Schriftelijke vraag en antwoord nr : 621 - Zittingsperiode : 53
Auteur : Willem-Frederik Schiltz, OPNVLD (01218)
Departement : Minister van Financiën, belast met Ambtenarenzaken
Titel : Registratierechten. - Vennootschappen. - Onroerende goederen.
Datum indiening : 21/10/2013
Vraag
Het Wetboek der Registratierechten bepaalt in artikel 129, eerste lid dat "Het verkrijgen, anderszins dan bij inbreng in vennootschap, door één of meer vennoten, van in België gelegen onroerende goederen, voortkomende van een vennootschap onder firma of van een gewone commanditaire vennootschap, van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of van een landbouwvennootschap geeft, welke ook de wijze zij waarop het geschiedt, aanleiding tot het heffen van het voor verkopingen gesteld recht.".
Op dit principe maakt artikel 129, derde lid, 2° van het Wetboek der registratierechten een uitzondering, namelijk voor "onroerende goederen welke door de vennootschap met betaling van het voor de verkopingen bepaald registratierecht verkregen werden, wanneer het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt deel uitmaakte van de vennootschap toen laatstgenoemde de goederen verkreeg.".
Deze uitzondering werd verder toegelicht door de Beslissing nr. E.E./89.767 van 10 december 1985 die luidt: "Wanneer een vennootschap een grond verkrijgt samen met een gebouw in oprichting of pas voltooid, met betaling van het registratierecht voor de grond en met toepassing van de uitzondering voorzien in artikel 159, 8° voor het gebouw, in oprichting of pas voltooid, valt de latere toebedeling van gans het onroerend goed aan een vennoot die deel uitmaakte van de vennootschap op de dag van de verkrijging, geheel buiten het toepassingsveld van artikel 129, 1ste alinea. Daaruit volgt dat de uitzonderingen die voorzien zijn in de laatste alinea van artikel 129 voor het geheel toepasselijk blijven.".
Sedert 1 januari 2011 is de vrijstelling van artikel 159, eerste lid, 8° van het Wetboek registratierechten onder bepaalde voorwaarden uitgebreid tot de verwerving van gebouwen én het bijhorende terrein, omdat vanaf die datum een dergelijke verwerving voor haar totaliteit onder btw kan vallen.
Kan uw administratie meedelen of de uitzondering bepaald in artikel 129, derde lid, 2° van het Wetboek der registratierechten al dan niet kan toegepast worden indien een vennootschap met de rechtsvorm van een VOF, GCV of BVBA een gebouw mét bijhorend terrein heeft verworven met toepassing van btw op het geheel van deze verwerving en nadien uitkeert aan een vennoot die deel uitmaakte van de vennootschap op de dag van de verwerving?
Antwoord
Publicatie antwoord : B138 · Publicatiedatum : 02/12/2013
Ik kan het geachte lid bevestigen dat indien een vennootschap met de rechtsvorm van een VOF (vennootschap onder firma), GCV (gewone commanditaire vennootschap) of BVBA (besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) een nieuw gebouw samen met de erbij horende grond heeft aangekocht met betaling van btw op het geheel van deze aankoop, de latere toebedeling van het onroerend goed (grond en gebouw) aan een vennoot die bij de aankoop deel uitmaakte van de vennootschap voldoet aan de toepassingscriteria van artikel 129, 3e lid, 2°, van het Wetboek der registratierechten.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Vraag en antwoord gepubliceerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers in het Bulletin van vragen en antwoorden · De vraag op de website van de Kamer