---
title: "Parlementaire vraag 786 · De btw-verplichtingen van de jeugdhuizen"
description: "De btw-verplichtingen van de jeugdhuizen, jeugdhuis, aangifteplicht. Parlementaire vraag nr. 786 van 12 november 2015 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/786-btw-verplichtingen-jeugdhuizen-mondelinge-jef-a3af"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/786-obligations-maisons-jeunes-matiere-tva-19c5"
---

# De btw-verplichtingen van de jeugdhuizen

**Nummer**

786

**Datum**

12 november 2015

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

19 paragrafen

**Kamer, Integraal verslag - Commissie voor de Financiën en Begroting, 2015-2016, CRIV 54 COM 080 d.d. 12.11.2015, blz. 23**

*De btw-verplichtingen van de jeugdhuizen*

**Jef Van den Bergh:** Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik weet niet hoe goed u de jeugdhuissector kent, maar zelf ben ik een jeugdhuisproduct. Ik heb daar heel veel plezier beleefd, heel veel vriendschapsbanden opgebouwd en ook heel veel geleerd; ik heb daar leren dj’en, pintjes tappen, vergaderen, activiteiten organiseren, beslissingen nemen, verantwoordelijkheid nemen; ik heb daar zelfs de basisprincipes van boekhouding geleerd. Uiteindelijk gaat het daarover in jeugdhuizen.

Daarmee wil ik onderstrepen dat de jeugdhuiswerking een heel belangrijke, vrij unieke vorm van jeugdwerk is. Het is een vrij unieke vorm in Vlaanderen die men elders in Europa nauwelijks kent. Die unieke vorm wordt ook erkend, hij wordt ondersteund en gesubsidieerd.

Dat staat in schril contrast met de maatregel die vorige week werd aangekondigd. De btw-administratie schoof naar voren dat jeugdhuizen die meer dan 50 000 euro omzet draaien uit verkoop, niet langer een btw-vrijstelling kunnen genieten. De btw-administratie zegt hiermee eigenlijk dat dergelijke goeddraaiende jeugdhuizen – anders zouden ze geen omzet van 50 000 euro hebben – niet langer kunnen worden beschouwd als een vorm van jeugdwerk, maar als een vorm van commerciële activiteit.

Ik vind dat toch wel verregaand en een fundamentele keuze, die ik niet onmiddellijk kan volgen. De erkenning van jeugdhuizen is geregeld via Vlaamse decreten en door de gemeentebesturen, en de btw-administratie grijpt hierop in met deze maatregel.

Mijnheer de minister, in hoeverre zal de maatregel effectief gehandhaafd worden?

Wordt hierover nog overleg gepleegd met de jeugdhuisfederaties?

In hoeverre zult u hierin nog stappen ondernemen?

**Minister Johan Van Overtveldt:** Mijnheer Van den Bergh, ik ben ook een jeugdclubproduct; toen heette dat nog een jeugdclub. Ik heb daar dingen geleerd waarop u ook gealludeerd hebt. Ook heb ik daar dingen geleerd waarover ik nu geen publieke uitspraken zal doen.

Alle gekheid op een stokje, het gaat erom dat de jeugdhuizen een vrijstelling van btw genieten, voor zover het gaat om “de diensten en levering van goederen die nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren”. Dat is een citaat. Volgens de Europese btw-regels blijkt nu dat de exploitatie van een drankinstelling intrinsiek vreemd is aan de genoemde sociale doelstelling, zodat de btwvrijstelling niet kan worden toegepast op de omzet die daardoor wordt gerealiseerd. Ook uitspraken van het Hof van Justitie ter zake zijn vrij duidelijk. Mijn administratie gaat er evenwel bij wijze van tolerantie van uit dat de omzet die gehaald wordt uit de exploitatie van een dergelijke drankgelegenheid, toch vrijgesteld blijft van btw, voor zover die niet meer bedraagt dan 50 000 euro op jaarbasis.

Nu kom ik tot uw concrete vragen.

Ten eerste, vooraleer die beslissing werd gepubliceerd, heeft er inderdaad overleg plaatsgevonden met de jeugdhuisfederaties, zowel die van Vlaanderen als van Wallonië. Tijdens dat overleg is er ook heel duidelijk de nadruk op gelegd dat een en ander geen belastingverhoging betekent voor de jeugdhuizen. Als de drempel van 50 000 euro overschreden wordt, kan het jeugdhuis nog altijd de btw op zijn inkomende handelingen volgens de normale procedures ter zake als aftrekpost aanbrengen.

Ten tweede, het onderscheid tussen vrijgestelde sociaal-culturele activiteiten, bijvoorbeeld de organisatie van een voorstelling of een tentoonstelling, en belaste caféactiviteiten kan in de praktijk vrij gemakkelijk gemaakt worden. Zoals in de beslissing omstandig is toegelicht, is de occasionele organisatie van een fuif, een taartenverkoop, een eetfestijn of wat dan ook vrijgesteld, voor zover duidelijk aangetoond kan worden dat die opbrengsten inderdaad gebruikt worden voor de sociaal-culturele activiteiten van het jeugdwerk.

Last but not least, op uw vierde vraag kan ik antwoorden dat de beslissing inderdaad vanaf 1 januari 2016 ingaat, zodat er niet meer teruggekomen kan worden op mogelijke inbreuken die in het verleden zouden zijn gepleegd. In die zin biedt de beslissing dan ook rechtszekerheid voor de sector. Als het jeugdhuis op basis van de tot op heden in 2015 gerealiseerde omzet vaststelt dat de drempel van 50 000 euro inderdaad overschreden zal worden, dan heeft het jeugdhuis in kwestie dus nog ruim anderhalve maand de tijd om zich te identificeren bij het btw-kantoor waaronder het valt.

**Jef Van den Bergh:** Mijnheer de minister, ik dank u uiteraard voor uw antwoord, maar ik kan er moeilijk mee leven. Vijfenveertig jaar btw-regelgeving voor jeugdhuizen wordt hier met één maatregel opzijgeschoven. Vijfenveertig jaar heeft men de jeugdhuizen beschouwd zoals zij vandaag functioneren. Dat daar dikwijls drank getapt wordt, is juist. Maar dat behoort tot de globale werking en de voortgebrachte middelen worden ook gebruikt om die werking te financieren.

De verwijzing naar Europa is natuurlijk altijd gemakkelijk. Ik heb echter nog geen enkele uitspraak van Europa gezien die specifiek op de jeugdhuizen gericht is. Er zijn wel bepaalde uitspraken over de interpretatie van de btw-regelgeving, maar niet specifiek wat de jeugdhuizen betreft. De Vlaamse jeugdhuizen hebben een vrij unieke positie in Europa. Ik betwijfel of Europa die jeugdhuizen specifiek viseert.

Ik meen dat verder overleg hier nodig is. U verwijst naar het overleg van september. Ik weet daarvan. Er is toen overleg geweest, maar er was geen akkoord tussen de twee. Ik noem dat geen afgerond overleg. Dan kan men toch verwachten dat er verdere initiatieven genomen worden om samen tot een oplossing te komen? Ik betreur dat die niet genomen zijn.

*Het incident is gesloten.*
