---
title: "Parlementaire vraag 714 · Belastingbeleid en probleem van de schuldenoverlast"
description: "Belastingbeleid en probleem van de schuldenoverlast. Parlementaire vraag nr. 714 van 17 januari 1997 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/714-belastingbeleid-probleem-schuldenoverlast-schuttringer-39c2"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/714-interet-retard-exoneration-ir-paiement-c863"
---

# Belastingbeleid en probleem van de schuldenoverlast

**Nummer**

714

**Datum**

17 januari 1997

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

46 paragrafen

*Belastingbeleid en probleem van de schuldenoverlast.*

## **VRAAG**

Het werkingsverslag van de Centrale voor krediet aan particulieren voor het jaar 1995 laat er geen twijfel over bestaan: het schuldenprobleem wordt er alleen maar erger op. Eind 1995 waren er zo'n 430.000 leningsovereenkomsten en 352.000 mensen in het bestand van de centrale geregistreerd, tegen 417.500 overeenkomsten en 345.500 mensen eind 1994.

In verband met die problematiek rijzen er ook vragen omtrent het belastingbeleid. De fiscus scheldt immers geen schulden kwijt, noch vrijwillig, noch op last van de rechter. "De ontvanger, fiscaal schuldeiser, kan uitstel van betaling toekennen, de directeur kan nalatigheidsinteresten vrijstellen, de minister kan boeten en verhoging kwijtschelden; niets hiervan kan door de rechter worden opgelegd en zeker niet de kwijtschelding van de schulden." (Verklaring van de heer Parisis, van het kabinet van de minister van Financiën, opgenomen in het verslag namens de commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs en de Nationale wetenschappelijke en culturele instellingen, over de schuldenoverlast, Gedr. St., Kamer, 1991-1992, nr.274/3, blz.72). De minister kan dus rechtstreeks of via richtlijnen die hij zijn administratie geeft, een zeer grote rol spelen in het bijsturen van het schuldenprobleem. Het beleid ter zake lijkt evenwel niet duidelijk. Wordt in het hele land wel eenzelfde beleid gevoerd ? In Oostende, bijvoorbeeld, is men erg streng en is er geen sprake van uitstel van betaling.

1\. Wat is uw beleid inzake de belastingen en de schuldenoverlast ?

2\. Welke richtlijnen heeft u uw administratie dienaangaande gegeven, en waar komen die richtlijnen in hoofdzaak op neer ?

3.

a) Klopt het dat de belastingadministratie in Oostende zo streng optreedt jegens mensen met een schuldenprobleem ?

b) Kan u uw antwoord illustreren met cijfermateriaal ?

## **ANTWOORD**

A. Directe belastingen

1\. Zoals het geacht lid doet opmerken, is het de fiscus verboden kwijtschelding van een schuld toe te staan. Dergelijke maatregel zou inderdaad in strijd zijn met het artikel 172 van de Grondwet, dat bepaalt dat er inzake belastingen geen voorrechten kunnen worden ingevoerd en dat er geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden verleend dan krachtens een wet.

Wat de Administratie der directe belastingen betreft stellen de artikelen 412 en 413 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 daarenboven de termijnen vast binnen welke de verschillende voorheffingen en belastingen moeten betaald zijn en op die bepalingen is geen enkele afwijking voorgeschreven.

Deze strikte regels, die verantwoord zijn door het publiekrechtelijk karakter van de fiscale schuldvordering, beletten de administratie evenwel niet om rekening te houden met de moeilijke financiële toestand waarin een belastingschuldige zich bevindt. Bepaalde gunstmaatregelen, waarnaar het geacht lid verwijst, laten de administratie toe hulp te bieden aan de belastingschuldige bij het naleven van zijn fiscale verplichtingen.

Enkele verduidelijkingen zijn nochtans wenselijk;

•het verlenen van betalingstermijnen behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de ontvangers der directe belastingen en de hogere overheid kan hierbij op geen enkele wijze tussenbeide komen. Dat principe is verantwoord door het feit dat de ontvangers, rekenplichtigen van de Staat, geldelijk verantwoordelijk zijn voor de invordering van de belastingen waarvan de inning hen is toevertrouwd; gelet op het ontbreken van een wettelijke bepaling inzake betalingsfaciliteiten, staan de ontvangers zulks onder hun persoonlijke verantwoordelijkheid toe. Er is geen enkel verhaal mogelijk tegen deze zuivere gunstmaatregel;

•de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de nalatigheidsinteresten is eveneens een maatregel van vrijwillige rechtspraak; krachtens artikel 417 van voormeld Wetboek behoort die maatregel tot de bevoegdheid van de directeur der belastingen die de vrijstelling kan toestaan "onder door hem bepaalde voorwaarden" zoals, bijvoorbeeld, het naleven van de toegestane betalingstermijnen. De hogere overheid kan in die beslissingen evenmin tussenbeide komen.

Het antwoord op de eerste vraag van het geacht lid vloeit voort uit die verduidelijkingen: er bestaat geen algemene politiek met betrekking tot de fiscale schuldvorderingen ten overstaan van het probleem van de overmatige schuldenlast omdat de hiervoor vermelde gunstmaatregelen uitsluitend getroffen worden door de plaatselijk bevoegde ambtenaren die beslissen over ieder individueel geval dat hen wordt voorgelegd.

2\. Uit wat voorafgaat moet worden afgeleid dat de minister van Financiën in de behandeling van die problemen niet kan tussenbeide komen, door het uitvaardigen van algemene richtlijnen aan zijn administratie.

Volledigheidshalve past het evenwel op te merken dat nu en dan bijzondere richtlijnen worden gegeven wanneer zeer bijzondere crisistoestanden die een welbepaalde categorie van belastingschuldigen hebben getroffen, ter kennis zijn gebracht van de minister van Financiën of van zijn administratie. Als voorbeeld kunnen worden aangehaald: natuurrampen, uitzonderlijke moeilijkheden die zich soms voordoen in bepaalde economische sectoren, genieters van een bescheiden pensioen die over geen andere inkomsten beschikken. Die richtlijnen hebben evenwel alleen tot doel de aandacht van de plaatselijke ambtenaren te vestigen op het uitzonderlijke van de toestand en hen uit te nodigen de individuele aanvragen om gunstmaatregelen die de betrokken belastingschuldigen indienen, met bijzondere welwillendheid te onderzoeken. Die richtlijnen beperken echter geenszins de exclusieve bevoegdheid van die ambtenaren die elke aanvraag onderzoeken rekening houdend met de feitelijke omstandigheden eigen aan ieder geval. Artikel 172 van de Grondwet verbiedt trouwens om op algemene wijze betalingsfaciliteiten of vrijstelling van nalatigheidsinteresten te verlenen aan een categorie van belastingschuldigen.

3\. De Administratie der directe belastingen heeft tenslotte een onderzoek ingesteld over het door het geacht lid aangehaalde bijzonder geval van de plaatselijke diensten te Oostende.

Daaruit blijkt dat er op 28 januari 1997, in 512 gevallen betalingstermijnen zijn verleend op het ontvangkantoor Oostende 1 en in 369 gevallen op het ontvangkantoor Oostende 2. Voor heel het Rijk waren er op dezelfde datum in het totaal 81.685 afbetalingsplannen lopende.

In tegenstelling met de indruk die het geacht lid heeft, laat niets toe te besluiten dat de ontvangers van de betrokken kantoren ten overstaan van de belastingschuldigen een strengere houding aannemen dan hun collega's.

B. Douane en accijnzen

1\. De Administratie der douane en accijnzen heeft geen weet van een heropflakkering van vragen voor uitstel van betalingen wegens schuldenoverlast.

Het beleid dat ten overstaan van de vragen om uitstel van betaling wordt gevoerd, heeft als algemene regel een dubbele doelstelling:

•de belangen van de Schatkist vrijwaren;

•de moeilijkheden van de belastingplichtige, waaronder de eventuele te grote schuldenlast, in overweging nemen.

2\. Geen enkele specifieke richtlijn werd door de Administratie der douane en accijnzen gegeven.

Volgens zijn bevoegdheid onderzoekt elke ambtenaar geval per geval de aan hem gerichte vragen om uitstel van betaling en beslist rekening houdend met de dubbele doelstelling vermeld in punt 1 hiervoor.

3.

a) De manier waarop het kantoor der douane en accijnzen te Oostende de dossiers inzake vragen om uitstel van betaling behandelt, is geenszins bijzonder streng te noemen.

Indien een dergelijke indruk van strengheid zou zijn ontstaan, dan is dat eventueel wegens de strikte toepassing van de bepalingen van artikel 1, 1°, van de gecoördineerde wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken zoals ze werden gewijzigd bij de wet van 6 juli 1967, waarbij wordt bepaald dat personen, hetzij zelf, hetzij door middel van een derde persoon, geen slijter van ter plaatse te verbruiken gegiste dranken mogen zijn indien zij niet ten volle hun openingsbelastingen of vijfjaarlijkse belastingen op de slijterijen van gegiste dranken hebben betaald.

De diensten der accijnzen te Oostende passen deze wetsbepalingen strikt toe.

b) Op dit ogenblik zijn slechts 4 vragen om uitstel tot betaling bij de bevoegde autoriteiten te Oostende aanhangig.

C. BTW

De heffing van de belasting wordt a priori, niet behept met sociale ingevingen, noch wordt zij bepaald door de problematiek van de overbelasting van de huishoudens. In werkelijkheid, wordt de hardheid van de wet nochtans dikwijls verzacht voor de meest behoeftige personen.

Er dient vooreerst aan herinnerd te worden dat de door een belastingplichtige verschuldigde BTW op zichzelf, geen persoonlijke schuld uitmaakt. Inderdaad, de belastingplichtige handelt slechts als tussenpersoon, in die zin dat hij verondersteld wordt de aan hem door zijn medecontractant betaalde BTW, over te maken aan de Schatkist.

Anders is het gesteld met de interesten en de administratieve boeten voorzien in de artikelen [70 en volgende](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) van het BTW-wetboek.

Deze wettelijke bepalingen geven, wat de boeten betreft, slechts een minimum en maximumbedrag aan. Het juiste bedrag der boeten vloeit voort uit de toepassing van het koninklijk besluit nr.41 van 30 januari 1987 (tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde), of het koninklijk besluit nr. 44 van 30 maart 1993 (tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde).

De voornoemde koninklijke besluiten voorzien, in de praktijk, in een vermindering van het bedrag der boeten, die, in de verschillende bedoelde gevallen, rekening houdt met het toevallig karakter van de begane onregelmatigheden, of het feit dat zij te wijten zijn aan onwetendheid, vergissing of onachtzaamheid.

Bovendien kan de opgelegde boete verminderd worden door de gewestelijke directeur van de BTW, daartoe gedelegeerd door de minister van Financiën, ingevolge een verzoekschrift op basis van [artikel 84, tweede lid, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84). De genomen beslissing houdt meer bepaald rekening met de bijzonderheden van het betrokken geval.

In het kader van het beheer der dossiers vallende onder hun bevoegdheid, staan de gewestelijke directeurs regelmatig kwijtscheldingen en verminderingen van boeten toe indien de verzoekschriften bijzondere omstandigheden laten blijken en wanneer dergelijke kwijtscheldingen of verminderingen gerechtvaardigd zijn. Indien het desondanks voorkomt dat een positief antwoord niet kan voorbehouden worden aan een verzoeker, resulteert de uiteindelijk verschuldigde boete uit de toepassing van de voornoemde koninklijke besluiten nrs.41 en 44, en heeft zij dus in de meeste gevallen, reeds genoten van de reglementaire vermindering.

Wat de verschuldigde interest betreft bij laattijdige betaling van de belasting, laat het [artikel 84bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) de gehele of gedeeltelijke vrijstelling toe. De bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen heeft, in deze aangelegenheid, een exclusieve beslissingsmacht. Hij onderzoekt grondig de verzoekschriften daarbij rekening houdende, enerzijds met de aan elk geval eigen omstandigheden en anderzijds met de algemene richtlijnen opgesteld door de administratie, teneinde hem te helpen beslissen in dergelijk geval en de belastingplichtigen op voet van gelijkheid te behandelen.

Volgens de memorie van toelichting bij de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, kan de invordering van interesten slechts prijs gegeven worden indien de moeilijke financiële toestand van de belastingplichtige te wijten is aan een oorzaak die vreemd is aan zijn wil of indien zijn financiële toestand zo is dat hij nog lang niet in staat zal zijn voldoende afbetalingen te storten om de nalatigheidsinteresten, mochten deze blijven lopen, te betalen.

Tenslotte is het niet zeldzaam dat de BTW-ontvangers aan belastingplichtigen in moeilijkheden, betalingsfaciliteiten toekennen rekening houdende met hun werkelijke draagkracht. Meestal gaat het om met betrokkenen zelf overeengekomen afbetalingsplannen maar ook, in voorkomend geval, om een wijziging van de toerekeningsvolgorde van de door hen verrichte betalingen. Deze laatste techniek wordt in het algemeen toegepast indien de door een belastingplichtige gestorte bedragen ter aanzuivering van zijn schuld, zelfs het bedrag der interesten dat deze voortbrengt, niet delgen.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

[WBTW art. 84bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) 1 voorkomen
