Vr. en Antw., Kamer, 1990, nr. 100 , blz. 7898
Betalingen via kredietkaarten - Commissieloon verrekend door de uitgever van de kredietkaarten - Aard van de prestaties in de relatie tussen de klant en de handelaar en tussen de handelaar en de uitgever van de kredietkaarten - Maatstaf van heffing - Vrijstelling voor kredietverrichtingen
VRAAG
De betalingsprocedure via kredietkaarten is de volgende: de klant die lid is van een kredietkaartmaatschappij, legt bij de kleinhandelaar zijn kredietkaart voor. De klant zet zijn handtekening op een voucher, die door de handelaar aan de kredietkaartmaatschappij wordt overgemaakt. De klant betaalt het totaal bedrag van de verkoop aan de kredietkaartmaatschappij, en deze laatste betaalt dit bedrag door aan de handelaar na aftrek van een commissie. In België bedraagt deze commissie gemiddeld 5 %.
Volgens de huidige gewoontes en regels van de BTW-administratie (beslissing van 12 januari 1978 Z. Revue nr. 35, blz. 421.
), worden de kredietkaartmaatschappijen niet beschouwd als BTW-plichtige, wanneer zij «commissielonen» aanrekenen aan de handelaars die een betaling van goederen of diensten incasseren via kredietkaart.
De kleinhandelaar is ertoe gehouden de BTW-aanslag te berekenen op het totaal bedrag van de verkoop, alhoewel hij in feite slechts 100% - 5% commissie = 95% incasseert.
De commissie die de handelaar aan de kredietkaartmaatschappij betaalt, is de vergoeding voor een dienst, die erin bestaat enerzijds krediet te verlenen aan de klant, en anderzijds aan de handelaar een betalingsgarantie te verschaffen.
Zowel de letter als de geest van de BTW-wetgeving bepalen echter dat:
a) de BTW verschuldigd is en berekend wordt op de werkelijk ontvangen verkoopsom, en vanaf de datum van incassering ervan (beslissing van 3 december 1980 Z. Revue nr. 48, blz. 290. );
b) de diensten die door de kredietkaartmaatschappij geleverd worden en waarvoor een vergoeding (commissie genoemd) betaald wordt, een duidelijk handelskarakter vertonen, en derhalve als dusdanig aan het regime van de BTW, zouden moeten onderworpen zijn.
In de huidige omstandigheden is de BTW verschuldigd op een bedrag dat hij niet heeft ontvangen. Is deze zienswijze, namelijk dat het hier gaat om een handelskorting in plaats van een betalingskorting, juist?
ANTWOORD
De leveringen van goederen of de diensten hier te lande door een belastingplichtige handelaar verricht ten behoeve van een klant die in het bezit is van een kredietkaart, zoals in het door het geacht Lid beoogde geval, maakt in principe, overeenkomstig artikel 26 van het BTW-Wetboek de BTW verschuldigd over de volledige door de klant betaalde prijs (eventueel vermeerderd met de lasten), zoals die overigens door de kredietkaartmaatschappij aan de klant in rekening wordt gebracht.
Het commissieloon dat door de vennootschap gespecialiseerd in het uitgeven van kredietkaarten, bij de afrekening met voornoemde handelaar wordt verrekend met deze prijs, betreft de vergoeding van een dienst die door deze vennootschap wordt verricht ten bate van de handelaar. Dit commissieloon is bijgevolg in geen geval als een korting te beschouwen in de relatie van de handelaar en zijn klant zodat in die relatie geen overeenkomstige vermindering van de BTW-heffing kan plaatsvinden.
De dienstverrichting van de kredietkaartmaatschappij is evenwel overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek vrijgesteld van de belasting over de toegevoegde waarde.