VRAAG
Door een firma werd mij ter kennis gebracht dat bij een grondige BTW-controle een controleur alle ingaande en uitgaande facturen van het bedrijf over drie boekjaren heeft meegenomen, alsook de BTW-boekhouding van dezelfde in- en uitgaande facturen.
Hoewel in artikel 61 van het BTW-Wetboek in § 5 voorzien is dat facturen en andere stukken door de ambtenaren van de Administratie tegen afgifte van een ontvangstbewijs worden behouden, heeft de betrokken ambtenaar alle meegenomen documenten gedurende drie weken bij zich gehouden zonder een ontvangstbewijs af te leveren.
Van de Minister vernam ik graag, via het Bulletin van Vragen en Antwoorden:
1° of een dergelijke handelwijze van een BTW-controleur volgens hem aanvaardbaar is;
2° of diezelfde ambtenaar het recht heeft de volledige boekhouding mee te nemen dan wel zijn keuze moet beperken tot bepaalde stukken? Artikel 61, § 5, spreekt inderdaad wel van "facturen en andere stukken" maar maakt ook een uitzondering voor de handelsboeken;
3° tot wie moet het betrokken bedrijf zich richten wanneer een controleur, in strijd met de inhoud van artikel 61 van het BTW-Wetboek toch zou eisen de volledige boekhouding mee te nemen? Het gevaar bestaat immers dat een weigering door een controleur zou kunnen uitgelegd worden als zijnde een impliciete erkenning van ontduiking.
ANTWOORD
Artikel 61, § 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, dat aan de ondernemingen de verplichting oplegt sommige boeken en stukken ter inzage voor te leggen aan de BTW-controlediensten, bepaalt dat deze voorlegging ter plaatse waar die boeken en stukken berusten moet plaatshebben. Derhalve mogen de controlediensten niet eisen dat de boeken en stukken naar de kantoren van de administratie zouden worden gebracht of a fortiori dat ze er eenvoudig zouden worden afgegeven met het oog op hun onderzoek.
Het gebeurt nochtans dikwijls dat in de loop van een controle ter plaatse, wanneer het onderzoek van de stukken blijkbaar veel tijd zal vragen, de belastingplichtige zelf aan de ambtenaar die de controle uitvoert suggereert de stukken mee te nemen om ze op het kantoor te onderzoeken; deze oplossing vertoont inzonderheid het voordeel de bezwaren tot een minimum te herleiden welke zouden kunnen voortvloeien uit de aanwezigheid van de controleur gedurende enkele dagen in de lokalen van de onderneming. De administratie heeft geen enkele reden om zich tegen deze wijze van handelen te verzetten, maar deze oplossing mag vanzelfsprekend niet worden opgelegd aan de ondernemingen. Anderzijds heeft de onderneming, die zich in deze toestand wil dekken voor het risico van verlies van een of ander boek of stuk, het recht een ontvangstbewijs te vragen.
Voor zoveel als nodig meld ik aan het geacht Lid dat artikel 61, § 5, van het BTW-Wetboek een andere toestand beoogt dan deze welke hierboven is uiteengezet. Inderdaad die tekst machtigt de ambtenaren van de administratie, tegen afgifte van een ontvangstbewijs, de facturen en andere stukken - en niet de handelsboeken - te behouden welke de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen. Zoals de memorie van toelichting van het wetsontwerp dat het BTW-Wetboek is geworden het preciseert (z. Parlementaire Bescheiden, Kamer van volksvertegenwoordigers. Buitengewone zitting 1968, stuk 88-1, blz. 58), heeft deze bepaling tot doel de taak van de administratie te vergemakkelijken wanneer het erom gaat de gegrondheid van de vordering in rechte te bewijzen. Het recht tot inhouden dat deze tekst invoert heeft normaal betrekking op afzonderlijke stukken en een tamelijk lange termijn (dikwijls tot bij de afsluiting van de zaak).
Wanneer in het door het geacht Lid beoogd geval de betrokken onderneming meent dat de bepalingen hierboven niet werden nageleefd ben ik volkomen bereid een bijzonder onderzoek te laten uitvoeren.