---
title: "Parlementaire vraag 466 · Toepassing van de verruimde minnelijke schikking (MV 5553)"
description: "Toepassing van de verruimde minnelijke schikking (MV 5553), misdaad. Parlementaire vraag nr. 466 van 14 juli 2015 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/466-toepassing-verruimde-minnelijke-schikking-mv-607d"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/466-application-transaction-elargie-qo-carina-0652"
---

# Toepassing van de verruimde minnelijke schikking (MV 5553) · Toepassing van de verruimde minnelijke schikking (MV 5553).

**Nummer**

466

**Datum**

14 juli 2015

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

33 paragrafen

**Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/049 d.d. 09.11.2015, blz. 284**

*Toepassing van de verruimde minnelijke schikking.*

## **VRAAG**

Zoals U weet is de minnelijke schikking voor fiscale (en sociale) misdrijven enkel mogelijk nadat de dader van het misdrijf de door hem verschuldigde belasting, inclusief intresten, heeft betaald en de fiscale administratie daarmee heeft ingestemd. Hier wordt een duidelijk onderscheid gemaakt met andere schadelijdende partijen die enkel moeten worden vergoed, doch niet hun instemming met de minnelijke schikking moeten geven.

Het Grondwettelijk Hof zag in deze onderscheiden behandeling geen graten. Ofschoon het de procureur des Konings is die autonoom beslist of er al dan niet een minnelijke schikking komt, lijkt dat de fiscus in feite een vetorecht heeft tegen het voorstel van de procureur.

Verschillende signalen uit het veld bereiken mij dat in bepaalde dossiers, waar aan de overige wettelijke voorwaarden voor de minnelijke schikking is voldaan (met name de belastingen zijn betaald of althans daarover bestaat er een akkoord en het parket en de belastingplichtige willen een regeling treffen), de fiscus gebruik maakt van haar vetorecht, waarbij persoonlijke overwegingen (maatschappijvisie, visie op het penaal beleid, ...) soms mee aan de basis liggen van deze beslissing.

Dit leidt helaas tot verscheidenheid in behandeling en willekeur, waarbij de fiscus zich aldus - in feite - gaat mengen in het vervolgingsbeleid van het parket, in gevallen waar net door de minnelijke schikking de correcte belastingheffing wordt gewaarborgd. Het vetorecht zou daarbij ook soms ingezet worden om de betaling van fiscaal verjaarde belastingen af te dwingen.

In het verslag van het Rekenhof van 13 mei 2015 omtrent de minnelijke schikkingen bij fiscale misdrijven heeft het Rekenhof het mogelijke risico op schending van het gelijkheidsbeginsel doordat de verruimde minnelijke schikking niet op uniforme wijze wordt behandeld, vastgesteld.

Er blijkt een interne instructie te bestaan (daterend van 29 september 2014), doch die enkel zou voorzien in een specifieke procedure die een uniforme formele aanpak mogelijk zou moeten maken. De instructie zou vaag blijven over de inhoudelijke voorwaarden waaronder de fiscale administratie zich akkoord kan verklaren met het door de procureur geformuleerde voorstel tot minnelijke schikking. Nochtans veronderstelt een gelijke behandeling van belastingplichtigen dat de behandelende ambtenaren een uniforme werkwijze hanteren, zowel binnen een specifiek dossier als over de verschillende dossiers (met andere belastingplichtigen) die worden voorgelegd in het kader van de verruimde minnelijke schikking.

**1.** Is het mogelijk dat de belastingadministratie haar vetorecht gebruikt in een strafzaak waarin het parket een verruimde minnelijke schikking voorstelt, en waar enkel fiscaal verjaarde schulden zijn gebleken uit het strafonderzoek?

**2.** Is het mogelijk dat de belastingadministratie haar vetorecht gebruikt in een strafzaak waarin het parket een verruimde minnelijke schikking voorstelt, en waar grotendeels fiscaal verjaarde schulden zijn gebleken uit het strafonderzoek (en slechts beperkt fiscaal niet-verjaarde schulden)?

**3.** Kan de belastingadministratie, in een dossier met meerdere beklaagden voor dezelfde onderliggende strafrechtelijk gesanctioneerde feiten, aan de ene beklaagde (mede-dader) de minnelijke schikking toestaan en voor een andere beklaagde (mededader) in dezelfde zaak de minnelijke schikking weigeren (wanneer de overige voorwaarden voldaan zijn en aldus het parket de minnelijke schikking voorstelt voor alle beklaagden die daarop wensen in te gaan)?

**4.** Is het in het kader van de gelijke behandeling van belastingplichtigen te verantwoorden dat de belastingadministratie, wanneer het parket een verruimde minnelijke schikking voorstelt en aldus in het kader van haar vervolgingsbeleid van oordeel is dat de feiten daarvoor in aanmerking komen, en wanneer de belastingplichtige de verschuldigde belastingen en intresten heeft betaald, gebruik maakt van haar vetorecht?

Met welke motieven kan een dergelijke weigering worden onderbouwd, rekening houdende met het feit dat de belastingadministratie zich in dergelijk geval gaat mengen in het vervolgingsbeleid van het parket?

**5.** Is het in het kader van de gelijke behandeling van belastingplichtigen te verantwoorden dat de belastingadministratie, wanneer het parket een verruimde minnelijke schikking voorstelt en aldus in het kader van haar vervolgingsbeleid van oordeel is dat de feiten daarvoor in aanmerking komen, en wanneer de belastingplichtige de verschuldigde belastingen en intresten heeft betaald, in verschillende dossiers waarin telkenmale inbreuken op het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en het BTW-wetboek werden vastgesteld, verschillende standpunten inneemt inzake de toepassing van het vetorecht?

**6.** Welke criteria worden gehanteerd door de belastingadministratie bij de toepassing van het vetorecht?

**7.** Kan het openbaar ministerie het veto van de belastingadministratie naast zich neerleggen wanneer men van oordeel is dat er oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt?

## **ANTWOORD**

**van de minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude van 05.11.2015,**

Uit de uiteenzetting en de door het geachte lid gestelde vragen, blijkt duidelijk dat u verwijst naar een specifiek geval. Zoals het geachte lid allicht weet, kan ik niet ingaan op individuele dossiers. Ik zal mij dan ook beperken tot de uiteenzetting van de algemene principes van de verruimde minnelijke schikking.

Artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) voorziet de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om onder bepaalde voorwaarden aan de verdachte van een misdrijf het verval van strafvordering voor te stellen door de betaling van een geldsom.

De bepaling van de geldsom die de strafvordering doet vervallen behoort, binnen de grenzen door de wet vastgelegd, tot de discretionaire bevoegdheid van de procureur des Konings.

Bij een strafrechtelijke minnelijke schikking die fiscale misdrijven betreft, vereist de wet dat de belasting betaald werd, met inbegrip van de intresten, en dat de fiscale administratie haar akkoord heeft verleend.

Op basis van de *ratio legis*, zoals die blijkt uit de voorbereidende parlementaire werken (Kamer, 2010-2011, DOC 1208/007, blz. 34) en de tekst van artikel 216bis, § 6 Sv., is het de fiscale en sociale administratie toegelaten om de minnelijke schikking te plaatsen in hun autonoom beleid.

De fiscale administratie beschikt hieromtrent over een discretionaire bevoegdheid. Een dergelijke discretionaire bevoegdheid betekent dat de fiscale administratie bij het nemen van een beslissing en rekening houdend met alle elementen van het dossier, over een aantal keuzemogelijkheden beschikt die tot verschillende beslissingen kunnen leiden, in casu al dan niet instemming met de minnelijke schikking. Eén onderzoek kan immers slaan op verschillende dossiers met onderscheiden karakteristieken qua belangrijkheid, betrokkenheid, fiscaal verleden.

Deze discretionaire bevoegdheid is geen arbitraire macht. De handelingen van de overheid blijven onderworpen aan het rechterlijk wettigheidstoezicht. Dit houdt in dat de fiscale administratie alle legaliteitsaspecten dient te respecteren. Tevens is voor individuele bestuurshandelingen de formele motivering voorzien.

Zoals het geachte lid terecht opmerkt, heeft het Grondwettelijk Hof zich op 14 februari 2013 uitgesproken over dit onderwerp. Het Grondwettelijk Hof stelt dat artikel 151, §1 van de Grondwet, dat de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie waarborgt in de uitoefening van de individuele opsporingen en vervolgingen, zich er niet tegen verzet dat de wetgever, met naleving van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van artikel 10 en 11 van de Grondwet, de vervolging of bepaalde aspecten van de vervolging van bijzondere misdrijven kan toevertrouwen aan een andere overheid.

Derhalve ontneemt artikel 216bis, § 6, tweede lid Sv., volgens het Grondwettelijk Hof, het openbaar ministerie niet het recht om de vervolgingen al dan niet uit te oefenen. Voor de fiscale en sociale misdrijven beperkt het alleen maar de mogelijkheid van het openbaar ministerie om aan de verdachte een minnelijke schikking voor te stellen die de vervolging beëindigt, waarbij dat voorstel afhankelijk wordt gemaakt van de betaling van de omzeilde belastingen of sociale bijdragen en de intresten die de dader verschuldigd is, alsook van de instemming van de fiscale of sociale administratie.

Ik herhaal nogmaals het antwoord dat ik tijdens de commissievergadering van 8 juli 2015 aan het geachte lid heb bezorgd. Dit is tevens het antwoord dat de administratie aan het Rekenhof heeft gegeven, tijdens een audit betreffende de mogelijke motivering van een weigering van de fiscus om een minnelijke schikking af te sluiten:

"Het is niet aangewezen een lijst, zelfs een indicatieve, op te stellen van de motieven op grond waarvan een minnelijke schikking kan geweigerd worden. Zoals het openbaar ministerie, dat over een discretionaire bevoegdheid beschikt om te oordelen over een minnelijke schikking, werd er beslist dat de ambtenaren op het terrein het best geplaatst zijn om dossier per dossier te oordelen op grond van al de informatie die ze in hun bezit hebben, of het vetorecht al dan niet dient uitgeoefend te worden."

Wanneer het aantal voorstellen van strafrechtelijke minnelijke schikkingen aanzienlijker wordt, zal het na verloop van tijd mogelijk worden, om op basis van de ervaringen duidelijkere regels vast te leggen om op een uniforme manier een minnelijke schikking te aanvaarden of te weigeren.

Alle voorstellen tot minnelijke schikking vanwege het openbaar ministerie in fiscale strafzaken moeten het voorwerp uitmaken van een verslag voor het CAF (dienst coördinatie anti-fraude) waardoor een centralisatie van de praktijkervaring wordt gerealiseerd.

Bovendien voorziet de gemeenschappelijke instructie betreffende de minnelijke schikkingen dat het vetorecht enkel door een ambtenaar met de graad van Adviseur-generaal kan worden uitgeoefend, juist om de gelijkheid en uniformiteit te waarborgen.

Tenslotte voorziet het regeerakkoord dat de procedure van de verruimde minnelijke schikking zal worden geëvalueerd, zonder de grondslag ervan in vraag te stellen.
