Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 085, blz. 14740-14743
BTW-vrijstelling - Sportonderwijs
VRAAG
Artikel 44 van het BTW-Wetboek bepaalt dat een reeks diensten van belasting zijn vrijgesteld. De personen die deze diensten verstrekken, worden onder bepaalde voorwaarden als vrijgestelde belastingplichtigen beschouwd.
Het kan echter bijzonder moeilijk zijn om uit te maken tot welke categorie een belastingplichtige behoort. Soms geven de controlediensten uiteenlopende interpretaties aan het Wetboek. Dat speelt natuurlijk in het nadeel van de belastingplichtige, aangezien de gelijkheid kan worden verbroken en er zelfs oneerlijke concurrentie kan ontstaan.
Graag vernam ik dan ook of het sportonderwijs de bij artikel 44 van het BTW-Wetboek bepaalde vrijstelling kan genieten.
Deze aangelegenheid is immers verre van duidelijk. Naargelang het document waarnaar wordt verwezen, kunnen tegenstrijdige interpretaties aan het BTW-Wetboek worden gegeven:
A) De omzendbrief 93/025 van 24 december 1993 verduidelijkt de draagwijdte van de vrijstelling waarin artikel 44, § 2, 4° met betrekking tot het verstrekken van onderwijs voorziet. Slechts in twee gevallen kan het sportonderwijs die vrijstelling genieten:
•indien het om een beroepsopleiding gaat (artikel 44, § 2, 4°);
•indien het om exploitanten van sportinrichtingen of inrichtingen voor lichamelijke opvoeding gaat die geen winstoogmerk hebben en die de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken om de kosten ervan te dekken (artikel 44, § 2, 3°).
In alle andere gevallen is het sportonderwijs in principe aan de belasting onderworpen.
B) In de instructieset voor de ondernemingsloketten staat evenwel te lezen dat beroepssporters voor de bij artikel 44 van het BTW-Wetboek bepaalde vrijstelling in aanmerking komen. Op grond daarvan zou men dus kunnen veronderstellen dat iemand die sportonderwijs verstrekt de vrijstelling kan genieten indien hij een beroepssporter is.
Deze aangelegenheid wordt nog verder bemoeilijkt door de erkenning van de sporten, die tot de bevoegdheden van de gemeenschappen behoort. Zoals u weet worden sommige disciplines (zoals tennis, voetbal, tafeltennis, volleybal, kunstschaatsen, enzovoort) als sport beschouwd en andere (zoals danssport in paren) niet. In onze buurlanden, meer bepaald in Duitsland en Frankrijk, wordt de danssport wel als zodanig erkend. In Vlaanderen werden reeds stappen gezet die weldra tot de erkenning zullen leiden, terwijl er in de Franse Gemeenschap nog geen sprake van is.
1. Hoe bepaalt de administratie bij de toepassing van de BTW-wetgeving of een discipline al dan niet als een sport moet worden beschouwd? Hangt die inschatting af van de erkenning door de gemeenschappen, of volgt de administratie een meer algemene benadering?
2.
a) Is een tennisleraar BTW-plichtig of is hij van BTW vrijgesteld, en zo ja, krachtens welk artikel van het Wetboek?
b) Is een dansleraar BTW-plichtig of is hij van BTW vrijgesteld, en zo ja, krachtens welk artikel van het Wetboek?
c) Verschilt het antwoord naargelang de leraar dat onderwijs verstrekt als zelfstandige voor rekening van derden (bijvoorbeeld een VZW, een feitelijke vereniging of een vennootschap), als zelfstandige voor eigen rekening, als werknemer voor rekening van derden of voor eigen rekening in het kader van een vennootschap?
ANTWOORD
(minister van Financien, 30.06.2005)
De cursussen tennis of sportieve dans, onder bezwarende titel verstrekt door een persoon die op een geregelde en zelfstandige wijze handelt, in de zin van artikel 4 van het BTW-Wetboek, zijn in principe aan de belasting onderworpen, ongeacht de juridische vorm waaronder de dienstverrichter handelt.
Bovengenoemde cursussen genieten niettemin de vrijstelling beoogd door artikel 44, § 2, 4° van het BTW-Wetboek wanneer het gaat om beroepsopleiding en indien de voorwaarden van deze vrijstelling zijn vervuld, wat inzonderheid veronderstelt dat de opleiding wordt verstrekt door een instelling zonder winstoogmerk en dat de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend dienen tot dekking van de kosten ervan (cf. in dit verband de administratie commentaren gepubliceerd middels de aanschrijving nr. 25 van 24 december 1993 alsook onder nr. 321 van de BTW-handleiding).
Bovendien kan de vrijstelling beoogd door artikel 44, § 2, 3° van bovengenoemd Wetboek eventueel ook van toepassing zijn. Deze vrijstelling beoogt de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan. In dit verband wordt erop gewezen dat hoewel laatstgenoemde vrijstelling voornamelijk het effectief beoefenen van de sport beoogt, ze eveneens van toepassing is op de diensten die bijkomstig door voornoemde exploitanten worden verstrekt aan deelnemers met het oog op het aanleren van de sport of het zich erin verbeteren.
Onder sportieve activiteit in de zin van artikel 44, § 2, 3°, van het BTW-Wetboek moet worden begrepen elke sportbeoefening in de gewone betekenis, met andere woorden een activiteit die de lichamelijke ontplooiing bevordert, die wordt verricht onder de vorm van een spel, een wedstrijd en inspanning en waarvan het beoefenen een planmatige training evenals het eerbiedigen van bepaalde regels en disciplines veronderstelt. Aangezien het beoefenen van sportieve dans, aangehaald door het geachte lid, beantwoordt aan deze omschrijving, geldt de vrijstelling beoogd door het artikel 44, § 2, 3° voornoemd, in de mate uiteraard dat de andere voorwaarden voorzien door deze vrijstelling zijn vervuld. Zoals ik hiervoor heb verduidelijkt moeten de handelingen om vrijgesteld te zijn vooreerst betrekking hebben op het beoefenen van sport zelf, maar mogen ze ook richtlijnen of eventuele cursussen omvatten die worden verstrekt aan de deelnemers om die sport aan te leren of zich erin te verbeteren.
De aandacht wordt er ten slotte op gevestigd dat, wanneer een fysiek persoon lessen of cursussen geeft in een instelling die diensten verstrekt welke al dan niet aan de belasting onderworpen zijn, de administratie voor de toepassing van de BTW ervan uitgaat dat, rekening houdend met de omstandigheden waarin deze persoon werkt in die instelling, normaal tussen die persoon en de instelling een band van ondergeschiktheid bestaat, zodat, niet is voldaan aan het criterium van de zelfstandigheid en er in die relatie geen BTW verschuldigd is (geval beoogd in punt 11 van de voornoemde aanschrijving).
In het geval van ernstige twijfel omtrent de aard van deze contractuele relatie neemt mijn administratie contact op met de RSZV en de RSZ, die als enigen bevoegd zijn om het statuut van een werknemer (zelfstandige of loontrekkende) te bepalen. Hieruit trekt ze gevolgen wat de toepassing van de BTW betreft.