B.V.-COM,C497,Kamer, G.Z. 1997-1998, blz. 1-5
Aanschrijving 13/1997 - Tarief - Culturele sector - Artiest - Kunstenaar - Vennootschap en vereniging van artiesten - Uitvoerend artiest - Organisator van culturele activiteiten - Feitelijke vereniging - Vzw - Niet-professioneel kunstenaar - Belastingplichtige - Cultuur
VRAAG
De heer Rik Daems : Uit de media vernemen wij dat de BTW-regeling voor mensen die een artistieke activiteit uitoefenen veranderd is ingevolge een Europese richtlijn. Het is vreemd dat wij dit via de media moeten vernemen.
ANTWOORD
De wet voorziet nog steeds in een vrijstelling. Hoe kan een richtlijn de in de wet vastgestelde regeling wijzigen ? Over welke aanpassing en over welke richtlijn gaat het ? Waarop baseert de administratie zich om plots deze hele BTW-regeling te wijzigen ?
Als deze maatregel terecht is, dan nog kan men ervoor zorgen dat de betrokkenen van een lager BTW-tarief kunnen genieten. Dan maken we van deze activiteit een soort van zelfstandige activiteit, wat ook het sociaal statuut van deze artiesten ten goede komt. Bovendien zou het "grijze" circuit uit de wereld worden geholpen. In de Senaat heeft de minister gezegd een voorstander te zijn van een lager BTW-tarief. Is dat zo ?
Is de in de pers vermelde datum van 1 april 1998 wel haalbaar ? De afspraken tussen organisatoren en artiesten liggen immers al langere tijd vast en kunnen niet zomaar worden gewijzigd. Werd er in overgangsmaatregelen voorzien ?
Ik durf in ieder geval betwijfelen of van deze artistieke activiteiten een BTW-plichtige activiteit kan worden gemaakt : in de wet lezen we ook andere dingen.
De heer Jef Tavernier : Ook ik ben verbaasd omdat iets wordt ingevoerd op basis van een interpretatie. Is er overigens wel Europese rechtspraak die betrekking heeft op artiesten ?
Is er overleg geweest met de betrokken sector ? Wie valt er precies onder de nieuwe regeling ? Terzake is er nog veel onduidelijkheid. Wat zal de opbrengst zijn van deze wijziging ?
De heer Luc Goutry : Alle partijen zitten blijkbaar met dezelfde vragen : het gaat dan ook om een belangrijk probleem.
De culturele sector is moeilijk te organiseren : de grens tussen professionals en amateurs is vaak vaag. Ook het zelfstandig statuut zorgt voor problemen.
Zal de aangekondigde BTW-maatregel effectief worden doorgevoerd ? Waarom gebeurt dit zo plots ? Werd hierover overlegd met de betrokkenen ? Een werkgroep werkt momenteel aan het sociaal statuut van deze artiesten. Moet deze fiscale maatregel niet worden afgestemd op de resultaten van de werkgroep ? Waarom past men het BTW-tarief van 21 procent toe ?
De heer Ghislain Vermassen : Velen waren verrast door de nieuwe regeling inzake BTW-plicht voor de culturele sector. De artistieke producties zullen hierdoor alleszins duurder worden. Culturele centra en kleinere organisaties zullen hierdoor in moeilijkheden komen en het sociaal-culturele leven zal er nadeel van ondervinden.
De nieuwe regeling is ongelukkig omdat ze interfereert met werkzaamheden in andere domeinen, zoals de werkzaamheden rond het sociaal statuut van de kunstenaar. Er is ook een contradictie in het feit dat men enerzijds de kunstenaars beschouwt als werknemers en anderzijds als zelfstandigen aangezien de BTW-plicht wordt ingevoerd. De uitwerking van een sociaal statuut voor artiesten wordt doorkruist door deze fiscale maatregel. Ik vraag dan ook met aandrang dat de aangekondigde BTW-maatregel wordt uitgesteld tot we de eindmeet hebben bereikt met het sociaal statuut.
De heer Hugo Olaerts : We roepen de minister ter verantwoording voor de aanschrijving nummer 13 van 19 november 1997 over de BTW-vrijstelling die alleen zou gelden voor fysieke personen, maar niet voor vennootschappen of verenigingen van artiesten. Deze maatregel heeft verstrekkende gevolgen, vooral omdat onmiddellijk werd gekozen voor het hoogste BTW-percentage van 21 procent.
De minister is zich wellicht onvoldoende bewust van de nadelige gevolgen van de genomen maatregel. Ook het tijdstip van invoering is ongelukkig, omdat de cultur ele centra deze meerkosten niet hebben voorzien.
Waarom heeft men nu alleen de culturele sector willen treffen en niet bepaalde beroepscategorieën, zoals advocaten en notarissen, waarvoor de invoering van de BTW al lang werd aangekondigd.
Ik meen dat een grondig onderzoek nodig is vooraleer een definitieve regeling wordt opgelegd. Dat het niet om een jaszak-broekzakoperatie gaat bewijst de VVSG die stelt dat de opbrengst dit jaar circa 230 miljoen zou bedragen.
Heel wat jongeren zijn creatief bezig met muziek en andere kunstzinnige activiteiten. Deze maatregel beperkt hen in hun activiteiten. Daarom vraag ik dat de minister de maatregel herziet.
De heer Joris Huysentruyt : Deze maatregel zal in de praktijk worden ervaren als een wansmakelijke aprilgrap. De regering wil de crisis blijkbaar aanpakken door het verhogen van de inkomsten uit belastingen, zonder nieuwe belastingen te heffen. Dit werd duidelijk door de kaderwetten en vindt nu zijn bevestiging in deze fiscale maatregel.
Waarom kregen deze artiesten vroeger een vrijstelling en worden ze nu wel aangepakt ? Worden ook andere groepen het slachtoffer van deze operatie ?
Wat zijn de financiële consequenties voor het cultuurbeleid ? Een verlaging van het tarief is positief, maar heeft ook gevolgen.
Hoe is de verdeling van de inkomsten tussen Vlaanderen en Wallonië ? Probeert de Belgische Staat via de BTW-inkomsten de verliezen van de federalisering goed te maken en zo voor de zoveelste keer de Vlaamse creativiteit te fnuiken ?
Mevrouw Véronique Cornet : Over die circulaire lijkt een politieke en culturele consensus te bestaan.
Enkel personen die deel uitmaken van groepen, zouden kennelijk BTW-plichtig zijn.
Wat is de reden van die discriminatie ? Vindt zij haar oorsprong in de richtlijn die aan de circulaire ten grondslag ligt ? Werden voorafgaande gesprekken met de betrokken partners gevoerd ? Werden studies verricht om de economische weerslag van die circulaire vast te stellen ?
Die circulaire zal de prijs van de evenementen de hoogte injagen. Indien zij wordt toegepast, dreigen tal van burgers geen toegang tot de cultuur meer te hebben omdat zij zich geen theater- of concertbezoek meer kunnen veroorloven.
Ik denk dat er een consensus bestaat om die BTW tot 6 pct. te herleiden. De minister heeft in de Senaat te kennen gegeven dat die mogelijkheid bestaat.
De heer Philippe Maystadt, Vice-eerste Minister en Minister van Financiën en Buitenlandse handel : Er bestaat inderdaad ongerustheid bij de uitvoerende artiesten over het administratieve schrijven van 19 november 1997 betreffende de BTW-vrijstellingen. De BTW-wetgeving wordt echter niet gewijzigd : de vrijstelling uit artikel 44, § 2, 8°, van het 000000000BTW-Wetboek blijft onverkort van toepassing. Enkel een vroegere administratieve beslissing, waarbij vennootschappen en verenigingen van artiesten gelijkgesteld werden aan de uitvoerende artiesten, wordt ingetrokken. De artiest als fysieke persoon blijft van de vrijstelling genieten. De vrijstellingen voor rechtspersonen werden willekeurig toegepast, wat indruist tegen de Europese rechtspraak.
Om iedereen de kans te geven zich tijdig in orde te stellen, gaat de beslissing pas in op 1 april 1998 en geldt ze maar voor contracten die afgesloten worden na die datum.
Daarenboven blijven een aantal verenigingen die eigen concerten en vertoningen organiseren - ik denk aan fanfares - van de oude regeling genieten, als aan enkele voorwaarden wordt voldaan.
Verenigingen die wèl onder de nieuwe regeling vallen, kunnen zich nog altijd beroepen op de vrijstellingsregeling uit artikel 56, § 2, als hun jaaromzet de 225.000 frank niet overschrijdt.
Ik zal aan de ministerraad voorstellen om het BTW-tarief van 6 procent toe te passen, als de Europese regels dit tenminste mogelijk maken.
Voor kunstenaars die individueel optreden, is niets veranderd. Ik verwijs naar bijlage F van de Zesde Richtlijn waarin de tijdelijke vrijstellingen die de Lidstaten verkregen, worden opgesomd. Ze kunnen worden gehandhaafd onder de voorwaarden die in de Lidstaat bestonden op het ogenblik dat de richtlijn van kracht werd. De in artikel 44, § 2, 8°, bedoelde vrijstelling blijft dus van kracht.
Het probleem is gerezen voor kunstenaars die in verenigingen of vennootschappen optreden. Voor hen heb ik preciseringen gegeven en een onderscheid gemaakt. De circulaire slaat niet op verenigingen van amateurs. Vennootschappen met een omzet van minder dan 225.000 frank zijn eveneens van BTW vrijgesteld. De circulaire zal slechts van toepassing zijn op vennootschappen met een omzet van meer dan 225.000 frank en pas vanaf 1 april 1998. Veel kunstenaars die in dergelijke vennootschappen werken, zijn hierdoor gerustgesteld.
De heer Rik Daems : De minister heeft de maatregel duidelijk begrensd, maar de problemen met het statuut van de artiest en de prijsverhoging blijven bestaan. Ik begrijp overigens nog steeds niet waarom nu plots de maatregel wordt ingevoerd. De zaak is toch niet zo dringend. Zou het niet beter zijn de maatregel gedurende een periode van bijvoorbeeld acht à tien maanden op te schorten om in die tussentijd een goede en definitieve regeling te kunnen uitwerken ?
De heer Luc Goutry : De BTW-maatregel zou alleen gelden voor de vennootschappen. Dat is een belangrijke verduidelijking. Het tijdstip van de maatregel blijft echter ongelegen omwille van de huidige pogingen om een sociaal statuut uit te werken. Een verduidelijking van dit statuut moet mogelijk zijn tegen het einde van dit jaar. De subcommissie kan dan haar werkzaamheden beëindigen. Dan is er zeker ruimte voor deze BTW-maatregel. Ik vraag de minister dan ook nog even te wachten.
De heer Ghislain Vermassen : Mijn bekommernissen blijven. Er komt immers alleszins een prijsverhoging voor gemeentebesturen, culturele centra en kleinere organisatoren.
Minister Philippe Maystadt : Kleine organisatoren ondervinden geen hinder van de BTW-heffing. Wat is het probleem ?
De heer Ghislain Vermassen : Is het juist dat als iemand solo optreedt, hij geen BTW hoeft te betalen, maar wel als hij optreedt in een groep die een rechtspersoon betreft ? Daarom zou ik al die groepen aanraden om als feitelijke vereniging op te treden en hun VZW of vennootschap te ontbinden, teneinde aldus niet aan de BTW onderworpen te zijn ?
Minister Philippe Maystadt : Als het echte amateurs betreft, worden slechts hun kosten vergoed en zijn ze niet BTW-plichtig.
De voorwaarden om niet BTW-plichtig te zijn, zijn de volgende : de prestaties moeten in de vrije tijd van de uitvoerders plaatsvinden; de gevraagde bezoldiging moet beantwoorden aan een vergoeding voor gemaakte kosten; het uitbetaalde bedrag moet conform het sociaal oogmerk van de vereniging worden aangewend.
De administratie zal geval per geval beoordelen. Ik herhaal dat echte amateurs geen BTW moeten betalen.
De heer Ghislain Vermassen : Dat is vatbaar voor interpretatie : waar ligt de grens ?
Minister Philippe Maystadt : Het bedrag is niet begrensd. Het komt erop aan te voldoen aan de drie door mij opgesomde voorwaarden. Ik herhaal dat het geld van de bezoldiging die aan de organisatoren wordt gevraagd, aan de vereniging ten goede moet komen.
De heer Ghislain Vermassen : Er is een discrepantie met het koninklijk besluit van 1969 waarin staat dat uitvoerende artiesten werknemers zijn. Het sociaal statuut moet eerst duidelijk zijn. Pas dan kan men voor de zelfstandige artiesten bepalen dat ze BTW-plichtig zijn.
De heer Hugo Olaerts : Ik ben het niet volledig eens met de manier waarop deze maatregel wordt ingevoerd. Ten eerste zijn er de problemen met het sociaal statuut. Ten tweede zou het gaan om contracten afgesloten na 1 april 1998. Dat is een precedent in de BTW-wetgeving want deze bepaling is niet terug te vinden in de desbetreffende aanschrijving. Hoe zal de minister dit oplossen ?
Is er geen wijziging nodig van de circulaire om exact te preciseren wie wel en wie niet BTW-plichtig is ? Die precisering is absoluut nodig. Uit het antwoord van de minister besluit ik dat groepen, vzw's en feitelijke verenigingen automatisch vrijgesteld zijn. Is dat juist ?
Een uitstel is organisatorisch goed, maar lost in feite niets op. Ik vraag wel de invoering uit te stellen tot begin 1998, niet om organisatorische redenen maar om ons de kans te geven de hele zaak grondiger te onderzoeken en af te stemmen op de werkzaamheden in verband met het sociaal statuut van de kunstenaar.
Mevrouw Véronique Cornet : De antwoorden van de minister hebben de verdienste het probleem af te bakenen. Ik betreur dat vóór de verspreiding van de circulaire geen informatie werd verstrekt aan de betrokkenen in de culturele sector. Ik hoop dat de minister het tarief tot 6 pct. zal herleiden. Evenals de collega's Goutry en Daems wens ik dat het sociaal statuut van de betrokkenen wordt vastgesteld en dat de inwerkingtreding van de circulaire wordt verdaagd.
De heer Luc Goutry : Ik spreek als voorzitter van de subcommissie sociaal statuut. Wij gaan principieel akkoord met de maatregel, maar hebben alleen problemen met de datum waarop de maatregel in werking zou treden. De werkzaamheden van de subcommissie zullen worden afgerond voor het zomerreces. We vragen tot dan te wachten.
Minister Philippe Maystadt : De hier verstrekte toelichtingen staan letterlijk in de circulaire. Ik denk bijvoorbeeld aan de punten 10 en 11. Dat laatste punt preciseert dat de kunstenaars die voor rekening van een firma of een vereniging werken, de vrijstelling niet kunnen genieten. Artikel 12 heeft betrekking op de niet-professionele kunstenaars, die niet BTW-plichtig zijn indien aan de voormelde voorwaarden is voldaan.
De circulaire wordt op 1 april 1998 van kracht. Dat betekent dat zij van toepassing zal zijn op alle contracten die na die datum worden ondertekend.
Het BTW-Wetboek bevat een uitdrukkelijke bepaling die hen van de BTW vrijstelt. Dat is een uitzondering die ons land heeft verkregen om dat soort activiteiten aan te moedigen.
De heer Luc Goutry : Wie zelfstandig wordt, zal dan toch BTW-plichtig zijn ?
Minister Philippe Maystadt : Ik herhaal dat ik niet inzie wat het probleem is. Als het loontrekkenden betreft, zijn zij niet BTW-plichtig. Kunstenaars die voor rekening van een vennootschap werken, zijn immers niet BTW-plichtig. De vennootschap is dat wel. Dat heeft dus helemaal niets met het sociaal statuut te maken.
De voorzitter : De minister past de wetgeving toe. Het antwoord van de minister is duidelijk.
De heer Ghislain Vermassen : De heer Goutry heeft om uitstel gevraagd. De minister heeft hierop niet geantwoord.
Minister Philippe Maystadt : Ik betreur dat misverstand. Ik zie niet in wat het sociaal statuut van de kunstenaars met de BTW-regelgeving te maken heeft. Ik herhaal nogmaals dat artikel 44, § 2, van het BTW-Wetboek hen uitdrukkelijk van de BTW vrijstelt.
De voorzitter : Tot besluit van deze interpellaties diende de heer Rik Daems volgende motie van aanbeveling in :
"De Kamer,
gehoord de interpellaties inzake de invoering van BTW-plichtigheid voor kunstenaars
en het antwoord van de minister,
stelt voor :
- dat de betrokken kunstsector voorlopig niet BTW-plichtig wordt gemaakt,
- dat voor een definitieve regeling gewacht wordt op de definitieve regeling voor het sociaal statuut van de kunstenaar, met als eindtermijn 31 december 1998."
Een eenvoudige motie werd ondertekend door de heren Dirk Pieters, Joseph Arens en Lucien Suykens.
Over deze moties zal later door de plenaire Kamer worden gestemd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.