---
title: "Parlementaire vraag 302 · Automobiel voor invaliden en gehandicapten. gunstregeling in het voordeel van de invaliden"
description: "Automobiel voor invaliden en gehandicapten. gunstregeling in het voordeel. Parlementaire vraag nr. 302 van 12 februari 2009 (Belgisch federaal parlement)."
url: "https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/302-automobiel-invaliden-gehandicapten-gunstregeling-in-7758"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/questions-parlementaires/302-voiture-automobile-personnes-invalides-handicapees-7bc1"
---

# Automobiel voor invaliden en gehandicapten. gunstregeling in het voordeel van de invaliden

**Nummer**

302

**Datum**

12 februari 2009

## Over het document

**Verzameling**

Parlementaire vragen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

6 paragrafen

*Automobiel voor invaliden en gehandicapten*

*Gunstregeling in het voordeel van de invaliden*

## **VRAAG**

Bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten kunnen genieten van een gunstregeling inzake de aankoop en het onderhoud van een voertuig. Uit de bepalingen van betreffende gunstregeling blijkt dat dit fiscaal voordeel een strikt persoonlijk recht is dat slechts wordt verleend aan de invalide of de gehandicapte zelf. De circulaire nr AOIF 15/2004 van 10 maart 2004 houdt een versoepeling in. Zo is het toegelaten dat het voertuig af en toe wordt gebruikt voor verplaatsingen verricht zonder de aanwezigheid van de invalide of gehandicapte maar dan voor doeleinden die in verband staan met zijn bijzondere toestand. De administratie zal ook geen kritiek leveren op het gebruik van het voertuig zonder de invalide of gehandicapte die minderjarig is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid is geplaatst, voor zover het gaat om een gebruik van het voertuig door de wettige vertegenwoordiger van de invalide of gehandicapte en voor zover het ook het enige voertuig van het gezin betreft. De versoepeling die er gekomen is dankzij de circulaire is een goede zaak, maar volgens mij niet voldoende. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan zodat er niet van oneigenlijk gebruik sprake kan zijn, zijn nog steeds zodanig streng dat deze gunstregeling voor velen een slag in het water is. Zo is een gezin waarvan één van de partners ofwel blind is ofwel een danig zware handicap heeft zodat hij of zij onmogelijk zelf met de wagen kan rijden, bijna verplicht een tweede auto de kopen om de fiscale gunstregeling op de eerste auto niet kwijt te spelen omdat de partner van de begunstigde met de auto moet gaan werken. Daarom pleit ik ervoor dat, indien de rechthebbende van de gunstmaatregel niet zelf met de wagen kan rijden, het gebruik van de wagen door de partner van de rechthebbende om boodschappen te doen of voor het woon-werkverkeer niet als oneigenlijk gebruik zou worden beschouwd. Bent u bereid de circulaire in die zin aan te passen?

## **ANTWOORD**

Uit de bepalingen van betreffende gunstregeling zelf blijkt dat de fiscale voordelen ten gunste van bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten inzake voertuigen voor personenvervoer langs de weg, inzonderheid onderworpen is aan de voorwaarde dat het voertuig als persoonlijk vervoermiddel door de invalide of gehandicapte wordt gebruikt. Het is dus nooit de bedoeling geweest van de wetgever de toepassing van de regeling te aanvaarden en te handhaven wanneer het voertuig toevallig of afwisselend voor andere doeleinden wordt gebruikt. De wettelijke bepalingen in kwestie moeten strikt worden geïnterpreteerd. Niets belet dat de invalide of gehandicapte zich met het voertuig verplaatst in gezelschap van andere personen of dat hij, in zijn aanwezigheid, het besturen toevertrouwt aan een verwante of zelfs aan een derde. Het voertuig mag daarentegen in principe niet worden gebruikt zonder de invalide of gehandicapte. De fiscale voordelen worden immers slechts verleend om tegemoet te komen aan de verplaatsingsmoeilijkheden van laatstgenoemde. In dit verband geeft de administratie blijk van een zekere tolerantie. Als de invalide of gehandicapte niet zelf met de wagen kan rijden, is het evenwel evident dat de persoon die hem naar zijn werk of - als het een kind betreft - naar de school voert, zonder de invalide of gehandicapte met de wagen terugkeert naar het huis van laatstgenoemde en dat die persoon 's avonds weer vertrekt met het "lege" voertuig om betrokkene te halen. Dit is a fortiori ook zo voor het vervoer van de invalide of gehandicapte met het oog op zijn hospitalisatie, zonder onderscheid of betrokkene gewoonlijk al dan niet zelf rijdt. Er wordt ook geen kritiek meer geleverd op het feit dat een familielid of een derde alleen met het voertuig naar de apotheek rijdt ten behoeve van de invalide of gehandicapte die, om gezondheidsredenen, zijn woning tijdelijk niet kan verlaten. In deze context is de administratie er altijd van uitgegaan dat er een onmiddellijk verband is tussen die uitzonderlijke trajecten zonder de invalide of gehandicapte en de noodwendigheden van het persoonlijk vervoer van betrokkenen, zodat die trajecten het voordeel van de fiscale gunstregelingen niet in het gedrang brengen. Deze tolerantie is trouwens in overeenstemming met het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 148/2007 van 28 november 2007 betreffende de vrijstelling van de verkeersbelasting voor invaliden en gehandicapten. Elke uitbreiding van de interpretatie van het beginsel "persoonlijk vervoermiddel" zou aanleiding kunnen geven tot misbruiken en zou niet te verantwoorden zijn tegenover de automobilisten die de volledige verkeersbelasting en btw moeten betalen. Bovendien zou elke uitgesproken uitbreiding van de toepassing van betreffende gunstregeling, zoals de afschaffing of een volledige versoepeling van de voorwaarde inzake het gebruik van het voertuig door de invalide of gehandicapte, niet alleen in strijd zijn met de basisprincipes van de regeling maar zou daarenboven de gunstregeling inzake btw in het gedrang brengen. De Europese Commissie heeft immers de toelating gegeven die fiscale gunstregeling te behouden op uitdrukkelijke voorwaarde dat België die regeling niet wijzigt.
