---
title: "HvJ EU, 1/77, Robert Bosch GmbH, arrest van 14 juli 1977 · Verordening 803/68 art. 3 en art. 1"
description: "Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 juli 1977, 1/77, Robert Bosch GmbH: verordening 803/68 art. 3 en art. 1."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-1-77-arrest"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence-union/c-1-77-arret"
---

# Arrest van het Hof van 14 juli 1977, 1/77, Robert Bosch GmbH · Verordening 803/68 art. 3 en art. 1

**Rechtscollege**

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

**Samenstelling**

Eerste kamer

**Zaak**

1/77

**ECLI**

ECLI:EU:C:1977:130

**Datum**

14 juli 1977

## De zaak

**Procedure**

Prejudiciële verwijzing

**Verwijzende rechter**

Finanzgericht Hamburg (Duitsland) beslissing van 5 november 1976 V 17/75 N

**Zaak ingediend op**

3 januari 1977

**Advocaat-generaal**

Warner

**Nationale beslissing na het arrest**

Finanzgericht Hamburg beslissing van 10 april 1979 V 17/75 N

## Over het document

**Verzameling**

Europese rechtspraak, andere materies

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Procestaal**

Duits

**Jurisprudentie**

Jurispr. 1977, blz. 1473

**Meer informatie**

**Rechter-rapporteur**

Donner

**Repertorium van het Hof**

- [Europese Gemeenschap (EEG/EG)](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B) [Vrij verkeer van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02%2C578-4.02) [Handelsverkeer met derde landen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04)

  - [Douanewaarde](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.03) [Bepaling van de douanewaarde van goederen](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.03.01) 15 beslissingen
  - [Gemeenschappelijk douanetarief](https://juriel.be/nl/zoeken?repertoire=577-B-02.04.02) 29 beslissingen

## Tekst

34 paragrafen

### ARREST

### Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten van de zaak, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) gemaakte opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

#### I — Feiten en procesverloop

1.

Voorwerp van geschil in het hoofdgeding is de douanewaarde van een zogenoemde COS-machine (Cast-on Strap), waarmee volgens een geoctrooieerde werkwijze verbindingsstrips voor loodaccu's worden vervaardigd. De machine zelf wordt door twee octrooien beschermd. Het geschil betreft het feit dat bij de bepaling van de douanewaarde ook de door verzoekster in het hoofdgeding betaalde licentierechten in aanmerking zijn genomen. Het geoctrooieerde COS-procedé dient ter vervaardiging van platenblokken voor elektrische accumulatoren, waarbij stellen roosterplaten en isolatieschotjes met klemmen worden vastgezet; in deze toestand worden bepaalde delen met een vloeimiddel gereinigd; gesmolten metaal wordt in een gietvorm gegoten, waar het verhardt en sommige van de bedoelde platen vastzet en elektrisch geleidend met elkaar verbindt. Fabrikant van de COS-machine en octrooihouder — ook voor wat het octrooi op de werkwijze betreft — is de firma Globe-Union, Inc, te Milwaukee (Verenigde Staten) (na te noemen „Globe”). Op 20 mei 1965 heeft verzoekster in het hoofdgeding met Globe-Union Overseas Ltd., te Londen („G-UO”), een zusteronderneming van de fabrikant, die gerechtigd is over de COS-octrooien te beschikken, een licentieovereenkomst (COS Licence Agreement, „LA”) gesloten, later gewijzigd bij overeenkomst van 6 en 12 december 1968. Ingevolge die overeenkomst verkreeg verzoekster het recht COS-machines te vervaardigen, te verwerven en te gebruiken, alsmede het recht de COS-werkwijze, de technische informaties en de daarop betrekking hebbende octrooien te exploiteren.

De informaties en de door G-UO te verlenen bijstand betroffen onder meer het volgende:

a) adviezen bij de invoering van het COS-procédé en de constructie van volgens dit procédé vervaardigde accu's,

b) het bespreken van problemen bij bezoeken van deskundigen van Globe en verzoekster aan de fabrieken van Globe, respectievelijk te Hildesheim,

c) informaties over de recepten voor de vervaardiging van het vloeimiddel, over de temperatuur van de loodbaden en de samenstelling van de loodlegeringen, die bij het COS-procédé toepassing vinden.

Voorts verkreeg verzoekster een nietoverdraagbare, niet-exclusieve licentie voor de vervaardiging, het gebruik en de verhandeling van de gelicentieerde accu's (d.w.z. accu s vervaardigd met gebruikmaking van de al dan niet geoctrooieerde technische informaties betreffende de COS-machine en het COS-procédé) in alle landen van het Europese vasteland en in enkele Afrikaanse en Aziatische landen. Als tegenprestatie voor de verleende diensten moest verzoekster aan G-UO betalen een eenmalige vergoeding van US-$ 10000, en voor elke verkochte gelicentieerde accu gedurende de eerste vijf jaar van het contract een royalty van 1,15 cents per 6-voltaccu en van 2,30 cents per 12-voltaccu, doch tenminste een vergoeding van US-$ 7000 per contractjaar (artikel V 5.2. LA). Vanaf het zesde contractjaar waren nog slechts royalty's verschuldigd voor gelicentieerde accu's, vervaardigd of ontworpen met gebruikmaking van een of meer der in artikel 1 LA genoemde octrooien. Voorts daalden de royalty's tot de helft van de in artikel V 5.2. genoemde bedragen, terwijl de minimum jaarvergoeding verviel (artikel V 5.3.).

2.

Op 4 juni 1974 voerde verzoekster een COS-machine, afkomstig van Globe USA in Duitsland in. Volgens de voorlopige douanenota van 5 juni 1974 was een invoerrecht verschuldigd van DM 20333, berekend op basis van een douanewaarde van DM 271107,27, waarin een toeslag van DM 42631 wegens licentierechten was begrepen.

Bij de berekening van deze toeslag was uitgegaan van een rapport, op 15 maart 1974 opgesteld door de controledienst van de afdeling „douanewaarde” van de Bundeszollverwaltung. Na een nieuw rapport van genoemde dienst van 7 augustus 1974 werd op 23 augustus de definitieve douanenota vastgesteld.

Op 5 september 1974 diende verzoekster een klacht in tegen deze nota, die door verweerder bij beschikking van 4 maart 1975 als ongegrond werd afgewezen (afgezien van een voor het geding ten gronde niet meer relevante correctie, waarbij de litigieuze toeslag werd verlaagd tot DM 27099,43). Tegen de beschikking stelde verzoekster op 4 april 1975 beroep in bij het Finanzgericht Hamburg. Zij betoogde dat de vergoeding voor de octrooien op de machine in de koopprijs was inbegrepen. De geoctrooieerde werkwijze was volgens haar niet in de COS-machine belichaamd, zoals het geval was in de door het Bundesfinanzhof besliste gevallen. De ingevoerde machine was niet bruikbaar zonder kennis van de vloeimiddelrecepten, de temperatuur van de loodbaden en de samenstelling van de loodlegeringen. De machine kon ook niet voor andere produktiemethoden worden aangewend, maar uitsluitend voor het COS-procédé. De kennis van het vloeimiddelrecept, de temperatuur en de samenstelling van de loodlegeringen was als onstoffelijk economisch goed ingevoerd.

De in de artikelen V 5.2 en 5.3 bedoelde licentierechten, aldus verzoekster, werden slechts betaald voor de octrooien op het COS-procédé, voor de informaties, de technische bijstand en de in artikel IV 4.1. bedoelde rechten, niet voor het octrooi op de machine, waarvoor de vergoeding in de koopprijs was begrepen. De waarde van het octrooi op de werkwijze, de informaties en de technische bijstand mochten niet tot de douanewaarde van de machine worden gerekend. Zouden de licentierechten evenwel toch tot de douanewaarde behoren, dan diende de toeslag aanmerkelijk te worden verlaagd.

Volgens verweerder in het hoofdgeding waren de octrooien op de machine geenszins met de koopprijs betaald. De koopprijs en de naar evenredigheid verschuldigde royalty's voor het gebruik van de octrooien op de machine vormden de economische tegenwaarde voor de verwerving en het gebruik van de machine. Volgens de preambule van het LA moest verzoekster in staat worden gesteld, om, met het oog op de vervaardiging van loodaccu's, de COS-uitrusting te vervaardigen dan wel te verwerven en te gebruiken, alsmede het recht hebben om het COS-procédé commercieel te exploiteren en gebruik te maken van de daarvoor noodzakelijke technische informatie en octrooien. Het afsluiten van de licentieovereenkomst was voorwaarde voor het kopen van en het vrij beschikken over de COS-uitrusting (machine en verdere benodigdheden). De geoctrooieerde werkwijze wordt op de COS-machine toegepast en de machine was uitsluitend voor deze werkwijze geconstrueerd. Het procédé was derhalve in de machine belichaamd.

3.

Ten aanzien van de douanewaarde van goederen bepaalt artikel 1 van verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148 blz. 6):

> „1. Voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief is de douanewaarde van in te voeren goederen de normale prijs, dat wil zeggen de prijs welke geacht wordt op het tijdstip, bedoeld in artikel 5, voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.
>
> 2\. Bij het bepalen van de normale prijs van de in te voeren goederen wordt ervan uitgegaan dat:
>
> a) de goederen aan de koper worden geleverd op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap;
>
> b) de verkoper alle kosten draagt die betrekking hebben op de koop en verkoop en op de levering van de goederen op de plaats van binnenkomst; deze kosten zijn mitsdien in de normale prijs begrepen;
>
> c) de koper de in het douanegebied van de Gemeenschap verschuldigde belastingen en heffingen draagt; deze zijn mitsdien niet in de normale prijs begrepen.”

Artikel 3, lid 1, van de verordening luidt:

> „1. Indien de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald,
>
> a) zijn vervaardigd met gebruikmaking van een octrooi of naar een beschermde tekening of een beschermd model, of
>
> b) worden ingevoerd onder een fabrieks-of handelsmerk, of
>
> c) worden ingevoerd om onder een buitenlands fabrieks-of handelsmerk verkocht, anderszins overgedragen of gebruikt te worden,
>
> wordt bij het bepalen van de normale prijs ervan uitgegaan dat in deze prijs is begrepen de waarde van het recht tot gebruik van het octrooi, van de tekening, van het model of van het fabrieks- of handelsmerk, voor bedoelde goederen. Deze bepaling is eveneens van toepassing op auteursrechten en op ieder ander recht, voortvloeiend uit de intellectuele of industriële eigendom.”

4.

Bij beschikking van 5 november 1976 heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie gevraagd om een prejudiciële beslissing over de vraag „of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 803/68 van de Raad (inzake de douanewaarde van de goederen) aldus moet worden uitgelegd, dat de normale prijs ook de waarde omvat van de in een machine belichaamde octrooien op een werkwijze, in de zin van het arrest van het Bundesfinanzhof van 7 augustus 1962 (zaak VII 89/60 U, Bundessteuerblatt III 1962, S. 549).”

De verwijzingsbeschikking is op 3 januari 1977 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs statuut (EEG) zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door de heer Uhl, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Amphoux als gemachtigde, bijgestaan door M. Beschel, lid van de juridische dienst.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Bij beschikking van 27 april 1977 heeft het Hof met toepassing van artikel 95, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering besloten de zaak naar de Eerste Kamer te verwijzen.

#### II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen

Volgens verzoekster in het hoofdgeding is de gestelde vraag voor de wettelijke regeling van de douanewaarde slechts van belang wanneer, naast de koopprijs voor de machine, ook voor het octrooi of de octrooien op een werkwijze een koopprijs (bij overdracht van het recht op de geoctrooieerde werkwijze) of royalty's (bij verlening van een licentie voor het gebruik van de geoctrooieerde werkwijze) verschuldigd zijn.

Men dient onderscheid te maken tussen de volgende gevallen:

1\. De ingevoerde geoctrooieerde machine is zodanig geconstrueerd, dat degene die ze volgens de gebruiksaanwijzing gebruikt, automatisch de geoctrooieerde werkwijze toepast. Technisch is het niet mogelijk de geoctrooieerde werkwijze anders toe te passen dan met gebruikmaking van de geoctrooieerde machine.

2\. Als sub 1; de geoctrooieerde werkwijze kan echter ook op andere wijze worden toegepast, bij voorbeeld met de hand of met behulp van andere machines.

3\. Als sub 1 en 2, doch de geoctrooieerde werkwijze kan slechts gedeeltelijk met de machine worden toegepast; het andere deel moet met de hand of met behulp van andere machines gebeuren.

4\. De geoctrooieerde machine is zodanig geconstrueerd, dat de geoctrooieerde werkwijze slechts dan met behulp van de machine kan worden toegepast, wanneer men de bijzonderheden van de werkwijze kent en toepast.

5\. Als sub 2-4; de machine kan echter ook worden gebruikt voor doelen die geen verband houden met de geoctrooieerde werkwijze.

6\. Als sub 1-5; de machine is echter niet of niet meer geoctrooieerd.

##### Ad 1:

Op grond van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 803/68 kunnen royalty's die naast en boven de koopprijs verschuldigd zijn voor het octrooi op het produkt (machine), in de douanewaarde worden begrepen. Het in aanmerking nemen van royalty's voor een of meer octrooien op een werkwijze kan evenwel in beginsel niet op deze bepaling worden gebaseerd.

##### Ad 2:

In dit geval is het voor de uitvinder absoluut noodzakelijk de werkwijze te doen octrooieren. Een afwijking van het ad 1 bedoelde beginsel is dus niet gerechtvaardigd.

##### Ad 3:

Het ad 1 en 2 opgemerkte geldt op overeenkomstige wijze voor de royalty 's voor het octrooi op de werkwijze, voor zover zij verschuldigd zijn wegens de verrichtingen die met behulp van de geoctrooieerde machine kunnen en ook metterdaad worden uitgevoerd. Enerzijds is het echter uitermate moeilijk om dat deel te bepalen. Anderzijds zijn de royalty's voor een gelicentieerd procédé slechts verschuldigd indien de licentienemer alle verrichtingen van de geoctrooieerde werkwijze uitvoert, en eerst op het tijdstip waarop de laatste verrichting is uitgevoerd. Het lijkt derhalve gerechtvaardigd in dit geval de royalty's voor het octrooi op de werkwijze niet tot de douanewaarde te rekenen.

##### Ad 4:

De geoctrooieerde werkwijze is in de machine niet zodanig belichaamd, dat degene die de machine gebruikt (of liever: tracht te gebruiken) overeenkomstig de gebruiksaanwijzing, dus ook de geoctrooieerde werkwijze kan toepassen. In dit geval is opneming (geheel of gedeeltelijk) van de voor die werkwijze verschuldigde royalty's in de douanewaarde niet gerechtvaardigd. Dit zou er immers op neerkomen dat op onstoffelijke economische goederen, die niet in de machine zijn belichaamd, invoerrechten worden geheven.

##### Ad 5:

Het is volstrekt onzeker of en eventueel hoe lang de ingevoerde machine voor het toepassen van de geoctrooieerde werkwijze zal worden gebruikt. Deze onzekerheid — gevoegd bij de sub 2-4 genoemde gronden — verzet zich in beginsel tegen opneming van de voor de werkwijze verschuldigde royalty's in de douanewaarde.

##### Ad 6:

Het feit dat de machine niet geoctrooieerd is, heeft voor zover het de regeling van de douanewaarde betreft, geen enkele invloed op de beoordeling.

Volgens de Commissie gaat het er bij de prejudiciële vraag om, in welke omstandigheden naar gemeenschapsrecht moet worden aangenomen dat het octrooi op een werkwijze in een voorwerp is „belichaamd”. Bij de beantwoording van deze vraag speelt naast de door de nationale rechter aangehaalde bepaling, ook artikel 1 van verordening nr. 803/68 een rol.

1\. Volgens artikel 3, lid 1, sub a, van verordening nr. 803/68 moet de waarde van het recht tot gebruik van het octrooi in de douanewaarde worden opgenomen, indien de goederen met gebruikmaking van een octrooi zijn vervaardigd Dit geldt ook wanneer het goed als zodanig voorwerp is van een octrooi op een produkt, zodat het goed hoe dan ook slechts door de octrooigerechtigde kan worden vervaardigd. Een goed wordt ook „vervaardigd met gebruikmaking van een octrooi” wanneer het rechtstreeks door toepassing van een geoctrooieerde werkwijze is voortgebracht. In zoverre kan men zeggen dat artikel 3, lid 1, sub a, ook betrekking heeft op octrooien op een werkwijze. Uit de bepaling naar de letter genomen blijkt echter duidelijk dat zij alleen geldt voor geoctrooieerde werkwijzen waarvan gebruik is gemaakt voor de vervaardiging van het ingevoerde goed. Daarentegen biedt zij geen grondslag voor opneming in de douanewaarde van octrooien op een werkwijze, waarvan na de invoer, bij het gebruik van het goed, gebruik wordt gemaakt. Deze beperking van het toepassingsgebied, die reeds uit de volstrekt duidelijke tekst van artikel 3, lid 1, sub a, voortvloeit, ligt trouwens voor de hand. Bij de bepaling van de douanewaarde gaat het er immers om, de economische waarde van de ingevoerde goederen, dat wil zeggen de waarde van de goederen zoals zij worden ingevoerd, vast te stellen. Ofschoon dus voor de opneming in de douanewaarde van octrooien op een werkwijze, die bij het gebruik van het ingevoerde goed worden geëxploiteerd, geen grondslag te vinden is in artikel 3, lid 1, sub a, van verordening nr. 803/68, is daarmee het probleem van de „belichaming” van die octrooien in het goed nog niet definitief opgelost. Indien de mogelijkheid of de noodzaak om een geoctrooieerde werkwijze toe te passen, in het goed zelf ligt besloten, moet worden nagegaan of de waarde van die werkwijze ingevolge de in artikel 1 van verordening nr. 803/68 vervatte grondregel niet reeds in de douanewaarde moet worden begrepen. De Commissie bespreekt daarom de term „ingevoerd goed” in de zin van deze bepaling.

2\. Verordening nr. 803/68 berust op het beginsel van „invoerrechten op goederen”: belast worden goederen, dat wil zeggen stoffelijke voorwerpen, maar niet onstoffelijke economische goederen. De „normale prijs” waarop de douanewaarde is gebaseerd, is afhankelijk van de economisch relevante en meetbare eigenschappen van het goed. Als een goed tegen de normale prijs is verworven, moet worden aangenomen dat de eigenaar tevens het recht heeft gekregen het op een bepaalde wijze vrij te gebruiken. Als boven de eigenlijke koopprijs nog een bijzondere vergoeding voor het gebruik van het goed is betaald, is deze vergoeding een deel van de normale prijs. Omgekeerd dient men een bijzondere „know-how”, die los staat van het goed — en die eventueel octrooirechtelijk kan zijn beschermd —, niet op zijn douanewaarde te beoordelen, zelfs indien het goed in het kader van die werkwijze wordt gebruikt. De werkwijze is dan geen deel van het goed zelf, maar hoogstens een nevenvoorwaarde voor een economisch gebruik ervan. De eventueel voor die werkwijze betaalde vergoeding moet dus niet in de douanewaarde worden opgenomen. Wanneer het echter gaat om een machine die speciaal geconstrueerd is voor het toepassen van een geoctrooieerde werkwijze, kan men verdedigen dat die werkwijze in de constructie van het goed is belichaamd. In dat geval lijkt het logisch bij de berekening van de douanewaarde mede de vergoeding voor het gebruik van de werkwijze in aanmerking te nemen. Volgens de Commissie gaat dit echter slechts op wanneer aan strengere criteria is voldaan dan door het Bundesfinanzhof zijn toegepast (zie het in de prejudiciële vraag genoemde arrest). Het is niet voldoende dat de gebruiker van de machine de geoctrooieerde werkwijze daarmee kan toepassen. Door die enkele mogelijkheid immers wordt het octrooi nog niet tot een integrerend bestanddeel van de machine. Het is denkbaar dat de machine ook op andere wijze economisch bruikbaar is. Bovendien staat geenszins vast dat de geoctrooieerde werkwijze juist de toestand en de bijzondere kenmerken van de machine betreft. Het is anders wanneer de machine niet economisch kan worden gebruikt zonder tegelijkertijd een geoctrooieerde werkwijze toe te passen, want in beginsel moet worden aangenomen dat de verkrijging van het goed het recht impliceert om het overeenkomstig zijn bestemming te gebruiken. Wordt voor het gebruiksrecht een afzonderlijke vergoeding verlangd, dan is dat als een splitsing van de koopprijs te beschouwen en moet daarmee bij de vaststelling van de douanewaarde rekening worden gehouden. Om de waarde van de werkwijze in de douanewaarde te kunnen opnemen, is derhalve vereist dat het gebruik van de machine steeds en noodzakelijkerwijze de toepassing van de geoctrooieerde werkwijze impliceert. Maar zelfs dit wil niet altijd zeggen dat de werkwijze in de machine is belichaamd. Een werkwijze die met behulp van een machine wordt toegepast, is immers daarin slechts belichaamd voor zover de verrichtingen rechtstreeks door de machine zelf worden uitgevoerd. In zoverre bestaat er dan een natuurnoodzakelijke identiteit tussen het met de bestemming overeenkomende gebruiksrecht (als bestanddeel van het goed) en de exploitatie van het octrooi op de werkwijze. Wanneer het gebruik van de machine in deze zin en de volledige toepassing van de geoctrooieerde werkwijze volkomen samenvallen, moet de totale waarde van het octrooi op de werkwijze in de douanewaarde worden opgenomen. Dat dit geval zich voordoet, is althans naar Duits octrooirecht echter moeilijk denkbaar wanneer de machine zelf door een pro-duktoctrooi beschermd is. Wanneer evenwel het octrooi op een werkwijze inhoudelijk meer omvat dan een beschrijving van de werking van de machine, maar ook betrekking heeft op andere verrichtingen, moet onderscheid worden gemaakt tussen het gedeelte van de beschermde werkwijze, dat noodzakelijk samenvalt met de werking van de machine, en het gedeelte dat betrekking heeft op een zelfstandige „uitvindings-know-how” ten aanzien van de produkten die met behulp van de machine worden vervaardigd. Slechts wanneer voor het eerstbedoelde gedeelte een afzonderlijke vergoeding wordt verlangd, moet deze bij de vaststelling van de normale prijs in aanmerking worden genomen. Wordt een globale vergoeding betaald, dan zal men in de regel tot uitsplitsing moeten overgaan. De nationale rechter dient derhalve uit te maken of en in hoeverre het gebruik van de machine noodzakelijkerwijze de exploitatie van een octrooi op een werkwijze impliceert. De Commisie stelt voor de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt. Artikel 3, lid 1, sub a, van verordening nr. 803/68 biedt geen rechtsgrondslag om bij de vaststelling van de douanewaarde van bepaalde machines die met gebruikmaking van een octrooi zijn vervaardgid, de octrooien op een werkwijze verband houdend met het gebruik van de machines na de invoer, mede in aanmerking te nemen. Wanneer, boven de koopprijs van de machine, een vergoeding voor de exploitatie van een octrooi op een werkwijze is verschuldigd, dient deze vergoeding bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde machine slechts in aanmerking te worden genomen indien de machine uitsluitend voor de toepassing van die werkwijze kan worden gebruikt en het octrooi op de werkwijze uitsluitend betrekking heeft op de verrichtingen van de machine zelf.

#### IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 26 mei 1977 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoekster in het hoofdgeding, ten deze vertegenwoordigd door de heren Schneider en Uhl, alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ten deze vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Amphoux, bijgestaan door M. Beschel.

Overwegende dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 juni 1977 conclusie heeft genomen;

### Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 5 november 1976, ingekomen ter griffie van het Hof op 3 januari 1977, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag heeft gesteld inzake de uitlegging van verordening nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1968, L 148, blz. 6), inzonderheid van artikel 3;

dat die vraag is gerezen in het kader van een geschil over de douanewaarde van een COS-machine (Cast-on strap), die door een zogenoemd octrooi op een produkt wordt beschermd, terwijl daarnaast de werkwijze voor het gebruik van de machine ter vervaardiging van verbindingsstrips voor loodaccu's door een zogenoemd octrooi op een werkwijze wordt beschermd;

dat het bij de gestelde vraag erom gaat, of bij het bepalen van de „normale prijs”, dat wil zeggen de douanewaarde van de machine, het voor het gebruik ervan bestaande octrooi op de werkwijze mede in aanmerking moet worden genomen, en met name „of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 803/68 van de Raad (inzake de douanewaarde van de goederen) aldus moet worden uitgelegd, dat de normale prijs ook de waarde omvat van de in een machine belichaamde octrooien op een werkwijze, in de zin van het arrest van het Bundesfinanzhof van 7 augustus 1962 (zaak 89/60 U, Bundessteuerblatt III 1962, S. 549)”;

2. Overwegende dat genoemd arrest van het Bundesfinanzhof is gewezen op grond van destijds gelding bezittende nationale bepalingen en rechterlijke uitspraken, die inmiddels door de gemeenschapsregeling zijn achterhaald, weshalve het probleem thans alleen in het licht van de bepalingen van het gemeenschapsrecht moet worden onderzocht;

3.

Overwegende dat artikel 1 van verordening nr. 803/68 bepaalt dat „voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief de douanewaarde van in te voeren goederen de normale prijs is, dat wil zeggen de prijs welke geacht wordt … voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn”;

dat in de volgende artikelen wordt geregeld hoe dit beginsel moet worden toegepast met inachtneming van de verschillende elementen die de prijs van het goed kunnen beïnvloeden;

dat artikel 3, lid 1, sub a, bepaalt als volgt: „Indien de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald, zijn vervaardigd met gebruikmaking van een octrooi of naar een beschermde tekening of een beschermd model, wordt bij het bepalen van de normale prijs ervan uitgegaan dat in deze prijs is begrepen de waarde van het recht tot gebruik van het octrooi, van de tekening, van het model … voor bedoelde goederen. Deze bepaling is eveneens van toepassing op auteursrechten en op ieder ander recht, voortvloeiende uit de intellectuele of industriële eigendom”;

4.

Overwegende dat het gemeenschappelijk douanetarief naar zijn aard slechts betrekking heeft op de invoer van goederen, dat wil zeggen stoffelijke voorwerpen, en niet van toepassing is bij de invoer van onstoffelijke goederen zoals werkwijzen, diensten of „know-how”, die reeds vanwege hun aard douanetechnisch moeilijk grijpbaar zijn;

dat men dus bij de bepaling van de douanewaarde in beginsel alleen dient af te gaan op de eigenlijke waarde van het voorwerp en de waarde van al dan niet geoctrooieerde werkwijzen waarbij het kan worden gebruikt, buiten beschouwing moet laten;

dat anders, door een te ruime uitlegging van de termen waarde en prijs, de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief dreigt te worden uitgebreid tot de introductie in de Gemeenschap van inventieve ideeën als zodanig — zonder dat zij neerslag hebben gevonden in een stoffelijk voorwerp —, welke toepassing noodzakelijkerwijze willekeurig zou zijn omdat het niet mogelijk is het — meer of minder onzekere — verband tussen die ideeën en de betrokken goederen op te sporen;

5.

Overwegende dat artikel 3 slechts spreekt van de octrooien met gebruikmaking waarvan de goederen worden vervaardigd, daarmee blijkbaar de octrooien welke de werkwijze voor het gebruik van dat goed betreffen, uitsluitend;

dat dit onderscheid evenwel geen zin heeft wanneer er tussen het vervaardigde voorwerp en de werkwijze voor het gebruik een dusdanig nauw verband bestaat, dat beide in een en hetzelfde goed zijn belichaamd;

dat immers een uitlegging van artikel 3 in overeenstemming met de doelstellingen van het in artikel 1 der verordening neergelegde beginsel noopt tot de zienswijze dat een geoctrooieerde werkwijze in het goed is belichaamd wanneer, enerzijds, het goed alleen met toepassing van die werkwijze economisch zinvol kan worden gebruikt en, anderzijds, de werkwijze slechts toepasbaar is met gebruikmaking van het goed;

6. Overwegende dat mitsdien moet worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, sub a, van 's Raads verordening nr. 803/68 aldus moet worden uitgelegd, dat in de normale prijs van een goed de waarde van een octrooi op een werkwijze is begrepen wanneer de beschermde werkwijze in dat goed onafscheidelijk is belichaamd en het enige economisch nuttige gebruik ervan oplevert;

#### Ten aanzien van de kosten

7.

Overwegende dat de kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat het Finanzgericht Hamburg over de kosten heeft te beslissen;

### Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste Kamer),

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 5 november 1976 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, sub a, van 's Raads verordening nr. 803/68 moet aldus worden uitgelegd, dat in de normale prijs van een goed de waarde van een octrooi op een werkwijze is begrepen wanneer de beschermde werkwijze onafscheidelijk in dat goed is belichaamd en het enige economisch nuttige gebruik ervan oplevert.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

## Aangehaalde teksten

3

verordening 803/68 art. 3 uitgelegd 6 voorkomens

verordening 803/68 art. 1 4 voorkomens

EEG-Verdrag art. 177 2 voorkomens

## Rechtspraak

1

### Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal Kokott C-41/04 12.05.2005

#### [Overdracht van op drager opgeslagen software](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-41-04-conclusie)
