Bankinstellingen. Aftrek van voorbelasting. Berekening van het algemeen verhoudingsgetal · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

696 15 maart 1994

Zoeken

Bankinstellingen. Aftrek van voorbelasting. Berekening van het algemeen verhoudingsgetal

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/696-bankinstellingen-aftrek-voorbelasting-berekening-algemeen-0eaa

Nummer
696
Datum
15 maart 1994

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

28 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, 1994-1995, nr. 144, blz. 7597-7599

Bankinstellingen - Aftrek van voorbelasting - Berekening van het algemeen verhoudingsgetal

VRAAG

1. De banken verrichten als BTW-plichtigen zowel belastbare handelingen (die onderworpen zijn aan de BTW) als vrijgestelde handelingen (die niet onderworpen zijn aan de BTW).

2. Voor deze handelingen gebruiken de banken goederen en diensten die aan de BTW onderworpen zijn en waarop zij BTW betalen.

3. Deze BTW kan teruggevorderd worden. De terugvordering van de BTW is evenwel slechts toegestaan voor het deel dat evenredig is aan de handelingen van de banken die onderworpen zijn aan de BTW. Voor de toepassing van de aftrek moet dus een pro rata (dit is een breuk) berekend worden.

4. Volgens artikel 19, § 1, van de 6e BTW-richtlijn vormt het pro rata de uitkomst van een breuk waarvan :

a) De teller bestaat uit het totale bedrag per jaar van de omzet (exclusief BTW) met betrekking tot de handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat;

b) De noemer bestaat uit het totale bedrag per jaar van de omzet (exclusief BTW) met betrekking tot de handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat en de handelingen die geen recht op aftrek geven.

5. De handelingen die geen recht op aftrek geven, zijn de kredietoperaties, de ontvangen renten, de wisseloperaties, de verkoop van effecten, ...

Overeenkomstig de BTW-richtlijn moet het brutobedrag van de renten en andere handelingen in de noemer staan. Het Europees BTW-Comité heeft dat duidelijk bevestigd tijdens zijn 13e vergadering op 15 en 16 december 1981.

6. België staat de banken echter toe alleen de winstmarge op deze handelingen mee te rekenen, dit naar aanleiding van een modus vivendi die in 1974 tot stand is gekomen tussen de Belgische Vereniging der Banken en het ministerie van Financiën.

Deze Belgische praktijk, die erin bestaat de waarde van de noemer van de breuk te verkleinen, heeft tot gevolg dat er een verhoging optreedt van het pro rata en dus van het BTW-bedrag dat door de banken teruggevorderd kan worden.

7. Hoewel de Europese Commissie sinds 1989 hierover herhaaldelijk opmerkingen heeft gemaakt, is die modus vivendi nooit opgeheven.

Kan de geachte minister me op de volgende vragen antwoorden :

1. Welke fiscale redenen liggen aan de basis van het behoud van deze modus vivendi ?

2. Welke kosten brengt deze modus vivendi met zich mee voor de Schatkist ? Kunt u het bedrag van 1 miljard bevestigen ?

3. Zijn de stelsels in het buitenland gelijk aan het Belgisch stelsel of in overeenstemming met de EG-richtsnoeren ?

ANTWOORD

1. De administratie heeft sinds de invoering van het BTW-stelsel steeds het standpunt ingenomen dat met betrekking tot de kredietverrichtingen die van de BTW zijn vrijgesteld en derhalve geen enkel recht op aftrek verlenen, slechts het positieve verschil tussen de ontvangen en betaalde interesten moet worden opgenomen in de noemer van het verhoudingsgetal vastgesteld overeenkomstig artikel 46, § 1, van het BTW-Wetboek.

Aldus week zij af van het ter zake door de Europese Commissie ingenomen standpunt, volgens hetwelk op grond van artikel 19.1 van de Zesde Richtlijn, het totale bedrag van de ontvangen interesten (bruto- interesten) in de noemer van het verhoudingsgetal voor de toepassing van de aftrek moet worden opgenomen.

De administratie heeft haar zienswijze verdedigd en daartoe aan de Commissie een aantal argumenten voorgelegd.

De Europese Commissie heeft deze argumenten van de hand gewezen zodat de banken en andere financiële instellingen, vanaf 1 januari 1995, om de aftrekbare belasting te berekenen, als omzet in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal, het bruto-bedrag van de ontvangen interesten dienen te vermelden.

Bij deze gelegenheid en teneinde in de toekomst in dat verband ieder misverstand te voorkomen, wordt er inzonderheid nog op gewezen dat ten aanzien van de handelingen inzake effecten en de wisselverrichtingen, de hierna bepaalde bedragen voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal in aanmerking dienen genomen te worden.

Bij verkoop van effecten waarbij de bank of financiële instelling optreedt als bemiddelaar in naam en voor rekening van derden, geldt als omzet het totale bedrag van de ontvangen vergoeding en de andere bijkomende kosten. Ten aanzien daarentegen van de handelingen betreffende effecten die in eigen naam worden gesteld (daaronder begrepen de eigen effectenportefeuille) geldt als omzet, het verschil tussen de verkoop- en aankoopprijs van die effecten.

Wat de wisselverrichtingen betreft, dient er een onderscheid te worden gemaakt naargelang die handeling wordt gesteld voor eigen rekening dan wel voor rekening van derden. In het eerste geval wordt de betreffende handeling voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal uitgesloten terwijl in het tweede geval als omzet wordt aangemerkt, het totale bedrag van de ontvangen vergoeding (zijnde het totale bedrag van de marge t.t.z. het verschil tussen de verkoop- en aankoopkoers, het ontvangen commissieloon en de aangerekende kosten).

2. Het is niet mogelijk een antwoord te geven op die vraag. Ter informatie kan evenwel medegedeeld worden dat het totale bedrag van de door de banken voor het jaar 1992 genoten aftrek 14,4 miljard frank bedraagt.

3. Volgens de informatie waarover ik beschik, zou de aftrekregeling voor de banken in de andere EG-lidstaten conform zijn de Europese wetgeving ter zake.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 461 voorkomen