---
title: "Parlementaire vraag 329 · Bedrijfswagen. Buitenlandse nummerplaat"
description: "Bedrijfswagen. Buitenlandse nummerplaat, bedrijfsvoertuig. Parlementaire vraag nr. 329 van 10 mei 2000 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/329-bedrijfswagen-buitenlandse-nummerplaat-denis-bedrijfsvoertuig-e7fe"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/329-voiture-societe-immatriculee-etrangr-denis-87a6"
---

# Bedrijfswagen. Buitenlandse nummerplaat

**Nummer**

329

**Datum**

10 mei 2000

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

38 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 151, blz. 19256-19260**

**Bull. nr. 837, pag. 1421-1426**

*Bedrijfswagen - Buitenlandse nummerplaat*

## **VRAAG**

Aangezien in de EU vrij verkeer van personen geldt, komt het steeds vaker voor dat een natuurlijke persoon niet in de Staat woont waar hij zijn inkomen verkrijgt. Belgische inwoners die zich in die situatie bevinden krijgen van hun buitenlandse werkgever vaak een auto met buitenlandse nummerplaat ter beschikking.

Mijn vraag handelt niet over Belgische inwoners die via fictieve ondernemingen of buitenlandse leasingmaatschappijen minder belastingen zoeken te betalen, maar wel over natuurlijke personen die niet wonen in de Staat waar hun bedrijf is gevestigd. Om mijn vraag eenvoudig te houden, beperk ik ze tot de BelgischDuitse grens.

Welke regeling geldt voor:

A) een loontrekkende, Belgisch inwoner, die voor woon-werkverkeer over een bedrijfswagen beschikt die hij in bijkomende orde ook voor privé-doeleinden mag gebruiken;

B) een bedrijfsleider (zaakvoerder of bestuurder), die geen vennoot of aandeelhouder is en zich in eenzelfde situatie bevindt;

C) een bedrijfsleider die tegelijkertijd vennoot of aandeelhouder is;

D) een zelfstandige of iemand die een vrij beroep uitoefent en die over een wagen beschikt met een nummerplaat van het land waar zijn onderneming is gevestigd;

E) een Belgisch inwoner die vennoot is van een buitenlandse vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (bijvoorbeeld een feitelijke vereniging) en die over een auto beschikt die is ingeschreven in het land waar zich de onderneming bevindt.

Telkens moet hierbij een onderscheid worden gemaakt naargelang de buitenlandse onderneming de wagen aankocht of least.

1\. Welke zijn in elk van de bovenstaande situaties de Belgische regels inzake verkeersbelasting, belasting op de inverkeerstelling en BTW?

2\. Ik herhaal dat ik alleen informeer naar de gevallen waarin echt een bedrijfsvoertuig door een buitenlandse onderneming ter beschikking wordt gesteld. Het land waar de onderneming zich bevindt (in dit geval Duitsland) zal eisen dat het voertuig daar wordt ingeschreven. In Duitsland is er een bepaling die vergelijkbaar is met ons [artikel 45, § 2, van het BTWWetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45): de BTW die op de aankoop van een voertuig wordt betaald, is maar voor 50 % aftrekbaar. Een belastingplichtige die zich in een van de hierboven geschetste situaties bevindt, zal dus voor eenzelfde voertuig 50 % van het Duitse BTW-tarief (van 8 %) en 50 % van het Belgische BTW-tarief (10,5 %) moeten betalen. En daar komen de verkeersbelasting en de belasting op de inverkeerstelling nog bovenop !

Moet de belastingplichtige bij verkoping van het bedrijfsvoertuig zowel de 21 % Belgische BTW als de 16 % Duitse BTW betalen?

Aangezien de Belgische administratie van de BTW nu de eerste regularisatiestaten verstuurt, moet de kwestie onverwijld worden opgehelderd.

## **ANTWOORD**

(07.01.2003)

Het geachte lid haalt verschillende gevallen aan waarin een in Duitsland ingeschreven voertuig (personenwagen of auto voor dubbel gebruik) ter beschikking wordt gesteld van een Belgisch ingezetene.

Wat het fiscale aspect betreft van de verschillende gevallen, uiteengezet door het geachte lid, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en, anderzijds, de belasting op de inverkeerstelling en de verkeersbelasting.

Inzake BTW, dienen de voorbeelden als volgt geanalyseerd te worden. In een eerste fase, wordt aangenomen dat het voertuig eigendom is van de buitenlandse vennootschap (of van de natuurlijke persoon voor BTW-doeleinden geïdentificeerd in het buitenland).

De eerste aangehaalde situatie is deze waarbij een Duitse onderneming een voertuig ter beschikking stelt aan één van haar werknemers, woonachtig in België, voor diens beroepsverplaatsingen en bijkomstig voor zijn privé-verplaatsingen.

Zoals dit reeds werd uiteengezet in het gedetailleerde antwoord op de parlementaire [vraag nr. 1066 van de volksvertegenwoordiger Duquesne van 1 oktober 1997](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1066-controle-in-buitenland-ingeschreven-belgische-8065) (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997-1998, nr. 134, blz. 18573-18576), waarnaar ik het geachte lid verwijs, wordt de bestemming in België, in hoofde van de Duitse onderneming van de wagen ter beschikking gesteld aan zijn werknemer, niet gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen en is derhalve niet onderworpen aan de BTW in België. Deze regeling wordt uiteengezet in de aanschrijving nr. 1 van 3 mei 2000 die deze regeling nog uitgebreider behandelt.

De tweede aangehaalde situatie is deze, waarbij een Duitse onderneming een voertuig ter beschikking stelt aan één van haar zaakvoerders of bestuurders, woonachtig in België, voor diens beroepsverplaatsingen en bijkomstig voor diens privé-verplaatsingen.

Er dient opgemerkt te worden dat één van de essentie ¨le toepassingsvoorwaarden van de regeling van de niet-overbrenging, uiteengezet in de aanschrijving nr. 1 van 3 mei 2000, veronderstelt dat de in België woonachtige persoon een band van ondergeschiktheid heeft tegenover de onderneming die hem het voertuig ter beschikking stelt. Het bestaan van een band van ondergeschiktheid houdt in dat een persoon of om het even welk orgaan (raad van bestuur, directiecomité, raad van beheer, ...) het recht zou hebben gezag uit te oefenen tegenover de Belgische ingezetene.

Indien, bijgevolg, de bedrijfsleider van de Duitse onderneming daadwerkelijk kan aantonen dat hij een band van ondergeschiktheid heeft ten opzichte van zijn onderneming, wordt deze laatste niet geacht een in België belastbare intracommunautaire verwerving te verrichten.

Indien, daarentegen, niet wordt voldaan aan de hiervoor vermelde voorwaarden, wordt de Duitse onderneming, eigenaar van het voertuig, geacht in België een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel te verrichten, belastbaar op basis van [artikel 25quater, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater). De verschuldigde BTW op deze intracommunautaire verwerving kan door de Duitse onderneming in aftrek worden gebracht in de mate waarin zij haar recht op aftrek kan uitoefenen en binnen de beperkingen van [artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45).

De situatie waarbij iemand, als belastingplichtige natuurlijke persoon in Duitsland, zijn gewone verblijfplaats in België heeft en een voertuig gebruikt voor zijn beroepsdoeleinden, voor de verplaatsing van zijn woonplaats naar de plaats waar zijn commerciële activiteit wordt uitgeoefend en bijkomstig voor zijn loutere privé-doeleinden, valt vanzelfsprekend niet onder de voorwaarden vermeld in de aanschrijving nr. 1 van 3 mei 2000, aangezien er geen band van ondergeschiktheid kan worden verondersteld tussen deze persoon en zijn onderneming. In dit geval bestaat er geen enkel onderscheid tussen zijn privé-patrimonium en dat van zijn onderneming.

Ik vestig de aandacht van het geachte lid erop dat, in een interpretatieve mededeling inzake de goedkeuringsen inschrijvingsprocedures van voertuigen die voorheen waren ingeschreven in een andere lidstaat (Publicatieblad nr. C 143 van 15 mei 1996, blz. 4), de Commissie naar aanleiding hiervan heeft verduidelijkt dat ieder zijn voertuig dient in te schrijven in de lidstaat waar hij zijn normale verblijfplaats heeft en, dat, voor zover het verworven werd onder de normale belastingsvoorwaarden van de markt, het tijdelijk mag gebruikt worden in de andere lidstaten.

Het is dus klaarblijkelijk ten onrechte dat de Belgisch ingezetene zijn voertuig heeft laten inschrijven in Duitsland en dat hij de Duitse BTW heeft betaald bij de aankoop van zijn voertuig. Het is duidelijk dat, indien hij de Belgische BTW had voldaan naar aanleiding van de aankoop van zijn wagen, de Belgisch ingezetene niet geconfronteerd zou zijn geweest met het probleem van de dubbele toepassing van de beperking van zijn recht op aftrek. Bovendien wordt erop gewezen dat in het omgekeerde geval (Duits ingezetene beschikkende over een onderneming in België), de inning van de Duitse BTW zonder enige inning in België de regel is.

Dezelfde analyse dient inzake BTW gevolgd te worden wanneer de Belgische ingezetene vennoot is in een Duitse personenvennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.

Indien nu in een tweede fase verondersteld wordt dat in alle hiervoor aangehaalde gevallen, de personenwagen niet de eigendom is van de Duitse onderneming maar dat deze hem in leasing heeft genomen of heeft gehuurd op lange termijn bij een Duitse verhuuronderneming, dan dient de handeling inzake BTW op de volgende wijze te worden geanalyseerd.

De bestemming van het voertuig in België door zijn eigenaar (dat wil zeggen de verhuuronderneming) wordt niet gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving van goederen (toepassing van de artikelen [12bis, tweede lid, 6°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis) en [25quater, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater), van het BTW-Wetboek) en is bijgevolg niet onderworpen aan de BTW in België. Het feit dat de Belgische ingezetene aan wie het voertuig ter beschikking wordt gesteld de hoedanigheid zou hebben van werknemer, bestuurder of zaakvoerder of een natuurlijke persoon BTW-belastingplichtig in Duitsland zou zijn, doet in onderhavig geval niets terzake.

Overigens deel ik het geachte lid mee dat de verkeersbelasting op de autovoertuigen (VB), de belasting op de inverkeerstelling (BIV), maar ook de aanvullende verkeersbelasting (AVB) en de accijnscompenserende belasting (ACOB) verschuldigd zijn voor de personenauto's, de auto's voor dubbel gebruik, enz., die zijn of moeten zijn ingeschreven bij de Directie voor de inschrijving van de voertuigen (DIV).

Het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2001) heeft het koninklijk besluit van 31 december 1953 houdende reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens vervangen.

Artikel 3, § 1, van dit nieuw koninklijk besluit bepaalt duidelijker de verplichting tot inschrijving en verplicht de in België verblijvende personen om er hun voertuigen te laten inschrijven die zij in het land gebruiken, zelfs wanneer deze voertuigen reeds in een ander land zijn ingeschreven.

Bepaalde voertuigen met een buitenlandse inschrijving mogen nochtans in België worden gebruikt door personen die er verblijven, zonder verplichting tot inschrijving van het voertuig in België. Het betreft namelijk voertuigen gebruikt door natuurlijke personen voor de uitoefening van hun beroep, en die in het buitenland zijn ingeschreven op naam van een buitenlandse eigenaar waarmee die personen verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst; een attest afgeleverd door de administratie van de Ondernemings- en de Inkomensfiscaliteit moet zich steeds aan boord van het voertuig bevinden.

Het spreekt vanzelf dat de voormelde belastingen niet verschuldigd zijn wanneer het beschouwde voertuig niet onderworpen is aan de verplichting tot inschrijving in België.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 25quater](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-25quater) 2 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 2 voorkomens

[WBTW art. 12bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12bis) 1 voorkomen
