Onderscheid in fiscaal opzicht. Intracommunautaire en louter binnenlandse handelingen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

521 29 juli 1996

Zoeken

Onderscheid in fiscaal opzicht. Intracommunautaire en louter binnenlandse handelingenOnderscheid in fiscaal opzicht. Intracommunautaire en louter binnenlandse handelingen.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/521-onderscheid-in-fiscaal-opzicht-intracommunautaire-52ce

Nummer
521
Datum
29 juli 1996

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, nr. 53, 1996-1997, blz. 7157-7159

BTW-Revue nr. 124, blz. 1003

Onderscheid in fiscaal opzicht - Intracommunautaire en louter binnenlandse handelingen.

VRAAG

Voor goederen afkomstig uit België betaalt de koper de verkoper behalve de waarde van het goed het gebruikelijk BTW-tarief. Hij trekt die BTW in zijn aangiften af en eventueel vraagt hij op het einde van het trimester om de teruggave ervan. De teruggave geschiedt in beginsel op het einde van de tweede maand die volgt op het einde van het trimester. Als het een groot bedrag betreft, moet men niet zelden een of twee maanden langer wachten. Voor goederen afkomstig uit een andere EEG-lidstaat dient die BTW, die gewoonweg als verschuldigde en aftrekbare BTW in rekening wordt gebracht niet te worden terugbetaald. Het is dus veel voordeliger om in een ander EEG-land dan België aankopen te verrichten. Dan hoeft men immers de BTW gedurende ten minste drie en ten hoogste zeven maanden niet aan de Schatkist voor te schieten. Voor multinationale distributiebedrijven vertegenwoordigt die BTW aanzienlijke bedragen. Kennelijk worden de nationale producenten, vooral in een klein land als België, door het intracommunautair BTW-stelsel zeer sterk benadeeld. Aangezien de grenzen niet veraf zijn, zijn de vervoerkosten geen doorslaggevend element dat de koper ervan kan doen afzien in het buitenland aan te kopen.

Welke maatregelen neemt u om aan die benadeling van onze nationale producenten een einde te maken ?

ANTWOORD

De algemene beginselen inzake BTW stellen dat de BTW-belastingplichtige diegene is die de belasting int doch niet diegene die de belasting uiteindelijk draagt. De belastingplichtige stort aan de Staat immers slechts het verschil tussen, enerzijds, de BTW die hij betaald heeft aan zijn leveranciers of bij de invoer en waarvoor hij recht op aftrek heeft en, anderzijds, de BTW die hij in rekening heeft gebracht aan zijn afnemers. De toepassing van deze algemene beginselen waarborgt de heffing van de belasting volgens een cascade-stelsel, hetgeen één van de essentiële kenmerken van de BTW is.

De overgangsregeling inzake intracommunautaire leveringen en verwervingen van goederen, ingevoerd op 1 januari 1993, heeft een wijziging van deze algemene principes met zich gebracht.

In deze overgangsregeling, werd erin voorzien dat de persoon, die ertoe gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de belasting te onderwerpen, vrijstelling van de BTW geniet in de Lid-Staat waar hij bij een belastingplichtige aankopen verricht en schuldenaar wordt van de BTW in België. De belastingplichtige-indiener dient de verschuldigde belasting op te nemen in zijn periodieke BTW-aangifte en kan deze, in de mate dat zij aftrekbaar is, in aftrek brengen in dezelfde aangifte.

De overgangsregeling heeft weliswaar een zekere distorsie teweeggebracht tussen de belastingplichtigen die hun aankopen in België of buiten de Gemeenschap doen en diegenen die hun aankopen verrichten in andere Lid-Staten en zodoende een algemeen stelsel van verlegging van heffing genieten.

Nochtans mag men echter niet uit het oog verliezen dat hoewel dit op zekere wijze het aankopen in andere lidstaten kan bevoordelen ten opzichte van het aankopen in België, deze toestand van de andere kant voordelig is voor de Belgische belastingplichtigen die verkopen aan belastingplichtigen gevestigd in andere Lid-Staten die eveneens dit stelsel van verlegging van heffing genieten.

De door het geacht lid beoogde uitzonderlijke toestand van de belastingplichtigen die regelmatig een belastingstegoed hebben, betreft diegenen waarvan het belangrijkste deel van hun omzetcijfer bestaat uit handelingen die zijn vrijgesteld om reden van uitvoer of omdat het om intracommunautaire leveringen gaat. Deze belastingplichtigen, die hun aankopen in België verrichten of die invoeren verrichten zonder verlegging van heffing, verkrijgen immers elke aangifteperiode een belastingstegoed, daar de belasting over hun aankopen waarvoor ze recht op aftrek kunnen uitoefenen het bedrag aan BTW over hun verkopen waarvoor ze schuldenaar zijn, overstijgt. Deze belastingplichtigen lopen het gevaar benadeeld te worden ten opzichte van hen die hun aankopen in andere lidstaten verrichten en die zelden of nooit een belastingstegoed hebben.

Daarom werd, sinds 1 januari 1993, voor de belastingplichtigen die kunnen aantonen in het vorige kalenderjaar voor minstens dertig procent van hun omzetcijfer gerealiseerd te hebben met vrijstelling van BTW en gedurende diezelfde periode een belastingoverschot van minstens 500.000 frank hadden, voorzien in de mogelijkheid hen middels een vergunning recht te geven op maandelijkse in plaats van trimestriële teruggaven van hun belastingstegoed.

Deze bepaling is vervat in artikel 8/1, § 2, eerste lid, 3°, en § 5, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Voor de titularis van dergelijke vergunning vindt de ordonnantie van de terugbetaling, in principe, plaats ten laatste op het eind van de tweede maand volgend op de periode waarop de maandelijkse aangifte betrekking heeft.

Het lijdt nochtans geen twijfel dat in een belastingstelsel waarin in zekere transacties van de economische kringloop, de heffing van de belasting onderbroken wordt, het gevaar bestaat dat niet enkel bepaalde concurrentieverstoringen ontstaan, maar ook belastingontduikingen.

Om die redenen, bevestigt de Commissie dat het harmonisatieproces van de wetgevingen van de verschillende lidstaten inzake omzetbelasting onverbrekelijk verbonden is met de fundamentele doelstelling van de Europese Unie om de neutraliteit van de belastingheffing op transacties binnen de lidstaten en transacties tussen de lidstaten na te streven.

Het is evident dat het voor België onmogelijk is alleen en onafhankelijk op te treden teneinde maatregelen te nemen die aan de door het geacht lid geschetste toestand zouden verhelpen.

Een oplossing van dit probleem is slechts mogelijk door de realisatie van een volgende stap in de harmonisatie van de BTW-reglementering binnen de Europese Unie.

Er dient opgemerkt dat de Europese Commissie een definitieve regeling voorbereidt waarvan het uitgangspunt is dat er geen enkel onderscheid in fiscaal opzicht zal blijven bestaan tussen de intracommunautaire en de louter binnenlandse handelingen.