Vr. en Antw., Kamer, 1995-1996, nr. 35, blz. 4463-4465
BTW-Revue nr. 123, blz. 750
Terbeschikkingstelling autovoertuigen aan personeel
VRAAG
Eind 1992 werden de ambtenaren van de administratie van de BTW per E-mail ervan op de hoogte gebracht dat de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde op voertuigen door ondernemingen ter beschikking gesteld van hun personeelsleden tot 50 % zou worden beperkt, voor zover de aftrekbaarheid van de aankoop van het voertuig tot 50 % is beperkt. Blijkbaar wordt sedert kort geen BTW meer geheven wanneer het particulier gebruik van de voertuigen niet meer dan 50 % bedraagt. Maar de administratie schijnt een onderscheid te maken tussen de situatie waarin aan de gebruikers geen bijdrage in de gebruikskosten van het voertuig wordt gevraagd en die waarin de werkgever terugbetaling van een gedeelte van de kosten vraagt.
1. Waarom overweegt de administratie dergelijk onderscheid, terwijl toepassing van de BTW in beide gevallen tot dubbele aanslag zou leiden?
2. Waarom zouden de werkgevers het recht hebben de sedert 1 januari 1993 te veel geïnde BTW terug te vorderen, terwijl de principes die de wijziging opleggen, vanaf 1 januari 1978 geldig zijn en de normale regularisatietermijnen 5 jaar bedragen?
3. Waarom werd geen circulaire gepubliceerd om geen ongelijkheid tegenover de belasting te veroorzaken?
ANTWOORD
1. De terbeschikkingstelling van een autovoertuig door een onderneming aan haar personeelsleden wordt ofwel, als een dienstverrichting onder bezwarende titel in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het BTW-Wetboek aangemerkt wanneer een huurvergoeding wordt gevraagd, ofwel met een dienstverrichting onder bezwarende titel gelijkgesteld op grond van artikel 19, § 1, van voornoemd wetboek wanneer dat tot het bedrijf behorend autovoertuig, waarvoor recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de voorbelasting is ontstaan, voor de privé-doeleinden van het personeel van de belastingplichtige wordt gebruikt.
In het eerste geval is die handeling op grond van artikel 26 van het BTW-Wetboek aan de belasting onderworpen over het bedrag van de contractuele vergoeding ongeacht of de aftrek van de BTW geheven van de verkrijging van het voertuig door de onderneming of van het gebruik ervan, bij toepassing van artikel 45, § 2, van genoemd wetboek werd beperkt tot een maximum van 50 %.
In het tweede geval wordt de handeling die met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld overeenkomstig artikel 33, 2°, van het genoemde wetboek aan de belasting onderworpen over het bedrag van de gedane uitgaven. Het bedrag van deze uitgave wordt vastgesteld rekening houdend met de werkelijk gemaakte kosten met betrekking tot die handeling zonder dat evenwel de bijkomstige kosten en uitgaven waarvoor geen recht op aftrek is ontstaan, in aanmerking worden genomen.
Deze notie van "gedane uitgaven" is terug te vinden bij de Europese rechtspraak ter zake die erop gericht is dubbele belastingheffing te vermijden (H.v.J., 25 mei 1993, C-193/91, G. Mohsche).
Wanneer bijgevolg een belastingplichtige een autovoertuig kosteloos ter beschikking stelt van een personeelslid verschaft hij een voordeel van alle aard aan laatstgenoemde en wordt hij geacht uitgaven te hebben gedaan voor een bedrag gelijk aan dit voordeel.
Aangezien evenwel ten aanzien van het begrip "gedane uitgaven" rekening moet worden gehouden met bovengenoemde rechtspraak, stelt de Administratie van de BTW, registratie en domeinen in het ontwerp van aanschrijving dan ook een forfaitaire berekening van deze gedane uitgaven voor, uitgaande van het bedrag van het voordeel van alle aard zoals bepaald door de Administratie der directe belastingen, verminderd in hoofde van de belastingplichtige met de uitgaven waarvoor geen volledig of gedeeltelijk recht op aftrek is ontstaan. Deze forfaitaire berekening is nochtans facultatief. Elke belastingplichtige die dit wenst kan inderdaad aan de hand van bewijskrachtige stukken het juiste bedrag aantonen van de uitgaven die hij heeft gedaan.
2. Teneinde rekening te houden met het in de rechtspraak van het Europees Hof weerhouden principe dat in het ontwerp van aanschrijving toepassing vindt, kunnen de belastingplichtigen, die bewijzen teveel BTW aan de schatkist te hebben afgedragen inderdaad teruggaaf verkrijgen volgens de gewone regels inzonderheid rekening houdend met de verjaringstermijn.
3. Dat voormelde administratie tot op heden nog geen aanschrijving met betrekking tot de bepalingen van artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek heeft gepubliceerd, is te wijten aan de complexiteit van bedoelde materie zoals die is gebleken na de aanpassing op 1 januari 1993 van het BTW-Wetboek aan de zesde richtlijn. Overigens wordt die complexiteit nog benadrukt door de Europese rechtspraak ter zake. Niettemin is de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, niettegenstaande geen publikatie werd verricht, steeds begaan geweest met onderhavige problematiek en heeft ze haar diensten verzocht, de in voorkomend geval, gerezen geschillen, in opschorsing te houden in afwachting dat betreffende aanschrijving wordt gepubliceerd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.