Vennootschapsbelasting, controle van een vennootschap, bevoegdheid van de controlecentra · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

4 4 december 2009

Zoeken

Vennootschapsbelasting, controle van een vennootschap, bevoegdheid van de controlecentravennootschapsbelasting - belasting over de toegevoegde waarde - controle van een vennootschap - bevoegdheid van de controlecentra - opdracht van de controlecentra

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/4-vennootschapsbelasting-controle-vennootschap-bevoegdheid-controlecentra-9343

Nummer
4
Datum
4 december 2009

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

14 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 4 van de heer Christian Brotcorne dd. 04.12.2009

Vennootschapsbelasting

Belasting over de toegevoegde waarde

Controle van een vennootschap

Bevoegdheid van de controlecentra

Opdracht van de controlecentra

VRAAG

Uit een recente studie van Deloitte blijkt dat het optreden van de belastingdiensten tegenover bedrijven in de verschillende regio's grote discrepanties vertoont. De verschillen slaan zowel op het aantal controles als op de duur ervan en op het aantal vastgestelde inbreuken. Wat de kansen dat een bedrijf gecontroleerd wordt betreft, zijn de verschillen onthutsend: een bedrijf in Charleroi heeft 10 procent kans om jaarlijks te worden gecontroleerd, een bedrijf in Namen slechts 4 procent en een in Hasselt amper 1 procent. Volgens persberichten is het niet meer zo een absurde gedachte dat men het in sommige regio's niet zo nauw zou nemen met het fiscaal recht. De voormelde studie komt onder meer tot het besluit dat er een flagrant gebrek aan coördinatie bestaat tussen het lokale en het nationale niveau, die beide bevoegd zijn voor de controles.

1. Wat denkt u van dergelijke verschillen tussen de controles op de bedrijven?

2. a) Overweegt u concrete maatregelen te nemen om het probleem op te lossen?

b) Zo ja, welke?

3. Volgens sommigen zouden er in ons land veel te weinig controleurs zijn. Wat is uw antwoord op die stelling?

ANTWOORD

(van de heer Reynders, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)

Duidelijkheidshalve vermeld ik dat de studie waarvan sprake werd uitgevoerd in opdracht van de heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding. De studie handelt over de gelijke behandeling van rechthebbenden, werkgevers en belastingplichtigen door de fiscale en sociale inspectiediensten. De beschikbare onderzoeksresultaten op fiscaal vlak, waarnaar het geachte lid deels verwijst, zijn die in verband met de proeffase van de studie en betreffen de rechtspersonen die aan de vennootschapsbelasting en btw onderworpen zijn. De waarschijnlijkheid van een controle wordt niet bepaald op grond van geografische criteria, maar op basis van het waargenomen fiscaal gedrag. De fiscale administraties passen namelijk de principes van het risicobeheer toe: ze maken het profiel van het hoog-risicogeval op en selecteren die gevallen vervolgens voor een handeling, bijvoorbeeld voor een controle. Op grond van de huidige prioriteiten krijgt de ontwikkeling van het risicobeheer alle aandacht van de betrokken administraties. De centrale analyse- en selectieteams binnen de AOIF, Invordering, de BBI, enz. zullen worden versterkt. Bovendien zal op het terrein geleidelijk de doelgroepenaanpak worden ingevoerd om de behandelingscapaciteit van de diensten te optimaliseren. Een illustratie daarvan is onder meer de oprichting van de pijler grote ondernemingen. Op beleidsvlak is het risicobeheer de oplossing waaraan de FOD de voorrang geeft om de fiscale risico's te minimaliseren door haar middelen optimaal te beheren. Deze keuze belet evenwel niet dat er andere verbeteringsmiddelen worden aangewend om de knelpunten op het vlak van middelen op te vangen. Voorbeelden daarvan zijn de doorgedreven informatisering van de controletaken van de personeelsleden en de ontwikkeling van een echte personeelsstrategie met een valorisatie van de competenties.