---
title: "Parlementaire vraag 629 · Opheffing bankgeheim"
description: "Opheffing bankgeheim, opheffing van het bankgeheim. Parlementaire vraag nr. 629 van 12 november 1996 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/629-opheffing-bankgeheim-demotte-6c1c"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/629-secret-bancaire-utilisation-mecanismes-levee-ed84"
---

# Opheffing bankgeheim

**Nummer**

629

**Datum**

12 november 1996

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

52 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, nr. 79, 1996-1997, blz. 10828-10833**

**BTW-Revue nr. 131, blz. 1127**

*Opheffing bankgeheim.*

## **VRAAG**

Tijdens een televisie-uitzending over de vermogensbelasting kwam aan het licht dat de diensten van de BTW-administratie, volgens bepaalde uitspraken die u niet weerlegd heeft, maar zelden gebruik maken van de macht die zij hebben - en die is groter dan de bevoegdheden van de Administratie der directe belastingen op dat gebied - om het bankgeheim te doen opheffen.

Als die beschouwing bevestigd wordt, betekent dat dus dat wetteksten niet langer volstaan om fiscale fraude te bestrijden of een correcte inning van de belastingen te verzekeren, maar dat ook de bereidheid moet bestaan om van de wet gebruik te maken.

Om na te gaan of de door de parlementsleden aangenomen en vaak door de betrokken belastingbesturen opgestelde teksten terdege worden toegepast, lijken een aantal verduidelijkingen nodig.

1\. Kan u voorshands meedelen hoeveel procedures de vijf afgelopen aanslagjaren zowel voor de BTW als voor de directe belastingen ingesteld werden met het oog op de opheffing van het bankgeheim in een fiscaal dossier en hoeveel procedures ook gevolgen hebben gehad ?

2.

a) Dient niet een jaarverslag te worden opgesteld over het gebruik dat van dergelijke procedures wordt gemaakt ?

b) Zo neen, waarom ?

## **ANTWOORD**

1.

I. Op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde.

A. Vanaf 1 januari 1993 en om de verificatie van de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden mogelijk te maken, zijn de belastingplichtigen gehouden om op ieder verzoek van de controleagenten alle boeken en stukken met betrekking tot hun activiteit zonder verplaatsing ter inzage voor te leggen; het betreft hier zowel boeken en stukken, waarvan het houden, het opmaken of het uitreiken zijn vereist door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake BTW, als deze, voorzien in elke andere wetgeving en reglementering of, meer algemeen, opgemaakt in het kader van de interne organisatie en werking van de onderneming.

Met betrekking tot de boeken en stukken waarvan het houden, het opmaken of het uitreiken is voorgeschreven door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake BTW, is deze verplichting tot voorlegging ter inzage eveneens opgelegd aan iedere andere persoon.

Anderzijds, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan en op ieder verzoek van de controleagenten, is iedere persoon, inbegrepen de BTW-belastingplichtige dus, ook gehouden mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem worden gevraagd.

Teneinde de juiste toepassing van de belasting in hoofde van derden na te gaan, vereist de vraag tot voorlegging ter inzage van boeken en stukken, die worden gehouden, opgemaakt of uitgereikt krachtens andere wettelijke en reglementaire bepalingen dan deze inzake BTW, alsmede de vraag tot verschaffing van inlichtingen, aan het Bestuur van de Postcheck, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen niettemin een aan de controleagent voorafgaandelijk uitgereikte machtiging van de directeur-generaal van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen. Met deze machtiging streeft men er in feite naar om een zekere vertrouwelijkheid van de gegevens aangaande de derden te beschermen (Parl. stuk, Senaat, 1968-1969, nr. 455, blz. 198, artikel 61, alinea 4). De verplichting beroep te doen op deze machtiging hindert in feite slechts in geringe mate de autonomie, waarover de controleagent beschikt ten aanzien van de controlemachten die hij ten opzichte van deze personen kan laten gelden.

Inderdaad, zonder beroep te doen op deze machtiging, kan de controleagent van de voornoemde personen eisen dat enerzijds, de boeken en stukken waarvan het houden, het opmaken of het uitreiken is voorzien in de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake BTW ter inzage worden voorgelegd teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te verzekeren en, anderzijds, alle boeken en stukken met betrekking tot hun activiteit ter inzage worden voorgelegd, alsmede de inlichtingen worden verschaft, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde te verzekeren.

B. Vóór 1 januari 1993 en met het oogmerk de juiste heffing van de belasting zowel in zijnen hoofde als in hoofde van derden na te gaan, was de machtiging van de directeur-generaal van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen daarentegen telkens vereist wanneer de controleagent in hoofde van de banken, de kredietinstellingen, de wisselagenten en wisselagenten-correspondenten de voorlegging ter inzage wilden eisen van andere boeken en stukken dan deze die zij hadden gehouden, opgemaakt of ontvangen krachtens het BTW-wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Anderzijds kon de verschaffing van inlichtingen door de controleagent slechts worden gevraagd jegens de belastingplichtigen of jegens elke andere persoon die tegenover de Staat schuldenaar van de belasting was. Krachtens de Belgische BTW-wetgeving van vóór 1 januari 1993 werden de banken, de financiële en kredietinstellingen in de regel echter niet beschouwd als belastingplichtigen voor het merendeel van hun financiële en bankverrichtingen en dus waren ze uitgesloten van de mogelijkheid inlichtingen omtrent de financiële stromen van een BTW-belastingplichtige te verschaffen.

C. Op 1 januari 1993 zijn de bepalingen van [artikel 62bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62bis), gebaseerd overigens op de principes van het oude artikel 61, § 2, van het voor deze datum geldende wetboek, aangepast (Parl. stuk, Kamer van volksvertegenwoordigers, 1992-1993, nr. 684/ 1, blz. 65, artikel 77). Dit om, enerzijds, tegemoet te komen aan de behoefte de controleprerogatieven van de controleagenten beter af te stemmen op de nieuwe context, gegenereerd ingevolge de opheffing van de fiscale grenzen tussen de lidstaten, en om, anderzijds, vanaf deze datum, de overeenstemmende hoedanigheid van belastingplichtige van de banken en, meer algemeen, van de financiële en kredietinstellingen beter af te stemmen op de verificatie van de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden. Hierdoor wordt in feite het effect van de opheffing van de fiscale grenzen tussen de lidstaten ondervangen. Dit door het gebruik toe te staan van andere informatiebronnen en dus andere controlemogelijkheden, zonder echter de autonomie en zelfs de efficiëntie van de controleagent in de weg te staan doordat hij systematisch beroep moet doen op een formele volmacht, alsmede door een gelijke behandeling onder alle belastingplichtigen te garanderen ten aanzien van hun verplichtingen tot voorlegging ter inzage en tot verschaffing van inlichtingen en, zoals de wetgever het wil, er daarentegen toch ook voor te zorgen dat een zekere vertrouwelijkheid wordt bewaard ten aanzien van de gegevens die in handen zijn van het Bestuur van de postcheck, de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen.

Ik wens er trouwens ook op te wijzen dat de in het artikel 62bis van het voornoemde wetboek (vóór 1 januari 1993, [artikel 61, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61), van genoemd wetboek) beoogde machtiging slechts uitzonderlijk en geval per geval wordt verleend aan een met name genoemde ambtenaar (Parl. stuk, Senaat, 1968-1969, nr. 455, blz. 198, artikel 61, alinea 4) en dit nadat, naar vaste administratieve gewoonte, in principe alle andere mogelijke middelen tot verkrijging van de informatie werden uitgeput.

D. Met betrekking tot de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, kan het aantal door de directeur-generaal uitgereikte machtigingen, met toepassing tot 31 december 1992 van [artikel 61, § 2, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) en vanaf 1 januari 1993 van [artikel 62bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62bis) van het Wetboek, als volgt worden uitgesplitst :

1991 : 2;

1992 : 1;

1993 : 0;

1994 : 0;

1995 : 0;

1996 : 2.

Wat daarentegen Administratie van de bijzondere belastinginspectie (BBI) betreft, kan het aantal door de directeur-generaal uitgereikte machtigingen, met toepassing van [artikel 62bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62bis) (artikel 61, § 2, oud) en artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980, als volgt worden uitgesplitst :

1991 : 1;

1992 : 2;

1993 : 0;

1994 : 2;

1995 : 9;

1996 : 45.

Anderzijds beschikt de administratie niet over statistieken met betrekking tot de aan de banken en andere financiële instellingen gerichte vragen tot voorlegging ter inzage van boeken en stukken en tot verschaffing van inlichtingen, waarvoor de machtiging, beoogd in [artikel 62bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62bis), niet is vereist.

De administratie beschikt ook niet over statistieken die toelaten de effecten van de uitgevoerde enquêtes te evalueren, die steunen op de bij de banken en andere financiële instellingen ingezamelde informatie.

II. Op het gebied van de inkomstenbelastingen.

In de loop van het jaar 1996 werd in de schoot van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en in deze van de Administratie van de directe belastingen een onderzoeksprocedure, beoogd in artikel 318, alinea 2, van het WIB 1992 (artikel 224 oud), toegepast.

III. Met betrekking tot de registratie- en successierechten.

Om volledig te zijn, wens ik het geacht lid erop te wijzen dat de onderzoeken eveneens betrekking hebben op de registratie- en successierechten op grond van artikel 183 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten en [artikel 100](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-100) van het Wetboek der successierechten.

De administratie beschikt niet over statistieken in verband met onderzoeken aangaande registratierechten.

Met betrekking tot de successierechten is het aantal toegestane onderzoeken als volgt uitgesplitst :

1992 : 362;

1993 : 500;

1994 : 563;

1995 : 582;

1996 : 688.

2\. Rekening houdend met het gering aantal aanvragen voor de machtiging beoogd in [artikel 62bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62bis) (in toepassing vanaf 1 januari 1993) en met hun uitzonderlijke geaardheid, lijkt mij een specifiek jaarverslag niet aangewezen. Anderzijds vindt men het aantal machtigingen, dat jaarlijks op basis van [artikel 62bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62bis) en van [artikel 100](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-100) van het Wetboek der successierechten wordt uitgereikt, terug in het door de administrateur-generaal van de belastingen uitgegeven jaarverslag.

Daarenboven en in navolging van hetgeen nu reeds in het voornoemd verslag is gepubliceerd op het gebied van de indirecte belastingen, kan statistische informatie omtrent de bankenquêtes in het kader van de procedure beoogd in artikel 318, tweede alinea, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden uitgegeven.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 62bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62bis) 6 voorkomens

[WBTW art. 100](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-100) 2 voorkomens

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 2 voorkomens
