---
title: "Parlementaire vraag 5 · De afbetalingsplannen"
description: "De afbetalingsplannen, schuld, coronavirus, Covid-19. Parlementaire vraag nr. 5 van 29 oktober 2020 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/5-afbetalingsplannen-steven-mathei-afbetalingsplan-schuld-5385"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/5-plans-apurement-steven-mathei-covid-954c"
---

# De afbetalingsplannen

**Nummer**

5

**Datum**

29 oktober 2020

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

20 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 5 van de heer Steven Matheï d.d. 02.12.2020

**Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/029 d.d. 02.12.2020, blz. 135**

*De afbetalingsplannen.*

## **VRAAG**

(van de heer Matheï)

Belastingplichtigen kunnen altijd beroep doen op een afbetalingsplan voor het betalen van belastingen, wanneer zij voldoen aan de gestelde voorwaarden daartoe. Dit geldt inzake inkomstenbelastingen maar ook inzake btw. Ten gevolge van de coronapandemie werd beslist om bij dergelijke afbetalingsplannen geen nalatigheidsinteresten aan te rekenen.

In bepaalde gevallen kan het voorvallen dat de belastingplichtige recht heeft op teruggave van belastingen, terwijl hij ook nog zelf belastingen moet afdragen, wat mogelijk is inzake btw bijvoorbeeld.

Stel nu dat een belastingplichtige beroep heeft gedaan op zo'n afbetalingsplan met vrijstelling van nalatigheidsinteresten en daartoe een akkoord heeft verkregen. Enige tijd wordt dit akkoord eenzijdig verbroken doordat toepassing wordt gemaakt van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, meer bepaald van "fiscale schuldvergelijking". Nochtans kan volgens artikel 334, § 3 fiscale schuldvergelijking geen toepassing vinden, indien de te betalen sommen het gevolg zijn van een overeenkomst met een FOD. De vraag is daarbij of het goedkeuren van een afbetalingsplan categoriseert als een "overeenkomst" in de zin van artikel 334, § 3 van de programmawet van 27 december 2004.

Is een goedgekeurd afbetalingsplan een overeenkomst tussen een belastingplichtige en de belastingadministratie die categoriseert of kan categoriseren als een "overeenkomst" in de zin van artikel 334, §3 van de programmawet van 27 december 2004? Zo ja, betekent dit dan dat de administratie op geen enkele manier schuldvergelijking kan of mag toepassen op bijvoorbeeld btw-teruggaves, wanneer er met de belastingplichtige een afbetalingsplan is afgesproken in het kader van bijvoorbeeld zijn openstaande btw-schuld? Zo nee, betekent dit dan dat de administratie op elk moment kan terugkomen op een eerder goedgekeurd afbetalingsplan door toepassing te maken van fiscale schuldvergelijking. Indien ja, is dit volgens u dan niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en het principe van gewettigd vertrouwen?

## **ANTWOORD**

(van de Minister van Financiën)

Bij de uitbreiding op 1 januari 2019 van het toepassingsgebied van artikel 334 van de Programmawet van 27 december 2004 tot de andere federale overheidsdiensten of staatsorganismen dan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, heeft de wetgever de sommen die moeten worden teruggegeven of betaald door een Federale Overheidsdienst of een staatsorganisme in toepassing van een overeenkomst met een Federale Overheidsdienst of met een staatsorganisme, willen uitsluiten van de schuldvergelijking sui generis.

Aldus is het niet mogelijk dat een Federale Overheidsdienst of een staatsorganisme zonder meer de betaling die hij verschuldigd is als tegenprestatie voor een contractuele dienst uitvoert door een schuldvergelijking met de onbetaalde schulden van die contractant.

Het is in die zin dat het geachte lid artikel 334, § 3, 1° van de Programmawet van 27 december 2004 waarnaar hij verwijst, moet lezen en interpreteren.

Anderzijds valt de toekenning van een afbetalingsplan onder de mogelijkheid die een ontvanger heeft om op een autonome manier de vervolging te organiseren. Dit sluit niet uit dat de schuldvergelijking zonder formaliteiten, zoals bepaald in artikel 334, § 1 van de Programmawet van 27 december 2004, kan worden uitgevoerd voor elk bedrag dat moet worden teruggegeven of betaald.

Deze mogelijkheid tot schuldvergelijking wordt trouwens steeds uitdrukkelijk vermeld in de brief waarin een afbetalingsplan wordt toegekend. Wanneer de terugbetaling gekend is bij de toekenning van het plan, wordt hiermee rekening gehouden bij de berekening van de maandelijkse betalingen. Daarentegen is het niet mogelijk om rekening te houden met terugbetalingen die nog niet vastgesteld zijn.

Hetzelfde geldt voor de steunmaatregelen die in het kader van het coronavirus aan ondernemingen zijn toegekend (afbetalingsplan met vrijstelling van nalatigheidsinteresten en kwijtschelding van de boeten wegens nietbetaling).

In dat geval zal de mogelijkheid van de aanwending zonder formaliteiten het voorwerp zijn van een zorgvuldig onderzoek, waarbij er maximaal beoogd wordt de onderneming voldoende van de financiële ruimte te laten om deze crisis te doorstaan.

Wanneer er een aanwending zonder formaliteiten plaatsvindt hoewel er een afbetalingsplan of steunmaatregelen werden toegekend, houdt dit niet in dat er wordt teruggekomen op het voordeel van het afbetalingsplan of van de steunmaatregelen.

Voor een afbetalingsplan zonder vrijstelling van nalatigheidsinteresten versnelt de aanwending zonder formaliteiten, bovenop de maandelijkse termijnen die in het kader van het afbetalingsplan worden betaald, de terugbetaling van de schuld en vermindert ze de last van de nalatigheidsinteresten.

Gezien de terugkerende aard van belastingen en heffingen wordt hiermee een toename van de belastingschuld van de betrokken schuldenaars voorkomen. Dit is dus niet in strijd met het beginsel van goed bestuur.

Aangezien de mogelijkheid van een aanwending zonder formaliteiten steeds uitdrukkelijk wordt vermeld in de toekenningsbrief van een afbetalingsplan, wordt het beginsel van het gewettigd vertrouwen tussen de belastingplichtige en de administratie niet geschonden.
