---
title: "Parlementaire vraag 924 · Seeling-arrest van het Europees Hof van Justitie. Beperking toepassing. Circulaire"
description: "Seeling-arrest van het Europees Hof van Justitie. Parlementaire vraag nr. 924 van 22 september 2005 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/924-seeling-arrest-europees-hof-justitie-e69a"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/924-arret-seeling-cour-europeenne-application-8171"
---

# Seeling-arrest van het Europees Hof van Justitie. Beperking toepassing. Circulaire

**Nummer**

924

**Datum**

22 september 2005

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

27 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 105, blz. 19247-19250**

*Seeling-arrest van het Europees Hof van Justitie - Beperking toepassing - Circulaire*

## **VRAAG**

De BTW-administratie heeft op 31 januari 2005 een circulaire gepubliceerd (AOIF 5/2005) waarbij de toepassing van het Seeling-arrest van het Europees Hof van Justitie (zaak [C-269/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-269-00-arrest), 8 mei 2003) wordt beperkt.

Het arrest geeft als principe mee dat bij de verwerving van een gebouw dat ook voor privé-doeleinden gebruikt wordt, de BTW op dit privé-gedeelte fiscaal mag afgetrokken worden en dus niet vrijgesteld is, zodat het niet kan gerecupereerd worden.

De BTW-administratie reageerde begin dit jaar met een circulaire om de toepasbaarheid in ons land te regelen en beperkt hierbij de invloed van het arrest. Enkel een natuurlijk BTW-plichtige persoon met recht op aftrek kan het arrest gebruiken, vennootschappen niet.

Daarnaast zegt de fiscus in de circulaire dat in de volgende 15 jaar, elk jaar één vijftiende van de bij aanvang afgetrokken BTW op het privé-gedeelte teruggestort moet worden. Maar nergens staat in de wet dat de prijs gespreid moet worden over 15 jaar.

De discussie gaat onder meer over het onderscheid dat wordt gemaakt tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. In de praktijk is het immers mogelijk dat een vennootschap aan de bedrijfsleider een «voordeel van alle aard» geeft in de vorm van een gratis terbeschikkingstelling van een deel van het gebouw. Ook dan wordt geen huur betaald, enzovoort, maar moet volgens deze nieuwe circulaire ze toch als een verhuring onder bezwarende titel worden beschouwd.

1.

a) Waarom maakt u een onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen ?

b) Geldt dit onderscheid alleen voor de BTW en niet voor de inkomstenbelastingen?

2.

a) Waarom is de extra voorwaarde ingeschreven dat de privé-persoon zelf het privé-gebruik van het deel van het gebouw moet genieten en niet bijvoorbeeld het personeel ?

b) Op basis van welke wettelijke regeling gebeurt dit ?

3.

a) Op basis van welke wettelijke bepaling is de terugbetaling op 15 jaar vastgelegd ?

b) Hoe verzoent u deze regeling met de fiscale en boekhoudkundige afschrijvingstermijnen die normaliter worden toegepast?

## **ANTWOORD**

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.01.2006)

1\. In haar arrest van 8 mei 2003 (zaak [C-269/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-269-00-arrest), Wolfgang Seeling tegen Finanzamt Starnberg) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap zich, wat de belasting over de toegevoegde waarde betreft, uitgesproken over het geval waarin de belastingplichtige een onroerend bedrijfsmiddel zowel gebruikt voor de economische activiteit als voor de privé-doeleinden van de belastingplichtige zelf. Het Hof beoogt bijgevolg het geval waarin het vermogen van de belastingplichtige in twee duidelijk te onderscheiden delen kan worden opgesplitst: een privé-vermogen en een bedrijfsvermogen.

Welnu, deze situatie kan zich uitsluitend voordoen in het geval de belastingplichtige de hoedanigheid heeft van een natuurlijk persoon. De goederen die een rechtspersoon verkrijgt, kunnen immers uitsluitend behoren tot het bedrijfsvermogen, aangezien een rechtspersoon geen privé-vermogen heeft.

2\. Het Hof heeft bovendien verduidelijkt dat het gebruik van een onroerend bedrijfsmiddel door een belastingplichtige natuurlijk persoon die dit goed volledig in zijn bedrijf heeft opgenomen en de belasting geheven van de verkrijging van dit goed in aftrek heeft gebracht, niet kan worden gelijkgesteld met een van de belasting vrijgesteld gebruik als de verpachting of de verhuur van onroerende goederen. Bijgevolg is in die omstandigheden het gebruik van het onroerend goed voor de privé-doeleinden van de belastingplichtige aan de belasting onderworpen tegen het tarief van 21% wanneer dit onroerend goed in België is gelegen.

Het geval waarin een belastingplichtige met recht op aftrek een onroerend bedrijfsmiddel ter beschikking stelt van een personeelslid of, wanneer het een belastingplichtige rechtspersoon betreft, van een zaakvoerder, een bestuurder of een vennoot, betreft, op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde, een andere situatie die duidelijk niet wordt beoogd door kwestieus arrest. In de beoogde situatie ontstaat immers in hoofde van betrokken genieter, zelfs wanneer deze laatste niet gehouden is tot het betalen van een vergoeding, een voordeel dat voortvloeit uit een arbeidscontract of uit de functie van zaakvoerder, bestuurder of vennoot. Dergelijke terbeschikkingstelling moet worden aangemerkt als een verhuur onder bezwarende titel die vrijgesteld wordt krachtens [artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44).

In tegenstelling met wat het geachte lid beweert beperkt de administratieve circulaire AOIF nr. 5 van 31 januari 2005 het toepassingsgebied van voornoemd arrest geenszins, maar wordt het arrest er integendeel nauwgezet in toegelicht.

3\. Bij toepassing van [artikel 33, 2°, van het BTWWetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-33) (omzetting in Belgisch recht van [artikel 11, A, lid 1, sub c), van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11)) is de maatstaf van heffing van het gebruik van een tot het bedrijf behorend goed voor de privé-doeleinden van de belastingplichtige, als bedoeld in [artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) (omzetting in Belgisch recht van [artikel 6, lid 2, van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6)), het bedrag van de gedane uitgaven, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

Het bedrag van de gedane uitgaven die betrekking hebben op het gebruik van het goed voor de privédoeleinden van de belastingplichtige moeten door laatstgenoemde bepaald worden volgens de gewone regels en onder toezicht van de administratie.

Rekening houdend met het wettelijk vermoeden bedoeld door [artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-e148) met betrekking tot de aftrekregeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde (omzetting in Belgisch recht van artikel 20, lid 2, van de zesde BTWrichtlijn), op grond waarvan de economische gebruiksduur van een bedrijfsmiddel dat de aard heeft van een gebouw voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde wordt vastgesteld op vijftien jaar, stemt het bedrag van de door de belastingplichtige gedane uitgaven voor het gebruik voor privédoeleinden van een onroerend bedrijfsmiddel jaarlijks overeen met een vijftiende van de prijs van het deel van het goed dat wordt gebruikt voor privé-doeleinden.

Ik herinner er het geachte lid ten slotte aan dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap reeds herhaalde malen voor recht heeft gezegd dat de bepalingen van de zesde BTW-richtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen zijn die derhalve een communautaire omschrijving dienen te krijgen. De toetsing van voormelde bepalingen aan andere fiscale of nietfiscale rechtstakken is bijgevolg niet relevant.

## Aangehaalde teksten

7

[KB nr. 3 art. 9](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-e148) 1 voorkomen

[WBTW art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) 1 voorkomen

[WBTW art. 33](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-33) 1 voorkomen

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 11](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 6](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-6) 1 voorkomen

[C-269/00, arrest van 8 mei 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-269-00-arrest) 2 voorkomens
