Onroerende financieringshuur · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

448 27 juli 2004

Zoeken

Onroerende financieringshuur

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/448-onroerende-financieringshuur-devlies-leasing-9319

Nummer
448
Datum
27 juli 2004

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

13 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 47, blz. 7110-7112

Onroerende financieringshuur

VRAAG

Alhoewel de tekst van het koninklijk besluit nr. 30 van 29 december 1992 duidelijk is en geen toelichting behoeft bestaat er sedert enkele jaren onduidelijkheid over de toepassing ervan door de administratie. Noch het antwoord op Vraag nr. 251 van 3 maart 2003 van de heer Leterme (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1999-2000, nr. 31, blz. 3649) of op mijn vraag nr. 210 van 12 januari 2004 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2003-2004, nr. 20, blz. 2790) voldoet.

Terwijl noch de wet, noch het koninklijk besluit spreken over minimale periodieke vergoedingen of over een maximale optie prijs antwoordde u mij dat door de administratie overleg wordt gepleegd met vertegenwoordigers van professionele leasingmaatschappijen om een correcte verhouding periodieke vergoedingen/ optiebedrag te bepalen.

Het hoeft geen betoog dat dergelijke langdurige rechtsonzekerheid voor investeerders en gebruikers van onroerend goed onhoudbaar is. Bovendien verneem ik van vertegenwoordigers van steden en gemeenten dat zij, de facto, worden afgeschrikt om middels onroerende leasing de BTW-druk op hun onroerend patrimonium te verlichten. Dit effect ontstaat niet enkel door uw ontwijkende antwoorden op voormelde parlementaire vragen, maar eveneens door toelichtingen van uw kabinetsmedewerkers op publieke spreekbeurten. Immers de rechtsonzekerheid wordt gevoed door geruchten, al dan niet gegrond, omtrent minima en maxima die informeel bij de administratie van toepassing zouden zijn op de periodieke termijnen en op de aankoopoptie. Bovendien wordt te pas en te onpas verwezen naar plannen, al dan niet concreet, om de activiteiten van overheden in de sportieve of culturele sector binnen de BTW-sfeer te brengen. Bij dergelijke toelichtingen wordt dan wel verzwegen dat, wanneer steden en gemeenten voor deze activiteiten BTW-belastingplichtige zouden worden, dit niet noodzakelijk betekent dat zij ook recht op aftrek van de BTW op hun kosten en investeringen zullen verkrijgen. Immers, mochten steden en gemeenten als BTWbelastingplichtigen kwalificeren, dan zal een groot gedeelte van deze activiteiten onder het vrijstellingsregime van artikel 44 vallen.

Teneinde de rechtsonzekerheid te vermijden, hebben reeds meerdere steden en gemeenten onroerende financieringshuurovereenkomsten vooraf voorgelegd aan uw diensten ter goedkeuring. Tegenwoordig resulteert dit enkel in een beslissing die stelt dat de beslissing wordt opgeschort. Deze opschorting loopt nu reeds verschillende jaren en blijkbaar kan niemand uitsluitsel bieden omtrent hoelang deze opschorting nog zal duren. Het gaat nu zelfs zo ver dat belastingplichtigen die hun dossier hebben voorgelegd aan de rulingcommissie, waar een termijn van drie maanden wordt vooropgesteld waarbinnen een antwoord wordt gegeven, eveneens te horen krijgen dat de beslissing werd opgeschort.

Het is duidelijk dat steden en gemeenten die op een legale wijze en in samenspraak met uw administratie de BTW-druk op hun gebouwen willen beperken, de grootste slachtoffers zijn van deze onduidelijke toestand.

Een en ander brengt mee dat men zou kunnen veronderstellen dat een concreet antwoord op de concrete vragen uitblijft omdat de wet en het KB duidelijk zijn en dat de commotie die hieromtrent ontstaan is, eerder geïnspireerd was door een budgettaire bezorgdheid dan door de bezorgdheid de bestaande wetgeving correct toe te passen.

1. Kan u in het belang van de rechtszekerheid en het behoorlijk bestuur een duidelijk antwoord geven op de vragen die werden opgenomen in mijn bovengenoemde schriftelijke vraag nr. 210 van 12 januari 2004 waarop u lakoniek antwoordt dat u verwijst naar de mondelinge toelichting in de commissie voor de Financie ¨n die louter ontwijkend was?

2. Mocht u van oordeel zijn dat u nog steeds kan verwijzen naar overleg met vertegenwoordigers van professionele leasingmaatschappijen, kan u dan meedelen welke stappen reeds werden genomen en op welke wettelijke basis dit overleg steunt?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 20.09.2004)

Ingevolge veelvuldig vastgestelde oneigenlijke gebruiken van de BTW-regelgeving inzake onroerende financieringshuur wordt thans overleg gepleegd met de desbetreffende professionele organisaties om op korte termijn de vigerende wetgeving te herzien en te actualiseren. Deze voorafgaandelijke besprekingen dienen te worden geplaatst in de noodzakelijke privaat-publieke samenwerking welke als dusdanig van ernst en realiteitszin getuigt.