Opsporingsbevoegdheid en onderzoeksbevoegdheid. Toegang tot het beroepslokaal. Controle identiteitskaart · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

985 11 februari 1999

Zoeken

Opsporingsbevoegdheid en onderzoeksbevoegdheid. Toegang tot het beroepslokaal. Controle identiteitskaart

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/985-opsporingsbevoegdheid-onderzoeksbevoegdheid-toegang-beroepslokaal-controle-9211

Nummer
985
Datum
11 februari 1999

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, G.Z.1998-1999, blz. 22801

Opsporingsbevoegdheid en onderzoeksbevoegdheid - Toegang tot het beroepslokaal - Controle identiteitskaart

VRAAG

Krachtens de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het BTW-Wetboek beschikken de fiscale ambtenaren over hun eigen opsporings- en onderzoeksbevoegdheden voor de uitoefening van de hun toevertrouwde taken en voor de vaststelling van fiscale misdrijven.

Ten overstaan van de belastingplichtigen dienen de vastbenoemde en beëdigde ambtenaren zich te legitimeren door middel van een recent aanstellingsbewijs met pasfoto dat overeenstemt met hun werkelijke graad.

1. Hebben de al dan niet beëdigde fiscale ambtenaren (vastbenoemd of contractueel) wettelijk het recht bij het uitoefenen van hun opdracht zowel ten kantore of ter plaatse, in de beroepslokalen en/of in de private vertrekken, de voorlegging te eisen van de identiteitskaart van de belastingplichtige, de bedrijfsleiders, de bestuurders van een vennootschap en/of van de werknemers ?

2. Behoort die eis tot voorlegging niet veeleer uitsluitend toe aan de rijkswacht of de politie, op wiens bijstand de belastingambtenaren in principe steeds zouden moeten kunnen rekenen ?

3. a) Vormt die eis van de fiscale ambtenaar een schending van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens ?

b) Zo neen, waarom niet ?

4. Welke administratieve en/of strafrechtelijke sancties kunnen aan de ondervraagde belastingplichtigen, hun aansprakelijke vertegenwoordigers of aan hun werknemers worden opgelegd bij weerspannigheid of bij een formele weigering tot voorlegging van hun identiteitskaart ?

5. Door wie moet er eventueel een proces-verbaal worden opgesteld bij het vaststellen van inbreuken en gelden hierbij voortaan ook de bepalingen van het nieuw artikel 47bis van het Wetboek strafvordering (z. Belgisch Staatsblad van 2 april 1998, blz. 10031) ?

6. Welke wettelijke en reglementaire uitvoeringsbepalingen regelen alle opgeworpen kwesties en welke administratieve of strafrechtelijke sancties kunnen aan de fiscale ambtenaren worden opgelegd wanneer zij die bepalingen overtreden ?

ANTWOORD

1 en 2. Krachtens artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen bepaalt de Koning welke de openbare overheden en ambtenaren zijn op wier vordering de identiteitskaart moet worden getoond.

Op dit ogenblik is deze bevoegdheid uitsluitend toevertrouwd aan de politieambtenaren zoals omschreven in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (Belgisch Staatsblad van 22 december 1992) en dan nog enkel onder de voorwaarden omschreven in artikel 34 van deze wet.

De andere overheden dan deze die gemachtigd zijn de voorlegging van de identiteitskaart te vorderen, kunnen de burger slechts vragen zijn identiteitskaart te tonen. Zij kunnen hem hiertoe geenszins verplichten.

3 en 5. Voor het antwoord op de vragen 3 en 5 verwijs ik het geachte Lid naar mijn collega, de Minister van Justitie die terzake bevoegd is (vraag nr. 1054 van 15 april 1999).

4 en 6. voor het antwoord op de vragen 4 en 6 verwijs ik het geachte Lid naar mijn collega, de Minister van Financiën (vraag nr. 1709 van 15 april 1999).