---
title: "Parlementaire vraag M09 · Uitvoerend artiest. Socio-culturele sector. Organisator van schouwspelen en concerten. Auteursrecht. Theaterbureau. Culturele"
description: "Uitvoerend artiest. Socio-culturele sector. Parlementaire vraag nr. M09 van 13 mei 1998 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/m09-uitvoerend-artiest-socio-culturele-sector-99f8"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/m09-exemption-art-44-artiste-executant-270e"
---

# Uitvoerend artiest. Socio-culturele sector. Organisator van schouwspelen en concerten. Auteursrecht. Theaterbureau. Culturele · Uitvoerend artiest. Socio-culturele sector. Organisator van schouwspelen en concerten. Auteursrecht. Theaterbureau. Culturele organisatie. Culturele dienst. Uitgever van grammofoonplaten. Maker van films. Dienst verstrekt door acteur. Dienst verstrekt door orkestleider. Dienst verstrekt door muzikant. Aanschrijving 13/1997

**Nummer**

M09

**Datum**

13 mei 1998

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

36 paragrafen

**C.R.A.COM.CH.S.O. 1997-1998, 13.05.1998 blz. 1**

*Uitvoerend artiest - Socio-culturele sector - Organisator van schouwspelen en concerten - Auteursrecht - Theaterbureau - Culturele organisatie - Culturele dienst - Uitgever van grammofoonplaten - Maker van films - Dienst verstrekt door acteur - Dienst verstrekt door orkestleider - Dienst verstrekt door muzikant -* [*Aanschrijving 13/1997*](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/13-1997-aanschrijving-artiste-b303)

## **VRAAG**

De heer Hugo Olaerts : De toepassing van de BTW-voet van 21 procent voor de uitvoerende artiesten leidde al tot beroering. Het tarief verlaagde ondertussen wel naar 6 procent. De BTW zou globaal moeten worden geregeld voor de socio-culturele sector. Er zou voorafgaandelijk overleg moeten komen en de regeling zou bij voorkeur moeten ingaan vanaf 1 januari. Wallonië blijft grotendeels buiten schot, maar Vlaanderen wordt zwaar getroffen. Het interministerieel overleg bracht geen soelaas.

## **ANTWOORD**

De rechtsonzekerheid is groot, ondanks het persbericht van de regering en het koninklijk besluit.

Wie is nu eigenlijk onderworpen aan de BTW en wie niet ? Wat is het verschil tussen erkende en gesubsidieerde gezelschappen ?

Wat met de coproducties tussen BTW-plichtigen en buitenlandse organisatoren ? Wat met de sponsoringcontracten ? Wat wordt bedoeld met de zinsnede "soortgelijke activiteiten" in het koninklijk besluit ?

Het interministerieel overleg bracht weinig verduidelijking. Er blijft onzekerheid. Er worden uiteenlopende inlichtingen en aanschrijvingen verstrekt. Ik had daarom graag een antwoord op de volgende vragen : Wat is het verschil tussen erkende en gesubsidieerde gezelschappen ? Wat met de auteurs en componisten van opdrachten ? Wat met de artiesten met terugbetaalde onkosten door de overheid ? Wat met de culturele ambassadeurs ? Wat met de gezelschappen die in promotie en spreiding worden gesteund door Volksontwikkeling ? Wat voor de geselecteerde gezelschappen van de bijzondere circuits ? Wat met de initiatieven voor "culturele manifestaties" en "amateurkunsten" ? Wat met de groepen die niet erkend zijn door de Vlaamse Gemeenschap, maar wel steun ontvangen van andere overheden ? Wat met de zaal- en infrastructuurverhuur voor vrijgestelde instellingen ? Wat met de organisatie van concerten en opvoeringen voor derden ? Wat met de coproducties met BTW-plichtigen en/of buitenlandse gezelschappen en organisatoren ? Wat met de sponsoringcontracten, de uitkoopsommen voor artistieke en technische prestaties, de verkoop van promotiemateriaal, enz. ?

De overgangsmaatregel bepaalt dat de nieuwe maatregel pas wordt toegepast voor contracten die afgesloten zijn vanaf 1 april 1998 en zijn uitgevoerd ten laatste op 30 juni 1999. Dit is onwettelijk gezien de BTW-plicht ontstaat op het moment dat de factuur wordt opgemaakt. Het was dus veel beter geweest om pas vanaf 1 januari 1999 verandering aan te brengen.

Anderzijds had men de hele BTW-problematiek voor de socio-culturele sector grondig moeten voorbereiden omdat de nieuwe maatregelen leiden tot nieuwe vormen van discriminatie. Een voorbeeld : BTW-plichtigen kunnen de BTW - overwegend 21 procent - rechtstreeks recupereren terwijl dit voor de niet-BTW-plichtigen een verhoogd kostprijselement is.

Aanvullend grijpen plaatselijke BTW-controleurs de onduidelijke aanschrijvingen aan om activiteiten van "erkende" instellingen toch te onderwerpen aan de BTW-plicht, waardoor de verwarring almaar groter wordt.

De Vlaamse culturele sector wordt beschadigd en is het stiefmoederlijk kind van de federale rekening.

De heer Rik Daems : Op 2 april verscheen het koninklijk besluit over het BTW-statuut van uitvoerende artiesten. Het zou 6 procent bedragen. Waarom geldt dat tarief niet voor auteursrechten die betrekking hebben op computeractiviteiten ? In het licht van de nakende invoering van de euro zou dat aangewezen zijn. De 6 procent geldt ook voor rechtspersonen en feitelijke verenigingen, echter niet voor reclame. De door de gemeenschappen erkende instellingen zijn vrijgesteld van BTW. Ik heb daar vragen bij.

Wat bedoelt men met "soortgelijke activiteiten" ? Die onduidelijkheid zal tot interpretatiemoeilijkheden leiden. Welke regeling geldt voor de theaterbureaus ?

Waarom computerprogramma's uitsluiten van het verlaagd tarief ? Wat wordt bedoeld met "door de bevoegde overheid erkende instellingen" ? Welke regeling is er voor contracten die afgesloten werden vóór 1 april, maar waarvan de toepassing slechts later gebeurde ?

Er bestaat dus grote onzekerheid over het toepassingsveld van de BTW-voet van 6 procent. In geval van twijfel wordt door de administratie altijd het tarief van 21 procent toegepast. Enige duidelijkheid is dus dringend nodig.

De heer Philippe Maystadt, Vice-Eerste-Minister en Minister van Financiën en Buitenlandse Handel : Overeenkomstig [artikel 44, § 2, 8°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) zijn onder meer van de belasting vrijgesteld : de diensten aan organisatoren van schouwspelen en concerten, aan uitgevers van grammofoonplaten en van andere klankdragers en aan makers van films en van andere beelddragers, verstrekt door acteurs, orkestleiders, muzikanten en andere artiesten voor de uitvoering van toneelwerken, balletten, films, muziekstukken, circus, variété- of cabaretvoorstellingen.

Er werd beslist dat die vrijstelling zowel geldt ten aanzien van de diensten die worden verricht door een fysieke persoon, als ten aanzien van de prestaties verleend door feitelijke verenigingen en groeperingen. Bijgevolg kunnen alleen de uitvoerende artiesten die optreden onder de vorm van een rechtspersoon niet langer de vrijstelling genieten.

In de bijlage bij het KB nummer 20 worden de diensten beoogd die bestaan in het uitvoeren van toneelwerken, balletten, muziekstukken, circus-, variété- of cabaretvoorstellingen en soortgelijke activiteiten en die behoren tot de normale werkzaamheid van acteurs, orkestleiders, muzikanten en andere artiesten. Die diensten kunnen derhalve het tarief van 6 procent, genieten indien ze verstrekt worden bijvoorbeeld door een rechtspersoon of bijvoorbeeld door een feitelijke vereniging of groepering aan een medecontractant die niet bedoeld is in [artikel 44, § 2, 8°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Diensten die betrekking hebben op reclame zijn vanaf 1 april 1998 evenwel uitdrukkelijk uitgesloten en zijn derhalve onderworpen aan het normale BTW-tarief van 21 procent.

De aanschrijving wordt in die zin aangepast. De plaatselijke diensten werden reeds op de hoogte gebracht van dit nieuwe standpunt.

Ingevolge [artikel 44, § 2, 9°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) zijn van de belasting vrijgesteld de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties alsook de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze diensten door instellingen erkend door de bevoegde overheid, mits de inkomsten die zij verkrijgen uit hun werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten ervan.

Onder de "erkennende bevoegde overheid" worden verstaan de gemeenten en gewesten die bevoegd zijn voor culturele aangelegenheden. In dit verband gaat de administratie ervan uit dat de toekenning van werkingstoelagen op grond van bovengenoemde reglementering die erkenning inhoudt. De aldus erkende instellingen - hieronder begrepen de gezelschappen - kunnen de vrijstelling genieten beoogd in voornoemd artikel 44, § 2, 9°, voor hun culturele diensten, voor zover de inkomsten die zij verkrijgen uitsluitend gebruikt worden tot dekking van de kosten van hun werkzaamheid. De BTW-regeling die hier van toepassing is hangt af van de inhoud van de contracten.

De vrijstelling bedoeld in [artikel 44, § 2, 9°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) geldt alleen voor culturele diensten en de daarmee samenhangende leveringen van goederen, bijvoorbeeld programmaboekjes, ongeacht of hun productie in eigen zaal of elders wordt vertoond.

De overige diensten die desgevallend worden verricht door bedoelde instellingen volgen op het stuk van de toepassing van de BTW elk hun eigen regeling. Aan de hand van de inhoud van de contracten die terzake tussen de partijen worden gesloten dient te worden bepaald welk BTW-regime daarop van toepassing is.

Bij wijze van voorbeeld kan worden aangehaald dat de loutere verhuur van een zaal met infrastructuur in de regel voor het geheel wordt aangemerkt als een op grond van [artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) van de belasting vrijgestelde onroerende verhuur.

Tot slot vestig ik de aandacht er op dat elk concreet geval dermate specifiek is, dat het onmogelijk is om bij wijze van algemene richtlijnen een pasklare oplossing te formuleren voor elke situatie.

De heer Hugo Olaerts : De minister heeft meer duidelijkheid gebracht, waarvoor mijn dank. Toch dring ik erop aan dat de aanschrijving van 3 april 1998 verder wordt gepreciseerd.

De minister heeft niet geantwoord op mijn vraag over het interministerieel overleg. Tot wat heeft dat geleid ?

Verder blijven er problemen met de zogezegde gemengde activiteiten en de coproducties. Ook daar bleef een antwoord uit. Deze en andere onbeantwoorde vragen zal ik in schriftelijke vragen omzetten.

Ik blijf betreuren dat de hele aangelegenheid niet grondiger werd voorbereid. Ik meen dat er dit jaar een gedoogbeleid moet komen voor deze sector.

De heer Rik Daems : Ik kreeg geen antwoord op mijn vraag over de mogelijkheid de BTW voor computerprogramma's te verlagen. De nieuwe regeling werkt kostenverhogend. Is het de bedoeling de minderontvangsten in de culturele sector op die wijze te compenseren ? Denkt de minister eraan het BTW-tarief te verlagen naar 6 procent ?

Minister Philippe Maystadt : Ik zal antwoorden op de schriftelijke vragen van de heer Olaerts.

De tweede vraag van de heer Daems stond niet op de agenda. Toen ik de door mijn administratie verschafte cijfergegevens bekeek, raakte ik ervan overtuigd dat de BTW op 21 procent moest worden gebracht.

Het gaat hier om een aangelegenheid waarvoor de instemming van de andere gewesten niet vereist is. Voor de erkenning van culturele organisaties, zijn de gemeenschappen bevoegd. Luidens de BTW-regeling laat men dus de gemeenschappen zelf oordelen welke organisatie kan worden erkend. Die erkenning is doorgaans gekoppeld aan de toekenning van een subsidie.

De voorzitter : Het incident is gesloten.

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 5 voorkomens
