Uitvoer van personenwagen. Bewijs · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

90 21 april 1975

Zoeken

Uitvoer van personenwagen. Bewijs

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/90-uitvoer-personenwagen-bewijs-dupont-3147

Nummer
90
Datum
21 april 1975

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

26 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Uitvoer van personenwagen - Bewijs

VRAAG

Op 29 maart 1972 wordt faktuur afgeleverd voor de verkoop van een personenwagen aan een tijdelijk in België verblijvende burger uit de Verenigde Staten.

Op de faktuur is vermeld dat deze aankoop gebeurt vrij van BTW vermits de wagen bestemd is voor uitvoer naar de Verenigde Staten met vermelding van getuigschrift van uitvoer en model B.

De verkoper had de wagen voor uitvoer aangeboden bij een douaneagent; op het formulier B wordt door deze firma de aflevering voor uitvoer op 23 maart 1972 geattesteerd.

De verkoper verneemt ook over deze zaak niets meer tot 28 augustus 1974, datum waarop een controle-onderzoek wordt uitgevoerd door de diensten van de BTW.

De heer controleur was op enigerlei wijze tot de bevinding gekomen dat, hoewel de wagen in kwestie door de verkoper voor uitvoer bij de douane werd afgeleverd, deze in werkelijkheid dan toch niet was uitgevoerd.

De heer controleur en daarna de heer directeur der BTW menen van de verkoper de BTW te kunnen opeisen. Het betreft een som van 38.750 frank.

Protest van de verkoper dient nergens toe en men vraagt van de verkoper zijn akkoord over de opvordering dezer belasting.

Nu wil het mij toch voorkomen dat de eis door de administratie van de BTW gesteld niet redelijk is en bovendien niet wettelijk kan zijn.

Inderdaad, de verkoper heeft gedaan wat hij moest doen.

uitgaande van het feit dat het voertuig voor uitvoer was bestemd. Achteraf blijkt dat de koper van gedacht verandert, de wagen terughaalt bij de douane waar hij reeds was afgeleverd en aldus erin slaagde de betaling der BTW te ontlopen. Er is aan het licht gekomen dat de koper het voertuig gedurende een zekere tijd in België heeft gebruikt, maar na enkele maanden is hij vertrokken naar de Verenigde Staten zonder dit voertuig mede te nemen.

Het gevolg daarvan is dat het praktisch onmogelijk wordt van de koper nog de BTW op te vorderen.

Vandaar dat men thans de verkoper wegens betaling van de BTW lastig valt.

Meent de geachte Minister niet dat de aldus tegen de verkoper gerichte eis niet aannemelijk is omdat hij:

1. Ter goeder trouw was bij het verrichten van de formaliteiten voor de uitvoer;

2. Hij in genendele is tussengekomen bij de afhaling door de koper zelf van het voertuig na aflevering bij de douane, feit dat hem slechts bij de controle van 28 augustus 1974 bekend wordt;

3. Hij niet aansprakelijk kan gesteld worden voor het feit dat de al dan niet opzettelijke ontduiker van de BTW het land heeft verlaten en de BTW tegen deze laatste praktisch niet meer kan opgevorderd worden.

Niemand kan toch gehouden zijn in dergelijke voorwaarden de gevolgen te dragen van een foutieve of bedrieglijke handelwijze van een derde.

ANTWOORD

Op grond van artikel 39 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt van de belasting vrijgesteld, de levering van goederen die door de leverancier worden uitgevoerd door ze van het binnenland naar het buitenland te vervoeren of te doen vervoeren.

De bij bovengenoemd artikel 39 van het Wetboek ingestelde vrijstelling kan dus slechts worden verleend op voorwaarde dat de leverancier, hetzij de goederen zelf naar het buitenland brengt, hetzij onder zijn verantwoordelijkheid, een lasthebber die niet de koper mag zijn, aanstelt om deze taak ten uit voer te brengen.

Daarenboven moet het bewijs van uitvoer door de uitvoerder steeds kunnen worden verstrekt. In dit verband dient vermeld te worden dat het enkel overleggen van een door de douane geldig gemaakte uitvoeraangifte niet volstaat om de echtheid van de uitvoer door de verkoper te bewijzen; de uitvoer door deze laatste moet worden bewezen door een geheel van overeenstemmende bescheiden, de in artikel 4 van het koninklijk besluit van 20 juli 1970, nr. 18, bij wijze van voorbeeld vermelde stukken zijn de meest voorkomende.

In het gestelde geval schijnt de verkoper wel in het bezit te zijn van een op zijn naam gestelde aangifte ten uitvoer, doch hij heeft de wagen, volgens de termen van de vraag, overhandigt aan de douane (meer dan waarschijnlijk wordt hier een magazijn van een douaneagentschap bedoeld), zonder zich om het verder verloop van de uitvoerverrichting te bekommeren; immers, de koper schijnt naderhand de wagen bij het douaneagentschap te hebben afgehaald.

Het is dan ook volledig terecht dat de controlediensten van de BTW de bij artikel 39 van het BTW-Wetboek ingestelde vrijstelling ten voordele van de verkoper weigeren.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 393 voorkomens