---
title: "Parlementaire vraag 63 · Belastingplichtigen onderworpen aan de normale regeling. Omzet. Wettelijke vermoedens"
description: "Belastingplichtigen onderworpen aan de normale regeling. Parlementaire vraag nr. 63 van 10 april 1972 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/63-belastingplichtigen-onderworpen-normale-regeling-omzet-bce2"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/63-presomption-legale-chiffre-affaire-determination-fb01"
---

# Belastingplichtigen onderworpen aan de normale regeling. Omzet. Wettelijke vermoedens

**Nummer**

63

**Datum**

10 april 1972

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

31 paragrafen

**Bulletin van Vragen en Antwoorden Senaat, 1971-1972 nr. 11 blz. 481-482.**

*Belastingplichtigen onderworpen aan de normale regeling - Omzet - Wettelijke vermoedens*

## **VRAAG**

Zelfstandigen die voor de normale BTW-regeling hebben geopteerd.

Heel veel middenstanders moeten opteren voor het normale stelsel van de BTW, ofwel omdat zij meestal verkopen met factuur, ofwel omdat voor hen geen forfaitaire taxatie BTW bestaat.

Ze verrekenen de BTW volgens hun ontvangsten, en facturenboek.

Hun winst wordt bepaald als volgt, zonder rekening te houden met de fluctuaties van de inventaris, omdat ze er geen bijhouden: aankopen + forfaitair bepaalde bruto-winst + opbrengst lonen.

Deze forfaitaire berekening zou een product moeten geven, dat theoretisch gelijk is aan de verkopen, doch dit kan niet, omdat de werkelijke voorraden altijd variëren.

Bij recente controles door de BTW-administratie werd volgend standpunt ingenomen:

\- ofwel zijn de aangegeven verkopen lager dan de theoretische opbrengst, met als gevolg: taxatie van het verschil;

\- ofwel zijn ze hoger: dan wordt er beweerd dat er aankopen zijn zonder factuur, met als gevolg: taxatie van die aankopen met een niet-recupereerbare BTW, omdat er geen factuur is.

Deze toestand is onhoudbaar, omdat hij ondermeer tot gevolg heeft, dat een belastingplichtige het ene jaar, wegens daling van de voorraad wordt getaxeerd op aankopen zonder factuur, en het volgende jaar, bij stijging van die voorraad, nogmaals op verkopen die hij niet zou geboekt hebben.

Voorbeeld:

Aankopen 100.000 Bruto-winst 30 pct. 30.000 ------- 130.000

Werkelijke ontvangst: 150.000 F. Taxatie op aankopen zonder factuur voor het verschil.

Volgend jaar met eenzelfde aankoopcijfer:

Werkelijke ontvangst: 110.000 F. Taxatie op 20.000 F niet aangegeven verkopen.

Aldus betaalt deze belastingplichtige tweemaal op dezelfde fluctuaties van zijn voorraad.

De oplossing ligt natuurlijk voor de hand: onze middenstander moet ieder jaar een inventaris opmaken. Doch daarmede verplicht men hem die over het algemeen over een winkel beschikt met een geweldige variatie van kleine artikels, tot een omslachtig werk dat minstens een volle week in beslag neemt, naast alle andere administratieve verplichtingen die hij er met de BTW heeft bijgekregen.

Daarenboven ontstaat hierdoor een grote discriminatie met de BTW-forfaitairen.

Trouwens, hoe moet een beginnende BTW-belastingplichtige tewerkgaan, van wie de eerste aankopen voor stockvorming bestemd zijn ? En zijn verkopen zeker lager zullen liggen dan zijn aankopen ?

Zouden volgende oplossingen niet kunnen overwogen worden:

\- opmaken van een geschatte en niet tot in de details uitgewerkte inventaris, tot staving van de voorraadfluctuaties;

\- geen taxatie van het verschil in meer aan ontvangsten, of recuperatie van de te betalen BTW op de vermeende aan, kopen zonder factuur, en aanwending van deze verschillen in meer bij latere verschillen in min ?

Deze oplossingen zouden de toestand van heel wat kleine belastingplichtigen zeker verlichten en een rechtvaardiger behandeling tot gevolg hebben.

## **ANTWOORD**

Antwoord: Krachtens [artikel 64, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Tegen het vermoeden ingesteld bij deze bepaling is, krachtens de tekst zelf, het tegenbewijs toegelaten. Zoals het geachte lid opmerkt, kan dat tegenbewijs bestaan in de vergelijking tussen twee inventarissen die door de belastingplichtige worden opgemaakt respectievelijk bij het begin en bij het einde van het betrokken tijdvak. Het is inderdaad waar dat de belastingplichtige die geen jaarlijks inventaris opmaakt moeilijk dat tegenbewijs kan leveren. Uit een vaste rechtspraak zowel op het stuk van de met het zegel gelijkgestelde taksen als op het stuk van de inkomstenbelastingen blijkt inderdaad duidelijk dat, bij ontstentenis van een inventaris, in de regel wordt aangenomen dat de voorraad op het einde van het gecontroleerde tijdvak gelijk is aan de voorraad bij het begin van dat tijdvak. De belastingplichtige behoudt steeds de mogelijkheid door alle middelen te bewijzen dat zijn voorraad vermeerderd is, precieze regels kunnen in dat verband nochtans niet worden gegeven, omdat het te leveren bewijs essentieel verschilt naargelang de aard en de bijzonderheden van iedere werkzaamheid. In bepaalde gevallen zal dat bewijs voortvloeien uit de omstandigheden zelf, zoals de aanvang van de werkzaamheid, de uitbreiding van het bedrijf, enz. In ieder geval kan geen genoegen worden genomen met een globale schatting van de voorraad, die niet gemakkelijk op te maken en te controleren is.

Anderdeels, afleiden dat inkopen werden gedaan zonder voldoening van de belasting om reden dat het bedrag van de aangegeven verrichtingen de theoretische waarde van de verkopen overtreft, is een werkwijze die uiterst zelden door de administratie zal toegepast worden, daar de belastingplichtige de belasting geheven van zijn inkopen mag in aftrek brengen.

Bovendien zou een dergelijke werkwijze enkel steun vinden in [artikel 59, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59), van het Wetboek, dat aan de Administratie toelaat, alle feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen of ertoe bijdragen dit aan te tonen, te bewijzen door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.

Ten slotte beoogt het geachte lid individuele gevallen; de gegrondheid van het standpunt ingenomen door de ambtenaren die de controle hebben uitgeoefend, kan slechts worden beoordeeld na een onderzoek van de dossiers van de betrokkenen.

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

## Administratieve doctrine

2

[Parlementaire vragen 2](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/63-belastingplichtigen-onderworpen-normale-regeling-omzet-bce2/documenten?type=parlementaire-vragen)

« … te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Tegen dat vermoeden mag echter het tegenbewijs worden geleverd, onder meer door aan te tonen dat de voorraad is aangegroeid. In dat verband verwijs ik naar mijn antwoord op de vraag nr. 63 gesteld op 10 april 1972 door de heer senator Lavens (bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1971-1972 nr. 11, blz. 481-482). »

[Bewijs. Omzet. Aangroei van de voorraad. Inventaris. Ontvangstendagboek. Voorraadschommeling. Forfaitaire regeling. Vermoeden.](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/17-bewijs-omzet-aangroei-voorraad-inventaris-cac9) Parlementaire vraag 31.10.1972

[Bekijk de 2 documenten](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/63-belastingplichtigen-onderworpen-normale-regeling-omzet-bce2/documenten)
