---
title: "Parlementaire vraag 703 · Administratieve samenwerking tussen de Lid-Staten. Directe Belastingen en BTW. Centrale Eenheid. Uitwisseling"
description: "Administratieve samenwerking tussen de Lid-Staten. Parlementaire vraag nr. 703 van 15 maart 1994 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/703-administratieve-samenwerking-tussen-lid-staten-d7bd"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/703-communaute-economique-europeenne-collaboration-entre-5bd8"
---

# Administratieve samenwerking tussen de Lid-Staten. Directe Belastingen en BTW. Centrale Eenheid. Uitwisseling · Administratieve samenwerking tussen de Lid-Staten. Directe Belastingen en BTW. Centrale Eenheid. Uitwisseling van inlichtingen.

**Nummer**

703

**Datum**

15 maart 1994

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

47 paragrafen

**Vr. en Antw., Senaat, 1993-1994, nr. 124, blz. 6547-6550**

*Administratieve samenwerking tussen de Lid-Staten - Directe Belastingen en BTW - Centrale Eenheid - Uitwisseling van inlichtingen.*

## **VRAAG**

Sinds de opening van de grenzen is er geen enkele maatregel genomen om de communicatie te vergemakkelijken tussen de verschillende zusteradministraties van de EG.

Zo blijven de verzoeken tot bijstand inzake de inkomstenbelasting en de BTW gecentraliseerd in een dienst van de Financietoren en worden zij verzonden gemiddeld zes maanden nadat ze opgemaakt zijn. Als de diensten van het aangeschreven land vlot werken, komt het antwoord terug op de centrale dienst binnen een termijn van zes maanden. Voordat het antwoord terechtkomt op de taxatiedienst verstrijken nog zes maanden. In het totaal bedraagt de termijn dus minimum achttien maanden.

Voor de BBI is de procedure nog zwaarder aangezien er voor de verzoeken tot bijstand nog een trap meer bestaat, namelijk de Centrale Administratie van de BBI, hetgeen zes maanden meer in beslag neemt.

Deze hypergecentraliseerde procedure vormt een zware rem op de samenwerking tussen de belastingbesturen en belemmert de mogelijkheid om snelle, bruikbare en volledige onderzoeken in te stellen naar internationale fraude.

We hoeven gewoon nog maar te denken aan de problematiek van de fictieve buitenlandse vennootschappen voor fiscale doeleinden, waarvan er steeds meer zijn op het Belgisch grondgebied.

Artikel 2 van het verdrag regelt de uitwisseling van informatie tussen bevoegde overheden zonder te bepalen op welk niveau die uitwisseling in de praktijk moet gebeuren.

Artikel 9 van de richtlijn staat rechtstreekse communicatie tussen overheden toe voor bepaalde gevallen of categorieën van gevallen. De richtlijn maakt dus een soepele samenwerking mogelijk, zonder centralisatie of excessief en contraproduktief formalisme.

1\. Zou het niet mogelijk zijn de huidige procedure te versoepelen zowel wat de termijn voor de communicatie als wat het beslissingsniveau betreft ?

2\. Zou het niet raadzaam zijn de beslissing, de centralisatie en de verzending op te dragen aan de gewestelijk directeur die bevoegd is voor de betrokken belasting en alleen de technische centralisatie over te laten aan de centrale administratie ?

Naar mijn mening sluit dit voorstel aan bij het reorganisatieschema voor de belastingbesturen alsook bij de krachtlijnen van het ontwerp van Wetboek van fiscale procedure, die aan de gewestelijke directeurs een sleutelrol toekennen inzake controle en aanslag.

## **ANTWOORD**

Ik heb de eer het geachte lid mee te delen, wat de administratie van de Directe Belastingen betreft, ingevolge de van kracht zijnde administratieve richtlijnen de taxatiediensten er inderdaad toe gehouden zijn hun verzoeken om inlichtingen aan de buitenlandse administraties, hetzij in het kader van de overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting, hetzij in het kader van de richtlijn 77/799/EEG van 19 december 1977, aan het hoofdbestuur (Financietoren) voor te leggen.

De tussenkomst van het hoofdbestuur verlengt uiteraard de termijn waarbinnen de inlichtingen ter beschikking gesteld worden van de taxatiedienst die erom heeft verzocht, maar het is hoogst uitzonderlijk dat de termijnen in de grootorde liggen van deze die door het geachte lid worden vermeld.

Het is nochtans juist dat het mogelijk zou zijn om de procedure voor uitwisseling van inlichtingen te verlichten. Daarom werd de administratie van de Directe Belastingen uitgenodigd om aan onze voornaamste partners binnen de Europese Unie een procedure voor te stellen waarbij de lokale taxatiediensten hun vragen om inlichtingen rechtstreeks richten aan de buitenlandse administraties; de inlichtingen die werden verzameld door de buitenlandse lokale diensten zouden daarna rechtstreeks aan de lokale dienst die erom heeft verzocht worden toegestuurd. In omgekeerde richting zou de Belgische administratie dezelfde procedure toepassen in het voordeel van de buitenlandse taxatiediensten.

Welke ook de reactie moge zijn van onze partners binnen de Europese Unie, er zal van Belgische kant een dergelijke procedure in de loop van de tweede helft van volgend jaar ingevoerd worden als de herstructurering zal doorgevoerd zijn en de grondige verificatie van de fiscale dossiers zal toevertrouwd worden aan een beperkt aantal controlecentra (67).

Voor de nabije toekomst werden maatregelen genomen om de dossiers betreffende de uitwisseling van inlichtingen bij voorrang te behandelen. Deze maatregelen hebben tot gevolg dat de termijnen, nodig om de vragen om inlichtingen door te sturen, in belangrijke mate worden ingekort.

Wat de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen betreft, is de administratieve samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het vlak van de vestiging van de belasting over de toegevoegde waarde zeker niet te verwaarlozen of ineffectief, en is ze vooral op twee juridische instrumenten gesteund :

•De verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (BTW);

•De richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen (77/799/EEG), gewijzigd en toepasselijk gemaakt op de belasting over de toegevoegde waarde door de richtlijn van de Raad van 6 december 1979 (79/1070/EEG).

Naast verschillende bi- of multilaterale technische akkoorden, die hoofdzakelijk in het kader van de bovengenoemde richtlijn 77/799/EEG zijn genomen, kan, indien nodig, bij deze instrumenten nog de samenwerking op het vlak van de in- en uitvoer ("Verdrag van Napels" van 7 september 1967) en de overeenkomsten inzake wederzijdse bijstand in Benelux-verband (algemene samenwerkingsovereenkomst en het aanvullend belastingprotocol van 29 april 1969) worden vermeld.

De verdragen en overeenkomsten betreffende de wederzijdse bijstand op het vlak van de invordering van de BTW worden blijkbaar niet beoogd in de vraag van het geachte lid. Ze worden dan ook niet behandeld in dit antwoord.

Sinds de verwezenlijking van de "eenheidsmarkt" en de ermee gepaard gaande afschaffing van de fiscale grenzen neemt de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in het kader van de uitvoering van de verordening (EEG) nr. 218/92, deel aan het opzetten van systemen die, in principe voortaan, de controle over de intercommunautaire leveringen en verwervingen van goederen in de Europese Unie mogelijk maken.

Zo werkt de administratie van de BTW, dankzij de samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Commissie, mee aan de realisatie van verschillende efficiënte Europese informaticanetwerken en heeft toegang tot die netwerken.

Thans kunnen de controleambtenaren, dankzij deze informatica, reeds onmiddellijk, zowel de geldigheid van een BTW-identificatienummer als de naam en het adres van de titularis van dit nummer, toegekend door een lidstaat van de Europese Unie, verifiëren.

Meer nog, mits een wachttijd van gemiddeld tien minuten, is het ook mogelijk deze geldigheid voor een bepaalde periode in het verleden te controleren.

Belangrijker is tenslotte dat deze ambtenaren, op basis van periodiek uitgewisselde en constant bijgewerkte gegevens en via dezelfde samenwerkingskanalen, over de door een Belgische belastingplichtige in elk van onze partnerlanden van de Europese Unie gerealiseerde totale en/of, per leverancier gedetailleerde, aankoopcijfers beschikken.

Op basis van de bovengenoemde verordening en met het oog op de strijd tegen de fiscale fraude, kunnen zij daarenboven, binnen een termijn van maximum drie maanden, meer gedetailleerde inlichtingen verkrijgen en verzoeken dat hun Europese collega's verschillende opdrachten en onderzoeken verrichten, zoals het nazicht van boekhoudkundige stukken.

Laatstbedoeld controlemiddel werkt eveneens volgens genormaliseerde, gestandaardiseerde en quasi volledig geautomatiseerde procedures die de hiërarchische tussenkomsten tot een minimum herleiden en de taalproblemen inherent aan de "eenheidsmarkt" gedeeltelijk wegwerken.

Tijdens de komende weken zullen alle BTW-ambtenaren van deze nieuwe technieken van samenwerking op de hoogte worden gebracht.

Deze stroom van aanvullende informatie zal via de "Centrale Eenheid voor administratieve samenwerking met de andere EG-lidstaten op het gebied van de BTW" (ministerieel besluit van 16 november 1992, Belgisch Staatsblad van 28 november 1992) worden gekanaliseerd.

De Belgische "centrale eenheid" zal het enige verplichte verbindingspunt vormen tussen de Belgische controleambtenaar en de "centrale eenheid" van de aangezochte lidstaat. De tussenkomst van de gewestelijke directeurs of van de centrale administratie van de BTW is dus uitgesloten. Deze laatste zal slechts in geval van bijzondere moeilijkheden geraadpleegd worden.

Krachtens de bepalingen van de bovengenoemde verordening werd voor onderhavige uitwisseling van inlichtingen in iedere lidstaat een "centrale eenheid" opgericht.

Van bij de aanvang werd de uitwisseling van inlichtingen op basis van de bepalingen van bovengenoemde richtlijn, of ze nu op verzoek, spontaan of automatisch gebeurden, alleen door bemiddeling van de centrale administratie van de BTW verricht zonder enige andere tussenkomst.

Bijgevolg kan de traagheid waarop het geacht lid allusie maakt, enkel toegeschreven worden aan de tekst van de genoemde richtlijn die, in tegenstelling tot de bovengenoemde verordening, geen enkele dwingende termijn van antwoord oplegt.

Om zulke soort van moeilijkheden te verhelpen, vergaderen de lidstaten regelmatig onder het voorzitterschap van de Europese Commissie in een overlegcomité inzake administratieve samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie \[zie art. 9 van de richtlijn 77/799/EEG en art. 10 van de verordening (EEG) nr. 218/92\]. In dat comité onderzoeken zij verschillende initiatieven.

Deze initiatieven gaan ook uit van de Belgische administratie die, wat haar betreft, voor de hier beoogde uitwisselingen, in principe mutatis mutandis, dezelfde termijn zal toepassen als deze bepaald in de verordening.

Voor het overige is, in het kader van de administratieve samenwerking en de uitwisseling van inlichtingen, het openbare-ordekarakter verbonden aan de beginselen van territorialiteit van de belasting, van beroepsgeheim en van eerbied voor het privé-leven bepalend. Deze fundamentele en universele grondbeginselen hebben elk hun eigen neerslag gekregen, zowel in de communautaire wetgeving als in de interne rechtsorde van elke lidstaat. Zij verplichten daardoor de administratie tot de grootste voorzichtigheid om evidente redenen van rechtszekerheid en toetsing op de wettelijkheid. Het is bijgevolg ondenkbaar op dit niveau de afschaffing van elke tussenkomst van de "centrale eenheid" of de centrale administratie te overwegen.

Niettemin zullen diezelfde ambtenaren in de nabije toekomst via een elektronisch netwerk een systeem van interactieve briefwisseling kunnen gebruiken dat hen toelaat te corresponderen met hun collega's van de elf andere lidstaten van de Europese Unie.

Ik kan het geachte lid ook mededelen dat, wat de administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde betreft, binnen de genoemde beperkingen een interessant partnership op het terrein in volle ontwikkeling is met verscheidene van onze partners en buren. Er wordt evenwel aan herinnerd dat het niet gebruikelijk is dat de fiscale administraties hun controle- en samenwerkingsrichtlijnen onthullen.

Inderdaad, zulke publikaties zouden de fiscale fraude vergemakkelijken (zie het antwoord op de [vraag nr. 275 van volksvertegenwoordiger mevrouw Demeester-De Meyer d.d. 17 september 1982](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/275-werk-in-onroerende-staat-onroerend-d637), bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, zitting 1981-1982, nr. 40).

Het is bovendien van belang te onderstrepen dat België in deze materie één van de drijvende krachten van de Europese samenwerking is en dat de vertragingen of moeilijkheden inherent aan de verwezenlijking van de "eenheidsmarkt" België niet kunnen worden verweten. In dit kader was het niet alleen noodzakelijk om de wetgevingen van de lidstaten te harmoniseren, en dit niet enkel in fiscale materies, maar ook om een minimum overeenstemming te vinden tussen de verschillende procedures en systemen met betrekking tot de controle en het inzamelen van inlichtingen. De meeste van de hierboven vermelde middelen zijn van nu af aan operationeel.

Vanaf het ogenblik dat de controleambtenaren van de sector BTW van het departement vertrouwd zullen zijn met deze nieuwe technologie en procedures, zullen zij ongetwijfeld succes oogsten in hun strijd tegen de fiscale fraude, of ze nu op nationale of internationale technieken berust.

Wat de administratie van de BBI betreft, zijn de door het geachte lid in zijn vraag aangehaalde elementen in verband met de termijnen en het bijkomend echelon in de procedure ongegrond.

Voor het overige wordt het nodige gedaan om de procedure van samenwerking in bepaalde gevallen zoveel mogelijk te versoepelen.

## Aangehaalde teksten

3

EG-Verdrag art. 2 1 voorkomen

richtlijn 77/799 art. 9 1 voorkomen

verordening 218/92 art. 10 1 voorkomen
