Kamer, Vragen en Antwoorden, 2015-2016, QRVA 54/073 d.d. 17.05.2016, blz. 170
Btw: opheffing keuzestelsel voor rechtspersonen
VRAAG
De administratie heeft, na advies van de Europese Commissie, beslist om het keuzestelsel voor rechtspersonen die optreden als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar op te heffen (Beslissing Btw nr. E.T.125.180 van 20 november 2014).
Vanaf 1 januari 2015 gingen de gewone btw-regels toegepast worden. Kort na deze beslissing werd duidelijk dat de nieuwe toepassing aanleiding kan geven tot "interpretatieproblemen" en "praktische moeilijkheden" in bepaalde sectoren. De inwerkingtreding van de nieuwe regeling werd daarom uitgesteld tot 1 januari 2016 (Beslissing Btw nr. E.T.125.180/2 van 12 december 2014).
1. De administratie zou ondertussen met een administratieve verduidelijking komen. Tot op heden is een dergelijke verduidelijking nog niet gecommuniceerd. Bestaat er reeds zo'n verduidelijking? Zo ja, wanneer wordt deze beschikbaar?
2. Brengt de opheffing van het keuzestelsel een wijziging mee in de toepassing van artikel 44 WBTW? Zo ja, voor welke personen?
ANTWOORD
van de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude van 10.05.2016,
1. De administratie heeft een omstandige verduidelijking uitgewerkt met betrekking tot de gevolgen van de belastingplicht van rechtspersonen die optreden als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar.
Deze administratieve commentaar is te raadplegen op de fiscale databank fisconetplus (Beslissing nr. E.T.127.850 van 30 maart 2016).
Rekening houdend met de talrijke vragen die werden ontvangen en met de door de beoogde personen benodigde tijd om deze wijzigingen in de praktijk te brengen, gaat de nieuwe regeling in op 1 juni 2016.
2. Een handeling wordt maar effectief belast met btw indien er geen vrijstelling van toepassing is. Deze regel is ook van toepassing op vergoedingen van bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars die optreden via een rechtspersoon.
Wanneer het Wetboek expliciet voorziet in een vrijstelling voor taken van beheer verandert er in feite niets. Dit is bijvoorbeeld het geval wat het beheer van collectieve beleggingsinstellingen betreft dat vrijgesteld is van btw ingevolge artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek.
Indien er geen uitdrukkelijke vrijstelling is voorzien voor taken van beheer, moeten de handelingen als bestuurder worden onderscheiden van de overige handelingen die wel een vrijstelling genieten. Zo zal een bestuurder-rechtspersoon die eveneens optreedt als bemiddelaar bij verzekeringen enkel laatstbedoelde diensten kunnen vrijstellen op basis van artikel 44, § 3, 4°, van het Wetboek.
Wanneer de bestuurder-rechtspersoon de opdeling van zijn verschillende activiteiten niet op een objectieve wijze bepaalt via contractuele of statutaire bepalingen of niet nauwgezet toepast, zal minimum 25 % van de aan de bestuurder-rechtspersoon toegekende vergoedingen als aan btw onderworpen bestuurdersvergoedingen worden aangemerkt. In dit verband zal ook rekening worden gehouden met de verhouding tussen beide vergoedingen zoals die vóór 1 juni 2016 werden toegekend.
Is zo'n contract tot opdeling van de activiteiten wel voorhanden en wordt dit ook correct nageleefd, wordt daarentegen geen rekening gehouden met eventuele andersluidende statutaire of contractuele bepalingen uit het verleden.
Voor meer details verwijs ik naar bovengenoemde administratieve commentaar.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.