Vr. en Antw., Kamer
Teruggaven van belastingtegoeden - Voorwaarden - Indieningstermijn van de BTW-aangiften
VRAAG
De teruggave van een BTW-krediet is onder meer afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar zijn ingediend uiterlijk de twintigste van de eerste maand na het betrokken kwartaal.
In een mededeling van de Minister van Financiën uit 1974 werd echter een verlengde indieningstermijn toegestaan, waarbij teruggave mogelijk was indien de aangifte werd ingediend voor 31 januari, 30 april en 31 oktober en voor het vervallen van de termijn bepaald voor het indienen van de aangiften gedurende de jaarlijkse verlofperiode.
Zou de Minister kunnen mededelen of de administratie een teruggave van een BTW-krediet kan weigeren indien aan alle voorwaarden is voldaan, maar de aangifte werd ingediend na de twintigste van de eerste maand van het betrokken kwartaal, maar binnen de hierboven bedoelde verlengde indieningstermijn?
ANTWOORD
Op grond van artikel 81, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, kunnen de BTW-belastingtegoeden ondanks het verzoek om teruggave van de betrokken belastingplichtigen slechts worden terugbetaald wanneer inzonderheid de BTW-aangiften binnen de door bovengenoemde bepaling gestelde termijn zijn ingediend, dit is uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar met betrekking tot een belastingtegoed dat is ontstaan bij het indienen van de laatste aangifte van het afgelopen kalenderjaar en uiterlijk de twintigste van de eerste maand na het kwartaal op het einde waarvan het belastingtegoed wordt vastgesteld.
Zonder afbreuk te doen aan de terugbetaling van de belastingtegoeden, wordt van bovengenoemde voorwaarde slechts afgeweken tijdens de jaarlijkse verlofperiode waarbij tot hiertoe een verlengde indieningstermijn werd toegestaan met betrekking tot de maandaangiften voor de verrichtingen van de maanden juni en juli en de kwartaalaangifte voor de verrichtingen van het tweede kwartaal.
Anderzijds is het juist dat geen boete wordt gevorderd voor niet-tijdige indiening voor de periodieke BTW-aangiften in de gevallen waarvan sprake in de parlementaire vraag nr. 58 van senator de Clippele van 30 november 1983 Z. Revue nr. 62, blz. 343.
(bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, 1983-1984, nr. 12, blz. 424-425).
Indien het geacht Lid evenwel een bijzonder geval beoogt, nodig ik hem uit mij zulks te laten weten zodat een onderzoek kan worden gedaan.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.