---
title: "Parlementaire vraag 51 · Belasting en vrijetijdsactiviteiten"
description: "Belasting en vrijetijdsactiviteiten. Parlementaire vraag nr. 51 van 4 januari 1974 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/51-belasting-vrijetijdsactiviteiten-rore-74eb"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/51-regime-fiscal-loisirs-ceramistes-sculpteurs-87ee"
---

# Belasting en vrijetijdsactiviteiten

**Nummer**

51

**Datum**

4 januari 1974

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

21 paragrafen

**Vr. en Antw., Senaat**

*Belasting en vrijetijdsactiviteiten*

## **VRAAG**

Onze beschaving is verrijkt met het element vrije tijd. Wij constateren reeds dat deze wijziging in het leefpatroon voor de enen verheffend werkt, voor anderen neerhalend.

Zo ontmoet ik mensen die hun tijd besteden aan creatieve hobby's: fotografie, beeldhouwkunst, snijwerk, koperdrijven, keramiek, enz. Vooraleer ze een bepaalde ervaring verwerven, hebben ze al heel wat zakgeld in hun liefhebberij gestoken.

Ze verlangen naar het moment waarop ze een ordentelijk produkt kunnen tonen of deelnemen aan een expositie. En onvermijdelijk komt dat ander moment waarop ze een en ander kunnen verkopen, niet alleen voor de voldoening hiervan maar ook om een deel van de investeringen in de kosten te recupereren.

Het is mijn overtuiging dat we deze tijdsbesteding moeten promoveren.

Doch er zijn alleszins hinderpalen in de reglementering van Middenstand en Economische Zaken (handelspraktijken en sociaal statuut), Justitie (inschrijving handelsregister), Financiën (belastingplicht) en misschien elders nog.

Mag ik vragen of deze hobby-beoefenaars een speciale behandeling mogen krijgen inzake belastingplicht, zowel inzake het produkt van hun liefhebberij als inzake samenvoeging met loon, wedde of winst van zelfstandig beroep? En quid zo het gaat om een echtgenote die niet beroepsactief is?

## **ANTWOORD**

I. Inkomstenbelastingen

De inkomsten die de door het geachte Lid bedoelde personen verkrijgen uit de verkoop van de kunstvoorwerpen die zij vervaardigen, zijn normaal belastbaar in de personenbelasting:

\- hetzij krachtens artikel 20, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, indien kan worden beschouwd dat de betrokkenen hun kunst als hoofd- of nevenberoep bedrijven;

\- hetzij krachtens artikel 67, 1°, van hetzelfde Wetboek, indien het om artistieke gelegenheidsprestaties gaat.

De kosten gedaan voor de aankoop van grondstoffen, alsmede de andere uitgaven en lasten die tijdens het belastbaar tijdperk werden gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, komen in mindering bij het vaststellen van het belastbaar inkomen.

De netto-inkomsten uit artistieke gelegenheidsprestaties worden niet samengevoegd met de andere inkomsten van de betrokkene en van zijn echtgeno(o)t(e), doch worden afzonderlijk belast tegen het vast tarief van 30 pct. (tenzij de samentelling met de andere inkomsten en de aanslag tegen het gewoon progressief tarief voordeliger zouden uitvallen voor de betrokkene).

Het Wetboek van de inkomstenbelastingen behelst evenwel geen bijzondere bepalingen voor wat betreft de inkomsten uit artistieke beroepsprestaties.

II . Belasting over de toegevoegde waarde

Uit de algemene economie van het BTW-Wetboek volgt dat beeldhouwers, houtsnijders, graveurs, keramisten, enz., BTW-belastingplichtigen zijn, zelfs wanneer ze hun activiteit louter als vrijetijdsbesteding beoefenen en daarbij geen winst nastreven, zodra zij geregeld, zij het met min of meer lange tussenpozen, b.v. ter gelegenheid van een tentoonstelling, door hen vervaardigde werken verkopen.

De administratie is nochtans voornemens ten aanzien van die personen een vereenvoudigde wijze van betaling van de belasting in te voeren.

Bovendien verwijs ik naar mijn antwoord op de [vraag nr. 29 gesteld op 16 november 1973](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/29-verkoop-kunstwerken-kunstenaars-in-da05) door de heer senator Van In (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1973-1974, nr. 10. blz. 246) Z. Revue nr. 15, blz. 232, nr. 12, art. 4, C.B.T.W.
