Aanvullende activiteit · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

811 2 december 1993

Zoeken

Aanvullende activiteitBTW. Aanvullende activiteit

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/811-aanvullende-activiteit-philippe-charlier-7a6e

Nummer
811
Datum
2 december 1993

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1993-1994, nr. 90, blz. 8774-8775

BTW - Aanvullende activiteit

VRAAG

De Administratie van de BTW deelt mee aan de personen die een aanvullende beroepsactiviteit uitoefenen :

a) dat de sinds 1971 geldende tolerantie om arbeiders, bedienden, studenten, personen die een rustpensioen ontvangen en zij die, zonder beroep, slechts enkele uren per dag secretariaats-, opvang- of ander werk verrichten, niet als BTW-plichtig te beschouwen wanneer zij bij wijze van aanvulling diensten leveren aan BTW-plichtigen die periodiek aangiften moeten doen (rondzendbrieven 19 en 176 van 1971), vanaf 1 januari 1993 wordt opgeheven;

b) dat vanaf diezelfde datum personen hetzij aan de franchiseregeling (jaarlijks omzetcijfer minder dan 225.000 Belgische frank), hetzij aan de normale regeling worden onderworpen;

c) dat alle personen die een aanvullende activiteit uitoefenen, zich bij hun BTW-controledienst moeten melden.

Aan de andere kant vraagt de aangifte betreffende het begin van een activiteit, ontvangen van het ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, blz. 4, de inschrijving in het handels- of ambachtenregister te vermelden.

Moeten die personen die een aanvullende activiteit uitoefenen, zich in het handelsregister inschrijven om een BTW-nummer te kunnen krijgen :

a) als ze onder een franchiseregeling vallen, vermits zij geen periodieke aangiften moeten doen en aan de Schatkist geen BTW moeten betalen;

b) als ze onder de normale regeling vallen ?

ANTWOORD

a) en b). Overeenkomstig artikel 53, 1ste lid, 1°, van het BTW- wetboek zijn de belastingplichtigen, met uitzondering van degenen die geen enkel recht op aftrek hebben, gehouden een aangifte in te dienen bij aanvang van hun werkzaamheid. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de belastingplichtigen, die onderworpen zijn aan de vrijstellingsregeling beoogd in artikel 56, § 2, van hetzelfde wetboek, gehouden zijn tot dezelfde verplichting.

De vermeldingen, die in het kader IV, b), van die aangifte dienen te worden aangebracht, hebben betrekking op de bestaande inschrijvingen in het handels- of ambachtsregister.

Ter bevestiging van die vermeldingen en, meer algemeen, wanneer een inschrijving in het handels- of ambachtsregister vereist is, worden de in de eerste alinea beoogde belastingplichtigen uitgenodigd een afschrift van de opgave tot inschrijving in het voormeld register voor te leggen. Indien die stukken bij het indienen van de aangifte van aanvang van werkzaamheid niet worden voorgelegd, wordt de inschrijving echter niet uitgesteld; in dat geval wordt de nieuwe belastingplichtigen gevraagd om die stukken binnen de maand voor te leggen.

De minister van Middenstand is bevoegd om te bepalen of voor de door het geacht lid beoogde activiteiten een inschrijving in het handels- of ambachtsregister vereist is.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 561 voorkomen