---
title: "Parlementaire vraag 571 · Kosteloze terbeschikkingstelling auto door vennootschap. Maatstaf van heffing"
description: "Kosteloze terbeschikkingstelling auto door vennootschap. Maatstaf van heffing. Parlementaire vraag nr. 571 van 24 september 1996 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/571-kosteloze-terbeschikkingstelling-auto-vennootschap-maatstaf-a2ab"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/571-avantage-toute-nature-prelevement-operation-b354"
---

# Kosteloze terbeschikkingstelling auto door vennootschap. Maatstaf van heffing · Kosteloze terbeschikkingstelling auto door vennootschap. Maatstaf van heffing.

**Nummer**

571

**Datum**

24 september 1996

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

27 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, nr. 59, 1996-1997, blz. 7858-7860**

*Kosteloze terbeschikkingstelling auto door vennootschap - Maatstaf van heffing.*

## **VRAAG**

Het valt geregeld voor dat de echtgenoten, de kinderen, kleinkinderen en de schoonkinderen van bestuurders of werkende vennoten tijdens de week-ends, over de middag of 's avonds de kosteloze beschikking hebben over een autovoertuig toebehorende aan een vennootschap.

Inzake inkomstenbelastingen lijdt het geen twijfel dat voor dit privaat gebruik een belastbaar voordeel dient te worden weerhouden.

Die voordelen worden echter niet verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid bij de vennootschap en kunnen daardoor niet als belastbare beroepsinkomsten in hoofde van de werkelijke genieters worden aangemerkt.

1\. Mogen die diverse voordelen inzake vennootschapsbelasting in hoofde van de rechtspersoon worden belast als een abnormaal of goedgunstig voordeel of verworven uitgave in de zin van artikel 26 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ?

2.

a) Kan de "werkelijke waarde" van die belastbare voordelen naar analogie worden vastgesteld aan de hand van de reglementaire bepalingen en forfaitaire ramingen waarvan sprake in artikel 18, § 3, punt 9, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het WIB 1992 ?

b) Geldt hierbij tevens de minimale norm van 5.000 km op jaarbasis ?

3.

a) Kan u de visie bijtreden dat die specifieke handeling niet aan de BTW onderworpen moet worden aangezien die voordelen niet kunnen worden geacht te zijn verstrekt ingevolge een contract onder bezwarende titel, namelijk het arbeidscontract of het vennootschapscontract ?

b) Zo neen, om welke wettige redenen niet en wat is alsdan de toepasselijke maatstaf van heffing voor de BTW ?

## **ANTWOORD**

Het geacht lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vragen.

Inzake directe belastingen

De door het geacht lid bedoelde voordelen die voortspruiten uit het occasioneel gebruik van een autovoertuig voor privé-doeleinden door de echtgeno(o)t(e), de kinderen, de kleinkinderen, enz. van bestuurders of werkende vennoten zijn op grond van respectievelijk de artikelen 32, tweede lid, 2° en 33, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) belastbare bezoldigingen voor die bestuurders of werkende vennoten.

Uit de algemene draagwijdte van de voormelde artikelen 32, tweede lid, 2° en 33, tweede lid, 2°, WIB 92, volgt immers dat de belastbare bezoldigingen van bestuurders of werkende vennoten inzonderheid de voordelen van alle aard omvatten die, ongeacht de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld of toegekend, zelfs toevallig, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid zijn verkregen.

Opdat de door een belastingplichtige verkregen voordelen als belastbare beroepsinkomsten worden aangemerkt, is het immers enkel nodig - en volstaat het - dat deze voordelen voortspruiten uit de uitoefening van de beroepswerkzaamheid door de verkrijger of dat ze daarin hun oorsprong vinden, dit wil zeggen dat ze op die werkzaamheid betrekking hebben en dat ze een rechtstreekse of onrechtstreekse, wezenlijke of bijkomstige opbrengst ervan uitmaken of met andere woorden dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid en het verkrijgen van voordelen, wat uiteraard het geval is wanneer een vennootschap gratis een autovoertuig ter beschikking stelt van een bestuurder of werkend vennoot. Het is daarbij zonder belang dat de voormelde voordelen rechtstreeks of onrechtstreeks zouden zijn toegekend aan de familieleden of aan de leden van het feitelijke gezin van de desbetreffende bestuurder of werkend vennoot.

Bijgevolg zal het belastbare bedrag van de in de vraag bedoelde voordelen van alle aard bij de desbetreffende bestuurder of werkend vennoot overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, WIB 92 en artikel 18, § 3, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het voormelde wetboek worden vastgesteld.

Wanneer dergelijke voordelen niet op de in artikel 57, WIB 92, gestelde wijze zijn verantwoord, worden zij in de vennootschapsbelasting onderworpen aan de afzonderlijke bijzondere aanslag als bedoeld in artikel 219, WIB 92.

Het antwoord op de eerste vraag luidt in het onderhavige geval derhalve ontkennend. De tweede vraag is zonder voorwerp.

Inzake BTW

De kosteloze terbeschikkingstelling van een autovoertuig door een vennootschap voor onder meer andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van die vennootschap wordt overeenkomstig [artikel 19, § 1, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) met een dienstverrichting onder bezwarende titel gelijkgesteld wanneer voor dat tot het bedrijf behorende autovoertuig recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de voorbelasting is ontstaan.

In het door het geacht lid beoogde geval is de BTW bijgevolg op grond van bovengenoemd artikel 19, § 1, opeisbaar en wordt overeenkomstig artikel 33, 2°, van het genoemde wetboek berekend over het bedrag van de gedane uitgaven. Het bedrag van deze uitgave wordt vastgesteld rekening houdend met de werkelijk gemaakte kosten met betrekking tot die handeling zonder dat evenwel de bijkomstige kosten en uitgaven waarvoor geen recht op aftrek is ontstaan, in aanmerking worden genomen.

Deze notie van "gedane uitgaven" is terug te vinden bij de Europese rechtspraak ter zake die erop gericht is dubbele belastingheffing te vermijden (HvJ, 25 mei 1993, [C-193/91](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-193-91-arrest), G. Mohsche).

Rekening houdend met bovengenoemde rechtspraak en omdat het door de Administratie der directe belastingen vastgestelde voordeel, om een dubbele belastingheffing te voorkomen, niet integraal, met BTW kan worden belast, heeft de Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de aanschrijving nr. 4/1996 van 9 mei 1996 dan ook een forfaitaire berekening van deze gedane uitgaven vastgesteld, uitgaande van het bedrag van het voordeel van alle aard zoals bepaald door de Administratie der directe belastingen, verminderd in hoofde van de belastingplichtige met de uitgaven waarvoor geen volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan. Deze forfaitaire berekening is nochtans facultatief. Elke belastingplichtige die dit wenst kan inderdaad aan de hand van bewijskrachtige stukken het juiste bedrag aantonen van de uitgaven die hij heeft gedaan.

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) 1 voorkomen

[C-193/91, arrest van 25 mei 1993](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-193-91-arrest) 1 voorkomen
