. Als voorbeelden noemt de Commissie artikel 86 van verordening nr. 1408/71 en de artikelen 36, lid 1, en 83, lid 1, van verordening nr. 574/72 van 27 maart 1972 (PB L 74 van 1972, blz. 1). Anderzijds kan het gemeenschapsrecht ook bepaalde beperkingen of voorwaarden verbinden aan de rechten die werknemers genieten. Dit is bij voorbeeld het geval in artikel 69 van verordening nr. 1408/71.. Volgens de Commissie heeft het Hof van Justitie in enkele arresten een dergelijke beperking van het genot van sociale zekerheidsuitkeringen aanvaard en kan in het bijzonder het arrest van 13 juli 1976 in de zaak 19/76, Triches/Luikse kas voor gezinsvergoedingen (Jurispr. 1976, blz. 1243) aldus worden uitgelegd.

De Commissie merkt voorts op dat verordening nr. 1408/71 geen enkele bepaling bevat op grond waarvan een werknemer wegens gevangenschap wordt uitgesloten van het recht op uitkeringen. Volgens de artikelen 19, lid 1, sub b, en 22, lid 1, sub a, ii, dezer verordening heeft de werknemer evenwel slechts recht op uitkeringen bij ziekte, indien hij „aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet”. De Commissie is van mening dat deze uitdrukking, die in de artikelen 19, 22, 46 en 69 van verordening nr. 1408/71 wordt gebezigd, wil zeggen dat zowel binnen als buiten het rechtsgebied van een Lid-Staat moet zijn voldaan aan alle nationale wettelijke voorwaarden voor een recht op uitkering. Aan dit beginsel is, in het stelsel der werkloosheidsuitkeringen, overeenkomstig artikel 69 van verordening nr. 1408/71 vaste vorm gegeven in formulier E 303. Punt 5 van dit formulier vermeldt een reeks van omstandigheden waarin de uitkeringen worden geschorst. Ofschoon gevangenschap hierbij niet wordt genoemd, zou, gezien het enuntiatieve karakter van de opsomming, dit feit zijn te brengen onder punt 5.8, dat ziet op het geval dat een werkloze niet langer ter beschikking van de diensten voor arbeidsbemiddeling staat. Bij toepassing van dit beginsel op de artikelen 19 en 22 van verordening nr. 1408/71 — betreffende het stelsel der ziekte-uitkeringen — zou aldus een aanvrager zich diens recht op ziekte-uitkering kunnen zien ontzegd, indien hij zich buiten het rechtsgebied van een Lid-Staat bevindt doch niet arbeidsongeschikt is volgens de wettelijke regeling van de bevoegde staat. Anders zou immers het gemeenschapsrecht de werknemer — althans impliciet — ontheffen van elke verplichting om aan de door het nationale recht gestelde voorwaarden te voldoen, zodra hij het grondgebied van de bevoegde staat zou hebben verlaten. De migrerende werknemer die om een uitkering verzoekt, zou zich dan niet alleen in een gunstiger positie bevinden ten opzichte van de niet-migrerende werknemer, maar ook ten opzichte van de migrerende werknemer die besloten heeft om niet, zeg, naar Ierland terug te keren maar in het Verenigd Koninkrijk te blijven, alwaar de gevangenisstraf werd uitgezeten.

Dan rijst evenwel de vraag of aan feiten, die zich buiten het rechtsgebied van de bevoegde staat doch binnen de Gemeenschap voordoen, voor wat betreft de in de bevoegde staat gevraagde uitkeringen dezelfde invloed of gevolgen moeten worden toegekend als wanneer diezelfde feiten binnen die staat waren voorgevallen. De Commissie meent dat indien een Lid-Staat gerechtigd is de aard van de in het buitenland ondergane gevangenisstraf te onderzoeken, een uniforme en gelijke toekenning van de uitkeringen van die staat is verzekerd en tevens wordt vermeden dat de erkenning van een tijdvak van gevangenschap als zodanig tot uiteenlopende resultaten leidt. Immers, indien bij voorbeeld de regels inzake de uitsluiting van een recht op uitkeringen, zoals die gelden in de Lid-Staat waar de gevangenisstraf werd ondergaan, de bepalende factor zouden zijn, dan zouden zich negen verschillende situaties kunnen voordoen voor negen migrerende werknemers, die bij voorbeeld in het Verenigd Koninkrijk zijn verzekerd. Het recht om een onderzoek in te stellen naar de aard van een in het buitenland voorgevallen feit is niet zonder precedent. Artikel 67, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat ingeval van overboeking van tijdvakken van arbeid voor samentellingsdoeleinden naar een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, deze staat een onderzoek mag instellen naar de aldus overgeboekte tijdvakken van arbeid om uit te maken of deze als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoelde wettelijke regeling waren vervuld.

De Commissie concludeert dat op het eerste onderdeel van de tweede vraag moet worden geantwoord dat de bevoegde staat, ten einde overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1408/71 vast te stellen of een migrerende werknemer voldoet aan de in de wettelijke regeling van die staat gestelde voorwaarden voor een aanspraak op uitkeringen bij ziekte, een in een andere Lid-Staat doorgebracht tijdvak van gevangenschap slechts in aanmerking mag nemen voor zover die gevangenschap de werknemer van zijn recht op deze uitkeringen zou hebben beroofd indien deze op het grondgebied van de bevoegde staat had plaatsgevonden. Het tweede onderdeel van de vraag moet derhalve bevestigend worden beantwoord.

###### Ten aanzien van de eerste vraag

Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, bepalende dat personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat hebben onder dezelfde voorwaarden als de onderdanenvan die staat, kan worden beschouwd als de lex specialis waarmee, op het gebied van de sociale zekerheid, uitvoering wordt gegeven aan de lex generalis van artikel 7 van het Verdrag. Een andere opvatting zou onverenigbaar zijn met de in artikel 7, tweede alinea, van het Verdrag aan de Raad opgedragen taak regelingen te treffen met het oog op het verbod van discriminatie. Op de eerste vraag ware derhalve te antwoorden dat op het gebied van de sociale zekerheid voor migrerende werknemers aan artikel 7 van het Verdrag uitvoering is gegeven door artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, welke rechtstreeks toepasselijk is in alle Lid-Staten.

###### Ten aanzien van de derde vraag

Gelet op artikel 7 van het Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, moet deze vraag ontkennend worden beantwoord.

Ter terechtzitting van 3 mei 1978 hebben verweerder in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door J. Brockman, en de Commissie, ten deze vertegenwoordigd door J. Forman, als gemachtigde, mondelinge opmerkingen gemaakt.

De Commissie heeft inlichtingen verstrekt over de in de Lid-Staten bestaande regeling voor gevangenen van de uitkeringen krachtens de ziekteverzekering van werknemers in loondienst, waarbij zij tevoren waren aangesloten.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 23 mei 1978 conclusie genomen.

### Ten aanzien van het recht

1. Overwegende dat de National Insurance Commissioner bij beschikking van 29 december 1977, ingekomen ten Hove op 3 januari 1978, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie vragen heeft gesteld inzake de uitlegging van artikel 7 van het Verdrag en van de artikelen 19, lid 1, sub b, en 22, lid 1, sub a, ii, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 1971, blz. 2);

2. dat deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Insurance Officer en verzoeker in het hoofdgeding over diens recht op uitkeringen krachtens de National Insurance Act van 1965 voor het geval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte;

3. dat betrokkene, onderdaan van de Ierse Republiek, doch wonende in Groot-Brittannië, als werknemer in loondienst valt onder de National Insurance Act en uit dien hoofde recht heeft op bovengenoemde uitkeringen indien hij voldoet aan de daartoe gestelde voorwaarden;

4. dat hij zich naar de Ierse Republiek heeft begeven en aldaar, om in de verwijzingsbeschikking aangegeven redenen, gevangen heeft gezeten van 28 juni 1973 tot 28 maart 1974, in welk tijdvak hij ziek is geworden en een behandeling heeft moeten ondergaan aanvankelijk in de gevangenis waarin hij zijn straf uitzat en vervolgens in een ziekenhuis buiten het gevangeniscomplex;

5. dat krachtens de destijds geldende versie van artikel 49, lid 1, van de National Insurance Act van 1965, eenieder die „gevangenschap of hechtenis ondergaat” (undergoing imprisonment or detention in legal custody), behoudens andersluidende bepalingen van genoemde Act, het recht op uitkering verliest over het in gevangenschap of hechtenis doorgebrachte tijdvak;

6. dat de gestelde vragen in wezen inhouden of de nationale rechter naar het gemeenschapsrecht een gevangenschap of hechtenis in een andere Lid-Staat gelijk mag stellen met een gevangenschap of hechtenis in Groot-Brittannië als grond voor verval of schorsing van het recht op uitkeringen onder de Natipnal Insurance Act;

#### Ten aanzien van de eerste vraag

7. Overwegende dat in de eerste plaats wordt gevraagd of binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, artikel 7 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk is in de Lid-Staten;

8. Overwegende dat luidens genoemd artikel 7, lid 1, binnen de werkingssfeer van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit is verboden;

9. dat ten aanzien van werknemers in loondienst aan deze regel toepassing is gegeven in de artikelen 48 tot 51, evenals in de hierop steunende besluiten van de gemeenschapsinstellingen, en met name in verordening nr. 1408/71;

10. Overwegende dat volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van de verordening van toepassing zijn, de uit de sociale zekerheidswetgeving van iedere andere Lid-Staat voortvloeiende verplichtingen en voordelen hebben onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;

11. dat deze bepaling ten doel heeft overeenkomstig artikel 48 van het Verdrag de onder de verordening vallende werknemers op het stuk van de sociale zekerheid een gelijke behandeling, zonder onderscheid naar nationaliteit, te verzekeren des dat elke uit de nationale wettelijke regelingen der Lid-Staten voortvloeiende discriminatie ten deze wordt afgeschaft;

12. dat derhalve op de eerste vraag moet worden geantwoord dat, binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71, artikel 7, lid 1, van het Verdrag, zoals uitgewerkt in artikel 48 van het Verdrag en artikel 3, lid 1, dezer verordening, rechtstreeks van toepassing is in de Lid-Staten;

#### Ten aanzien van de tweede en derde vraag

13. Overwegende dat deze vragen inhouden enerzijds of het bevoegde orgaan van een Lid-Staat, dat ingevolge artikel 19, lid 1, sub b, dan wel artikel 22, lid 1, sub a, ii, van verordening nr. 1408/71 uitkeringen in geld volgens de wettelijke regeling van die staat moet verlenen aan een werknemer van een andere Lid-Staat, gerechtigd is feiten op het grondgebied van een andere Lid-Staat gelijk te stellen met overeenkomstige feiten op het eigen grondgebied, wanneer die feiten, zich voordoende op het eigen grondgebied, het recht van de betrokken werknemer op uitkeringen geheel of gedeeltelijk doen vervallen, en of dit orgaan derhalve die uitkeringen kan weigeren (tweede vraag), en anderzijds of het antwoord op de tweede vraag anders zou luiden indien de betrokken werknemer onderdaan is van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan (derde vraag);

14.

Overwegende dat artikel 19, lid 1, sub b, met betrekking tot het recht op uitkeringen krachtens de ziekte- en moederschapsverzekering indien de betrokken werknemer op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woont, bepaalt:

> „1) De werknemer die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 18, in de staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op
>
> a)…
>
> b) uitkeringen welke door het bevoegde ogaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling”;

15. dat eveneens artikel 22, dat het geval regelt van een werknemer die ziek wordt tijdens een verblijf in een andere Lid-Staat dan die van het bevoegde ogaan, in lid 1, sub a, ii, bepaalt dat die wernemer, eventueel met inachtneming van artikel 18, recht heeft op „uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling”;

16. dat uit deze bepalingen duidelijk blijkt dat — behoudens de toepassing van artikel 18 inzake het samentellen, met het oog op de verkrijging, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, van verzekeringstijdvakken die onder de wettelijke regeling van andere Lid-Staten zijn vervuld — het een aangelegenheid van de nationale wetgeving is om de voorwaarden voor verkrijging, handhaving, verval of schorsing van het recht op uitkeringen van sociale zekerheid vast te leggen, mits deze voorwaarden van toepassing zijn onder discriminatie tussen de onderdanen van de betrokken Lid-Staat en die van andere Lid-Staten;

17. dat dit slechts anders ware indien de voorwaarden voor verkrijging of handhaving van het recht aldus zouden zijn omschreven dat zij in feite slechts kunnen worden vervuld door eigen onderdanen, of indien de voorwaarden voor verval of schorsing van het recht op uitkering aldus zouden zijn omschreven dat zij zich in feite bij onderdanen van andere Lid-Staten eerder realiseren dan bij onderdanen van de staat van het bevoegde orgaan;

18. Overwegende dat, met het verbod aan elke Lid-Staat om binnen het toepassingsgebied van het Verdrag aan zijn recht een verschillende toepassing te geven naar gelang van de nationaliteit, de artikelen 7 en 48 niet doelen op eventuele verschillen in behandeling die van Lid-Staat tot Lid-Staat kunnen voortvloeien uit de verschillen tussen de wettelijke regelingen der onderscheiden Lid-Staten, mits deze regelingen op grond van objectieve criteria en ongeacht de nationaliteit der betrokkenen gelden voor al degenen op wie hun voorschriften van toepassing zijn;

19. dat mitsdien de artikelen 19, lid 1, sub b, en 22, lid 1, sub a, ii, van verordening nr. 1408/71, door ieder orgaan naar „de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling” te verwijzen, het in de artikelen 7 en 8 van het Verdrag en in artikel 3, lid 1, dezer verordening neergelegde non-discriminatiebeginsel eerbiedigen;

20. dat derhalve moet worden geantwoord dat de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 voor de organen van de Lid-Staten geen beletsel — doch evenmin een verplichting — vormen om met een gebeurtenis die, indien voorgevallen op nationaal grondgebied, een grond van verval of schorsing van het recht op uitkeringen oplevert, de overeenkomstige in een andere Lid-Staat voorgevallen gebeurtenis gelijk te stellen; de desbetreffende beslissing die aan de nationale autoriteiten staat, dient toepassing te vinden zonder aanzien van de nationaliteit en de bedoelde gebeurtenis mag niet aldus zijn omschreven dat zij in feite neerkomt op een discriminatie jegens de onderdanen van de andere Lid-Staten;

21. Overwegende dat het hiervoor gegeven antwoord tevens, en in dezelfde mate geldt, voor het geval dat de betrokken werknemer onderdaan is van de Lid-Staat waaronder het bevoegde orgaan ressorteert;

#### Ten aanzien van de kosten

22. Overwegende dat de kosten, door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komem;

23. dat de procedure ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft be beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de National Insurance Commissioner bij diens beschikking van 29 december gestelde vragen, verklaart voor recht:

1\. Binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 1408/71 is artikel 7, lid 1, EEG-Verdrag, zoals uitgewerkt in artikel 48 EEG-Verdrag en artikel 3, lid 1, dezer verordening, rechtstreeks van toepassing in de Lid-Staten;

2\. De artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 vormen voor de organen van de Lid-Staten geen beletsel — doch evenmin een verplichting — om met een gebeurtenis die, indien voorgevallen op nationaal grondgebied, een grond van verval of schorsing van het recht op uitkeringen oplevert, de overeenkomstige in een andere Lid-Staat voorgevallen gebeurtenis gelijk te stellen; de desbetreffende beslissing die aan de nationale autoriteiten staat, dient toepassing te vinden zonder aanzien van de nationaliteit en de bedoelde gebeurtenis mag niet aldus zijn omschreven dat zij in feite neerkomt op een discriminatie jegens de onderdanen van de andere Lid-Staten;

3\. Het antwoord op de tweede vraag geldt tevens, en in dezelfde mate, voor het geval dat de betrokken werknemer onderdaan is van de Lid-Staat waaronder het bevoegde orgaan ressorteert.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

14

EEG-Verdrag art. 7 uitgelegd 8 voorkomens

verordening 1408/71 art. 3 uitgelegd 6 voorkomens

EEG-Verdrag art. 48 uitgelegd 5 voorkomens

verordening 1408/71 art. 69 3 voorkomens

verordening 1408/71 art. 19 2 voorkomens

verordening 1408/71 art. 22 2 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 51 1 voorkomen

EEG-Verdrag art. 8 1 voorkomen

verordening 1408/71 art. 46 1 voorkomen

verordening 1408/71 art. 67 1 voorkomen

verordening 1408/71 art. 86 1 voorkomen

verordening 574/72 art. 36 1 voorkomen

verordening 574/72 art. 83 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Tizzano C-387/01 03.07.2003

#### [Vrij verkeer van werknemers, invoer van auto](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-387-01-conclusie)

## Rechtsleer

2

Wyatt, Derrick: Social Security Benefits and Discrimination by a Member State against its Own Nationals, European Law Review 1978 p.488-494 (EN)

De Dorlodot, François-Xavier: Journal des tribunaux 1979 p.26-27 (FR)
