---
title: "Parlementaire vraag 306 · Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing"
description: "Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Parlementaire vraag nr. 306 van 11 juni 1981 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/306-werk-in-onroerende-staat-onroerend-0fe9"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/306-base-imposition-minimale-valeur-normale-929e"
---

# Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing. · Werk in onroerende staat. Onroerend goed. Gebouw. Bouwmateriaal. Bouwsector. Maatstaf van heffing. Normale waarde. Minimummaatstaf van heffing. Bouwwaarde. Bewijs. Bouwdossier. Controlemaatregel. Bewaring van de facturen bij werk in onroerende staat. Factuur. Verplichtingen. Bouwaangifte. Controleschatting. Deskundige schatting

**Nummer**

306

**Datum**

11 juni 1981

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

16 paragrafen

**Vr. en Antw., Kamer G.Z. 1980-1981 blz. 3985**

*Werk in onroerende staat - Onroerend goed - Gebouw - Bouwmateriaal - Bouwsector - Maatstaf van heffing - Normale waarde - Minimummaatstaf van heffing - Bouwwaarde - Bewijs - Bouwdossier - Controlemaatregel - Bewaring van de facturen bij werk in onroerende staat - Factuur - Verplichtingen - Bouwaangifte - Controleschatting - Deskundige schatting*

## **VRAAG**

Kan de Minister van Financiën mij zeggen hoe het Bestuur van de BTW de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt die moet worden betaald door iemand die alleen zijn woning bouwt ?

## **ANTWOORD**

De wijze waarop het volgende geval is behandeld, is op zijn minst verwonderlijk.

De controleur van de BTW schatte de normale prijs voor de bouw van de betrokken woning aanvankelijk op 3.060.000 fr.

Op grond van die schatting werd de bouwer-eigenaar aangeslagen voor 147.679 fr. BTW en een boete van 49.226 fr. Na overlegging van bijkomende gegevens was de controleur bereid die bedragen onderscheidenlijk te herleiden tot 115.825 fr. en 23.000 fr.

Na verdere discussie werd de BTW vastgesteld op 55.789 fr. en de boete op 5.500 fr.

De belastingplichtige betaalde die opgelegde bedragen.

Kan de Minister mij zeggen hoe het bestuur van de BTW die aanslag kan wettigen, daar de betrokken eigenaar zijn woning zonder enige hulp van derden bouwde ? Hij leverde overigens het bewijs dat voor alle leveringen rekeningen werden opgemaakt en de BTW betaald.

Antwoord: [Artikel 64, § 4, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) bevat het vermoeden dat ieder pas opgericht gebouw geacht wordt door een belastingplichtige geleverd te zijn ter uitvoering van een of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat, behalve indien bewezen wordt dat het werd vervreemd in de omstandigheden bepaald bij artikel 9, § 3.

Bij de bespreking van dat artikel in de Verenigde Commissie voor de Economische Zaken en de Financiën van de Senaat werd opgemerkt dat het hier gaat om een vermoeden juris tantum zodat de eigenaar van het gebouw die niet een door [artikel 8, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) bedoelde belastingplichtige is, steeds door alle middelen van het gemene recht, met uitzondering van de eed, zal kunnen bewijzen dat hij het gebouw geheel of gedeeltelijk zelf of met kosteloze medewerking van anderen heeft opgericht (zie Parl. Besch. Senaat, zitting 19681969, nr. 455, van 20 juni 1969). Wanneer dat bewijs wordt geleverd is de BTW niet verschuldigd over de normale waarde, bouwmaterialen inbegrepen, van dat werk.

De administratie past bovenvermelde principes toe wanneer een gebouw geheel of gedeeltelijk werd opgericht door de eigenaar zelf of met kosteloze hulp van derden.

Bij gebrek aan gegevens die de identificatie van het door het geacht Lid beoogde concreet geval toelaten, is het mij niet mogelijk dit geval te beoordelen met kennis van zaken.

Het staat evenwel vast dat de administratie en de betrokken eigenaar definitief een dading hebben getroffen betreffende de vaststelling van de werken waarvoor het bovenbedoelde tegenbewijs mag geacht worden te zijn geleverd en de normale waarde van de andere werken.

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

[WBTW art. 8](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-8) 1 voorkomen
