---
title: "Parlementaire vraag 57 · Btw-procedure"
description: "Btw-procedure. Parlementaire vraag nr. 57 van 4 maart 2025 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/57-btw-procedure-kjell-vander-elst-083f"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/57-procedure-tva-kjell-vander-elst-f80b"
---

# Btw-procedure

**Nummer**

57

**Datum**

4 maart 2025

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

28 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 57 van de heer Kjell Vander Elst d.d. 4 maart 2025

**Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/0010 d.d. 07.04.2025, blz. 202**

Vraag nr. 57 van De heer volksvertegenwoordiger Kjell Vander Elst van 04 maart 2025 (N.) aan de viceeersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen:

*Btw-procedure*

## **VRAAG**

[Artikel 85, § 1, derde lid van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) bepaalt dat de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister bedoeld in het eerste of tweede lid, ter kennis van de belastingschuldige moet worden gebracht, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht.

Het gebeurt in de praktijk dat de verantwoording van de belastingschuld die betrekking heeft op het jaar N pas in de loop van de maand december van het jaar N+3 aan de belastingplichtige wordt overgemaakt. In dat geval ontstaat er verjaring van de belastingschuld binnen de wachttermijn van een maand, waardoor de fiscus zich vaak lijkt te beroepen op het in het gedrang komen van de rechten van de Schatkist.

1.Kunt u bevestigen dat de rechten van de belastingplichtige, waaronder voormelde wachttermijn van een maand, door de fiscus steeds moeten worden gerespecteerd en dat de fiscus zich dus niet op een dreigende verjaring kan beroepen wanneer ze zelf te laat heeft gehandeld door pas in december de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige over te maken omwille van bijv. het laattijdig opstarten van een fiscale controle of het laten aanslepen ervan?

2\. Kunt u bevestigen dat de fiscus zich niet op dreigende verjaring kan beroepen wanneer de fiscus die dreigende verjaring zelf heeft gecreëerd en dat de belastingplichtige dus niet het slachtoffer mag worden van het laattijdig handelen van de fiscus, dat op geen enkele manier aan de belastingplichtige zelf te wijten is?

3\. Kunt u bevestigen dat de fiscus haar beslissing om de wachttermijn van een maand niet in acht te nemen en zich daarvoor te beroepen op het in het gedrang komen van de rechten van de Schatkist, in het bijzonder op de dreigende verjaring, uitdrukkelijk moet motiveren op grond van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering bestuurshandelingen?

4\. Zult u de nodige instructies geven aan uw diensten om te bewaken dat de beginselen van behoorlijk bestuur voor de belastingplichtigen worden gegarandeerd?

## **ANTWOORD**

van de vice-eersteminister en minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen van 04 april 2025, op de vraag nr. 57 van De heer volksvertegenwoordiger Kjell Vander Elst van 04 maart 2025 (N.):

1 en 2. De verantwoording van de belastingschuld moet uiterlijk een maand voor de opname van de schuld in een innings- en invorderingsregister, ter kennis van de belastingschuldige worden gebracht ([artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85)).

De administratie kan afwijken van de bedoelde termijn wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. De kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld moet in dat geval ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht.

Door de administratie vrij te stellen van de verplichting om de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk een maand voor de opname van de belastingschuld in het innings- en invorderingsregister aan de belastingplichtige ter kennis te brengen, beoogt de wetgever de effectieve inning van de btw-schulden te verzekeren.

Bij de invoering van [artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) door de wet van 26 november 2018 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft (Parl. Doc., Kamer, Zitting 54, 3277/1, blz. 9), wordt de dreigende verjaring uitdrukkelijk aangehaald in de memorie van toelichting als een voorbeeld van een geval dat de rechten van de Schatkist in het gedrang brengt.

[Artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) maakt geen onderscheid naargelang de dreigende verjaring al dan niet te wijten is aan een fout of een nalatigheid van de belastingadministratie. Voor de toepassing van de afwijking bedoeld in [artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) volstaat het dat er een omstandigheid van dreigende verjaring bestaat en dat ten gevolge van deze dreigende verjaring de rechten van de Schatkist in het gedrang komen.

Aldus kan er bijv., bij dreigende verjaring, door de administratie toepassing worden gemaakt van de afwijking op de regel dat de belastingschuld uiterlijk een maand voor de opname van die schuld in een innings- en invorderingsregister ter kennis van de belastingschuldige moet worden gebracht, wanneer een proces-verbaal van regularisatie, opgemaakt voor de periode van 01.01 jaar X tot 31.12 jaar X, door de administratie ter kennis wordt gebracht in de loop van de maand december van jaar X+3, zonder dat er dient te worden nagegaan wie verantwoordelijk was voor het ontstaan van de situatie van dreigende verjaring.

Op de vraag of [artikel 85, § 1, derde lid, van het BtwWetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) - in die zin geïnterpreteerd dat de rechten van de Schatkist in het gedrang komen ingeval van dreigende verjaring, ongeacht of de dreigende verjaring het gevolg is van een fout/nalatigheid in hoofde van de fiscus dan wel het gevolg is van omstandigheden die niet te wijten zijn aan de fiscus, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt - heeft het Grondwettelijk Hof geantwoord dat dat artikel de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schendt (zie Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 146/2024 van 28 november 2024).

3\. De wetgever heeft geenszins tot doel gehad de administratie te verplichten om de opname van een belastingschuld in het innings- en invorderingsregister a priori (voorafgaandelijk) aan de opname ervan mede te delen aan de belastingplichtige. Deze mededeling geschiedt a posteriori middels het innings- en invorderingsbericht ([artikel 85, § 3, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85)).

Met de invoering van [artikel 85, § 1, derde lid, in het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) heeft de wetgever uitsluitend tot doel gehad een verplichting in te voeren om een maand voor de opname van de schuld in een innings- en invorderingsregister de elementen die de fiscale schuld staven aan de belastingschuldige mee te delen. De mededeling van deze verantwoordingselementen gebeurt in het kader van de uitdrukkelijke motivering van het innings- en invorderingsregister en bestaat uit de kennisgeving van de overwegingen in rechte en in feite die als grondslag dienen van het innings- en invorderingsregister (zie voornoemde memorie van toelichting).

De creatie van de uitvoerbare titel op het vlak van btw is sinds de inwerkingtreding van de wet van 26 november 2018, voornoemd, verworden tot een loutere voorbereidende handeling op een uitvoeringsmaatregel. De creatie van de uitvoerbare titel heeft nog slechts tot doel directe (uitvoerend beslag) of indirecte vervolgingen (derdenbeslag) mogelijk te maken. Het innings- en invorderingsregister heeft, i.t.t. het dwangbevel, inderdaad niet langer de functie van een taxatietitel. Het is (uitsluitend) middels de verantwoording van de belastingschuld dat de administratie voldoet aan haar verplichtingen welke voortvloeien uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van bestuurshandelingen. In dat verband wordt er tevens op gewezen dat inzake btw er geen administratieve akte vereist voor het ontstaan van de belastingschuld. Een belastingschuld wordt op het vlak van btw slechts opgenomen in het innings- en invorderingsregister bij niet-betaling van de belastingschuld ([artikel 85, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85)).

Zoals blijkt uit het Cassatiearrest nr. C.94.0357.N van 25.04.1997 (Pas., I., nr. 202, blz. 507) zijn de ingestelde vervolgingen die rechtstreeks hun oorsprong vinden in de wet, alsook de voorafgaande beslissing van de ontvanger om uit te voeren, geen bestuurshandelingen in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van bestuurshandelingen (Belgisch Staatsblad van 12 september 1991) (hierna 'de motiveringswet'). Alhoewel voor de creatie van de uitvoerbare titel inzake btw geen beslissing van de ontvanger meer vereist is en de verplichting de opname van de belastingschuld in het innings-en invorderingsregister rechtstreeks zijn oorsprong vindt in de wet, zijn de principes van het aangehaalde cassatiearrest mutatis mutandis, gelet op hetgeen voorafgaat, van toepassing op de creatie van de uitvoerbare titel inzake btw na de inwerkingtreding van de wet van 26 november 2018, voornoemd.

Hetgeen voorafgaat houdt geenszins in dat de beslissing tot versnelde opname van de schuld in het innings- en invorderingsregister niet moet kunnen worden verantwoord en controleerbaar moet zijn. Er moet immers voldaan zijn, voor de toepassing van de afwijking van [artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85), aan de voorwaarde dat de rechten van de Schatkist in het gedrang komen in de zin van die bepaling.

Welbepaalde rechtspraak is evenwel van oordeel, tegengesteld aan de hiervoor weergegeven zienswijze, dat de beslissing om een belastingschuld versneld op te nemen in het innings- en invorderingsregister wel een bestuurshandeling uitmaakt in de zin van de motiveringswet. Deze zienswijze houdt in dat de administratie bij de beslissing om af te wijken van de termijn van één maand bedoeld in [artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85), in de akte zelf de juridische en feitelijk overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen (de motivering) op afdoende wijze dient te vermelden.

Ter zake wordt er op gewezen dat het niet-respecteren van de termijn van één maand bedoeld in [artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid.

Of, uitgaand van deze laatste zienswijze, de belastingplichtige wordt benadeeld door de versnelde opname van de belastingschuld in het innings- en invorderingsregister wordt betwist in de rechtspraak (zie bijv., enerzijds, de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 26 oktober 2021, welke oordeelt dat de toepassing van afwijking bedoeld in [artikel 85, § 1, derde lid, van het BtwWetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) de belastingplichtige niet benadeelt en dat het niet respecteren van de termijn van één maand niet de nietigheid van de opname van de belastingschuld tot gevolg heeft en, anderzijds, de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 14 maart 2023 welke oordeelt dat in casu de rechten van de Schatkist in gevaar waren, dit niet op enigerlei wijze werd gemeld of gemotiveerd ten aanzien van de belastingplichtige en dat dit, aangezien het gaat om een substantiële vormvereiste, de nietigheid tot gevolg heeft van de gecreëerde uitvoerbare titel).

4\. Mijn administratie zal het nodige doen om de instructies ter zake in herinnering te brengen.

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 13 voorkomens
