---
title: "Parlementaire vraag 334 · Terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW op de verkoop van tweedehands"
description: "Terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW op de verkoop van tweedehands. Parlementaire vraag nr. 334 van 29 maart 1993 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/334-terugbetaling-ten-onrechte-betaalde-btw-aa25"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/334-remboursement-tva-payee-trop-vente-17a5"
---

# Terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW op de verkoop van tweedehands

**Nummer**

334

**Datum**

29 maart 1993

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

25 paragrafen

**Vr. en Antw., Senaat, 1993, nr. 056, blz. 2730**

*Terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW op de verkoop van tweedehands auto's*

## **VRAAG**

Op 11 februari 1993 heb ik tot u een mondelinge vraag gericht over de gevolgen van een arrest uitgesproken door het Europees Hof van justitie over de terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW op de verkoop van tweedehands auto's (cf.: Beknopt Verslag, Senaat, 11 februari 1993, blz. 693 van de Nederlandse tekst).

De reactie van de pers op uw antwoord brengt mij ertoe u deze schriftelijke vraag te stellen:

«Omdat artikel 32 niet rechtstreeks van toepassing zou zijn, werkt het arrest volgens de minister niet terug. In zijn antwoord op de prejudiciële vraag die de rechtbank van eerste aanleg te Brussel had gesteld omtrent de verenigbaarheid van de Belgische wettelijke regeling met het communautair recht, verwijst het Hof van justitie zelfs niet naar artikel 32. Integendeel, het Hof stelt duidelijk dat de veroordeling op dezelfde gronden berust als die welke het heeft aangevoerd om in 1984 de toen geldende regeling van de catalogusprijs voor nieuwe auto's af te keuren.

Het Hof verwijst naar zijn arrest van 1984, waarin het ervan uit is gegaan dat «de in geding zijnde maatregelen onevenredig waren met het beoogde doel (het voorkomen van belastingfraude of -ontwijking) doordat zij algemeen en systematisch afweken van de regels van [artikel 11 van de zesde BTW-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11)», dus van het beginsel dat de BTW wordt berekend op basis van de tussen partijen overeengekomen prijs. Vervolgens wijst het Hof erop dat de Belgische maatregelen inzake de verkoop van tweedehands auto's tussen BTW-plichtigen zo mogelijk nog minder verenigbaar zijn met de communautaire regelgeving dan de in 1984 afgekeurde maatregelen op de verkoop van nieuwe auto's omdat «de wijze waarop deze maatregelen afwijken van artikel 11, volgens hetwelk de BTW op de werkelijk betaalde prijs berekend moet worden, nog meer ingrijpend en meer algemeen is dan het geval was bij de maatregelen waarop het arrest van 10 april 1984 betrekking had. In die zaak werd de Belgische Staat immers verweten bij de bepaling van de maatstaf van heffing, geen rekening te hebben gehouden met prijskortingen of rabatten. In deze zaak is het evenwel de tussen partijen overeengekomen prijs zelf die niet in aanmerking wordt genomen in de plaats waarvan de minimummaatstaf van heffing wordt gesteld».

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof wordt artikel 11 als rechtstreeks van toepassing beschouwd, in tegenstelling tot artikel 32 waarop u zich beroept.

Tot slot zegt het Hof: «Gelet op het voorgaande, moet op de prejudiciële vraag van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden geantwoord dat de bepalingen van de zesde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die voor de tussen BTW-plichtigen tot stand gekomen verkoop van tweedehands auto's een andere minimummaatstaf van heffing instelt dan die welke voortvloeit uit [artikel 11](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) van de richtlijn», d.w.z. verschillend van de tussen partijen overeengekomen prijs.

In zijn antwoord op de prejudiciële vraag van de Belgische rechter rept het Hof dus met geen woord van het door u aangevoerde artikel 32 dat u hanteert om te bewijzen dat het arrest K-Lines niet zou terugwerken. Het is dus zeer de vraag of de rechtbanken dat argument zullen aanvaarden wanneer zij zich moeten uitspreken over een vordering tot terugbetaling.

U sluit die hypothese trouwens zelf niet helemaal uit: in uw antwoord wijst u erop dat wanneer dergelijke vorderingen ontvankelijk worden verklaard: «de terugbetaling van de BTW, die aan de verkoper wordt toegestaan, dus in elk geval aanleiding zal geven tot een kredietnota die hij aan de koper zal moeten toesturen. De koper zal de BTW dan aan de Schatkist moeten terugbetalen". Het gaat dus niet noodzakelijk om een blanco operatie zoals u het wil laten uitschijnen. In de eerste plaats kan de BTW-plichtige immers alleen maar de helft van de BTW die hij bij de aankoop van een auto heeft betaald, aftrekken van de BTW die zijn eigen klanten hem betalen, om redenen die wij in een van onze maandelijkse rubrieken zullen toelichten, spreekt het immers niet vanzelf dat de koper zich tot de verkoper moet wenden wat overigens in een aantal gevallen moeilijk of zelfs onmogelijk zal blijken in plaats van rechtstreeks tot het bestuur van de BTW om de terugbetaling van de ten onrechte betaalde BTW te verkrijgen».

Bent u bereid de zienswijze die u in uw antwoord op mijn mondelinge vraag hebt meegedeeld, te herzien in het licht van mijn commentaar?

## **ANTWOORD**

In het arrest van 9 juli 1992, heeft het Hof van justitie inderdaad voor recht verklaard dar «de bepalingen van richtlijn 77/388/EEG van 17 mei 1977, zesde richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting- gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag - aldus moeten worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die voor de tussen BTW-plichtigen tot stand gekomen verkoop van tweedehands auto's een andere minimum-maatstaf van heffing instelt dan die welke voortvloeit uit [artikel 11](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) van de richtlijn».

Het Hof heeft hiermee geantwoord op de vraag die hem was voorgelegd aangaande de overeenstemming van het koninklijk besluit nr. 17 met de artikelen [11](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) en [27](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) van de zesde richtlijn. Gezien de vraag naar de overeenstemming van het koninklijk besluit nr. 17 met artikel 32 niet gesteld werd, diende het Hof deze beschikking dan ook niet in haat besluit op te nemen.

Ik wens niettemin het geachte lid te wijzen op het feit dat het Hof, in de overwegingen van het vermelde arrest, op een grondige manier onderzocht heeft of artikel 32 van de zesde richtlijn kan worden ingeroepen om een andere maatstaf van heffing toe te passen dan die welke voortvloeit uit artikel 11 van deze richtlijn (zie overwegingen 14 tot 21).

Na geoordeeld te hebben, in overweging 19, dat bovengenoemd «artikel 32 niet geldt voor een investeringsgoed, gebruikt of niet, ten aanzien waarvan de belastingplichtige gebruikt heeft gemaakt van zijn recht op aftrek», besluit het Hof, in overweging 21, dat «uit het voorgaande volgt, dat artikel 32 van de zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het geen betrekking heeft op een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, die in afwijking van [artikel 11 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) voorziet in een minimummaatstaf van heffing voor leveringen van tweedehands goederen ten aanzien waarvan belastingplichtigen gebruik hebben gemaakt van hun recht van aftrek. Bij dergelijke leveringen dient de belastingheffing derhalve te geschieden volgens de uit [artikel 11 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) voortvloeiende maatstaf van heffing».

Het Hof heeft vervolgens onderzocht of deze minimummaatstaf van heffing kan worden beschouwd als een uit hoofde van [artikel 27 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) toegestane afwijking (overwegingen 22 tot 26) en is tot een negatieve conclusie gekomen.

Rekening houdend met wat voorafgaat, blijf ik er dus bij dat artikel 32 van de richtlijn inderdaad de sleutelbepaling was om uit te maken of de minimummaatstaf van heffing in overeenstemming was met de zesde richtlijn en dat, om uit te maken of dit arrest al dan niet-terugwerkende kracht heeft, men zich moet afvragen of artikel 11 directe werking heeft, rekening houdend met artikel 32.

Opdat de bij de verkoop van een dergelijk voertuig teveel gevorderde BTW moet worden teruggegeven, zou ook artikel 32 van de zesde richtlijn directe werking moeten hebben. Welnu, om directe werking te hebben dient de bepaling duidelijk en nauwkeurig te zijn, moet zij onvoorwaardelijk zijn en mag ze de lidstaten bij de tenuitvoerlegging geen enkele beleidsvrijheid laten.

In onderhavige zaak is aan deze voorwaarden lang niet voldaan. Het begrip tweedehands goed is nooit duidelijk gedefinieerd geworden. De opeenvolgende voorstellen van richtlijnen tot regeling van het toepasselijk regime op tweedehands goederen bevatten voor deze goederen verschillende definities.

Trouwens, de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft verklaard, in antwoord op een schriftelijke vraag van de heer Jaak Vandemeulebroucke in 1984 (vraag 2096/84, Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, C193/19 van 1 augustus 1985), dat artikel 32 van de zesde richtlijn de toepassing van de minimummaatstaf van heffing, bepaald in het koninklijk besluit nr. 17 van 20 juli 1970, mogelijk maakte.

Tenslotte heeft de Commissie zelf nooit een zaak aanhangig gemaakt wegens niet-nakoming van enige verplichting op grond van artikel 169 van het Verdrag van Rome wat betreft de minimummaatstaf van heffing voor tweedehands wagens: het ging enkel om nieuwe voertuigen.

Daaruit besluit ik dus, dat het arrest «K»-Line geen enkele terugwerkende kracht kan hebben en dat geen enkel recht op teruggaaf wordt teweeg gebracht in hoofde van de betrokkenen voor de periode vóór het arrest.

Het is trouwens op basis van dezelfde argumenten dat het arrest van het Hof van Justitie van 10 april 1984 (zaak 324/82, Jur. 1984, blz. 1861 en volgende) geen aanleiding heeft gegeven tot enige teruggaaf van de teveel gevorderde BTW op nieuwe voertuigen voor de periode vóór het arrest.

## Aangehaalde teksten

3

[Zesde richtlijn 77/388 art. 11](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-11) 6 voorkomens

Zesde richtlijn 77/388 art. 32 5 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 27](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) 2 voorkomens
