---
title: "Parlementaire vraag 437 · Concurrentieverstoring door toepassing van verschillende btw-regels bij de exploitatie van sportinfrastructuur"
description: "Concurrentieverstoring door toepassing van verschillende btw-regels. Parlementaire vraag nr. 437 van 19 mei 2021 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/437-concurrentieverstoring-toepassing-verschillende-btw-regels-9fe3"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/437-distorsion-concurrence-application-regles-tva-4dc5"
---

# Concurrentieverstoring door toepassing van verschillende btw-regels bij de exploitatie van sportinfrastructuur

**Nummer**

437

**Datum**

19 mei 2021

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

18 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 437 van de heer Steven Matheï d.d. 19.05.2021

**Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/056 d.d. 22.06.2021, blz. 143**

Vraag nr. 437 van de heer volksvertegenwoordiger Steven Matheï van 19 mei 2021 (N.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:

*Concurrentieverstoring door toepassing van verschillende btw-regels bij de exploitatie van sportinfrastructuur.*

## **VRAAG**

Wanneer een lokaal bestuur een beroep doet op een private partner voor de oprichting en uitbating van bijvoorbeeld een zwembad onder een zogenaamde DBFMO-overeenkomst, heeft de btw-administratie beslist dat de vergoedingen die het lokaal bestuur betaalt aan de private partner geen tegenprestatie zijn voor een goed of een dienst. De vergoedingen worden aanzien als werkingstoelagen en vallen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de btw. De private partner heeft recht op aftrek in geval van toekenning van werkingstoelagen door het lokaal bestuur.

Indien een lokaal bestuur daarentegen voor de exploitatie van datzelfde zwembad een beroep zou doen op een autonoom gemeentebedrijf en deze entiteit op dezelfde manier financiert, dus door middel van werkingstoelagen, mogen deze werkingstoelagen niet in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van het winstoogmerk in hoofde van het autonoom gemeentebedrijf, maar zijn daarvoor prijssubsidies vereist. In het geval van de toekenning van werkingstoelagen heeft het autonoom gemeentebedrijf geen recht op aftrek op de investeringen en lopende kosten met betrekking tot dat zwembad.

In geval van toekenning van werkingstoelagen kan de private partner de btw dus in aftrek brengen, terwijl het autonoom gemeentebedrijf dat niet kan. Het autonoom gemeentebedrijf dat door de wetgever werd gecreëerd als publiek beleidsuitvoerend orgaan wordt op deze manier geconfronteerd met extra kosten zodat een lokaal bestuur genoodzaakt wordt om een beroep te doen op een derde (private partner), terwijl de bedoeling van artikel 6, lid 2 W. Btw erin bestaat de btw als concurrentieverstorend element tussen privé en publiek uit te schakelen, ook als die concurrentieverstoring in het nadeel van het openbaar bestuur speelt. Dat blijkt onder meer uit het arrest Salix van het Europese Hof van Justitie ([C-102/08](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-102-08-arrest) van 4 juni 2009).

Gaat u akkoord met de stelling dat het huidig standpunt van uw diensten inzake de DBFMO-overeenkomsten leidt tot een concurrentieverstoring in hoofde van autonome gemeentebedrijven? Zo ja, welke stappen dienen bijgevolg ondernomen te worden en wanneer plant u deze te ondernemen? Zo nee, kan u verduidelijken waarom er in voorliggend geval geen sprake zou zijn van concurrentieverstoring?

## **ANTWOORD**

**van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 15.06.2021:**

Ik wens op te merken dat de vergoeding die een lokaal bestuur, in het kader van een DBFMO-structuur, aan een private partner toekent zowel de vorm kan aannemen van een werkingstoelage die niet aan de belasting is onderworpen, als van een met btw belaste prijssubsidie of prijs voor een levering of dienst die door de private partner wordt verstrekt aan het lokaal bestuur. Dit wordt beoordeeld geval per geval.

Het antwoord op de vraag of een exploitant van een sportinfrastructuur (bijvoorbeeld een private partner of een autonoom gemeentebedrijf) een recht op aftrek heeft van de btw geheven van de leveringen van goederen en diensten die hij gebruikt in het kader van die activiteit, hangt onder meer af van de mogelijke toepassing van de vrijstelling opgenomen in [artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44).

[Artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) bepaalt immers dat diensten die worden verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport komen doen, zijn vrijgesteld van btw, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan.

Voormeld artikel is de omzetting van [artikel 132, lid 1, m), van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-132) in nationaal recht, waarvan uit de bewoordingen blijkt dat de uniewetgever heeft beoogd de toepassing van de vrijstelling afhankelijk te maken van de context waarin kwestieuze diensten worden verstrekt. De toepassing van de vrijstelling wordt immers beperkt tot bepaalde categorieën van dienstverrichters, met name de exploitanten van sportinrichtingen die geen winstoogmerk nastreven. De context waarin dergelijke operatoren handelen, verschilt van deze waarin organismen die winstoogmerk nastreven hun activiteit ontplooien, wat een verschillende btw-behandeling verantwoordt.

De handelsondernemingen, de ondernemingen met commerciële doeleinden, alsook de instellingen zonder winstoogmerk waarvan uit de boekhouding evenwel op systematische wijze een winstoogmerk zou blijken én waarbij betreffende winst onder de leden wordt verdeeld, worden daarom uitgesloten van de toepassing van deze vrijstelling.

Het bepalen van de aanwezigheid van winstoogmerk bij een autonoom gemeentebedrijf is vaak minder vanzelfsprekend. Niettegenstaande de statuten terzake een aanwijzing kunnen zijn, is het zo dat de administratie steeds kan onderzoeken of de statutaire bepalingen betreffende de aanwezigheid van winstoogmerk niet louter theoretisch zijn. Dit zal het geval zijn wanneer systematisch tekorten voorkomen in hoofde van het autonoom gemeentebedrijf, omdat de aan de bezoekers van de inrichting aangerekende prijzen niet volstaan tot dekking van de exploitatiekosten van het autonoom gemeentebedrijf en het bijgevolg onmogelijk is om winsten uit te keren.

Ik verwijs naar de gepubliceerde administratieve beslissing E.T.129.288 van 19 januari 2016 en naar de antwoorden op de Parlementaire vragen die over deze kwestie in het verleden zijn gesteld.

Gelet op wat voorafgaat en aangezien de lokale overheden een keuze hebben in de wijze waarop ze de toegang tot de sportinfrastructuur op hun grondgebied organiseren ben ik van mening dat het niet aangewezen is de vroeger ingenomen standpunten te herzien.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 2 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 132](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-132) 1 voorkomen

[C-102/08, arrest van 4 juni 2009](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-102-08-arrest) 1 voorkomen
